De nacht is jong – Joseph O’Connor

In ‘De Nacht is Jong’ beschrijft de Ierse auteur Joseph 0’Connor (°1963) de moeizame opgang en spectaculaire val van de verzonnen postpunkformatie The Ships in the Night.

De rock- en popcultuur biedt aardig wat kansen op swingende literatuur. The rise and fall van een groep of een artiest, eerst onbegrip dan waanzinnig succes, integere muzikanten en gevallen engelen, life on the road en in hotels: er bestaat een hele grabbelton elementen om een aangrijpend verhaal te componeren. In ‘De nacht is Jong’ beschrijft de Ierse auteur Joseph 0’Connor (°1963) de moeizame opgang en spectaculaire val van de verzonnen postpunkformatie The Ships in the Night.

Van new wave naar grunge

Joseph O’Connor heeft ongetwijfeld zelf in een rockband gespeeld in de jaren ‘80. Zo nauwgezet, gedetailleerd en boeiend beschrijft hij het leven op het podium, de ellendige opnamesessies met betweterige producers, het geklungel met gitaarsnaren en drumcimbalen. Hij gooit er zoveel interactie met echte zalen en festivals, mediafiguren en artiesten tussen dat je moeilijk kunt geloven dat The Ships niet echt bestaan hebben. Dit alles in de periode tussen new wave en grunge.

Ik-persoon is Robbie Goulding, een Ierse jongeman die in Luton woont, niet ver van Londen. Robbie raakt aan de universiteit bevriend met de erg excentrieke Fran, een uitzonderlijk knappe Vietnamese wees die er twee mislukte adopties op zitten heeft. Fran hanteert een eigen oneerbiedig jargon om dichters, politici en leraren te benoemen. Het soulduo Hall and Oates zijn voor hem ‘Ding 1 en Ding 2’ en Margaret Thatcher ‘Lady Cruella’. Voorts stelt hij zich nichterig en biseksueel aan en shockeert hij de halve wereld met zijn kleurrijke, exhibitionistische kledij. Dat mag, hij is noch min noch meer geniaal.

Cultgroep

Robbie en Fran verwaarlozen hun studie, geven die uiteindelijk op om muziek te spelen, op straat, in pubs. Ze krijgen versterking van een tweeling: Trez, een erg goede klassieke celliste, en haar broer Sean, die bijzonder aardig drumt. Een tijd ziet het ernaar uit dat The Ships een eeuwige cultgroep zullen blijven die het moet hebben van onverwarmde zaaltjes, alternatieve studio’s en in katzwijm vallende journalisten van marginale blaadjes. The Ships maken het zichzelf heel erg moeilijk. Al lang voor ze beroemd en rijk zijn, dreigen ze ten onder te gaan aan alcohol, drugs en complexe liefdesavonturen.

Onverbrugbare verschillen

Vooral Fran verknoeit elke kans op een doorbraak door afspraken te negeren, organisatoren te jennen, of opeens een totaal andere muzikale weg in te slaan. De groepsleden hebben een groot talent om in hun eigen en elkaars voeten te schieten. Maar ze blijven samen wegens “onoverbrugbare verschillen”.

De extreem grillige Fran is het echte hoofdpersonage. Hij hangt in de ergste mate de getormenteerde overgevoelige kunstenaar uit, de onberekenbare diva. Maar achter dat masker schuilt een verborgen agenda. De drie anderen hebben geen belangstelling voor geld en contracten. Ze merken niet dat Fran, zeker als The Ships opeens very big worden, er keurig voor zorgt dat hij de copyrights verovert op zowat alle nummers en op de naam van de groep.

Stratocaster

Als Fran de groep verlaat voor andere horizonten, kunnen de drie overblijvers als trio niet verder, tenzij ze van scratch zouden herbeginnen, wat geen optie is. Robbie gaat ten onder, omdat hij zich verraden voelt door zijn enige vriend. Na een lange periode van verslaving zit hij financieel aan de grond. Zijn huwelijk barst, hij gaat in een woonboot hokken en verkoopt zijn dierbare Fender Stratocaster 1955 voor een prikje.

Een kortere roman zou een stuk krachtiger zijn. Voortdurend belanden de leden van de groep op zijpaden die er weinig toe doen. Om de zaak wat boeiender te maken wisselt O’Connor wel eens van vertellerstandpunt, hij schakelt dialogen, dagboekfragmenten, interviews en recensies in, maar dat gebeurt zo willekeurig en kunstmatig dat het niet werkt. Erger is dat het verhaal, dat heel aardig begint, nergens heen leidt en leegloopt als een doorgeprikte ballon.

Jonathan Coe

Ook andere Britse schrijvers hebben zich aan seks, drugs en rock’n roll gewaagd, met meer of minder succes, denk aan William Sutcliffe, Graham Swift, Roddy Doyle en zeker Jonathan Coe, die in ‘De Rotters Club’ haarscherp de geboorte van punk en van de nieuwe subcultuur schetst. ‘De nacht is Jong’ voegt daar weinig aan toe en dat is jammer, want na 1980 gebeurde toch ook nog wel wat.

Een gemiste kans dus, maar met verve geschreven, vaak meeslepend en grappig, zij het niet altijd geloofwaardig. Om geen enkele potentiële lezer te verliezen vermeldt O’Connor zowat alle rock-artiesten vanaf de jaren 50 via The Beatles, The Who en Dylan over Bowie tot die akelige slijmerds van Coldplay. Het ergste is een verschrikkelijk clichébezoek aan Patti Smith, door sommigen nog altijd totaal misplaatst een punk-dichteres genoemd.

“Te oud voor downloaden, te jong om dood te gaan”

Tot slot nog enkele quotes. “Als iemand niet wil zingen, verbergt hij iets”. “Op je drumstel slaan is alleen maar zittend dansen”. “Hij was gek op mondharmonica, omdat dat volgens hem het enige instrument is waar je al fietsend op kon spelen”. “Een song is een geweer met een afgezaagde loop, hoe meer je hem inkort, hoe meer schade hij aanricht”.“Muziek zonder stiltes is als seks zonder tongen”. “Een van de gekste kanten van opeens in het geld zwemmen is dat iedereen je ineens van alles gratis geeft”.

[De Nacht is jong, Joseph O’Connor, 350 bladzijden, Ambo/Anthos Amsterdam]
Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s