Kwikzilver – Ann De Craemer

Een warmhartige ode van een kleindochter aan haar grootmoeder, “de koningin van de eenvoud”, maar ook aan het huis waar ze woonde, aan een vervlogen tijd en aan het herinneren zelf.

De kraai zat op de rand van de put
en hij zei: puit, komt eruit!
Jakendoe, zei de puit, gij zult mij pekken.
Jakendoe, zei de kraai
en de puit kwam eruit

Pekke, zei de kraai
’t Had ’t wel gepeisd, zei de puit
en zijn rechteroogske was eruit.

In ‘Vurige tong’ (2011) rekende Ann De Craemer (Tielt, °1981) op scherpe wijze af met het hypocriete katholicisme dat haar jeugd en haar familie vergiftigde in West-Vlaanderen. ‘Kwikzilver’ is ook autobiografisch, speelt op dezelfde plaats en in dezelfde tijd, maar er is iets veranderd. De Craemer is veel milder geworden.

Dat je de vrouw uit West-Vlaanderen kan weghalen, maar West-Vlaanderen niet uit de vrouw, bleek al toen De Craemer na een kort verblijf in Brussel weer in Tielt ging wonen. In die streek speelt trouwens ook haar tweede, -niet-autobiografische- roman ‘De seingever’ (2012) zich af, een nostalgische blik op het wielrennen. Nostalgie kenmerkt ook deze derde roman ‘Kwikzilver’, al is dit zeker geen verhaal van peperkoek.

Van den buiten naar de stad

De grootmoeder van De Craemer, Paula Van Hauwaert, woont als weduwe op het platteland. Haar huis-met-koterijen is de plek waar de vele kinderen en kleinkinderen nagenoeg elke dag komen aanlopen. Op een kwaaie dag valt er een brief in de bus. Ze wordt onteigend om plaats te maken voor -hoe typisch West-Vlaams- een KMO-zone. Grootmoeder verhuist naar een serviceflat (in residentie Adagio!) in de stad. Pas veel later wordt haar huis afgebroken. De fabrieken die er zo nodig moesten komen, staan nu op hun beurt leeg.

Dat is de setting waarbinnen De Craemer haar oma tot leven roept. Een oma van versjes en liedjes. Van het onsterfelijke verhaal van de kraai en de puit. Een oma die geheimzinnige kleding als een ‘tabbaard’ (nachtpon), een ‘gaine’ of een ‘kommenezon’ (combinaison) draagt. Een vrouw die haar vader pas zag toen ze tien jaar was, toen hij terugkeerde uit Amerika, waar hij met de Red Star Line naar toe was getrokken. Een vrouw die een kroostrijk gezin bestierde, maar ook een kindje verloor aan wiegendood.

De ervaring en de herinnering

Ook na de verhuizing naar de stad gaat de auteur dagelijks op bezoek bij haar grootmoeder, en maakt er ook schoon. Die ervaringen zijn de brandstof voor haarscherpe herinneringen. “Telkens als ik vandaag een dweil uitwring, word ik terug in de tijd gekatapulteerd naar die woensdagmiddagen waarop een natte vloer woordeloos het verhaal vertelde van de intimiteit tussen een grootmoeder en een kleindochter”.

Sterker nog, op het moment dat iets gebeurt, weet de tiener De Craemer al dat dit haar zal bijblijven. Het liedje ‘Souvent, je pense à vous, madame’ van Claude Barzotti bijvoorbeeld, in de wachtzaal van het ziekenhuis waar haar oma zal sterven. Alsof de herinnering de ervaring voorafgaat.

Kwikzilveren tijd

Hoe die twee, herinnering en ervaring, een wervelend spel met de chronologie spelen, blijkt uit een sleutelscène in het boek. De Craemer is net teruggekeerd naar Tielt. Ze klimt uit het raam van haar nog lege appartement met een bord vol broodkorstjes voor de vogels, net zoals haar oma die naar de tuin droeg in haar opgetilde schort. “Tijd werd op mijn terras in de sneeuw zo vloeibaar als het kwik uit de thermometer dat bleek te zijn: ik bevond me in heden en verleden, en in de toekomst van een te schrijven verhaal dat me nu recht in de ogen keek”.

Als oma sterft en De Craemer geen tekst voor het doodsprentje wil of kan schrijven, weet ze al dat ze dat ooit wél zal doen, in extenso zelfs. Het heeft twintig jaar geduurd. Soms ligt de bedoeling er te dik op, in dit boek, met overbodige zinnen als “Ik heb van grootmoeders verhalen een gouden paleis van herinneringen willen maken dat niet door de tijd kan worden gesloopt”. De observaties van een kind in de warmte van een grootmoeder volstaan ruimschoots.

De keukentafel spreekt

Mooi is ook dat niet alleen de grootmoeder en de kleindochter hoofdfiguren zijn in dit boek. Ook het huis spreekt. De achterdeur met ‘kattenstaarten’ om de vliegen buiten de houden. De keukentafel die bladzijden lang vertelt over wie er aanzat, en wat er gebeurde. De kelder, waar tijdens de Tweede Wereldoorlog dertig vluchtelingen verbleven. De koterijen, de golfplaten, het is allemaal zeer herkenbaar, simpel en treffend geschetst.

Vooral de krachtige band tussen kleindochter en grootmoeder ontroert de lezer, de compliciteit tussen die twee. Van chocopasta eten tot naar de Nederlandse televisie kijken. En het is zeker geen eenrichtingsverkeer van oud naar jong. De Craemer snoert haar oma de mond als ze huiswerk moet maken, en doet haar nog een laatste keer zingen voor ze sterft. Ook na haar dood is grootmoeder heel aanwezig, in Proustiaanse herinneringen die getriggerd worden door het getik van een wandelstok op straat, of een duif op het dak.

Ann De Craemer heeft een mooi portret van haar oma en van zichzelf geschreven, en de kwikzilveren tijd even stilgezet. “De sloop van het huis had ik niet kunnen tegenhouden, maar aan de diefstal van de tijd wilde ik niet medeplichtig zijn”.

[Kwikzilver van Ann De Craemer is uitgegeven bij De Bezige Bij Antwerpen, 2014, 222 p]
Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s