De woordenaar. Christoffel Plantijn. Sandra Langereis

Een magnifiek portret van de meester-drukker/uitgever uit Antwerpen. Een doordrijver, harde werker, maar soms ook een verbijsterende vleier en profiteur. Tegelijk is dit een boek over de context: Antwerpen in de woelige zestiende eeuw.
Christoffel Plantijn (1520-1589) is de grootste en meest creatieve drukker-uitgever die ons land, wat zeg ik, Europa, ooit heeft gekend. Plantijn was zijn eigen vader en moest zichzelf, from scratch, zelf uitvinden, zonder erfenis, kapitaal, naam noch familie. ‘De Woordenaar’ is het verhaal van een man met een ijzeren wil, een conformist met een enorme werkkracht, een onwrikbare discipline, een verbazingwekkende argeloze moed en een fijne neus voor zaken. Maar Sandra Langereistekent ook de achtergrond van Antwerpen in de dramatische 16de eeuw.

Een Franse Antwerpenaar

En Plantijn was verdraaid een Fransman, net zoals zijn favoriete schoonzoon en opvolger Jan Moretus. Die kwam wel uit het toen vlaamstalige Rijsel. Hoogst merkwaardig dat die mannen de eerste Nederlandse woordenboeken en wetenschappelijke woordenlijsten hebben gepubliceerd, die onze taal weg haalden van het imago van boers dialect. Plantijns fascinatie voor talen verklaart ook waarom niemand anders dan hij de grote Polyglot, de enorme meertalenbijbel kon redigeren.

Johannes Gutenberg vond de boekdrukkunst uit in de 15de eeuw in Mainz. Zijn eerste druksel was geen boek maar een aflaten-certificaat. In 1451 kwam Gutenberg met een volksbijbel op de proppen, het was meteen zijn laatste boek, hij ging failliet. Van Gutenbergs uitgaven zijn nog geen 50 exemplaren bewaard gebleven.

De heruitvinder van de drukkunst

In 1550 schreef de 30-jarige Plantijn, né Christoph Plantin, zich na omzwervingen via Tours, Lyon, Normandië, Caen en Parijs in Antwerpen in als boekbinder. Zijn moeder was overleden aan de pest, zijn vader zag hij het laatst toen hij 15 was. Hij had 10 jaar gewerkt als leerling en gezel in de drukkers- en boekbindersgilde. In 1545 trouwde hij, in Antwerpen kreeg hij ‘n menigte kinderen, van wie maar vijf boekhoudkundig begaafde dochters de volwassenheid bereikten.

Halfweg de 16de eeuw was Antwerpen ondanks de strenge censuur door Keizer Karel V het culturele hart van de Nederlanden, en met 100.000 inwoners na Parijs de tweede grootste stad ten noorden van de Alpen. De multiculturele en meertalige metropool was tot ongenoegen van de Spaanse Habsburgers niet mono-katholiek. In 1531 al had Antwerpen een beurs gebouwd, met twee klokkentorens, om de beursganger eraan te herinneren dat time money is.

Het duurde vijf jaar voor Plantijn, die eerst zijn brood verdiende in verschillende takken van de luxe-nijverheid, zich als drukker manifesteerde. Zijn dochters zouden trouwens die luxe-nijverheid (kant, zijde, leder, linnen) de hele eeuw lang voortzetten, als een soort reserve-hulpbron en veiligheidsklep.

In 1552 mocht Plantijn de stedelijke administratie inbinden, hij was gelanceerd. In 1555 verscheen een etiquetteboekjevoor aristocratische jongedames met als opschrift “imprimerie Chr. Plantain”, de eerste vermelding van zijn naam als drukker. Van dit boekje is een luxe-editie bewaard in het Plantin-Moretus-museum in Antwerpen. Nog datzelfde jaar gooide hij een Spaanse Seneca-bloemlezing op de markt.

De Gulden Passer

In 1557 koos hij voor de passer, vastgehouden door een hemelse hand, als logo. Zijn winkel heette ook ‘De Gulden Passer’. (Dat was in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw trouwens de naam van de boekenrubriek van André Demedts, Valere Arickx en Fernand Bonneure op omroep West-Vlaanderen.)

In 1574 gaf Plantijn een Nederlands-Latijns woordenboek uit, het begin van een indrukwekkende reeks vocabularia, die na zijn dood werd voortgezet. Zijn ‘Etymologicum’ was de eerste talige cultuurgeschiedenis in onze gebieden. Die inspanningen waren de eerste stappen naar het Algemeen Nederlands. In het noorden was het plechtige Nederlands van de Statenbijbel de officiële taal.

Plantijn prees zijn werk aan bij Filips II, een nog abominabeler vorst voor onze contreien dan zijn vader Karel V, met het argument dat “een dergelijk nationaal taalparadijs precies was wat de vorst nodig had om de verdeelde Nederlandse gewesten in cultureel en bestuurlijk opzicht samen te smeden”. Vreemd om dit te lezen uit de pen van een man die altijd zelf erg onbeholpen Nederlands sprak, hoewel zijn vijf dochters met Nederlandstaligen trouwden.

