De stille tussentijd

Het Kunstenfestival Watou brengt deze zomer kunst en poëzie ‘In de luwte van de tussentijd’. Het Fotofestival ‘80 days of summer’ in Gent stelt werk voor van de Deense fotograaf Niclas Jessen, met als titel ‘Pause’. Op zijn website zie ik mensen die even niets doen, enkel zijn. Gevat in een moment dat geen duur kent; het kan lang of kort zijn. Ogen op oneindig, handen werkloos. Ik hou van handen die stil liggen of hangen. Ze vertellen wat ze daarvoor hebben gedaan. Die frêle vingers of gelooide palmen waren misschien peultjes aan het plukken, een aanrecht aan het schuren, of een kattenrug aan het strelen.

Joke Hermsen werkte het idee van ‘tussentijd’ uit in haar laatste boek ‘Kairos’. Als we de kloktijd, het economische ‘immer vorwärts – time is money’ stil zetten, dan komen we ‘buiten de zone’ terecht. In een bijzondere pauze waarin nieuwe dingen kunnen gebeuren, net wanneer je ze het minst verwacht. Opnieuw: die tussentijd kan lang of kort zijn. Een ogenblik dagdromen, een week zonder internet, lange tijd niet aan het werk.
Het privilege van de zieke

Susan Sontag schrijft dat iedereen bij z’n geboorte twee paspoorten krijgt, één voor het land van de gezonden en één voor het land van de zieken. Vroeg of laat steek je de grenspost van dat laatste over. Ik ben al een half jaar met ziekteverlof. Met uitzondering van veel ziekenhuisafspraken zwem ik in een zee van tussentijd, rekkelijk en stroperig. Soms tergend traag, vaak intens. Meestal in mijn eigen gezelschap, in stilte.

Er is tijd om te lezen, in slaap te vallen, en voort te lezen. Ik vraag me af. Of ik voor of na de middag naar de bakker ga, zo traag als een schildpad. Ik volg. Twee pluisjes op de warme lucht in de tuin. Ik schrik. Van een vlinder op mijn schouder, ik verzin het niet. Ik krijg een inkijkje in de parallelle werelden van de naarstige vuurwantsen, de dialogerende merels, de exponentiële bruidssluier. Geen van hen heeft al van Greenwich Mean Time gehoord.

April. De pimpelmezen inspecteren de nestkast. Mei. Ik kijk elk uur of de eerste waterlelie al open gaat. Nu gaat het snel bij de mezen, in geen tijd zijn de eieren uitgebroed en hoor ik de jonkies om voedsel kelen. De oude gele roos bloeit weelderig. Juni. We halen het nest uit de kast. Er zitten lange haren in, van de Brabantse trekpaarden die hier één keer per jaar op de stadse jaarmarkt hun riante konten showen. Op de klaverbloemen en de bedwelmend geurende donkerpaarse buddleia zitten dikke hommels. Juli. Ik lig naar de zwaluwen te kijken, die hoog boven de stad op insecten jagen, en voor de lol achter elkaar aanzitten. Zieieieie-zieieieie-zieieieie… Nooit heb ik het komen en gaan in mijn tuin zo intens ervaren. Het privilege van de zieke, dat geen privilege zou mogen zijn. Overigens ben ik dankbaar dat ik ziek ben in België, en niet in Griekenland. Daar was ik al lang failliet.

Soms trekt de sloomheid aan mijn benen, wil ik alles sneller, vooral genezing. Op andere momenten ben ik bezorgd of ik dat andere tempo nog aan kan, of aan wil. Deadlines. De trein halen, mails per kerende beantwoorden, vergaderen, plannen, organiseren, jongleren met drie dingen tegelijk. Naar Watou reizen, of naar de expositie in Gent. Mijn actieradius is heel beperkt, en dat versterkt nog dat gevoel van trage tussentijd.
Uit de tijd gevallenen

Nu ik in dat andere land ben, merk ik hoeveel medeburgers ik heb. Wie zei daar dat iedereen gehaast is en slaaf van zijn agenda en zijn smartphone? Ik resoneer met wie net als ik ’lento e largo, tranquillissimo’ leeft, zoals de tweede beweging van Gorecki’s Symphony of Sorrowful Songs.

