“Werkpaard en player”

3321be34-2864-11e8-abcc-02b7b76bf47fTien jaar na de dood van schrijver Hugo Claus stelt het Letterenhuis in Antwerpen voor de allereerste keer zijn archief tentoon. Actrice Hilde Van Mieghem maakte een intuïtieve keuze voor een bijzondere tentoonstelling.

Begin jaren 70 leest Hilde Van Mieghem op internaat stiekem – onder de lakens, met een zaklamp – Claus’ dichtbundel “Een huis dat tussen nacht en morgen staat”. Ze wordt betrapt en een week geschorst.  Op het einde van hetzelfde decennium speelt ze haar eerste filmrol als Christiane in de film “Vrijdag”. Waarbij regisseur Hugo Claus haar uitkiest op de toneelschool Studio Herman Teirlinck, terwijl ze achter de lichtbak staat.

“Map nummer 1”

Twee jaar geleden werd Hilde Van Mieghem door het Letterenhuis gevraagd om deze expo samen te stellen. “Van de meer dan 400 archiefmappen ben ik gewoon bij nummer 1 begonnen.” Ze doorploegde alle materiaal en herlas ook Claus’ boeken. “Het is een overdonderende hoeveelheid.”

Die man heeft geleefd voor honderd.

Het omvangrijke literaire archief van Hugo Claus kwam in 2015 via de Koning Boudewijnstichting bij het Letterenhuis terecht: acht strekkende meter kostbaar papier. Het wordt nu voor de eerste keer aan het publiek getoond.

Oorlog en liefde

“Ik heb puur emotioneel gekozen,” zegt Van Mieghem, “voor wat mij beroert en raakt.” Ze was vooral gefascineerd hoe Claus zijn eigen leven gebruikte in zijn werk, en de expo maakt die link duidelijk zichtbaar: wat hij in dagboeken, kladschriften of brieven schrijft komt soms letterlijk terecht in romans, verzen en theaterteksten. “Ook daarover heeft hij ons belogen,” grinnikt Van Mieghem, “alsof hij nooit van zijn eigen leven uitging. Dat is niet waar.”

Wat ze gaandeweg merkte was dat oorlog en liefde de twee grote thema’s van Claus zijn, die in nagenoeg alle teksten opduiken, soms verhuld, soms openlijk.

Geef ons heden ons nucleair wapen
En vergeef ons onze voorlopige vrede

Hugo Claus

“Claus was een leugenaar, een player, hij speelde met de wereld, hij leidde mensen bij de neus waar hij ze wilde hebben, en hij wilde daar vooral zijn eigen kwetsbaarheid mee verstoppen,” stelt Hilde Van Mieghem. Naar de buitenwereld speelde hij een rol, “op de sofa liggend en pralines etend”, maar in werkelijkheid werkte hij keihard, elke dag, urenlang, “hij was een zeer ijverig schrijver”, stelt curator Van Mieghem vast.

Choucroute en brie

Dat valt af te lezen aan de veelheid die deze tentoonstelling biedt, scenografisch vormgegeven door Niek Kortekaas. In vier chronologische cirkelkamers zijn teksten in het groot te zien; in glazen kasten vind je de wonderbaarlijke originele handschriften van Claus en vroege versies, schetsen en schema’s van zijn werken, vol doorhalingen, correcties en vaak ook versierd met leuke tekeningen.

Archivaris Johan Vanhecke wijst op een dagboekje uit 1961, waarin Claus nauwgezet bijhoudt wat hij leest (“Paris Match”), welke boodschappen hij doet (“Choucroute en brie – 48 fr”) of waar hij mee bezig is: “Tv-kijken en eten. Ik ondertussen verstrooid aan hoofdstuk 1B”. Het desbetreffende handgeschreven hoofdstuk uit “De verwondering” ligt er mooi naast.

Claus schreef met een kroontjespen, en “de tijd tussen het dopen in de inkt en het schrijven was precies de tijd om een gedachte juist te kunnen formuleren”, citeert Van Mieghem de meester.

“Hij kijkt ons aan”

Ook te zien: fragmenten uit de films die Claus regisseerde en veel interviews met hem, uit het VRT-archief. Net buiten de exporuimte hangen reusachtige portretten.  “Hij is dood, maar hij is er wel degelijk, en hij kijkt ons aan door het raam,” besluit Hilde Van Mieghem.

“Hugo Claus. Achter vele maskers” loopt van 17 maart tot en met 1 juli. Het Letterenhuis biedt ook een uitgebreid literair nevenprogramma aan.

 

Advertenties

Cees Nooteboom: “Ik bewonderde Claus, ik had geen talent voor jaloezie”

e0ef7ca5-29de-11e8-abcc-02b7b76bf47f

(foto Eddy Posthuma de Boer)

Tien jaar na de dood van Hugo Claus is in Kortrijk een audiowandeling voorgesteld, met archiefopnames van Hugo Claus en Cees Nooteboom. Ze nemen u mee langs de plekken die van belang zijn in Claus’ magnum opus “Het verdriet van België”.  Cees Nooteboom lanceerde de wandeling mee in Kortrijk.

In 1983 maakte radiomaker Bob De Groof een reportage met Hugo Claus en zijn Nederlandse vriend Cees Nooteboom. Ze gaven commentaar op verschillende locaties in Kortrijk, ofwel “Walle” in “Het verdriet van België”.  De tijd heeft nauwelijks vat gehad op de spitse gesprekken.

Die historische opnames uit het VRT-archief heeft radiomaakster Eva Moeraert, in opdracht van De Buren, omgezet in een bijzondere geluidswandeling. De stemmen van Claus en Nooteboom worden aangevuld met passende zinnen uit de roman, voorgelezen door acteur Wim Opbrouck. Jessie Decaluwé is de stadsgids. Zij presenteerde in de jaren 80 “Het vertoon” op Radio 2, waar Bob De Groofs reportage werd uitgezonden.

U kunt de wandeling hier beluisteren en downloaden en ook fysiek beleven langs meer dan 20 plekken in Kortrijk. Het college waar Claus school liep, de plek waar zijn vaders drukkerij was: werkelijkheid en fictie lopen door elkaar heen, want de plaatsen en personen komen ook voor in “Het verdriet van België”, onder andere namen.

Aan Hugo Claus was alles altijd dubbel.

Cees Nooteboom

In Kortrijk is het project feestelijk voorgesteld, in aanwezigheid van Cees Nooteboom, die intussen bijna 85 is. Claus wilde nooit horen van een plein of een rotonde met zijn naam. “Ik laat bij de notaris vastleggen dat er nooit van zijn leven een Clausroute komt,” maakte hij zich 35 jaar geleden sterk. Nu is die wandeling er wel. “Een meesterstuk van Claus,” vindt Cees Nooteboom, “aan hem was immers alles altijd dubbel”. Nooteboom haalde volop herinneringen op aan zijn levenslange vriendschap met Claus.

Overigens is er sprake van een haat-liefdeverhouding met Kortrijk, door Claus ooit een “intellectuele woestijn” en een “triomf van pretentieuze middenstand” genoemd.

Cees Nooteboom bracht ook in herinnering hoe onbevangen en onbeschaamd Claus destijds praatte en schreef over de collaboratie van zijn familie. “Helemaal anders dan in Nederland,” volgens Nooteboom, waar het SS-verleden van dichter Lucebert onlangs groot nieuws was.  “Dat wist ik al lang,” zei Nooteboom, “maar ik wou er geen commentaar op geven, omdat er een schandaaltje van werd gemaakt door mensen van nu die de tijd van toen niet kennen.”

Lees Claus!

Dichter en kunstenaar Jan Vanriet, een andere vriend van Claus, zei te hopen dat de Kortrijkse wandeling “niet louter een toeristisch uitje wordt, maar een aansporing om naar de boekhandel of de bibliotheek te gaan en Claus’ boeken te lezen.” Zelfs herlas Vanriet “Het verdriet van België” voor de zoveelste keer: “een ongelooflijk geestig boek”.

 

 

of hoe een Brugse Vilvoordse iets bijzonders Vilvoords in Brugge vindt

Knipsel

In het Groeningemuseum in Brugge is begin maart de tentoonstelling Haute Lecture by Colard Mansion geopend. Colard Mansion was een 15de-eeuwse boekenondernemer of librariër in Brugge. Hij zat op de wip tussen de middeleeuwen en de nieuwe tijd: hij produceerde zowel fraai verluchte handschriften als de eerste gedrukte boeken, wiegendrukken of incunabels genoemd. Of zelfs een combinatie van beide: tussen blokken gedrukte tekst liet hij witte ruimte, opdat de vermogende klant kon kiezen wat er met de illustraties moest gebeuren: met de hand tekenen, drukken (etsen of houtsneden), inkleuren of niet. Op de tentoonstelling zijn daarvan verschillende voorbeelden te zien van religieuze of wereldlijke aard.

Het was een huzarenstukje om de tientallen boeken van onschatbare waarde uit alle hoeken van Europa en ook de Verenigde Staten weer in Brugge te krijgen, meer dan vijf eeuwen nadat ze daar waren geproduceerd.

Gebedenboek van stichtster O. L. Vrouw van Troost Vilvoorde

In de collectie die Haute Lecture tentoonstelt ligt ook een klein, merkwaardig boekje: een gebedenboek van zuster Gabriel dele Hele van het klooster Onze-Lieve-Vrouw van Troost. Het is een voorbeeld van zo’n hybride boek, waar gravures worden afgewisseld met geschreven tekst. In dit geval teksten over het leven van Christus, maar ook de tekst van een professiebelofte. Onderzoekers hebben kunnen nagaan dat dit het handschrift van Gabriel dele Hele is, die in 1461 werd geprofest en die een van de stichtsters was van het karmelietessenklooster in Vilvoorde, acht jaar later, in 1469, nadat de zusters waren gevlucht uit Luik. Het is heel wel mogelijk dat zuster Gabriel ook de etsen heeft ingekleurd, schrijft onderzoekster Ursula Weekes in de catalogus. Weekes kwam 10 jaar geleden ook op bezoek in de Troost.

Het gebedenboek bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel, en het is nu voor drie maanden uitgeleend aan het Groeningemuseum. Daarna gaat het weer de duisternis in, want papier, perkament en kleurstof zijn erg lichtgevoelig. Niet te missen, deze tentoonstelling. Tot 3 juni in het Groeningemuseum in Brugge.

