Bermliefde

Tuinen en parken zijn nu op hun best. Mijn hart maakt een sprongetje bij de kastanjekaarsen, de eerste waterlelie, de rijen éénjarigen op de markt, kleur per kleur in het gelid. Of bij de live verslaggeving van de Chelsea Flower Show in Londen. Maar het allermooiste is toch een nederige berm. Nee, niet nederig, majestueus! Bloeiend gras, heuphoog, aaiensklaar. Klaprozen in een soort rood dat zijns gelijke niet kent. Het is niet paars-, niet baksteen-, niet roze-, niet signaal- het is enkel en alleen klaprozenrood. Margrieten deinen in de wind op hun onzichtbare stengels. Botergeile boterbloemen verleiden je om erbij te gaan liggen. Hommels draaien zich wellustig in het stuifmeel rond. Mezen spelen tikkertje. Op het eind van de lente is weinig uitbundiger dan een graskant. Bernlef schreef een schamper gedicht over ‘bermtoerisme’, over een kind dat spelend een stokje steekt in een platgereden egel, ‘ernstig roerend’. Hoewel het afval in de bermen soms pijn aan de ogen doet, is zo’n gras- en bloemenkant van het heerlijkste dat er is. Jaren geleden besliste de overheid om de bermen niet meer plat te spuiten, en in plaats daarvan een paar keer per jaar te maaien. Nu blijkt dat de helft van de gemeenten een uitzondering vraagt om toch nog verdelgingsmiddelen te gebruiken. Ze dwalen.

Nutteloze zijkanten

Het mooie is dat zo’n berm zich niets gelegen laat liggen aan planning en structuur, bestemming en openbaar nut. Een berm groeit, tot hij weer gekortwiekt wordt (en dan ruikt het heerlijk). Een berm is een morsige, heerlijk nutteloze zijkant van het leven, een groene marge waarin ideetjes, zorgen, woede en liefde zacht vallen. Bovendien kun je er zelfs uit oogsten. Vlierbloesems en straks –bessen, brandnetels, rozenbottels, bramen. In de nazomer hou ik wel eens halt in een klein stationnetje, om me aan het uiteind van het perron met een plastic zak te bevoorraden met NMBS-braambessen.

Onkruid is een kwestie van afspraak

In m’n eigen tuin ben ik blijer met wat zich spontaan aandient dan met de planten en bloemen die ik zelf in de grond heb gestoken. Gele helmbloemen zijn ongevraagd opgedoken en heel welkom, met hun fijne blaadjes en ranke gele bloemen. De zaadjes nestelen zich in een minuscule kier tussen twee bakstenen. Wonderlijk stads(on)kruid, dat de zwaartekracht trotseert en verticaal uit de muren groeit. Er zijn wel een paar criteria in mijn hof: één soort mag de andere niet verdringen. Mooi bloeien en lekker ruiken is meegenomen en zeker als er ook nog bijen en vlinders pap van lusten. Uiteindelijk is onkruid een kwestie van afspraak. En als het u niet aanstaat, trek het dan uit in plaats van in het tuincentrum een voorraad gif aan te schaffen. Heb erbarmen met (on)kruid, met pechstrookjes flora, schaamdriehoekjes groen. Er is zo weinig van. Het asfalt rukt op, waarschuwt Joni Mitchell. ‘They paved paradise. Put up a parking lot’.  

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s