In 1556 schreef en drukte Plantijn een lofdicht op Filips II dat bewaard bleef in het Escorial, het kloosterpaleis en mausoleum in Madrid. Zoals Karel V “sprak Filips II Spaans tegen God, Frans tegen mannen, Italiaans tegen vrouwen en Nederlands tegen zijn paard“. 

Almanakken, atlassen en een meertalige Bijbel

Meer dan de helft van het drukwerk in de 16de eeuw bestond uit religieuze werken. Ook allerlei almanakken verkochten goed. Plantijn stortte zich enthousiast en met succes op die markt. Zo’n almanak was goedkoop, gedrukt op minderwaardig papier. Als het jaar voorbij was, kwam de almanak in het toilet terecht, of zoals Plantijn in de opdracht meldde: “mijnen Almanach mach u na’t jaer de poort kussen”.

Van die productie is weinig bewaard, wel een piepklein calendarium van 22 bij 35 millimeter. Drukkers probeerden elkaar te overtroeven met uitbundig luxueuze werken, en met piepkleine boekjes, ter grootte van een gom. Aan de andere kant van het spectrum drukte Plantijn de wereldatlas van Abraham Ortelius, en de anatomische atlas van Vesalius.

Zijn meest prestigieuze, dure en zwaar verlieslatende onderneming was de achtdelige Polyglotbijbel, het oude en nieuwe testament in vijf talen, gebaseerd op de oudste en meest directe bronnen. Dit werk doorheen de Spaanse en Romeinse censuur krijgen was al een helse klus. Concurrenten schrokken er niet voor terug om ketterse boekjes te drukken en er Plantijns vignet op te stansen.

Snottebellen verboden

Drukken was een enorm arbeidsintensieve bezigheid, die ook buitengewoon veel materieel , werktuigen, gereedschap en grondstoffen veronderstelde. Honderdduizenden loden letterstaafjes waren nodig voor één boek. Plantijn had een enorme collectie stempelsets, matrijzen, letter-ontwerpen. Het ongelooflijke is dat die nu nog te bewonderen zijn in het Plantin-Moretus-museum. Samen met verschillende drukpersen tonen ze een mooi beeld van een vroeg-moderne industriële drukkerij.

In de werkplaatsen heerste discipline. Er stond een boete op winden laten, en “snotte-bellen aen yemants dingen doen”. Bij Plantijn werkten op topmomenten 50 zetters, drukkers, inkters, vertalers en correctors. Ze bedienden 20 persen. Ongeëvenaard in die tijd.

Het aantal publicaties liep in de honderden, zeker toen Plantijn ook voor universiteiten en studenten begon te drukken. Geen wonder dat een uitgever die in 1950 in Mechelen een bedrijf opzette voor schoolboeken, zijn onderneming Plantyn noemde. En er bestaat in Antwerpen ook een Artesis-Plantijn-hogeschool.

Beeldenstorm

De carriere van Plantijn schommelde mee op het ritme van de religieuze perikelen in de 16de eeuw. In het geboortejaar van Plantijn al vond in Brussel de allereerste boekverbranding plaats. Toen werd Antwerpen het productiecentrum van protestants drukwerk. In de Nederlanden liet Filips II zich vervangen door zijn zus, Margaretha van Parma, die gesandwicht zat tussen haar begrip voor de lokale situatie, en de drieste eisen van Madrid. De Beeldenstorm van 1566 kwam niet uit de lucht gevallen. Heelder kerkinterieurs, ook van de OLV-kathedraal in Antwerpen, moesten eraan geloven, de glas-in-lood-ramen inbegrepen. De geuzen braken graven van priesters open en “scheten in de doodskisten”.

Protestanten haatten afbeeldingen. Het woord was God. De katholieke kerk vertaalde het woord in voorstellingen. Woord versus beeld, het grote verschil tussen Rome en Calvijn. In augustus 1566 stemde Margaretha in met een voorlopige religievrede. Antwerpen was nu tegelijk de grootste katholieke en calvinistische stad van de Nederlanden. Maar Filips II verbrak het akkoord, vanaf de herfst klonk het dat Madrid na de winter een strafexpeditie zou sturen.

De grote uittocht van tienduizenden protestanten naar het noorden begon, een intellectuele en economische braindrain zonder weerga. Het Spaanse leger liet nog een jaar op zich wachten, hertog Alva volgde Margaretha op. Een van zijn eerste beleidsdaden was de openbare marteling en executie van de nochtans gematigde burgemeester van Antwerpen.

De opportunistische Plantijn koos de kant van Spanje. Hij drukte zelfs officiële plakkaten voor Alva, en een index van verboden boeken. Ironie: op die index stond ook zijn eigen Reynaert de Vos. En Erasmus. In 1569 brandden ook in Antwerpen boeken en mensen.

