Danubia – Simon Winder

Een diepe duik in de geschiedenis van de Habsburgers, met veel Britse humor maar ook veel Brits onbegrip voor nationale aspiraties.

 Simon Winder schreef eerder al ‘Germania’, en snijdt nu het Habsburgse rijk aan, van het eind van de Middeleeuwen tot de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije in 1918. ‘Danubia’ is het rijk rond de Donau met verre uitlopers, tot in onze contreien. De Habsburgers, het langst zittende en machtigste Europese vorstenhuis, ”hadden zeer veel invloed op het hele continent, maar de ‘grote gebeurtenissen’ werden even vaak door hun niets-doen bepaald als door hun initiatief. Het is opmerkelijk hoe teleurstellend en onbekwaam veel van de keizers waren”. Tja, het was een erfelijke monarchie met ontzettend veel inteelt. Winder schildert zijn keizers in bonte kleuren. Ze waren bijna allemaal eigenaar van de fameuze Habsburgse kin, de centenbak, die je ook al eens op portretschilderijen ziet.

In een zee van namen en dataheb je als lezer nood aan verdwaalpalen en bekendere namen.Bijvoorbeeld Albrecht en Isabella (van wie Winder ten onrechte zegt dat ze geen paleis hebben achtergelaten: jawel dus, onder het Koningsplein in Brussel zijn de resten te zien van de Coudenberg-stek van de landvoogden van de Zuidelijke Nederlanden), of Maria Theresia, regelneef en keizer-koster Jozef II, Franz-Jozef (de oom van de troonopvolger Franz-Ferdinand, die in 1914 in Sarajevo werd doodgeschoten). En Sissi, niet te vergeten. Maar Winder slaagt er ook in om je interesse te wekken in minder bekende goden.

Rudolf II (1576-1612) was met stip de raarste van het gezelschap, die een levende leeuw en tijger door de gangen van zijn residentie in Praag liet lopen, en dol was op de schilderijen van Arcimboldo. Over die gekke Rudolf schreef Karel Capek het toneelstuk ‘De zaak Makropoulos’, later verwerkt tot een opera door Leos Janacek.

Het Habsburgse rijk was altijd kwetsbaar en had gretige buren, Rusland en het Ottomaanse rijk met name. De nadruk lag altijd ofwel op oorlog voeren of zich erop voorbereiden. Veel veldslagen dus in dit overvolle, dikke boek. Maar Winder is een uitstekende reisgids. De instructiefste passages zijn die waar hij zelf op bezoek gaat in een of ander kasteel, en aan de hand van anekdotes en objecten een vervlogen wereld oproept, lillend van leven.

Geen begrip voor nationalisme

Heel opvallend is zijn onbegrip voor en zelfs afkeer van nationalisme, die wellicht te maken heeft met zijn Britse achtergrond. En toch is het vreemd, voor iemand die zoveel tijd heeft doorgebracht in zeer gemengde steden en zoveel literatuur heeft doorploegd. Hoe anders zou een Belgische historicus deze geschiedenis schrijven, heb ik vaak gedacht, of hij/zij nu Vlaams, Waals of Brussels zou zijn.

Soms is Winder heel lucide: “Alle bevolkingsgroepen in deze contreien omschrijven zichzelf als ‘authentieker’ dan alle andere”. Ze beweren dat “omdat zij als eersten in een bepaalde vallei aankwamen, meer recht op het land hebben dan alle anderen”. Wie in de Balkan is geweest, weet waar Winder het over heeft. Maar hij overdrijft. “De belangstelling voor de oorsprong van volkeren kreeg een obsessief karakter toen Midden-Europa in de 19de eeuw in de greep raakte van het op taal gebaseerde nationalisme”.  Goed voor de culturele opbloei, geeft de auteur toe, maar anderzijds was hiermee een doos van Pandora geopend en stelt hij op het eind van het boek de vraag: “Hield de vernietiging van het Habsburgse rijk automatisch de komst van het nazisme in? Leverde het grote, onvoorstelbaar complexe nationalistische laboratorium van het laatste decennium van het Keizerrijk onvermijdelijk het product Hitler op?” Lees: wat als het Habsburgse rijk was blijven bestaan? Er zitten wel vaker van die wat als-passages in het boek, die niet echt veel bijbrengen. En wat bedoelt Winder eigenlijk, dat iedereen die opkomt voor zijn moedertaal een protofascist is?

De Hongaarse revolutie van 1848 bijvoorbeeld, een cruciale schakel tussen de Franse revolutie en de omwentelingen van 1989, had wel wat meer analyse kunnen verdragen, vanuit het standpunt van de opstandelingen. Hen afschilderen als mannen met grote snorren is intellectueel niet eerlijk. Zelfs als Simon Winder heel mooie dingen schrijft over zijn fascinatie voor kunst in Danubia (Mahler! Roth!), kan hij zijn antinationalistische sneren niet bedwingen. Janacek bijvoorbeeld zag er uit als “een goeiige opa, maar in werkelijkheid was het een uiterst onprettige, van lotje getikte Slavische nationalist”.

En toch is het prettig om met Winder te reizen, zeker als hij politieke passages opleukt met verhalen over exotische Kroatische pandoeren, een crypte vol mummies van monniken in Brno, de woelige geschiedenis van Transsylvanië, het Schloss Runkelstein of, nog leuker, het Schloss Ambras. En het is fijn om de geschiedenis wat dichterbij te trekken. Want dat is wat de auteur met dit boek beoogt: van Oost-Europa weer Midden-Europa maken.

[Danubia. Een persoonlijke geschiedenis van het Habsburgse Europa van Simon Winder is uitgegeven bij Spectrum, 2014, 518p]

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s