De zee

1443-4t9vbu88w24yf2v

De tijd lijkt op de zee. Gooit golven op het strand of op de rotsen, stormt en geselt, geeft en neemt, met branding, eb en vloed. Maar de tijd en de zee glippen ons door de handen, we hebben er geen vat op. De zee, de zee klotst voort in eindeloze deining, van Willem Kloos, 1902. Het is een van de vertaalde gedichten in The Low Countries 23, het Engelstalige jaarboek van Ons Erfdeel, van hoofdredacteur Luc Devoldere. De andere gedichten zijn van Slauerhoff, Marsman, Roland Holst, Nooteboom, Arie van den Berg, Ad Zuiderent, Herman De Coninck, Miriam van Hee en Wim Hofman.

Hoe snel gaat de tijd? Zijn er criteria om het tempo van ons leven te behappen? Ja, dat er alweer een jaar voorbij is want daar klopt The Low Countries 23 aan de deur! Thema dit jaar is Turning Tides. Vorig jaar was het de Eerste Wereldoorlog. Zoals gewoonlijk neemt het thema zowat een derde van de 320 bladzijden in beslag. Een ander derde gaat naar ruimere teksten over een veelheid aan onderwerpen, en de even omvangrijke rest omvat recensies en korte kronieken. De meeste opstellen zijn origineel voor  The Low Countries geschreven, enkele stonden al in Ons Erfdeel en een paar moeten daar nog in opduiken. Toevallig blijkt de zee een hoogst actueel thema te zijn.

Toeval 1: Meneer Mac en ik

Net nu las ik “Meneer mac en ik”, de achtste roman van de Britse auteur Esther Freud, dochter van Lucian en achterkleinkind van Sigmund. Het boek over de onverwachte vriendschap tussen de Schotse architect Charles Rennie Mackintosh en de 14-jarige Thomas Maggs speelt zich  af in 1914 in een dorp aan de kust van Suffolk, ten noorden van Londen. Voilà, daar hebben we de thema’s van TLC 22 en 23 mooi verenigd. In  het kleine dorp woedt een strijd tussen mensen die naar de zee georiënteerd zijn, en zij die landinwaarts leven. Er kwijnen  twee vijandige pubs: een voor zeelieden, de andere, van laag allooi, geëxploiteerd door de vader van Thomas, voor ambachtslieden en boeren.

Thomas en zijn zus Anne, die verloofd is met een matroos, voelen land en zee aan hun armen trekken. De zee zal het halen. De zee haalt het altijd. Wie omkomt in een schipbreuk of sterft op zee krijgt sowieso een zeemansgraf. De landelijke doden zijn begraven op een kerkhof zo dicht bij de kust dat stormen er soms een flinke hap uit nemen en heelder zerken en kisten uiteindelijk toch de golven in sleuren.  Voorwaar, een krachtig beeld, het beste van het hele boek. En je kan ook op het land verdrinken … in een waterput bij voorbeeld.

Toeval 2: Muzee

Een van de knapste tentoonstellingen in ons land dit jaar was ‘De Zee’ in Oostende, de laatste expositie van Jan Hoet. Al meteen bij de ingang verraste Guillaume Bijl  de bezoeker   met een hyper-realistisch oud schelpen- en souvenirswinkeltje. De tentoonstelling was erg evenwichtig en gevarieerd, met meesterwerken van onder meer Ensor en W.M. Turner, te verwachten schilderijen van Spilliaert en van onze belangrijkste hedendaagse marineschilder Thierry de Cordier. Dat de lezer van TLC 23 het omtrent De Cordier moet stellen met een kleine afbeelding van “Mer Du Nord, etude n°1”,  is een onverklaarbaar   tekort.

Toeval 3: la Flandre et la mer, Musée de Flandre in Cassel.

