Oorlogsdagen – Pieter Serrien

Auteur en historicus Serrien grasduint in meer dan 30 Vlaamse dagboeken uit de Eerste Wereldoorlog. Sommige zijn nu pas boven water gekomen. De getuigenissen van toen spreken nog altijd aan.
  • Stijn Streuvels, Virginie Loveling, Karel van de Woestijne: drie schrijvers die -al dan niet langdurig- een dagboek bijhielden in de Grote Oorlog. Pieter Serrien (die eerder een gewaardeerd boek samenstelde over het Amerikaanse bombardement op Mortsel, in WO II) voegt daar nog tientallen onbekende Vlamingen aan toe. Natuurlijk is dat geen representatief staal van de bevolking. Dit zijn allemaal geletterde mensen: schoolmeesters, notarisklerken, studenten, scholieren, pastoors, doktoors. Een enkele boer of schoenlapper. Maar één vrouw: Virginie Loveling in Gent.

Serrien heeft er wel voor gezorgd dat zijn 32 Vlamingen zowat over het hele landsdeel verspreid liggen. Van Tongeren tot Zarren. Omdat hij de dagboekfragmenten chronologisch ordent, lees je dus hoe de Duitse troepen oprukken van oost naar west, vluchtelingen voor zich uitdrijvend. En op het einde van de oorlog gebeurt het omgekeerde. Het is uiteindelijk Serrien die de structuur van het boek schrijft, en het verhaal van de oorlog vertelt, aangevuld en geïllustreerd met dagboekfragmenten. Een groot verschil met bijvoorbeeld de opnieuw uitgegeven ‘Oorlogsdagboeken’ van Loveling, waar zij alleen aan het woord is, vier jaar lang.

Dagboeken

Veel dagboeken werden later ‘bewerkt’ of zijn half verloren gegaan. De bloemlezing is hoe dan ook een “interpretatie”, schrijft Pieter Serrien, de spelling is aangepast en uiteindelijk is maar 5% van elk dagboek gebruikt. Dat betekent dat de samensteller radicale keuzes moest maken, maar, geeft Serrien toe, “veel dagboekmateriaal was ook erg saai”.

Waarom schrijven mensen neer wat er gebeurt tijdens een oorlog? Wel wetende dat ze daardoor gevaar lopen en ook hun huisgenoten in gevaar brengen? “Om ervaringen te delen met de wereld, of alleen voor zichzelf, als een soort therapie”,volgens Serrien.

De jongste dagboekschrijver, Alfons Van der Heyden uit Aalst, was nog maar acht jaar oud toen hij er aan begon. DokterLeon Van Haelst was een scherpzinnige getuige van de toestand in het Belgisch-Nederlandse grensdorp Stekene, en hij maakte ook veel pentekeningen. Wijnhandelaar Felix Boon was bij de vernieling van Leuven en schreef daar niet minder dan 1236 pagina’s over, die na zijn dood in zijn oude schrijftafel werden gevonden door zijn kleinzoon. Heel bijzonder is ook zuster G., die anoniem kond deed van de harde strijd in en rond Zeebrugge.

Wel vreemd is dat de bekende dagboeken van onderpastoor Achiel Van Walleghem uit Dikkebus, aan het Ijzerfront dus, niet zijn opgenomen, volgens Piet Chielens van het In Flanders Fields Museum nochtans “de beste burgerlijke ooggetuigenis uit de Zuidelijke Westhoek”.

Dagelijks overleven

Veel dagboekschrijvers maken vergelijkbare dingen mee: vluchtelingen, vernielingen, en daarna de verstikkendeadministratie, de Duitse tijd (en het “vasthouden aan het vaderlandse uur als een stille daad van verzet”), schaarste en smokkel, de vlucht naar het buitenland van familieleden (Nederland, Engeland), de opeisingen van arbeiders, de zeldzame betogingen tegen de Duitse bezetting op de nationale feestdag, het weghalen van kerkklokken, de vreselijkeSpaanse griep, de geruchten en de paniek.

Maar men verdiende ook aan de oorlog: “Er is bijna geen huis of men houdt er winkel. Sigaren, sigaretten, taak, pijpen, potlood, papier, chocolade, taarten, kammen, postkaarten, enzovoort, alles wat de soldaat nuttig of aangenaam kan zijn ligt op de aanlokkende wijze uitgestald” (Jules Gits, dokter in Izegem, 24 september 1915).

Het leven verschilde natuurlijk wel sterk volgens de plek waar je woonde. Vlaanderen was opgedeeld in een Operationsgebiet (de Westhoek), een Marinegebiet (tussen Knokke en Oostende), een Etappengebiet (Oost- en een stuk van West-Vlaanderen), en een Generaal Gouvernement (Antwerpen-Brabant-Limburg).

Snelle publicatie?

Alle respect voor het opzoekingswerk van Pieter Serrien. Hopelijk worden er nog schatten op zolder gevonden, nu de Grote Herdenking van de Grote Oorlog voor de deur staat. Maar haastwerk mag het nooit worden.

Deze bloemlezing kon namelijk beter; nu is ze vooral dik, niet gebruiksvriendelijk en er staan teveel taal- en zetfouten in. De titel noch de cover vertellen bijvoorbeeld dat het om unieke dagboeken gaat. Tijdens het lezen wil je eigenlijk voortdurend weten wie er aan het woord is, en dan niet alleen met naam, maar ook met biografische info, een foto. Dat zit nu slordig verstopt achter in het boek. Er was volgens mij grafisch en visueel ook veel meer mogelijk geweest met de dagboeken, de handschriften, de kaarten. En uiteraard is het ook vreemd om de selectie tot Vlaanderen te beperken, want zoals Serrien zelf schrijft, bij de Duitse inval “speelde de grootste gruwel zich af in de Waalse dorpen en steden”.

[Oorlogsdagen van Peter Serrien is uitgegeven bij Manteau, 495 p]

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s