Het karmelietessenklooster Onze Lieve Vrouw van Troost viert dit en volgend jaar zijn 550-jarige aanwezigheid in Vilvoorde, eerst in Steenvoort, in het toenmalige begijnhof, en later in het voormalige hospitaal in de Leuvensestraat. Het is de oudste karmelgemeenschap ter wereld, nu nog bestaand uit 12 zusters. Ook zij zijn blij met de aandacht van de tentoonstelling in Brugge voor hun erfgoed. En ondergetekende Brugse Vilvoordse was blij iets bijzonders Vilvoords ontdekt te hebben in Brugge, haar geboortestad.

Op 14, 15, 21, 22 en 23 april vindt Kunst in de Troost plaats in de binnentuin van het klooster, met werk van 25 kunstenaars.

“Haute lecture”: een schat aan vroege boeken

Brugge pakt uit met 15de-eeuwse boeken van Colard Mansion. Uit de hele wereld zijn handschriften en wiegendrukken bijeengebracht in het Groeningemuseum.

pagina-met-houtsnede-in-publius-ovidius-naso-mtamorphose_38567015450_o.jpg

De verduisterde zalen van het Groeninge hebben wel wat van een schatkamer. Boeken van meer dan vijf eeuwen oud en van onpeilbare waarde liggen open op een bijzondere pagina, zacht verlicht.

drukkersmerk-brugge-colard-mansion-1484_39480635195_o.jpg

Drukkersmerk van Colard Mansion – Brugge, Openbare Bibliotheek

Een schimmige librariër

Alles wat “Haute lecture” toont, heeft te maken met Colard Mansion, een personage dat in nevelen is gehuld. Hij heeft een straatnaam in Brugge, maar wie was hij? “Zo belangrijk als Dirk Martens of Christoffel Plantijn,” vinden ze in Brugge. Mansion was een zogenoemde librariër, een man uit het boekenvak, die zelf schreef, drukte en uitgaf. Uit zijn atelier vertrokken boeken van uitzonderlijk hoge kwaliteit.

Er zijn nauwelijks privégegevens van Mansion bekend. Zijn eerste spoor in Brugge dateert van 1457. In 1484 wordt hij voor het laatst vermeld, namelijk dat hij de stad “ontvlucht was”. Ging hij failliet, of had het te maken met de politieke instabiliteit? Het mysterie Mansion draagt bij tot de aantrekkingskracht van deze tentoonstelling.

Handschrift of drukwerk? Of allebei?

Mansion zat te paard op twee tijdperken, de middeleeuwen en de nieuwe tijd; hij liet zowel met miniaturen verluchte handschriften maken als gedrukte boeken, zogenoemde wiegendrukken. De boekdrukkunst met losse letters was net uitgevonden. De grens tussen beide “media” was niet altijd zo duidelijk. Het zijn vaak hoogst gepersonaliseerde boeken, die gedrukte tekst combineren met etsen, houtsneden, miniaturen of geschilderde bloemenranden. Indrukwekkend zijn de verschillende edities van de “Metamorfosen” van Ovidius.

Brugge in de 15de eeuw, een kosmopolitische handelsstad, was de perfecte plek voor zijn boeken. Mansion was thuis in de hoogste Boergondische kringen. Bijzonder is ook dat hij de volkstaal van toen gebruikte, het Frans. Soms kun je als bezoeker een blik op de lezer werpen. Een pastoor die zijn naam achterin het boek schrijft, en de mededeling dat “wie het boek vindt, wijn zal krijgen.”

 

valerius-maximus-faits-et-dits-mmorables_38567018770_o.jpg

Valerius Maximus – manuscript van Colard Mansion – foto Lukas-Art in Flanders – Dominique Provost

Internationale samenwerking

Colard Mansion liet twee eigen lettertypes ontwerpen. Een half millennium later doet Jo De Baerdemaeker het hem na met een nieuwe letter, de Mansion Sans, die voor deze tentoonstelling wordt gebruikt. Er loopt een mooie lijn van handschriften over loden drukletters tot digitale typografie.

De tentoonstelling is een huzarenstukje met 150 bruiklenen uit 55 archieven, bibliotheken en musea, van Brugge tot New York.  Van alle 26 bekende uitgaven van Mansion is tenminste een exemplaar te zien: boeken die na meer dan 500 jaar weer bijeen zijn op de plek waar ze zijn vervaardigd.

“Haute lecture by Colard Mansion. Vernieuwing van tekst en beeld in het middeleeuwse Brugge” loopt tot 3 juni in het Groeningemuseum in Brugge. Daarna gaan de precieuze boeken weer een poos de donkere bibliotheken in waar ze vandaan komen.

Lees ook op VRT NWS.

 

Leve het stilleven

spanish-still-life

Wat gebeurt er weinig in een stilleven. Wat gebeurt er veel. In de expo Spanish Still Life hangt een schilderij met rafelige boeken en een zandloper. Het zand zit in de bovenste helft. De schilder, die grapjurk, heeft de tijd stilgezet. Ik ben blijven staan tot het zand was doorgelopen.

Citroenen, een peer en een wat verlepte kool, aan een touwtje opgehangen. Groenten en fruit als een eetbare mobile in een kaal decor, als hemellichamen in de ruimte.

Vaak is een Spaanse bodegon (letterlijk: cafétafereel) een weelderige hoorn des overvloeds met openbarstende granaatappels, vette vijgen, kweeperen met menselijke rondingen. Vergeten groenten en fruit: mispels, paarse penen, dahlia’s. Eros.

En Thanatos. Schedels, ook van onderuit geschilderd met een akelig gat. En daarrond geschikt alles wat een mens nooit meeneemt naar gene zijde: geld, dobbelstenen, kaarten, juwelen, wapens, eten en drinken, kleren, ego. Ijdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid.

Hoe langer ik kijk, hoe meer ik opmerk. Ik hoor het getinkel van een fijn glas. Bestek dat klettert. Ik vergelijk de doffe glans van pruimen met het zachte nooit reflecterende dons van perziken. Hoe meer ik fantaseer. De perzik van Toon Hermans. Of die van Call me by your name! In het boek explicieter uitgewerkt dan in de film, maar ook daar al mijlenver van tevoren aangekondigd: aan de boom, in sap, op tafel…

Afhangende takken vol donker glinsterende bramen.  Alles is rijp. Wat een verschil met de keiharde industriële groente in de supermarkt, veel kraak, weinig smaak. Op de schilderijen is alles bijna overrijp, nodig g’heten zoals mijn West-Vlaamse familie zegt. Een mes gaat door een meloen als boter. De uien lopen uit. De moot zalm ruikt sterk. Tussen de stukken spek, de dode hazen, zwaluwen en zelfs een gevangen hop sluipen al katten rond, die er hun tanden in zetten. Stilleven is in het Frans nature morte. Ik moet aan A zed and two noughts denken, de film van Peter Greenaway over vergankelijkheid en verval.

In het museum zie ik bloemen in alle stadia van verwelking. Een bos bloeiende tulpen is een heerlijk warrige wildernis met warme kleuren. In de winkel staan de bosjes groene tulpen als preien stijf en koud tegen elkaar. In de reclame is een opengesneden appel altijd wit en glanzend. Daar gebruiken ze haarlak voor, want al na een halve minuut wordt een appel bruin. Een schilder laat de tijd de tijd. Bederf hoort daarbij.

“Een stilleven mist elk narratief en elke intrige,” lees ik in mijn gidsje. Echt? Wiens hand heeft dit ensemble samengezet? In welke kamer staat die mand? Wat zit er in? Wat is de symboliek? Een stilleven is voor mensen met verbeelding. Bill Bryson schreef in At home. A short history of private life over de dingen die we dagelijks gebruiken. De echte geschiedenis is af te lezen aan wat en hoe je eet, denk ik. Die koperen ketel op het doek: wat is daar in klaargemaakt? Voor wie en door wie? En wie lapte de ketel?

Dit zijn dure schilderijen in een museum. Maar ik zie ook stillevens op straat. Gevallen snoep, ontsnapt uit een kinderhand, daar word ik altijd melancholisch van. Onlangs opgemerkt: een prachtig platgereden peer, een boodschappenlijstje in een lege winkelkar, een dappere paardenbloem in een scheur in het asfalt. De postuurkes in een vensterbank. Of gewoon thuis: fruit in de mand. Wachten tot het rijp wordt. Tot het zand doorgelopen is. Of kijken naar wat Jeroen Meus uitstalt op zijn plank, voor hij er het mes in zet. Stillevens, je moet er wel geduld voor hebben.

 

Spanish Still Life met werk van Pereda, Zurbaran, Goya, Picasso, Dali… tot 27 mei in Bozar, Brussel

Noem me bij jouw naam

Andre-Aciman-Noem-me-bij-jouw-naam

In 2007 schreef André Aciman de zinderende liefdesroman “Call me by your name”, nu verfilmd door Luca Guadagnino en vanaf vandaag te zien in de zalen. Aciman is een joods-Egyptisch-Amerikaanse auteur van nog meer bijzondere Proustiaanse boeken.

De roman werd voor film bewerkt door James Ivory, bekend van uitmuntende literatuurverfilmingen als “A room with a view”, “Howard’s End” of “The remains of the day”.  André Aciman was daar niet bij betrokken, naar verluidt las hij het script zelfs niet, maar hij speelt wel een bijrolletje in de film. Het script werd overigens net bekroond met een Writers Guild Award. Maar wie is die André Aciman?

Jood in Egypte

André Aciman doceert literatuur aan de City University of New York. Hij werd in 1951 geboren in Alexandrië, toen nog een kosmopolitische stad in het noorden van Egypte, waar in de oudheid de beroemde bibliotheek stond, één van de zeven wereldwonderen. Over zijn kleurrijke kindertijd in een nu verdwenen wereld schreef Aciman het sensitieve “Uit Egypte” (1995).

Zijn joodse voorouders moesten vluchten uit Spanje, uit Turkije en tenslotte uit Egypte. Zelf vertrok Aciman op z’n 15e uit Alexandrië naar Rome en emigreerde vervolgens naar New York. Die geschiedenis van vlucht, voorlopig verblijf en veeltaligheid (Frans, Italiaans, Grieks, Arabisch en  Ladino, de taal van de sefardische joden) doordesemt z’n hele werk. Zoeken en verdwalen zijn kernbegrippen bij Aciman.

Ik schrijf over ballingschap, herinneren en het verstrijken van de tijd.

“Een typische joodse tijdrekker”, noemt Aciman zichzelf: “Wat misschien was en had kunnen zijn heeft meer betekenis dan wat er is”.

Het madeleintje van Proust

Het mag dan ook niet verbazen dat Aciman, in het Frans opgevoed, een groot bewonderaar van de Franse schrijver Marcel Proust is, over wie hij trouwens lesgeeft in de States.  In “Alibi’s. Essays over elders” beschrijft hij een ervaring die aan het madeleintje van Proust kan tippen: de lavendelaftershave van zijn vader slingert hem naar andere tijden, andere plekken.