Als u zich haast, kunt u deze fijne tentoonstelling in het wonderlijke Vlaams museum in Frans-Vlaanderen nog snel gaan bekijken.  Doe het! Het is een bijzonder mooie en verzorgde verzameling van  artefacten  van de 16de tot de 18de eeuw, dat is al reden genoeg. Maar wij Vlamingen leren iets om fier te wezen.

Kijk, heel veel kust hebben we echt niet, 66 kilometer, wat is dat  in vergelijking met onze buurlanden, uitgezonderd Luxemburg? Maar precies omdat die andere naties zo veel zee hadden en hebben, vonden ze dat natuurverschijnsel gewoon en evident.  Voor ons, met dat korte kustlijntje, was de zee onbekender, gevaarlijker, mysterieuzer…en dus al snel een bron van inspiratie voor kunstenaars.

Ik ga nu even kort door de bocht, vergeef me het  gebruik een landterm, Vlamingen hebben het zeeschap uitgevonden. Pieter Breughel de Oude schilderde bruisende, levende, stomende, vernietigende zeeën, een eeuw voor de Hollanders. Er staat ook veel zeevis en water op zijn doeken. Bij de Nederlanders van de Gouden Eeuw was de zeespiegel rustig en vlak en bestond het doek voor ruim twee derden uit lucht. Saai. TLC 23 wijdt een bijdrage aan die Vlaamse en Hollandse marines.

Toeval 4: Beaufort.

Er is dit jaar opnieuw een editie van Beaufort, de grote 3-jaarlijkse vooral openluchtmanifestatie aan zee, gedirigeerd alweer vanuit Muzee  in Oostende.  Curator Phillip Van den Bossche heeft voor een erg verschillende vijfde editie gezorgd. Er zijn drie grote tentoonstellingen, op plekken die nauw verbonden zijn met de kustnatuur, in Het Zwin, Raversyde en De Panne. Daar stellen zowat dertig kunstenaars meerdere werken ten toon. Maar over de hele kustlijn komen er nog es  tientallen  ingrepen, sommige erg tijdelijk, strandtekeningen onder meer, andere blijvend.  Het opzet is een stuk avontuurlijker dan vroeger en veronderstelt meer zoekwerk en openheid om je te laten verrassen.

Toeval 5: Archibelge.

Zou het kunnen dat precies door onze beperkte kust wij zo vaak te snel naar zee trekken? Onze buren gaan daar rustiger mee om. Er moet in het weekend maar een straaltje zon even doorheen de wolken priemen, of half  België springt in de auto en snort naar de kust. Om al die mensen op te vangen is daar een betonnen muur van appartementsgebouwen neergepoot. Speculant  Marc Coucke wil nog verder en hoger gaan. Hij stelt dat voor als een weldaad voor de hard werkende middenklasse-Vlaming, als een voorbeeld van vernieuwend  ondernemerschap. In de buurt van Brussel plant Bart Verhaeghe ongeveer hetzelfde met Uplace.

In de Archibelge-uitzending over de kust op Canvas zei Eric De Kuyper, auteur van de mooiste bladzijden over Oostende en de zee, en onbegrijpelijk ook ontbrekend in TLC23, dat hij die muur van appartementsgebouwen niet zo erg vindt. Eric De Kuyper is de bedenker van een van mijn levensmotto’s: als een lelijk en een mooi gebouw naast elkaar staan, knijp dan één oog dicht! Die duizenden appartementen zijn heel democratisch. Sinds de congé payé kunnen erg veel mensen zich een verblijf aan zee veroorloven. Door de eindeloze saaiheid van de architectuur, leiden die gebouwen de aandacht niet af van waar het om gaat: de zee. Trouwens, die brutale strakke rechtlijnige repetitieve bouwstijl past bij de al even vlakke grijze kustvlakte. De zee is een wild ongetemd element. Je moet dat niet willen verzachten met knusse ingrepen en gezellige elementjes. Of met bloembakken; er  groeien geen bloemen aan zee.