Veel bejaarde mensen natuurlijk. In het rusthuis zitten ze voor het raam en heffen hun hand naar me op, als ik voorbijkom, ten teken van een stille verstandhouding. We zijn één in de traagheid. Ze kachelen richting markt, zwaar leunend op hun rollator, zijgen neer op het muurtje van mijn voortuin. Ze hebben alle tijd van de wereld. De rijkaards.

In het ziekenhuis kom ik de jongere ‘uit de tijd gevallenen’ tegen. Verrast door het verdict dat ineens alle afspraken in hun agenda uitgomt en vervangt door een slepende wals door de medische instellingen. De een gaat in het verzet, wil hup-hup-hup vooruitgang, en o wee als er uitstel komt, omdat het uitgeputte lichaam een lager tempo dicteert. De andere patiënt ondergaat. Soms knarsetandend, soms met zwarte humor. Ik schipper daartussen. Mensen die kanker of een andere ernstige ziekte een ‘opportuniteit’ noemen geef ik graag een koekje van eigen deeg. Maar toch weet ik nu al dat ik tijd aan het winnen ben, niet aan het verliezen. Zoals Thoreau aan zijn Walden Pond opmerkte dat hij door te dagdromen tijd bij zijn kosmische rekening optelde, en er niet van aftrok.

Er zijn ook grensgangers. Snelle, productieve mensen die even binnenwaaien en aan mijn ritme moeten wennen. Ze vertellen me hoe het is, daar over de grens. Soms voel ik dat ze langer in het land van de traagheid willen blijven. Maar dan zonder ziekte en zonder dat knagende besef van de eigen sterfelijkheid. Er zijn mijn geduldige huisgenoten. Hun en mijn tijdsbesef schuren zich geregeld aan elkaar. We wonen in buurlanden met een groot tijdsverschil.

In het licht van de eeuwigheid verdampt dat natuurlijk. Componist Philip Glass herhaalt in zijn pas verschenen autobiografie een paar keer dezelfde zinnen: “Openingen en afsluitingen, begin en eind. Alles ertussen gaat in een mum van tijd voorbij. Aan de opening gaat een eeuwigheid vooraf en op de afsluiting volgt er nog een, misschien wel dezelfde”.

Kristien Bonneure

Lees deze tekst ook op www.waerbeke.be, de website van de gelijknamige stiltebeweging 

Philip Glass, Woorden zonder muziek. Een leven in de muziek, Hollands Diep, Amsterdam, 2015
Joke Hermsen, Kairos, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2014
Susan Sontag, Illness as metaphor and AIDS and its metaphors, Picador, London, 2001

Advertisements

5 thoughts on “De stille tussentijd

  1. willem persman

    Dank, veel dank, Kristien, voor deze mooie, hartverwarmende tekst op een kille halfoogst 2015. Rustig en traag maar o zo intens, anders en toch herkenbaar. Zeer fraai verwoord. Poëzie in prozavorm. Een geschenk om stil van te worden.
    Houd moed, het komt goed. Geloof het van iemand die op hoge leeftijd van een tweede leven geniet.

    Like

    Reply
  2. h.pelissier

    Een mooie tekst, die me doet denken aan de natuurbeschrijvingen van die andere grote stilist, Paul De Wispelaere, in ‘Het Verkoolde Alfabet’. Hij is dus in goed gezelschap. Snel en volledig herstel toegewenst, zodat je terug een relevante tegenstem kan zijn in de tartende tsunami van repetitieve trivialiteiten die in de Vlaamse media voor ‘berichtgeving’ moeten doorgaan.

    Paul De Wispelaere: “De tuin is het domein van de cyclische tijdsopvatting. De tijd die altijd maar terugkeert, dag en nacht, de seizoenen die op elkaar volgen. Iedere winter weet je, zoals nu: het wordt koud, maar we er komt toch weer een nieuwe zomer. De cyclische tijd is een troostrijke tijd. Niets gaat definitief verloren. Het komt altijd terug.”

    Like

    Reply
      1. pelissier

        Hier de bron van het fragment: een boeiend vrt-portret van Paul De Wispelaere, digitaal gerecupereerd uit de oude (analoge) doos. Door en voor literatuurliefhebbers.

        Like

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s