Bitterzoete bestseller

Zijn meest succesvolle roman, aan de boezem gedrukt door pers en lezers, is “Noem me bij je naam” uit 2007. Een zinnelijk en koortsig verslag van een verliefdheid, met als protagonisten de Italiaanse Elio van 17 en Oliver, een Amerikaanse vriend des huizes van 24. De honingkleurige zomer aan de Italiaanse Rivièra zindert van verwachting en verlangen. Maar onderhuids sluimert al het verlies.

Perzik

Zonder in detail te treden: de jongens zijn ook creatief met een perzik. Waardoor de lezer daarna nooit meer op dezelfde manier naar de vrucht kijkt. Er is trouwens wat discussie (pas op: spoiler alert) of die scene in de film goed is weergegeven.

Hoe dan ook, de perzik staat symbool voor het verdwijnen van de grenzen tussen twee geliefden. Iets was Aciman in volzinnen vat. Of wat dacht u van deze passage:

 “Wilde ik zo zijn als hij? Wilde ik hem zijn? Of wilde ik hem alleen maar hebben? Of zijn “zijn” en “hebben” volslagen ontoereikende werkwoorden in de warrige verstrengelingen van het verlangen, waarin het een en het hetzelfde is om het lichaam van de ander te kunnen aanraken en die ander, die we zo graag willen aanraken, te zijn, alleen maar de beide oevers van een rivier die van jezelf naar die ander stroomt, terug naar jezelf en opnieuw naar de ander in die eeuwige kringloop waarin de kamers van het hart, als de valluiken van het verlangen, en de wormgaten in de tijd, en de lade met valse bodem die we identiteit noemen, een bedrieglijke logica gemeen hebben volgens welke de kortste afstand tussen het echte leven en het ongeleefde leven, tussen wie we zijn en wat we willen, een wenteltrap is, ontworpen met de duivelse wreedheid van M. C. Escher.”

Lees ook op de website van VRT NIEUWS.

Kosovo in goede en kwade dagen

Tien jaar geleden riep Kosovo zijn onafhankelijkheid uit. Toen schreef ik deze tekst, over de vele keren dat ik erheen was gereisd en over die bijzondere 17de februari 2008. Ik heb hem lichtjes bewerkt.

“Omdat hij verstrikt is geraakt in zijn eigen geschiedenis, is hij niet in staat om onbevangen vooruit te kijken. Dat is zijn tragiek. De Balkanmens marcheert ruggelings de toekomst tegemoet.”  – Frank Westerman, “De brug over de Tara”

IMAG0091

Zomer 1999

Na het einde van de oorlog in Kroatië en Bosnië, midden jaren ’90, bleef Kosovo “niet “geregeld”. Vroeg of laat moest het uitbreken. In ’98 heeft het geweldloze verzet van Ibrahim Rugova afgedaan. De Albanees-Kosovaarse rebellenbeweging UCK voert aanslagen uit op Servische politieposten, en Servië slaat keihard terug. Het is oorlog in Kosovo. De mislukte onderhandelingen in Rambouillet, de start van de NAVO-bombardementen op Servië én op Servische doelen in Kosovo, de grote stromen Albanees-Kosovaarse vluchtelingen: ik volg  het van thuis, want in december ’98 was daar onze eerstgeboren zoon.

Ik ben zo gedegouteerd van de zegebulletins van de NAVO dat ik op mijn eerste werkdag de Servische ambassadeur in Brussel ga interviewen: Nikola Cicanovic. Hij citeert uitgebreid uit een rapport van 100 jaar geleden, dat moet bewijzen dat er niets nieuws onder de zon is: de “Turken” stonden en staan de Serviërs naar het leven. Meneer Cicanovic ziet er zelf uit als een pasja.

“Wij waren er eerst”, dat heb ik al zo vaak gehoord op de Balkan. Ik heb mijn buik vol van jonge gasten die op café op de achterkant van een bierkaartje grenzen tekenen en data schrijven en hun Grote Historische Gelijk willen halen. Ga dansen! Vrijen!

Shpresim

De oorlog is beslecht, het wordt zomer, mijn zoon is 7 maanden. Tijd om te gaan. Ik pak m’n rugzak. In Skopje zie ik Shpresim weer, een jonge Vlaamse Kosovaar, in de jaren 80 gevlucht wegens z’n studentenprotest. Hij brak z’n studies voor tandarts af. Ik ontmoette hem het eerst in Grimbergen, toen hij hulpkonvooien inlaadde. We rijden van Macedonië naar Kosovo, de grens zit potdicht met terugkerende vluchtelingen. Djeneral Jankovic heet het eerste dorp. Generaal Janssens, of zoiets.

Shpresims extended family woont in Shtime, een fors dorp. De weg zit vol potholes, met paard en kar manoeuvreren is de beste manier. Shpresim zijn pa en ma hebben de hele oorlog in het keldergat onder de trap gezeten. Ze zien er dodelijk vermoeid en geterroriseerd uit. Ik word er warm ontvangen, krijg een mooie kamer, mag als eerste douchen, en word volgepropt met lekker eten en drinken. Het is een va-et-vient van neven, tantes, aangetrouwde familie.  Shpresims drie kinderen dartelen vrolijk rond. Het was een lichte schok om vanuit Grimbergen naar Shtime te komen, maar ze wennen meteen. Altijd iemand om mee te spelen, altijd een oma die op je past en met wie ze hun Albanees kunnen oefenen.

Ik trek met Shpresim opnieuw naar de Macedonische grens, om een vrachtwagen met hulpgoederen van Balkanactie te zoeken. In de kilometerslange file vinden we hem, een rode, van de firma Kühne und Nagel. We gidsen hem tot in  Shtime. En daar lossen we alles in een opslagplaats: rijst, olie, blikken erwten, melk, vloeibaar wasmiddel, zeep. We vormen een ketting. Wat kan er veel in zo’n camion, ik voel na enkele uren m’n rug niet meer. Mijn bandopnemer ligt in een hoek van de hangar. First things first. Eerst komen de dorpsoudsten van dichtbij hun rantsoen ophalen. De controle is streng: hoeveel kinderen hebt u?

Etnische zuivering

‘s Anderendaags brengen we de goederen de bergen in. De Lada Niva  moet door een bergrivier. Wegen zijn er hier niet, een geitenpad voert ons verder naar boven. In het eerste gehucht loop ik angstvallig in de voetsporen van Shpresim. Mijnen. Hier en daar markeert een gekleurde reep plastic het gevaar. Maar ook aan de huizen, of wat er van overblijft, kunnen de  Serviërs boobytraps achtergelaten hebben. We treffen meneer Bajrami. Hij kampeert onder een stuk blauw plastic van de vluchtelingenorganisatie UNHCR. Z’n familie is er ook, pas teruggekeerd. Er is geen huis meer en ze hebben geen rooie duit op zak. In de  herfst van het vorige jaar zijn ze vertrokken, ik tel uit dat ze dus driekwart jaar in de bossen hebben geleefd, winter inbegrepen. Ik denk aan de middeleeuwen, maar we zijn bijna in de 21ste eeuw.

We trekken verder de bergen in, de hulpgoederen intussen overgeladen in karren en kruiwagens. In de dorpen staat geen steen meer op een andere. De Serviërs hebben elk boerderijtje vakkundig vernield. De bewoners op de vlucht jagen en de woningen daarna opblazen: heel eenvoudig. Dàt is etnische zuivering. Ik heb het gezien in Kroatië en in Bosnië, en hier in Kosovo weer. Iedereen zit in z’n boomgaard, onder een zeiltje. Op het eerste gezicht is het idyllisch. De bomen hangen vol abrikozen en pruimen. Maar het vee is meegenomen, de waterputten zijn vergiftigd door er kadavers van dieren in te gooien. De kinderen spelen met kogelhulzen en ander oorlogsafval. Iemand komt me een glas water brengen. Ik denk aan de waterputten, maar drink het toch dankbaar op.

Ik moet in een tent, met de belangrijkste mannen van het dorp, waar ik een glas thee en een sigaret krijg. Meer is er niet om uit te delen. Er komen kinderen met snotneuzen binnen. Een peuter die net kan lopen is onbeschrijflijk vies. Er is nauwelijks water om mensen en kleren te wassen. We delen papieren luiers uit: per stuk! Ik sta weer buiten, en als opnieuw een veel te jonge moeder met een vervuilde baby op de arm bij me komt staan, keer ik me om en stap het geitenpaadje af. Voor de eerste en enige keer kan ik niet meer luisteren, registreren, de knop van de bandopnemer indrukken. Ik mis Frederik, maar ik weet dat zijn vader  hem een schone pyama heeft aangetrokken en in een warme wieg heeft gelegd. Ik kan mijn tranen niet meer verbijten. Ik ga op het gras zitten, al wat ik hoor zijn oorverdovende krekels en bijen.

Later praat ik met een jonge man die de leraar van het dorp is. Het fameuze ondergrondse parallelle netwerk van Ibrahim Rugova. Weg met het Servische onderwijs en de gezondheidszorg; laten we het zelf, clandestien, organiseren (met steun van de Volksunie in Vlaanderen, denk ik stilletjes). De leraars zijn enthousiast maar onderbetaald:  ze krijgen wat de ouders omhalen. De kwaliteit is navenant.

Ik herinner me de hitte van die zomerdagen, het patriottische gezang van de Kosovaarse kinderen, de schildpad die heelhuids uit een mijnenberm komt kruipen, en die we meenemen naar de vallei. Waarom zijn al die mensen al en masse weer naar hun dorp gekomen? Waar niets meer is? Voel je dat, geboortegrond?

(8 jaar later ben ik op dezelfde plek. De huizen zijn heropgebouwd, zo goed en zo kwaad als het kan. Maar het is nog altijd armoe troef. Sommige families hebben nu pas weer vee kunnen kopen! Al die jaren was het niet leven, maar overleven.)

In Ferizaj ga ik op bezoek bij Shpresims schoonzus. De mooie blonde vrouw is gebroken. Haar dochter, volgens de foto’s een beeldschoon kind, is enkele weken geleden doodgeschoten. Op café in Pristina. Ze zat aan het raam en iemand mikte door de ruit. Zo casual kan de dood zijn. Het meisje zou trouwen, haar moeder toont me de kast waar alle lakens en tafellakens liggen voor haar “uitzet”. Balkantraditie. Ik moet en zal een kanten kleedje meenemen.

Amerikanen

Ook in Ferizaj ligt het Amerikaanse KFOR-kamp Bondsteel, een Amerikaanse kleine stad midden Kosovo. Alle militairen dragen stofbrillen die hen redelijk debiel doen lijken. De Kosovaren zijn gek op Amerikanen. Zij hebben de Serviërs naar huis gebombardeerd.