The fifties en de sixties.

Ik heb een verre vage visuele herinnering aan onze kust eind jaren 50, toen er nog veel kleinere appartementsgebouwtjes en belle époque-strandvilla’s stonden. Het kan dat een paar zwart-wit-foto’s mij helpen. Het eeuwige water maakte uiteraard indruk op het knaapje dat ik was, maar ook de zwarte slierten knobbelig zeewier. Ik dacht dat dit de hik was. Als ik de hik had, zei mijn grootmoeder namelijk dat ik 12 keer moest herhalen: ik en de snik gingen naar de zee, ik keerde were en de snik bleef daar. Al die achtergebleven hikken hadden zich   aaneengeregen tot zeewier. In 1961 kocht mijn vader zijn eerste gezinswagentje, en trokken we zeker vijf keer per jaar naar zee, van eind mei tot medio september.  Meestal naar Mariakerke bij Oostende, of naar Bredene, een enkele keer De Panne of Heist, of Zeebrugge waar we de hele havenmuur afwandelden. In Heist woonden trouwens , een flink end van het strand, verre familieleden of kennissen. Die verhuurden hun tuin aan kampeerders. De eerste keer dat ik de aanblik zag van al die vrolijke  tenten stormde ik enthousiast de tuin in, wanend dat die mensen daar voor hun en ons plezier al die infrastructuur hadden opgetrokken. Ik kroop een tent binnen, en zag daar een koppel op de grond liggen. Tja.

Bristol Wayfarer.

Hoe vaak we ook naar zee trokken, nooit kwamen we in de statistieken.  We hadden namelijk alles mee. Vooreerst een tent om ons om te kleden, manshoog. In Blankenberge joeg een exploitant van strandstoelen en badhokjes ons eens weg omdat je daar ‘n bouwvergunning nodig had om zelf een tent op te trekken. Nooit wilde mijn vader nog naar die dieven in Blankenberge gaan. Ook proviand hadden we bij, boterhammen met kaas die door de hitte helemaal slap werden. En tafelbier, een zeldzame keer limonade. De flesjes begroeven we in het zand, om ze enigszins koel te houden.   Nou ja, ik overdrijf, we kregen wel eens een ijsje. Maar toch, die hele horden strandverkopers en kramers en verhuurders van “billetangs” beschouwden wij als een vreemde mensensoort, en hun klanten ook.  Het inspireerde mijn broer Alain Vanclooster tot een gedicht.

Met de benen in de zee, blootsvoets
en met een veel te korte wijde broek,
zo staat vader aan de waterlijn.
(Soms, als hij onachtzaam in het zand zit
en de krant leest, zie ik zijn ballen.) 

Intussen ergens elders staart het hoofd
schijnbaar naar de meeuwen boven de horizon,
maar hij bespiedt ons, wij joelen en juichen
als Deense sirenen en Kaapse piraten.
(We weten ons zelfzeker als de mensen

 om ons heen al lang zijn afgedropen.)
Straks is het over en uit, dan fluit hij ons
tot de orde, om ons af te drogen
in het geelblauwe tentje op de duin. 

Thuis gaan de rolluiken te vroeg omlaag, ze
sluiten ons op in gebronsde herinneringen.
De wereld wordt bevolkt door dieven
en de avond valt.

Eens had ik, hoe ongelooflijk dat ook mag klinken, een visje gevangen in de Noordzee, ‘n sprot vermoed ik. In plaats van iemand toe te roepen om een emmertje te halen, liep ik zelf met de vis in mijn hand het hele strand over,  bij eb, het was dus een kilometer breed, pakte een emmer en holde weer naar de zee om de vis te water te laten. Hij was intussen overleden helaas.

