jodenenwoorden – Amos Oz & Fania Oz-Salzberger

Schrijver Amos Oz en zijn dochter, historica Fania, brengen een liefdevolle en vurige ode aan de peilloos diepe, rijke woordenerfenis van de Joden. Met een flinke scheut gotspe, onbeschaamde brutaliteit.

Ongelovige Joden

 “Joden hebben iets met woorden”. Zo steekt dit wonderlijke boek met een understatement van wal, want het is er natuurlijk zelf het papieren (of e-) bewijs van. We kunnen niet buiten de actualiteit, en ik moet meteen denken aan wat Joris Luyendijk ooit zei over de immer welbespraakte Engelstalige woordvoerders van Israël, terwijl de Palestijnse kant heel wat minder vlot wordt vertolkt, internationaal.

Ook vader Amos Oz, internationaal gelauwerd auteur, en zijn oudste dochter Fania Oz-Salzberger, hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Haifa, hebben altijd met elkaar en met de buitenwereld over taal gesproken, geschreven, geredetwist.

Van bij het begin maken ze duidelijk dat ze niet gelovig zijn; ze zijn allebei seculiere Joodse Israëli’s. “Voor zover we ons met Abraham verbonden voelen, is het via een keten van geschreven woorden. (…) Wij zijn de Atheïsten van het Boek”. Niettemin laten ze tal van religieuze teksten de revue passeren in dit boek, met grote literaire bewondering. Want bijvoorbeeld de “Tanach, de Bijbel in de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst, is adembenemend”.

Een lange lijn van teksten

Vader en dochter Oz  voelen zich diep verankerd in de contuïteit, de lange Joodse teksttraditie. “We zijn niet geïnteresseerd in neuzen. We zijn niet geïnteresseerd in chromosomen”. Wel in woorden, en die worden doorgegeven van vader op zoon (maar ook voor de dochters hebben de auteurs aandacht) en van leraar op leerling. Soms vallen die twee samen. De leerling mag veel vragen stellen en het zelfs oneens zijn. Ook de Oz-zen voelen zich vrij om selectief te kiezen uit hun erfenis.

“Onze genealogie is geen bloedlijn maar een tekstlijn”. Joden hebben een draagbare geschiedenis, vaak uit noodzaak, denk aan ballingschap. Al heel vroeg in de geschiedenis beseften families dat ze moesten “fungeren als doorgeefluik van het nationale geheugen”, en dat is een “mengsel van brood en boeken”, een “unieke verbale moedermelk”.

Een eenvoudig boek is dit niet. De auteurs putten uit de joodse geschiedenis en uit heilige boeken, die ons niet zo bekend zijn. Maar zelfs dan slagen ze er in om sprankelend, uitnodigend en inclusief te schrijven over de schoonheid van de taal, de humor tot leven te wekken en interessante thema’s te belichten. Zoals de verbaliteit van Joden -denk aan Woody Allen- de zelfspot en tegelijk de zelfverzekerdheid, het geloof in de rede, de nadruk op het altijd lerende individu, de “oneerbiedige eerbied” (de gotspe of chutzpah in Amerikaans-jiddisj). Of het tijdsbesef in joodse teksten: cyclisch dan wel lineair, tijdloos of buiten de tijd, allemaal geïllustreerd met woorden en teksten.

Sterke vrouwen

In alle religieuze teksten wemelt het van de persoonsnamen (“…een man die Elkana heette. Hij was een zoon van Jerocham, die een zoon was van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Suf, en behoorde tot de stam Efraïm”). Dat is geen toeval volgens Amos en Fania Oz. Namen noemen is van groot belang; de Joden hebben nooit veel op gehad met anonimiteit.

Het Joodse individu staat centraal, maar zeker en vast in strakke relatie tot de groep. “Niemand is een eiland, maar we zijn allemaal schiereilanden. Deels op onszelf, omringd door donkere wateren, en deels verbonden met het vasteland, met de meervoudsvorm”.

Boeiend is het hoofdstuk over mondige Joodse vrouwen, zelfs al is de Bijbel “tot op het bot patriarchaal”. De auteurs beweren stellig dat het erotische Hooglied geschreven werd door een vrouw, en niet door Salomo. Ze halen nog veel voorbeelden aan van her-story in plaats van his-tory. Ze verkiezen dé Jiddische oermama uit de Bijbel: Hanna, de onvruchtbare vrouw die uiteindelijk een zoon kreeg, Samuel, maar die volgens afspraak afstond aan de priester. Ze putten uit de Sefardische dichtkunst, ze verhalen over Glikl van Hamelen, een belezen joodse vrouw uit de zeventiende eeuw.

Levende taal

En dan is er het Hebreeuws, millennia lang een dode taal, die nog maar in de 19de eeuw weer tot leven werd gewekt. De auteurs zijn er lyrisch over, omdat het nieuwe Hebreeuws tegelijk geworteld is in dat immense verleden én open staat voor slang en Engels en alle mogelijke moderne invloeden. Teksten zijn, om bij het thema te blijven, niet in stenen tafelen gebeiteld, maar bij het generaties lang doorgeven aangepast en veranderd. En zo is het goed. Zo blijven ze leven.

Het siert Amos en Fania Oz dat ze oog hebben voor de “pijnlijke verliezen”. “Ooit zal het verhaal over Palestijnen en woorden verteld worden”. Maar niet door deze auteurs.

Het siert hen ook dat ze dit boek eigenlijk schreven voor iedereen die van boeken houdt, niet alleen voor Joden. “Vervang het woord Jood in dit boek maar eens door lezer”.

Ze besluiten dit zwierig, wat tongue-in-cheek geschreven boek met een geweldig zelfrelativerend Jiddisch gezegde: “Hot er gesogt!”, wat zoveel betekent als ach, hij zegt maar wat, het zijn maar woorden…

[jodenenwoorden van Amos Oz en Fania Oz-Salzberger, uit het Engels vertaald door Saskia van der Lingen (die ook aan de Nieuwe Bijbelvertaling werkte) is uitgegeven bij De Bezige Bij, 2014, 272 p]

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s