Enkele dagen later komt de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Madeleine Albright naar Pristina. Ik word bijna verpletterd, Shpresim redt m’n Sony-bandopnemer. De mensen hangen in de bomen om een glimp op te vangen van de kleine dame. Het lijkt wel de bevrijding van Parijs. Hier hebben de Amerikanen geen moeite om de hearts and minds te winnen.

(9 jaar later, op dezelfde boulevard: mega-feesttaferelen mét Amerikaanse vlaggen. Kosovo heeft zichzelf zopas onafhankelijk verklaard)

Ik bezoek de psychiatrische instelling van Shtime.  Het moet zowat de enige multiculturele instelling van Kosovo zijn, maar dat is een sarcastische gedachte. De Servische directie heeft bij de bombardementen de poort wagenwijd opengezet. Maar niet alle gekken zijn gaan lopen. Ik vind ze in de zalen, de schrale tuin, ze bedelen om sigaretten. In een cel zingt een man een Servisch liedje. Ik bewaar het op een bandje, het klinkt hol en  intriest maar ook vreemd mooi.

Nog een geluid van Kosovo: kauwen in de vlucht, in grote aantallen zwermen ze rond. En op een ochtend word ik wakker van doedelzakken. Het zijn Britse KFOR-soldaten die een soort ochtendritueel opvoeren. Ik kijk door het raam en zie dat het eigenlijk Gurkha’s zijn, de elite-eenheden uit Nepal.

Weerwraak

De oorlog is voorbij, maar toch weer niet. In Shtime zijn bijna alle Serviërs vertrokken, bevreesd voor wraakacties. Er wonen nog enkele oude besjes, die alleen met een KFOR-militair aan hun zijde om de hoek tomaten durven te kopen. In een dorp vlakbij zijn enkele dagen geleden 14 Servische mannen vermoord. Ze waren godbetert aan het pikdorsen. We rijden ernaartoe, ze zijn net begraven. Shpresim spreekt Servisch met een Albanees accent. Lang blijven we niet. De foto’s van de 14 hangen aan de bomen.

Elke avond, langs de grote wegen in Kosovo, zie ik die zomerweken huizen branden. Opzettelijk aangestoken om de Serviërs te verdrijven. De rollen zijn nu omgedraaid. Wraak en weerwraak. Het is een ongemakkelijk vervolg van de oorlog, waar de grote media nog geen oog voor hebben. In de zomer van 1999 slaat de helft van de Servische bevolking op de vlucht. Er blijven amper 100.000 mensen over, in een zee van 2 miljoen Albanezen.

Ik bel een paar verslagen door, maar het grote werk is voor thuis. Het worden broeierige en rauwe reportages.

Oktober 2000

Naar Leposavic, in het Servische noorden van Kosovo. Belgische KFOR-soldaten hebben hun kampen opgeslagen in  de Scepter van Ottokar – bergen en aan de “grens” met Servië. De Serviërs zijn meesters in smokkelen: benzine, sigaretten, alcohol, mensen. De Belgen houden het in het oog, en daarnaast zijn ze met kleine projectjes bezig: ze bouwen bushokjes. Vertederend, toch? Koning Albert schouwt de troepen, maar een Servisch meisje vraagt me wie de koning is: toch die met z’n kepie vol blinkende dingen? Nee, dat is een hoge militair, Albert draagt een simpel jekkertje. Ze kijkt me ongelovig aan.

Ik kom voor het eerst in Mitrovica, over de brug rijden mag ik niet. Er staan betonnen blokken en tot de tanden bewapende Franse militairen. Ik zie het beruchte café Dolce Vita, waar de Servische bridgewatchers iedereen in de gaten houden die oversteekt.

Ik stop voor het Trepca mijnencomplex, dat eruitziet als een industriële dinosaurus. (Later lees ik “De herberg met het hoefijzer” van A. Den Doolaard, dat begint met een geoloog die op prospectie gaat naar… de bergen rond Trepca en verstrikt raakt in een bloedwraakverhaal.)

Ik slaap in een Oostenrijks aandoend pension in Leposavic en drink rakija tot laat in de nacht met de collega’s van de RTBF. We vliegen naar huis in een C130, mijn lievelingsvliegtuig. Ik doe alsof ik me niet goed voel en mag de hele vlucht in de cockpit zitten van de vliegende olifant.

Januari 2001

Waar gaat het geld voor Kosovo naartoe? Met die vraag en een bedrag van het fonds Pascal Decroos ga ik weer naar Kosovo. Voor Radio 1, Radio 3 (nu Klara) en voor Wereldwijd, nu Mo*-magazine.

Het is winter en bitter koud, en alles valt tegen. Er zijn nu vluchten naar Pristina, in mijn geval vanuit Zürich. Maar mijn bagage blijft onderweg steken, ik heb alleen mijn werkmateriaal bij me en moet meteen op zoek naar Kosovaars ondergoed. Ik slaap in het ijskoude, tochtige Grand Hotel (vijf sterren). Later, als ik weer naar huis wil, sneeuwt Pristina in enkele uren dicht. Het laatste vliegtuig stijgt voor mijn neus op. Vreemd genoeg zit mijn tas er al in, en dus zit ik weer zonder bagage. En ga ik voor de tweede keer Kosovaars ondergoed kopen. Lucas meldt dat mijn tas is gearriveerd in Brussel, en vraagt over hoeveel dagen ik zelf denk thuis te komen…

Ik betaal me blauw aan taxi’s en mijn geld raakt op. Er zijn geen banken in Kosovo, met een kredietkaart kom je nergens. En ik ben 8 weken zwanger. Shpresims schoonbroer is gynaecoloog en verzekert me dat hij me onder zijn hoede neemt. Ik verlaat het Grand Hotel en trek naar het goedkopere Baci, aan de rand van de stad. Veel lelijk marmer en gouden kranen; de eigenaar is rijk geworden met benzinesmokkel. Ik voel me slecht.

Maar: het geld voor Kosovo dus. De miljoenen voor KFOR, de VN-voogdij, de ngo’s die over elkaar heen vallen in Pristina, de file van 4 x 4’s waar je telkens weer in belandt.  Ik probeer zicht te krijgen op het schandaal van de elektriciteitscentrale. Een aftands ding dat op bruinkool draait. De VN hebben pogingen tot modernisering ondernomen, maar er is een fortuin verdwenen, ook in de zakken van de internationals. Intussen valt de stroom voortdurend uit, overal slaan luidruchtige generatoren aan.

Het stinkt geweldig in Pristina. De stad ligt in een dal. Rijdt vol auto’s. En dan die bruinkoolcentrale van Obilic en de generatoren. Als je uit het vliegtuig stapt valt de stank als een deken over je heen. Geen wonder dat iedereen rookt. Maar ik niet.

Het enclavegevoel

Ik verzeil in een surrealistische Servische enclave.  Met een Belgische VN-politieman die in de Dutroux-tijd vermiste kinderen zocht in België, en nu hier werkt, ook om vermisten te vinden. Zijn huisbaas in Pristina is Servisch, die woont nu op het platteland. We rijden er naar toe in een Coca Cola auto, een van die rode politie-Toyota’s. De enclave is piepklein en aardedonker. Behalve dan het kleine orthodoxe kerkje, dat baadt in het licht van grote spots. Die zijn daar gezet door Griekse KFOR-soldaten, om te voorkomen dat het kerkje ’s nachts wordt opgeblazen of in brand gestoken.

Overal prikkeldraad. We hebben zaklampen nodig om tot aan de achterdeur van de boerderij te komen. Daar worden we hartelijk ontvangen, alles wat op tafel komt is zelf gestookt, gebakken, gekweekt, geplukt, verwerkt… Maar de familie leeft in een kooi, kan en durft het dorp niet uit. Af en toe raakt de zoon in Belgrado, met een speciaal bewaakt konvooi. Later op de avond gaan we op café. Het is een klein zaaltje waar enkele kaarsen staan, en waar je de rook kunt snijden. Echt blij met onze komst zijn ze niet, we maken ons snel uit de voeten uit dit naargeestige spookdorp.

Met Bernard Kouchner in de helikopter

Bernard Kouchner, in 2008 de Franse minister van buitenlandse zaken, is de eerste VN-baas in Kosovo. Op het moment dat ik er ben neemt hij afscheid met een concert in een oude sporthal. Een plaatselijk bandje speelt Gangsta’s Paradise van Coolio, de tekst is politiek correct gemaakt: Kosovo Future Paradise. Wij, journalisten kijken elkaar veelbetekenend aan.

Dankzij een Belgische medewerker mag ik met Kouchner mee de helikopter in, naar een plek waar –misschien- wapens zijn gebruikt met verarmd uranium. Er zijn metingen verricht, er wordt geanalyseerd, maar de plaats is open. Kinderen spelen op het wrak van een tank. Kouchner en zijn gevolg stappen na een uurtje weer luid gesticulerend in de Oekraïense heli. Wat moet ik hier nu over denken? De twijfel is te horen in mijn telefoonverslag, denk ik. Alles in Kosovo is complex en heeft minstens zes kanten.

Flora

In Pristina interview ik Flora Brovina, kinderarts en dichter. Ah, die dichters op de Balkan! Ze leest haar verzen in mijn microfoon. Liria Erëgruri I posakorrur:  Freedom, the smell of wheat after the harvest. Brovina is net vrijgelaten uit een Servische gevangenis. Haar gezondheid is broos. Ze blijft vooral binnen in haar flat in paarse en aardekleuren. Aan de buitenkant is het flatgebouw van tot op de draad versleten beton. Zoals overal in Kosovo is er een groot contrast. Binnen trek je je schoenen uit, buiten gooi je achteloos je afval weg. In alle grachten en bermen stapelen de plastic flessen zich op, altijd dwarrelen er zakjes door het beeld.

Als bij wonder kom ik een RTBF-cameraploeg tegen, ze nemen me in hun auto mee naar Skopje, en vandaar vlieg ik naar Wenen. De poort naar de Balkan, tot daar waren de Ottomanen per slot van rekening geraakt. Ik heb het helemaal gehad met Kosovo: lelijk, stinkend land vol militairen, vetbetaalde internationals, rancuneuze burgers, arme luizen. Ik werk mijn reportages af, schrijf het Wereldwijd-stuk en schop mijn bottines en mijn eeuwige zwarte Balkananorak op de zolder.

De volgende zomer wordt de vroegere Servische president Slobodan Milosevic gearresteerd en overgedragen aan het Joegoslaviëtribunaal. Hij is aangeklaagd wegens genocide in Bosnië (Sarajevo en Srebrenica) en misdaden tegen de menselijkheid (deportatie, verkrachtingen, moorden) in Kosovo. Ik ben intussen hoogzwanger en zoek verkoeling in de zendwagen met airco in Den Haag. In de perszaal is het dringen, niemand houdt rekening met mijn buik.