Van Mariakerke reden we naar huis via een kasseiwegje aan de achterzijde van de luchthaven van Oostende.   Als een vliegtuig ging opstijgen, sprong een verkeerslicht op rood. De  propellertuigen vlogen overdonderend bulderend  vlak boven ons hoofd. Er bestond toen een verbinding Oostende-Londen met Bristol Wayfarer-toestellen die een verhoogde cabine hadden zoals de Jumbo 747, voor vracht, zelfs auto’s.

Het atol Bikini.

Toen ik tot de jaren van seksueel onderscheid kwam, kreeg de zee opeens een heel nieuwe dimensie, in de vorm van de bikini. Mijn zus mocht alleen een keurig badpak dragen, en mijn moeder had zelfs dat niet; een zeldzame keer, bij enorme hitte, lag ze beschut in de duinen, achter ons omkleedtentje te zonnen in haar blauw ondergoed, dat van ver enigszins op een middeleeuwse  bikini leek.  Het eerste wat mij opviel bij vrouwen en meisjes die een bikini droegen, was hun ronde of vlakke buik en die leuke navel. Het tweede: lange zongebruinde dijen, of net omgekeerd dikke witte billen. En tenslotte: borsten. Bikini’s in de jaren 60 waren vrij sexy. Het leek alsof ze alleen met een flodderig strikje dichtgehouden werden. Een strikje dat je door een simpel rukje  aan het uiteinde kon verwijderen. Mijn hemel.  Ik werd altijd enigszins weemoedig als ik een mooie vrouw een balspel zag uitoefenen met haar geliefde of kinderen of met een jonger zusje, waarbij die hele boezemtoestand heerlijk heen en weer schommelde. Als zo’n vrouw bij valavond, beschenen door de zonsondergang, tegen de kilte een bloes aantrok, kreeg ik de tranen in de ogen.  En terwijl ik die avond in augustus 1968 het zand van mijn voeten wreef en mijn plastic sandalen aantrok, besefte ik: nooit zal ik het strikje van het bovenstukje van de rode bikini van die vrouw lostrekken om haar wondermooie borsten te koesteren en met honderd  kussen te bedekken.

The Low Countries, arts and society in Flanders and the Netherlands 2015, Ons Erfdeel Rekkem,  

The Low Countries opent met een boeiend stuk over de  relatie van Nederland met water. Nederland is het meest doorsopte land ter wereld, met zweet, tranen, dauw, heilig water, bronnen, meren, regen,   zwembadzeik, rivieren en de zee. Het is een water-welvaartstaat. Altijd heeft Nederland moeten onderhandelen   met het water. Daarom is het een vrij goed functionerende democratie. Ik miste in TLC23 wel iets over de ramp van 1953. Het opstel over een tramrit langs de Belgische kust ontgoochelt. Daar zat nu echt wel meer in dan de bekende clichés, zeker wetend dat het om het langste tramtraject ter wereld gaat. Dan is de tekst over zeilen langs de Nederlandse kust een stuk eigenzinniger. Wereldwijd verdienen 350 miljoen mensen hun kost aan, in of dankzij de zee. Daar zijn  weinig Nederlanders bij. Onze noorderburen  hebben de zeetaken geoutsourced.   Er is zelfs geen minister van waterstaat meer.   En de zee speelt nog maar zelden een rol in de literatuur. Ironisch genoeg bewaakt de Franse marine de oceaan tegen Somalische piraten  met een schip, de Jean Barth, genoemd naar een Hollandse zeerover…De zinvolste  bijdrage die Nederland nu levert is het project van de jonge Boyan Slat om de plastic soep in de oceanen op te ruimen.

Het is fantastisch om te weten dat de zone Zeebrugge-Gent-Antwerpen-Rotterdam het grootste havengebied ter wereld is, maar de saaie bijdrage daarover hoort thuis in het VOKA-ledenblad. Wel uitstekend in TLC zijn het foto-portfolio met strandkiekjes van Jonas Lampens, en een verhandeling over seafood. Daarin leren we dat het dankzij Napoleon is dat Belgische arbeiders met voorsprong de grootste consumenten van Zeelandse mosselen werden. Ook mossel-eetfestijnen voor het goede doel, tegen de honger in Afrika om maar iets te noemen, zijn typisch Belgisch.