Slijmen bij de tiran van Spanje

Plantijn begon Filips II te bewerken in een lawine van bedelbrieven en verzoekschriften, om subsidie te krijgen voor zijn vele bijbels. “Ik ben van mening dat mensen die dwalen op geen andere manier naar de ware religie zijn te leiden dan door studie, beschaving en vriendelijke bejegening; zo laten zelfs de dieren zich temmen”, schreef hij. Het Spaanse Hof zag dat anders. De oorlogsdaden escaleerden, het Spaanse leger dat in geen jaren soldij kreeg, begon te plunderen en te muiten. Intussen hield Filips II Plantijn voor de gek.

Maar de Polyglot kwam er toch. In Spanje waren er namelijk geen drukkerijen die naam waardig. Er verschenen 1200 gewone en een paar honderd luxueuze exemplaren, één daarvan bereikte in 1582 China. Van de sjiekste, loodzware en onhandelbare Bijbels zijn acht volledige sets bewaard. Voor één perkamenten exemplaar van 7000 bladzijden waren 1750 kalfshuiden nodig. Om een idee te krijgen wat dit kostte, vertaalt Sandra Langereis alles naar daglonen van ambachtslui.

Het concilie van Trente bepaalde dat alle kerken, tot de kleinste parochiekapelletjes, een volwaardige liturgische bijbel moesten hebben. Als gevolg daarvan was 1574 het productiefste jaar ooit voor Plantijn. Maar vanaf de herfst van 1575 deden nieuwe onlusten die stroom opdrogen.

De Spaanse furie

In 1576 was er de verwoestende en wrede Spaanse Furie in Antwerpen, toen de soldaten begrepen dat ze na vijf jaar wachten nooit soldij zouden ontvangen. ‘De Gulden Passer’ ging in vlammen op. 30 Spaanse soldaten en 16 paarden namen hun intrek in de woning Plantijn en lieten ze uitgeleefd achter. Maar na een nieuwe religievrede stond Plantijn andermaal als een feniks op. Antwerpen was nu een calvinistische stadsstaat. Willem van Oranje bezocht de drukkerij. Dankzij het exotische werk van Carolus Clasius konden de Lage landen kennismaken met de aardappel, de koffieboon en de tulp.

Ook die vrede hield maar drie jaar stand. Tijdens een nieuwe Spaanse belegering daalde het inwonersaantal van Antwerpen tot 40.000. Plantijn ging weer zoete broodjes bakken bij Filips II en mocht zich opnieuw ‘Imprimateur du Roy’noemen.

Dochters en schoonzonen

Naast alle economische en historisch-biografische elementen ruimt Sandra Langereis ook plaats voor het familiaal levenvan de Plantijns. Het gezin hing niet aan elkaar van liefde en affectie, maar uit economische noodzaak. Ze hadden een project, daar zetten ze zich ten volle voor in.

Sommige omgangsvormen bij de Plantijns bestonden eind 20ste eeuw nog. Mijn grootvader was een kleine aannemer, gezegend met drie dochters, geen zoon. Hij probeerde tevergeefs toch één van die dochters te laten trouwen met zijn beste metselaar, Frans. Een tijdlang stelde hij zijn hoop wat opvolging betreft in mij, zijn oudste kleinkind. Maar ik had twee linkerhanden en ik was geen commercant.

Plantijn zag snel in dat men zonen niet voor het kiezen heeft, maar schoonzonen wel. Hij had meer succes dan mijn opa.Jan Moretus tilde het bedrijf over de dood van de président-fondateur heen, en via zijn nakomelingen bestond de drukkerij tot eind 19de eeuw. In het Plantin-Moretus-museum leeft de onderneming geloofwaardig voort.

Sandra Langereis, een ervaren historisch auteur, schreef met ‘De Woordenaar’ een levendig caleidoscopisch fresco over een boeiende man in een tumultueuze tijd. Ja, af en toe is het te lang, draven net iets te veel nevenpersonages op, en het is ook moeilijk om altijd opnieuw originele woorden te vinden om het drukkersbedrijf visueel tot leven te roepen. Maar haarportret van de doordrijver, de harde werker, de soms verbijsterende vleier en profiteur Plantijn is magnifiek. De man met een dubbele missie, welvaart voor zijn familiebedrijf en religieuze gematigdheid, kon zich geen betere biograaf wensen. Jammer dat zijn letterzetters het niet meer kunnen drukken….

[De Woordenaar. Christoffel Plantijn van Sandra Langereis is uitgegeven bij Balans Amsterdam, 400 p, in de (Nederlandse)Sleutelfigurenreeks. Eerder verschenen biografieën van Jacoba van Beieren, Herman Boerhaave, Rutger Jan Schimmelpenninck, Jacob Roggeveen en Mina Kruseman. In de komende jaren komen nog de biografieën van Jacob Cats en Jacob van Lennep.]

In het Plantin-Moretusmuseum in Antwerpen loopt op dit moment de tentoonstelling ‘De anatomie ontleed’. Christoffel Plantijn gaf de ‘Vivae imagines corporis humani’ van de Spaanse arts Juan Valverda uit. Dat werk verscheen voor het eerst bij Plantin in 1566 en is geïllustreerd met gravures gebaseerd op de houtsneden uit het anatomisch werk vanAndreas Vesalius.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s