In augustus 2001 wordt onze dochter geboren, we noemen haar Flora. Ze is 5 weken oud op 9/11. Ik lig op dat moment in de sauna, hoor het nieuws pas uren later, en rij met een grote boog rond de NAVO naar huis. Exit de Balkan uit het nieuws. Enter Al Qaeda.

Er gaan een paar jaar voorbij. Ik reis naar Tsjechië en Slovakije voor de EU-uitbreiding. Ik maak een radiodocumentaire over Roma-zigeuners in Presov en Kosice. De streek van de voorouders van Andy Warhol. Ik schaam me diep, dit leven is die naam niet waard. De meeste kinderen worden zonder veel omhaal in het bijzonder onderwijs gestopt omdat ze de taal niet spreken en er donker uitzien.

Pas in 2005 roept de Balkan weer. Ik doorkruis Bosnië met een rode Opel Corsa, tien jaar na het einde van de oorlog, en tien jaar nadat ik de bevrijding van Sarajevo meemaakte. Wat is dit een mooi, groen, vochtig land. Ik interview de jonge hiking-fans van Green Vision, die ecologische trektochten organiseren. Maar er zijn veel littekens. In Maglaj vertelt Ana dat haar moeder in de oorlog soep kookte van alles wat er in de berm groeit. In Srebrenica praat ik lang met Omar, een zeldzame man die de dans ontsprongen is. Ik zie de gebouwen in de velden en de kogelgaten. En die lange, lange rijen grafstenen in Potocari, vlak bij de basis van de Nederlandse blauwhelmen die lieten begaan.

December 2006

Ze onderhandelen over Kosovo, over het “finale statuut”. In Wenen, waar anders? Onder leiding van de dikke Fin Ahtisaari. Ik pak al mijn moed bijeen en trek weer naar Kosovo. Peter Van Houtte van de OVSE woont al jaren in Belgrado en Zvecan, vlakbij Mitrovica. Hij gidst me door de deprimerendste aller plekken in Kosovo: Noord-Mitrovica. Waar alle Serviërs zijn aangespoeld die elders in het puin van Joegoslavië geen plekje meer vonden. Stad van junks, ook.

Noord-Mitrovica

De staatswinkels zijn leeg, de trottoirs staan vol slecht verlichte kiosken. Mijn tolk Miroslav daagt op in hotel Number One. Hij ziet eruit als een icoon: lang sluik haar en een baard. Hij is een soort wedergeboren orthodox,  verontschuldigt zich dat hij voor 10 uur  ’s ochtends niet werkt, maar wel bidt in de kerk. Het rare is dat hij eigenlijk erg hip is, z’n vriendin presenteert een muziekprogramma op de lokale radio, hij is helemaal into I-pod. Maar dat religieuze en nationalistische overheerst. Hij spreekt erbarmelijk Engels, maar hij brengt me waar ik wil zijn: de universiteit, de kleuterschool, het tv-station, de lokale politici, de “straathoekwerkers”.

Dwars door de stad loopt de Ibar, ten zuiden is het Albanees, ten noorden Servisch. And never the twain shall meet. Ik hoor van een oude man dat toen alles hier nog koek en ei was, en de jongens en meisjes op z’n Italiaans ‘s avonds langs de corso slenterden, het toch weer zo was dat de Albanezen links liepen en de Serviërs rechts. Gemengde huwelijken waren heel uitzonderlijk, in tegenstelling tot in Bosnië. Maar er was toch wel ergens een Romeo en Julia? Of twee Julia’s?

Nog zoiets: op de Balkan zijn de meisjes meisjes en de jongens jongens. Babes en macho’s en weinig daartussenin. Telkens weer zie ik meisjes op naaldhakken over straat laveren. Zwaar opgemaakt. Eigenlijk best trotse meiden. Ik voel me soms van een soort derde geslacht.

Belgrado steunt de Kosovo-Serviërs riant. Ze krijgen een dubbel loon om hen vooral in Kosovo te laten blijven, maar ze voelen zich gekooid en angstig, ze hebben twee jaar geleden, in 2004, een pogrom meegemaakt van woedende Albanezen. Op 48 uur tijd sloeg een golf van weerwraak over het land: tientallen doden, alweer duizenden vluchtelingen, veel kerken gebrandschat. Never the twain shall meet.

Bijna op de brug van Mitrovica werkt de Albanese Valdete Idrizi, een moedige vrouw. Haar organisatie brengt een maandblad uit, een aparte editie in het Albanees en het Servisch, om informatie te brengen over wat er echt gebeurt. De media zijn hier zo verziekt. Aan de ene kant van de rivier fluisteren ze dat ze aan de andere kant wél water en wél stroom hebben. Geruchten, roddels, vergiftigde en opruiende taal. De werkelijkheid is hier weer eens straffer dan de fictie: de moslimbegraafplaats van de Albanezen ligt in het Servische Noord-Mitrovica, het christelijke kerkhof in het Albanese zuiden. Aaargh.

In het schemerduister loop ik alleen over de brug over de Ibar. Ik hoor KFOR-soldaten Vlaams spreken, en ik ga erop af. Ze schrikken zich een hoedje, willen me meteen escorteren naar mijn slaapplaats. ’s Anderendaags maak ik interviews. “We hadden gedacht dat je iets zou vragen over Tanja Dexters die zou komen paaldansen”.

Shtime revisited

Ik vertrek naar het zuiden, weer naar Shtime. Opnieuw de bergen in, net als 7 jaar geleden. Met Steven Haegemans van Balkanactie, de opvolger van Shpresim. Het is nog altijd bittere armoe, ergens heb ik gelezen dat een derde van de Kosovaren onder het minimum van de Wereldbank zit: dat is anderhalve dollar per dag. Ik ontmoet Ashkali’s, Roma. Ze worden uitgespuwd door de Albanezen. Balkanactie geeft giften en microkredieten aan de armsten: geld voor bijenkasten, plantgoed, kleine fruitbomen, twee schapen of twee koeien. Als een soort van kick-start. Het gebeurt met veel gepalaver met dorpsoudsten en familieoversten.

Balkanactie begon in de jaren 90 met hulpgoederen uit te delen, daarna was het huizen herstellen (Servische dakpannen op moslimdaken waren geen bezwaar…), daarna de economie heropbouwen, en straks, misschien, ooit, de samenleving, ook met de vijandige buren. Ik ga twee dagen de hort op met Ekrem en Agron, we komen in de nederigste stallen, mijn minidisk staat vol geloei en gemekker. Hier geen internationals en dure 4 x 4’s. Er is nog altijd geen elektriciteit, geen stromend water, er ligt geen asfalt op de weg Er er zijn in Kosovo maar twee seizoenen: dusty en muddy.

Ik voel een soort timewarp naar de zomer van 1999. Wat is er hier weinig veranderd. In de “bewoonde wereld” wel. Langs de weg naar Pristina wordt overal gebouwd. Op de Turkse manier, lijkt me: snel, lelijk en hopelijk veilig. Een garage, een kebabtent, een benzinestation, en dan weer een kebabtent. Meer diversiteit zie ik niet. Maar er zijn banken! Ik haal met mijn Bancontact-kaart euro’s uit de muur. De vooruitgang!

Ik kom met een berg materiaal naar huis, het resulteert in lange reportages van 8 minuten, over de Servische en de Albanese angst en hoop. Over de Belgische militairen. Over de landbouwprojecten van Balkanactie. Voor Mo* schrijf ik een stuk over de economie. Ik praat met een Kosovaarse bloemenhandelaar. Hij haalt z’n snijbloemen in Gent! En kweekt éénjarige plantjes in een grote serre. Als het land onafhankelijk wordt, dan hoopt hij op een reusachtige omzet: dan koopt iederéén bloemen.

En ik bezoek een plaatselijke Carrefour, van de broers Adnan, Bari en Irfan Fusha. Ze staan een week voor de opening van hun supermarkt in Prizren, met de eerste roltrappen van de stad. Voor de 200 jobs in de winkel waren er 3500 kandidaten. Het loon bedraagt 230 euro per maand.

Ik zit met de drie broers  bij een elektrisch kacheltje en een bord baklava-gebak, en de verhalen over de oorlog komen boven. Op vierentwintig uur was het hele magazijn geplunderd. De koelkamer werd een lijkenhuis. Irfan vloog in een Servische gevangenis, waaruit z’n broers hem tegen grof geld vrijkochten. En als klap op de vuurpijl gebruikten de mannetjes van Milosevic een gestolen vrachtwagen van het bedrijf om doden uit Kosovo te dumpen in de Donau, nabij Belgrado.

Meer onderhandelingen

Het wordt niets, met die gesprekken in Wenen onder leiding van Ahtisaari. Heel geregeld krijg ik een stand van zaken van Franklin De Vrieze, die met engelengeduld elke centimeter vordering volgt. Hij woont al sinds 2000 in Pristina, helpt het parlement beter te werken in opdracht van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa. Ik ken hem al van toen hij bij Pax Christi werkte. Net nadat de bombardementen van de NAVO waren gestopt, in de zomer van ’99, dook hij opeens op in Shtime, in een kleine Yugo. Hij was uit Belgrado komen rijden met enkele Serviërs. Heel moedig.

Het plan Ahtisaari is veelbelovend: Kosovo mag onafhankelijk worden, maar onder zwaar internationaal toezicht én met harde garanties voor de Servische minderheid. Als ik het naar België vertaal dan krijgen de Serviërs een soort superfaciliteiten. Maar in de Veiligheidsraad liggen de Russen dwars. Er komen alweer nieuwe onderhandelingen, buiten de VN dit keer. Maar ook die lopen spaak. Op 10 december 2007, de deadline-datum, staat iedereen met lege handen. De Albanese Kosovaren willen niets minder dan onafhankelijkheid, Servië wil niets meer bieden dan ruime autonomie. Never the twain shall meet.

 Aftellen

Wat komt er na 10 december? Een éénzijdige onafhankelijkheidsverklaring? Nee, zegt de Russische ambassadeur in Brussel cynisch: 11 december. Net voor Sinterklaas is er een grote Balkanconferentie in Brussel, in die mooie Solvay-bibliotheek. Ik stel vragen aan de Kosovaarse premier Ceku; de hoofdaanklager van het Joegoslaviëtribunaal Carla del Ponte loopt langs; heel interessant allemaal. Bozidar Djelic, de Servische vicepremier, verdedigt zijn zaak uiterst welbespraakt en gloedvol. “Dit is allemaal tegen de internationale rechtsregels, dit zal geen stabiliteit brengen, wel integendeel.” Op de conferentie zie ik ook Suzana terug.