Artikels en Kronieken.

In het tweede deel van TLC heeft Bernard Dewulf het over kunstenaar Jan De Maesschalck.  Andere plastische kunst   in het verzamelboek: Johan Tahon, textielbewerker Claudy Jongstra,  het Rijksmuseum Amsterdam als nationale historische verzameling , licht-artiest Daan Roosegarde, Berlinde De Bruyckere,  een expositie over Sint-Joris in Bergen culturele hoofdstad 2015 en de Frick-collectie. Voorts komen aan bod: poëzie( Miriam Van Hee,  Bilderdijk, Vroman ), proza (Frank Westerman, Oek De Jong), jeugdliteratuur (Joke van Leeuwen), essay (de kritische sinoloog Simon Leys), gesc hiedenis (Waterloo, Willem van Oranje en de Verenigde Nederlanden 1815-1830,  de nieuwe  monarchen Philippe en Willem-Alexander,  het Nederlandse kolonialisme in Brazilië, Vesalius, de bende van Nijvel), taal (de Dikke van Dale), architectuur (het knotsgekke namaakstadje Zaandam, de bibliotheek van Birmingham door Mecanoo architects ), film (onze cinema in Hollywood) fotografie (Erwin Olaf ), popmuziek (Trixie Whitley, Blaudzun, de nieuwe Vlaamse en Nederlandse dance en dj’s), toerisme (Mechelen ), mode (Iris van Herpen) en maatschappelijke onderwerpen zoals verwoesting van kunst als oorlogswapen, de Nederlandse eerste kamer of senaat, fraude bij wetenschappelijk onderzoek en onderwijs in het Engels aan onze universiteiten.  TLC blikt  vooruit naar de Frankfurter Buchmesse 2016 waar Vlaanderen en Nederland gastland zijn. En politiek activist Wouter Hillaert (Hart boven Hard) heeft het over gemeenschapstheater.

Een handvol kritiek.

Een van de laatste artikels  gaat over de fotografen Stephan Vanfleteren, die elders in het boek nog drie mooie foto’s krijgt, en Nick Hannes.  De eerste schoot  een indrukwekkende reeks over de  tientallen bunkers die de nazi’s bouwden aan de kusten van Noorwegen tot Noord-Frankrijk. Bedoeling was om de geallieerden  te weren. Nick Hannes focust op de Afrikaanse vluchtelingen die in dichte drommen over de Middellandse Zee binnendrijven, en die wij buiten proberen te houden.  Het verbaast  dat dit dubbel-onderwerp niet veel meer aandacht krijgt. En waarom staat deze bijdrage niet in het katern Turning Tides?  Achteraan worden alle medewerkers en auteurs even voorgesteld. Maar zo kort… Over Jos Bouveroux en Bart Moeyaert valt toch wel meer te vertellen dan dat ze journalist of writer zijn.   Ik heb de indruk dat 23 een wat mindere aflevering is.

Of zijn we verwend door de vele prachtige uitgaven van de voorbije jaren? Want eens te meer is The Low Countries een publicatie om apetrots op te zijn. Zeer gevarieerd, uiterst keurig verzorgd, mooi uitgegeven, knap gedrukt en vormgegeven, rijkelijk geïllustreerd, helder en duidelijk. Dat de 5000 exemplaren maar snel lezers vinden, 3000 in Groot-Brittannië, Ierland, de Verenigde Staten, Australië, het Midden-Oosten, en 2000 in Nederland en Vlaanderen! Luc Devoldere en Ons Erfdeel verdienen onze hoogste waardering.

Lucas Vanclooster, in ‘Ambrozijn’, 2015

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s