Suzana

Lang geleden, in ’98 denk ik, maakte ik een reportage over een Belgisch hulpkonvooi voor Kosovo. Ik interviewde een Kosovaarse vluchtelinge die in Brussel studeerde. Kort daarop vroeg ze mijn hulp toen de familie zich wilde regulariseren. Met plezier! “Suzana Krasniqi is goed ingeburgerd, spreekt perfect Nederlands, werkt als vertaler hier en daar en studeert intussen rechten”, schreef ik aan de dienst vreemdelingenzaken. Idem dito voor de rest van het gezin in Strombeek. Daarna verloor ik Suzana uit het oog. In de herfst van 2007 bel ik haar vader. “Suzana is afgestudeerd en werkt voor de regering in Pristina”. Ze leidt een team van tien man die de nieuwe wetgeving moet coördineren. Waaw! Ik bel haar op, we zien elkaar weer in Brussel. Op de Balkan Crossroads-conferentie vergezelt ze de premier van Kosovo. Ze ziet er geweldig uit, fris en krachtig. Ik ben trots in haar plaats. Twee dagen later zitten we op dezelfde vluchten naar Wenen en Pristina. Ik maak op verschillende momenten interviews, het wordt een portret voor “Stories”. Ask not what your country can do for you, ask what you can do for your country.

De Xhelili’s

Shtime is een vaste prik aan het worden. Dit keer wil ik het verhaal vertellen van de familie Xhelili. Ze hebben niemand verloren in de oorlog, ze hebben allemaal werk. Maar ze overleven alleen dankzij het geld dat een familielid uit Zwitserland stuurt. Het is gezellig in de woonkeuken. Grootmoeder Xhelili voert me koekjes en drankjes, en gaandeweg komt iedereen bij de houtkachel zitten. Ik red een doos Belgische chocolaatjes van de totale smelting. Een kleinzoon zegt een gedicht op, probeert zijn Engels op me uit. Ik stel ze allemaal de vraag wat ze verwachten van de onafhankelijkheid. Een rustig, gewoon leven. Zo saai kunnen wensen zijn.

De Peric’en

Enkele dagen later ben ik in Gracanica, een van de grotere Servische enclaves in de buurt van Pristina, in de woonkeuken van de familie van Srdjan en Ivana Peric. Drie generaties, de houtkachel snort. De gelijkenis is treffend. Hier moet ik alleen m’n schoenen niet uitdoen, en er hangen wat iconen aan de muur. Voor de rest is de setting dezelfde, de gastvrijheid even groot. Ik heb wel eens horen zeggen dat hoe meer mensen op elkaar lijken, hoe meer ze elkaar kunnen haten. Srdjans vader is vermoord in ’99, een wraakactie van een Albanese collega. Zijn moeder is toen ook in elkaar geslagen. Ik vind dat de zoon daar opmerkelijk mild onder is gebleven. De schoonvader van Srdjan haalt zelfgestookte slivovica boven: de lekkerste die ik ooit proefde. Hij heeft zo’n 200 liter in stock.

Lange baarden, hoge mijters

Srdjan en de Servische lobbyiste (en langbenige ex-miss) Borka Tomic in Brussel helpen me aan een interview met bisschop Artemije, de hoogste orthodoxe geestelijke in Kosovo. Hij heeft na de orgie van geweld in 2004 het patriarchaat van Pec verlaten en verblijft nu bij de nonnen in Gracanica.

De kerk is prachtig en sfeervol. Het is een feestdag, de mensen komen brood en wijn brengen, en steken dunne okergele kaarsen aan. Ik fluister een beschrijving van de vele fresco’s in mijn microfoon, het lijkt commentaar bij een biljartwedstrijd. We mogen een orthodoxe dienst volgen. Lange gezangen, en opvallend jonge nonnen met byzantijnse hoge hoofddeksels en sluiers.

Daarna is het wachten op de bisschop. Plotseling duikt hij buiten op, een kleine man met een hoge hoed, een lange grijze baard en een groot kruis op de borst. Hij leunt zwaar op z’n staf. Srdjan vertaalt in mijn oor: “Kosovo wordt een staat van terroristen, Al Qaeda is geland in Europa; dit is onze grond, dit is de bakermat van Servië”. Artemije fulmineert tien minuten, draait zich om en loopt weer weg, met z’n gevolg. We gaan er achteraan en geven hem een fles Belgisch patersbier. We, dat zijn Stefan Blommaert en ik. Voor de eerste keer werk ik samen met een TV-ploeg in Kosovo. Dat is geleden van midden jaren 90 in Kroatië, bedenk ik, sindsdien reisde ik altijd alleen. Het gaat vlot, we wisselen klank uit, rijden samen rond, delen tolken. Hoewel, niet elke dag. Ik hou er ook van mijn eigen, discrete weg te gaan, met alleen een kleine flashmic op zak.

Ik puzzel uren aan de reportages, opnieuw in het fameuze Grand Hotel in Pristina. De eerste nacht deel ik mijn kamer met een (Servische? Albanese?) muis. Er is een wonder gebeurd in het seventieshotel: er is wireless internet. In de lobby zit ik met de laptop op schoot en stuur mijn klankjes en montages naar Brussel, met één druk op de knop (nou ja). Het is al druk in de Grand. EBU heeft er z’n tenten opgeslagen, de baas van het spel is de sympathieke Balkanofiel Bruno Beekman, die op Jacques Brel lijkt.

En nog meer zusters en broeders

We willen naar nog meer Servische kloosters. Decani is het doel, bij het drielandenpunt met Montenegro en Albanië. De rit is lang, en als we eraan komen, kijken de Italiaanse KFOR-militairen maar bedenkelijk. Decani ligt in de bergen, te midden Albanees gebied. In 2004 is het klooster aangevallen, recenter ook nog. In de wachthuisjes van de Italianen zie ik de kogelgaten nog. Overal prikkeldraad en zandzakken. We komen er niet in, de broeders zijn aan het bidden. Over enkele uren weer opdagen is geen optie, om vier uur is het hier donker in de bergen. We gaan cevapcici eten en Peja pils drinken in Pec/Peja. Sint Genesius Rode/Rhode Saint Genèse.

In Pec zijn er ook geen Serviërs meer sinds ’99. Wél nog het belangrijkste klooster- en kerkencomplex van Kosovo: het patriarchaat van Pec. We rijden erheen, en wéér die Italianen. We zeggen dat we toeristen zijn, we hebben geen opnamemateriaal mee. Over- en- weergebel met een oude non. Ik weet wie ze is, zuster Dobrila, maar ik mag niets zeggen. Ik ben een toevallige bezoeker, geen journalist op dit moment. Dobrila laat ons binnen, voor vijf minuten, want daarna moeten ook de zusters bidden.

We lopen een wegje af, gaan een oude poort door, en daarachter ligt een soort paradijsje in de schemering: ruïnes van andere gebouwen, stokoude bomen, er klatert een bergriviertje door de tuin. In het midden staan verschillende orthodoxe kerken, als door een goddelijke hand in elkaar geschoven. Dobrila, een kleine vrouw met zilveren haar en een witte alpinopet, geeft in vloeiend Frans een theologische uitleg, en geeft geluidsman Aron een standje omdat hij met zijn handen in zijn zakken rondloopt.

Het is steen- en steenkoud in de kerk. Dobrila drukt even op een knopje om de van top tot teen beschilderde muren en plafonds te laten zien, daarna dooft het licht weer. Ik vraag voorzichtig hoe het zit met die kwetsbare veertiende-eeuwse fresco’s. Zorgt daar iemand voor? Antwoordt Dobrila: “Ce n’est pas une question de restauration ici, madame, c’est une question d’existence”. We komen uiteindelijk te weten dat een paar Servische families toch terug durfden keren. De vijf minuten zijn drie kwartier geworden.

Weer in Pristina hoor ik dat m’n RTBF-collega Françoise Wallemacq met broeder Hilarion kon praten in Decani, ze kent de man van vroeger. Ik beluister het gesprek, in het Frans. Hilarion geeft de gebruikelijke uitleg – de bakermat, het hart van Servië – maar dan zegt hij iets ongelooflijks. “Om klussen op te knappen stellen we hier tegenwoordig Albanese Kosovaren te werk. En omdat niemand in het klooster hier ooit de moeite heeft genomen om Albanees te leren, hebben we ook maar meteen een lesgever aangeworven, een mens moet vooruitziend zijn”. Never the twain shall meet?

Nog meer Servisch leed in Mitrovica. Ik loop rond met Igor Milic, een computernerd. We stappen over een modderig voorplein naar een oude school, waar tientallen vluchtelingen wonen. De klassen zijn met karton verdeeld in kleine kamertjes, voor alleenstaande moeders en weduwen. Jela, een vrouw van een jaar of 60,  praat gedempt – de buren kunnen elke zucht horen. Ze is al sinds de jaren 90 op de dool, van Kroatië naar Bosnië naar Kosovo naar Noord-Kosovo. Hervestigd al naargelang het Milosevic uitkwam, denk ik. Ze heeft werk, maar geen huis. Noord-Mitrovica zit vol vluchtelingen. Mijn vorige tolk Miroslav kwam uit Sarajevo. Servisch wrakhout, casualties van het uiteengespatte Joegoslavië en het nationalisme. Als ik Jela vraag of ze Joegoslavië mist, dan breekt haar stem.

Opnieuw aftellen

Het lijkt het einde van een zwangerschap: de laatste maand is de laatste dag, zegt de volksmond. Kosovo verklaart zich onafhankelijk, maar wanneer? Eerst moeten de Serviërs een president kiezen, en ooooo, zucht van opluchting, het is de democraat Tadic en niet de Vlaams Belanger Nikolic. Maar dan? Het mailverkeer tussen Pristina en Brussel is koortsachtig, begin februari 2008 .Wanneer gebeurt het, wanneer moeten we komen? Dreigen we het moment te missen? Niemand weet het, geen diplomaat, geen international, zelfs niet Suzana in het hart van de macht kan het me zeggen.

We doen een beredeneerde gok: Kosovo wil geen ruimte laten tussen de onafhankelijkheidsverklaring en de erkenningen van EU-landen. En er is een EU-vergadering op 18 februari. 17 februari dus, Pavarsia-dag? We wagen het erop, en dit keer ben ik helemaal verwend: er is niet alleen Stefan en een cameraploeg, maar ook radiotechnicus Samuel. Ik vrees dat als het feest losbarst, alle gsm- en internetverbindingen in rook zullen opgaan.

We’re from New York

We landen in Pristina in het gezelschap van een pak Kosovaren. Ze hebben ook op 17 februari gegokt, en ze komen speciaal terug om te vieren. Eén groep bestaat uit New Yorkers die al 30 jaar geleden geëmigreerd zijn uit het toenmalige Joegoslavië. Ik vrees dat ze de cultuurschok van hun leven krijgen als ze straks hun neus buiten het luchthavengebouw steken. Ze zijn al in feeststemming, net als Rame en zijn vrouw, ook uit de buurt van New York. Hij is in ’99 gevlucht, heeft maanden in een vluchtelingenkamp in Macedonië gewoond, en heeft uiteindelijk een onderkomen gevonden in Amerika. Hij laat trots zijn pet van de Boston Red Sox zien. Buiten staan familieleden te wachten; ze zijn bijna tien jaar gescheiden geweest en het weerzien is ontroerend.

Drie dagen later staat Rame plotseling, mét pet, in het perscentrum van het Grand Hotel. Hij vliegt me rond de nek en wil met me op de foto. Kosovo heeft zich zopas onafhankelijk verklaard.

Freedom of Movement Train

Kosovo is een autoland, een zesdehandse Golf kost niet veel, en in oplappen zijn ze sterk: banden worden hier nog gevulkaniseerd. Maar er rijden sinds enkele jaren treinen, en die intrigeren me. Van Kosovo Polje naar het noorden, tot aan de grens met Servië, en ook naar het westen, naar Pec/Peja.

We staan vroeg op, pikken Srdjan op in Gracanica en rijden naar het station van het Merelveld, Kosovo Polje. Het is veel groter dan ik had gedacht. Misschien wel acht sporen, maar op de meeste staan wrakken van treinstellen. De enorme hal is leeg; het is een heerlijk Jugo-modern gebouw uit de jaren zeventig; de loketten zijn niet open, er is een verlepte bar. Het is koud en de zon komt op: dat levert sfeervol licht op voor de cameraman.

Op het perron staat Zjivorad Djordjevic, hij was vroeger seingever bij de Joego-spoorwegen en hij heeft een sympathieke kop, met borstelige, witte wenkbrauwen. Kosovo Polje-centraal was vroeger mooi, vertelt hij, fris geschilderd en overal bloemen. Nu reist Zjivorad voortdurend naar het noorden, zoals zoveel Serviërs.

Deze trein was enkele jaren het enige veilige vervoermiddel. De meeste Serviërs rijden – uit principe – met de oude Servische nummerplaten op hun auto’s rond, hoewel de rest van Kosovo al eigen borden heeft. Ze rijden dus in de kijker, en dat is niet veilig. Ook de trein is herhaaldelijk met stenen bekogeld. Maar dat lijkt voorbij. Er is veel security. Pas na lang palaveren met Stefan en Srdjan laten ze toe dat er gefilmd wordt. Daardoor is het vertrek een paar minuten vertraagd. Anders was deze trein op tijd vertrokken, om 07:35. Eat your heart out, NMBS.

Het is warm binnen, we kopen een kaartje voor 50 eurocent. De treinstellen komen uit Denemarken of zo, te oordelen aan de mededelingen op de wanden.Gesprekken aanknopen op de trein gaat moeilijk. De stoelen staan dicht bij elkaar, mensen willen niet afgaan voor hun buren, denk ik. En we zijn veel te intimiderend, met camera en microfoons en tolk.

Er zitten vooral Serviërs op de trein, veel mensen die familie willen bezoeken in het noorden, die willen doorreizen en overstappen naar Belgrado. Maar ook studenten en scholieren, die ergens in een enclave wonen en veilig naar Noord-Mitrovica willen, naar school of univ. Biljana is er zo eentje, later zien we ook Dragana, een rare studente psychologie. De meeste mensen houden de lippen op elkaar, er hangt duidelijk spanning in de lucht. Eéntje spreekt Engels, maar wil pas praten nà de onafhankelijkheid.

We stappen uit in Zvecan, in de schaduw van de grote schoorstenen van de Trepca fabrieken. Ik geef de moed bijna op, één gesprek met een man leidt ertoe dat hij alle vragen in mijn gezicht terugkaatst. Mijn tolk Srdjan kijkt me vertwijfeld aan. Ik probeer het nog eens met Milan, een student economie. In gebroken Engels zegt hij dat hij niet met politiek bezig is, maar met sport en meisjes. En met studeren: maandag heeft hij examen, onafhankelijkheid of geen onafhankelijkheid.

Tussen de sporen in Zvecan staan drie Roma-tieners een vuurtje te stoken. Ik had ze ook al op de trein opgemerkt. Maar nu pas zie ik dat het meisje – ik schat haar een jaar of 15 – een klein bundeltje in een deken draagt: een baby.

De Freedom of Movement trein is multicultureel, maar de mensen praten niet met elkaar. ’s Avonds monteert Samuel een mooi klanklandschapje in elkaar, veeltalig en op het denderende ritme van de enorme diesellocomotief.

Een datum?

Help, we zijn net van de trein gestapt of er slaat een golf van opwinding door Kosovo. Premier Thaci Zal Iets Zeggen. Kondigt hij eindelijk aan dat het overmorgen onafhankelijkheidsdag is? De perszaal stroomt over. De zwaarbewaakte Thaci komt binnen, zegt dat Kosovo niemand zal discrimineren. Maar een datum? Dàt is nu even niet het onderwerp. Héhé. Een anticlimax, waarover iedereen toch weer duchtig verslag doet, wij incluis, vanop het Siberisch koude dak van het Grand Hotel.

De stilte voor de storm

Hoe zeggen ze dat in het Frans: un secret de polichinelle? Iets wat iedereen weet maar niemand bevestigt? Dat is het gevoel op zaterdag. De stad wordt schoongemaakt en versierd, voor iets wat morgen gebeurt: de onafhankelijkheid. Misschien. De Belgische diplomaat Wim Peeters, die me perfect op de hoogte houdt, heeft nog altijd geen uitnodiging ontvangen om naar het parlement te komen.

Ik heb afgesproken met Apollon Hoxha, een all-American Kosovar, die lesgeeft aan politiemannen. Op 10 december hebben we samen de grote pro-pavarsia-betoging verslaan. En nu trekken we samen de stad in, op zoek naar “voorbereidingen”. We komen in de aftandse sporthal waar straks het nationaal orkest zal spelen. Een beetje Europees-blauw-en-geel textiel kan wonderen doen. ’s Avonds ziet het er op tv pico bello uit. Mijn frank valt: dit is dezelfde hal als die van het afscheid van Kouchner, met die rappers die indertijd Kosovo Future Paradise speelden.

Op een andere plek in de stad is het orkest verwoed aan het repeteren. Niet de 9de van Beethoven, maar wel iets wat me aartsmoeilijk lijkt, een symfonie van een vermoorde Kosovaarse componist. Ze hebben nog 24 uur om het onder de knie te krijgen. De eerste cellist, Antonio Gashi, is een rijzige man die in mooi Engels uitlegt dat Kosovo ook nog wat anders te bieden heeft dan oorlog en ellende: kunst en cultuur, Europese waarden. Dat zal wel zijn!  Ik ben dol op muziekrepetities, ik vind ze veel leuker dan het concert zelf. Het is een mooi spel van opperste concentratie en studie, en voortdurend stoppen en ginnegappen.

In de nationale kunstgalerij, een licht gebouw dat me nog nooit was opgevallen in de schaduw van de krankzinnige universiteitsbibliotheek (die met de stalen rasters en de glazen koepels die lijken op Albanese hoedjes), is het een drukte van belang. Academiestudenten beschilderen één groot doek, dat alle wanden bedekt. Ik zie de koppen van de helden, de usual suspects in Kosovo:  Skanderbeg, Rugova, Jashari. Maar ook bloemen en een fraai naakt. Veel kleuren. Iedereen is tegelijk bezig, er speelt frisse klassieke muziek. Enkele meisjes zijn iets driedimensioneels aan het maken met ijzerkrullen. We babbelen met Oriana, ze heeft haar Skanderbeg, de Albanese Ambiorix, toch een eigentijds tintje gegeven. Er hangt hier een heel bijzondere sfeer die ik nog nooit heb ervaren in Kosovo: zou het optimisme zijn?

’s Avonds krijg ik een mail van Steven Haegemans met het programma voor de onafhankelijkheidsdag! Het publiek geheim is onthuld, ineens circuleert het papier bij alle journalisten.

Waardig feesten

Zondag begint andermaal op het dak van het Grand Hotel, waar de satellietverbinding ons feestelijk in de steek laat. Ook de gsm doet het niet. Later vertellen collega’s dat er op uitzending een “pot” (verdomme) te horen was. Oeps.  Ik neem een fake-live-gesprek op, voor de middag, met Bart Staes, Europarlementslid voor Groen! en al jaren strijder voor de Kosovaarse (Koerdische, Tsjetsjeense…) zaak. Toen ik hem in de zomer van ’99 vertelde over de wraakacties op de Serviërs, wuifde hij dat weg: een begrijpelijke reactie na al die jaren onderdrukking. Nu wordt het een nuchter gesprek, hij geeft toe dat er nog enorm veel moet gebeuren. Maar de onafhankelijkheid is onafwendbaar. De klank raakt vlot in Brussel, het internet doet het nog.

We springen binnen bij Suzana in het regeringsgebouw, ze is opgewonden over wat er buiten gebeurt, maar ze heeft nog hopen werk. Morgen moet het parlement er al een pak Ahtisaari-wetten doorjagen. Ook Apollon bereikt stilaan het kookpunt.

Tegen de middag  stroomt het volk toe op de Moeder Theresa Boulevard in Pristina. Tot voor kort een hoop gebroken stenen en veel modder, nu geplaveid met Chinees (volgens kwatongen radioactief) arduin, en versierd met boompjes en bankjes. Er mogen geen auto’s meer rijden. Grote families met kinderen wandelen op en neer. Stilstaan is geen optie in de vrieskoude februarilucht. Maar het is mooi weer. Aan de rand van de weg deelt brouwerij Peja gratis bier uit. Later wordt de meterslange taart in stukken verdeeld. Verderop in de straat staat een groot podium, en daarachter, in het parlementsgebouw, gaat hét gebeuren.

Bijna iedereen draagt een vlag: de Albanese zwart/rode met een dubbele adelaar, de Amerikaanse, de Britse, de Europese, de NAVO-vlag zelfs. (De laatste keer dat ik met een Belgisch vlagje zwaaide was in de lagere school, toen Boudewijn en Fabiola naar Brugge kwamen, ik ben niet van plan om dat nog te doen … met geen enkele vlag.)

Aan de gevels hangen affiches: “Thank you America”, “Thank you Britain”. Maar ook “Feest waardig!”. Lees: niet te zat en niet in de lucht schieten met je kalasjnikov…

Gezuar Pavarsia!

Om drie uur kijken we met z’n allen naar tv. Premier Thaci en president Sejdiu houden toespraken in het parlement. Op die van Thaci valt niets af te dingen: als hij dit allemaal uitvoert, wordt Kosovo een modelstaatje. “Ik voel de hartslag van mijn voorouders”, zegt hij (’t is hier tenslotte de Balkan), “maar ik wil in de toekomst kijken”. Daarna leest hij de onafhankelijkheidsverklaring voor. En de parlementsleden stemmen unaniem ja, bij handopsteking. Het is in een wip gebeurd, zo simpel kan het zijn om een nieuw land te maken.

’t Is vijf voor 4, ik krijg er net nog een telefonisch verslagje door. In de perszaal is het intussen vechten voor arm- en beenruimte. De uren daarop gaat het internet extreem traag, ons stuk voor 17u is nog tijdens het nieuws binnengelopen… Maar het lukt, ik heb werkelijk het gevoel dat alles lukt vandaag.  Franklin stuurt me een euforisch sms’je.

Apollon en ik gaan weer de straat op, er staat een compacte massa van honderdduizenden mensen. Ik ben er bang van, vrees dat ik er wel in kom, maar nooit meer uit raak. Apollon maakt zich boos op de voetzoekergooiers. De Kosovaren zijn uitzinnig, van zodra ze een microfoon zien komen ze zingen, scanderen en praten. “Long Life (sic) George W Bush! Kosova! Pavarsia!”

Apollon wijst naar een groepje redelijk beschonken medeburgers: “Kijk daar eens, de Al Qaeda-staat in Europa!”. Mensen zoenen en wensen elkaar Gezuar Pavarsia, een gelukkige onafhankelijkheid. Oudere heren en dames hebben tranen in de ogen.

Op het podium is Eurovisiesong-Balkan-muziek te horen, later op de avond spreekt Thaci de massa toe. Hij draagt een elegante jas, de man die tien jaar geleden in battledress leiding gaf aan een terroristengroep, het UCK. Het kan verkeren, en met machtige vrienden raak je ver.

Newborn

Op een pleintje hebben jonge gasten een kunstwerk onthuld. In koeien van stalen, geelgespoten letters staat er het woord NEWBORN. Er loopt een potige kerel voor me in een t-shirt met daarop ook newborn. Ik maak er een opmerking over, eerst lijkt hij boos, maar dan breekt de lach door: “That’s my baby” zegt hij, “we hebben hier tien dagen als gekken aan gewerkt”. Op de letters hebben president en premier al hun handtekening gezet en duizenden anderen volgen. Jongens en meisjes staan bovenop de E, de B en de R te dansen, ik hoor Perfect Day van Lou Reed en Life o life van Des’ree. Kosovo is geboren. Er wordt vuurwerk afgestoken (betaald door de Amerikanen, schijnt het). Ik ben doodop en beperk het feest tot enkele rakija’s en een onafhankelijkheidssigaret. Mijn kamer ligt aan de straatkant van Moeder Theresa, maar ik slaap door alle lawaai heen. Het vreemde is wel dat ik rond zes uur wakker word van een vuilniskar die glas aan het bijeenvegen is. Ongelooflijk, wat een organisatie in het nieuwe Kosovo.

Kosovo = Srbija!

De day after, en we rijden ’s ochtends al naar Mitrovica. Een autoband is leeggelopen en wordt vakkundig vervangen door de echte mannen van VRT (radio en tv) en De Standaard. Alle garagisten en vulkanizers liggen in hun nest, na het feest van gisteren…

IMAG0108.jpgWe parkeren aan de zuidkant van de brug, gaan te voet voort, want onze nummerplaat is off limits aan de andere kant van de Ibar, zeker op een dag als vandaag. We zoeken de Belgische KFOR-soldaten op. Ze hebben vlakbij de brug geslapen, in een koude sporttent. En ze staan op scherp om in te grijpen bij incidenten en rellen.

In het centrum, nou ja, centrum van Mitrovica, is de manifestatie al in volle gang. Duizenden Serviërs luisteren naar buldertoespraken van plaatselijke politici: Marko Jaksic, daar heeft Peter Van Houtte me indertijd vaak over verteld. Er staat ook een pope op het podium, hij wijst er op dat de naam Mitrovica van de heilige Dimitri komt. Kosovo is en blijft Servisch, het is niet te koop, joelt iedereen. Weg met Amerika, weg met de EU, leve Poetin. Een sterk moment is wanneer de spreker oproept om te stemmen tégen de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo. Alle handen gaan omhoog, net als in het parlement in Pristina gisteren…

En ook hier: een massa vlaggen, rood-wit-blauw, met een kroon in het midden en …. een tweekoppige adelaar. Ik heb de grootste moeite om Igor Milic te vinden in de menigte, zeker als de betogers richting brug stappen. Ik duik een kleinere straat in en slaag er in om met de redactie te bellen.

Op het verzonken ronde pleintje bij Dolce Vita praat ik met enkele studentes: “Het is afgelopen met ons, ik verwacht dat die beesten ons nu komen afmaken”. Ze studeert filosofie, ik kijk haar ongelovig aan. Ik ben blij als ze me vraagt wat ik ervan denk. Ik begin over Ahtisaari, met dat plan in de hand kunnen de Serviërs harde eisen stellen aan de Kosovaarse regering. Maar dan moeten ze wel de nieuwe staat eerst accepteren, en dat is niemand hier van plan. De wonde is nog te vers.

We duiken Number One in, het hotel waar ik ruim een jaar geleden drie dagen verbleef. Tussen de schotels varkens- (!) vlees en de Laszko-pils monteren radio en tv de Servische woede. Na een korte worsteling met het trage, Servische internet komt alles netjes aan in Brussel. Ik krijg een sms van Wim Peeters: “Zet de pintjes maar koud, België heeft zopas Kosovo erkend”. Ik vertel het aan de Belgische collega’s aan tafel, in het Nederlands, maar niet aan Igor. Hij heeft me net gezegd dat de afscheuring van Kosovo ook hém fysiek pijn doet. Ik beken: ik begrijp het niet, ook niet na al dat reizen en boeken lezen.

Later trek ik naar twee gematigde Servische politici: Oliver Ivanovic (begin 2018 vermoord op straat!) en Miletic. Ze worstelen hoorbaar met een dilemma. Ze willen pragmatisch zijn, samenwerken met de nieuwe staat om het onderste uit de kan te halen voor de Serviërs. Maar net die nieuwe staat is een brug te ver. In Mitrovica klinkt die uitdrukking sinister, ik geef het toe.

Gangsters Paradise

UNMIK loopt op z’n eind in Kosovo, de missie van de VN wordt vervangen door eentje van de EU. Maar op veel gevels zie ik al staan: UNMIK = EULEX, en dat allemaal met een rood kruis erover. Europa zal zich bezighouden met law and order in het wilde Kosovo. Er gaan rechters en politiemensen de plaatselijke collega’s bijstaan. We rijden met Theo Jacobs, de vroegere Leuvense parketwoordvoerder, naar een rechtbank van eerste aanleg. Er loopt een mooie Balkan-rechtszaak: na een openbare aanbesteding heeft een afgewezen mobilofoonaanbieder geschoten op een rivaal. De boeven worden geboeid binnengebracht. Eén zit in een rolstoel, mét handboeien. Dat moet een heel gevaarlijke man zijn. Het zal niet makkelijk zijn in Kosovo, legt Jacobs uit, er heerst een lichtjes ander rechtvaardigheidsbesef, er heerst corruptie, door het machtsvacuum staat de georganiseerde misdaad sterk. Hij is hier al anderhalf jaar aan de kar aan het duwen, nu begint het echte werk.

Een interview met de grote UNMIK-baas Rücker loopt op een sisser af. Het heeft alles te maken met de rellen aan de grens, waar hij duidelijk niets over wil zeggen. Er zijn douanehokjes in brand gestoken, enkele handgranaten gegooid ook. We blijven in Pristina, bellen met Belgische en Griekse militairen die er met hun neus opzitten, maken een verslag.

Moslimstaat

Ik heb een oliedomme e-mail gekregen van een collega uit Brussel. Hij vindt dat Kosovo een  islamstaat is, die door Amerika is gesticht om de EU uit elkaar te laten spatten. Ik denk aan bisschop Artemije, aan de pope gisteren op het podium in Mitrovica: kerk en staat broederlijk verenigd aan Sérvische kant, niet aan Albanese. Kamergeleerde! Kom eens kijken op de Balkan.

’s Avonds houden we, twee dagen na datum, een stevig onafhankelijkheidsfeest in Il Passatore, het restaurant van een Italiaanse oudere communiste. Met het VRT-volk en een paar uitgeweken Vlamingen verbeteren we de wereld en de journalistiek. Stefan doet bepaalde hoofdredacteurs in de ban, Samuel wordt met het uur milder voor de gehele mensheid.

Janjevo

’s Anderendaags zijn we helemaal murw van de politiek (en de rakija). We rijden naar Janjevo. Ik ben daar al eens in de buurt geweest met Steven Haegemans, toen we hoog in de bergen in Teqe landbouwprojecten bezochten. Het Kroatische (!) stadje Janjevo zelf heb ik nog niet gezien. De meeste Kroaten zijn in de jaren 90 weggejaagd door de Serviërs. Er staat nog wel een kerk, fris in de verf. We stappen langs een modderpad omhoog, de bergen in. Een paar oudere vrouwen zeggen dobar dan in plaats van mirdita, en op hun erf lopen geen schapen maar zwijntjes. Het zijn van die kleine Balkanverschillen.

Het is moeizaam klimmen met een kater. Maar boven, liggend in de zon in een soort alpenweide tussen de ruïnes van boerderijen, overvalt me dat rare gevoel van lachen en huilen, helder en verward tegelijk. Een moment of being zou Virginia Woolf zeggen. Ik kan mijn fijne collega’s wel omhelzen. Ik denk aan al die uren gesprekken in doorrookte cafés, betogingen en congressen van jaren geleden, de doffe ellende van ’99, het extatische feest van afgelopen zondag, de Serviërs die op hun ziel getrapt zijn. Ik denk aan Shpresim, met wie ik graag de onafhankelijkheid had gevierd, maar die uit beeld verdwenen is. En het volgende moment denk ik aan niets, ik hoor alleen de wind in de bergen boven Janjevo.

 

Kristien Bonneure
29 februari 2008
(met veeeeel dank aan Lucas, mijn eerste luisteraar en lezer, voor de continuity in Vilvoorde)