Genezen doe je toch in alle rust?

Wat is een ziekenhuis toch een nerveus zoemende bijenkorf. Ik heb er helaas wel wat ervaring mee, en het valt me telkens op hoe schaars de rust er is, terwijl een mens toch net beter wordt van peis en vree en niet van een bad van lawaai en drukte?

Hallo, ik ben Sofie, en ik ga vannacht voor u zorgen, klonk het in mijn pas ontwaakte oren. Een zachte stem. Ter contrast met alles wat ik me herinner van de nacht op intensieve zorg: teringherrie, een pandemonium van zoemen, bliepen, klikken, suizen, kraken, praten, kreunen, roepen. Een man in een naburige box schreeuwt het in het Arabisch uit, tot hij plotseling stilvalt, na wellicht een spuit van het een of het ander. Elders heeft iemand alle infusen losgetrokken en ontstaat er stennis. Ik vraag en krijg oordopjes. Maar het blijft zoemen en bliepen, dwars erdoorheen. Karel Goeyvaerts componeerde ooit met de geluidjes in z’n ziekenhuiskamer. Maar geluidsdeskundige Julian Treasure stelde aan z’n TED-talkpubliek de retorische vraag How does anyone get well with sounds like this?!  nadat hij de heksenhetel van een afdeling intensieve zorg had laten horen.

Karrenvracht

En dan lig je op een gewone kamer, naast een rustige andere zieke. Tot de karren komen. Zoveel karren! Met eten, met verband, met pillen, met een bloeddrukmeter, met poetsgerief. Ze suizen door de gang en je hoort  – kedeng kedeng – elk richeltje in de vloerbekleding onder de wieltjes verdwijnen.  De verpleging moet tegenwoordig zelfs navigeren met een rijdende laptop – ieieieiep – tot net naast je bed om daarna  – piep – je identificatiearmbandje in te scannen. Alle respect hoor; die mensen doen wonderen tegen de klok…

Ik hoef geen gewijde stilte in een dure eenpersoonskamer; ik kan best wel wat gebabbel hebben, met medepatiënten of hulpverleners. En toen enkele kamers verder een bejaarde man met krachtige stem Tweeeeeee oooooogen zo blauauauauauauw zong, voor de hele gang, schoot ik net als iedereen in de lach.

Positief is ook het teeveebeleid. Waar er vroeger één scherm was in een kamer, en de kwiekste zieke de afstandsbediening monopoliseerde om daarna keiluid naar Thuis te kijken, zijn er tegenwoordig twee schermen, of zelfs een soort computerscherm vlak aan je bed. Ieder zijn meug. Bij mij bleef het stil; in het holst van de nacht klonk er Hildegard von Bingen in m’n oortjes.

Voor het bijenkorf- of luchthavengevoel van een ziekenhuis heb ik eigenlijk bewondering. Alle raderen die draaiend in elkaar grijpen; het bloed geanalyseerd, de patiënt ontwaakt, de instrumenten steriel gemaakt, de soep opgelepeld.

Stille ruimte

Maar als je zelf moet herstellen maakt die drukte -want dat is het- je onrustig. Des te blijer ben ik dus om in het ziekenhuis van Vilvoorde, AZ Jan Portaels, een nieuwe stille ruimte te ontdekken. Van zodra ik op de been ben, zoef ik – ping – naar beneden om de deur, met in grote letters: ‘bezinnen-stilte-licht-welkom-gesprek-troost’, even achter me dicht te trekken.

Er staan blankhouten zitbanken en een genereuze tafel om aan te schrijven of te tekenen; papier, pennen en kleurtjes liggen klaar. In het tafelblad is een kompas gegraveerd. Hier ben ik, hier zit ik, hier sta ik. Ik loop misschien verloren in mijn zorgen en mijn leed, maar hier kan ik even voor anker gaan.

Ik denk aan een passage uit de recente roman ‘Oksana’ van Donald Niedekker:

Je bestaat, je bestaat zonder poespas, zonder opsmuk, zonder tierelantijn, gewoon zo, met het bij de sluiting jeukende bh-bandje, met het uitzicht op een dal, je bestaat zonder dat je je hoofd hoeft te breken over de volgende stap, je bestaat met de ochtend, met de bomen, het zand, een vennetje, een dorpsstation, de roep van een koekoek, malse voorjaarsregen, het bestaat, elke regendruppel bestaat, en jij bestaat precies zo.

In een speels ingedeelde wandkast staan de Koran en de Bijbel zusterlijk naast elkaar; ik zie opgerolde gebedsmatjes, een meditatiebankje en kleine kruisjes van brooddeeg. Er heerst hier godsvrede: in het hout zijn katholieke, orthodoxe, evangelische kruisen gebeiteld, net als een islamitische maansikkel-en-ster en een davidsster. En een humanistische happy human.

Een warm, sober interieur, open en pluralistisch. Ik vind de stille ruimte van AZ Jan Portaels een voorbeeld. Ik weet dat er hier en daar nog inspanningen worden geleverd; ik zou eens een inventaris moeten vinden – of maken. In AZ Groeninge in Kortrijk konden ze niet kiezen: er is een kapel én een stille ruimte, bijna identiek zachtgeel ingericht naar een ontwerp van kunstenaar Richard Venlet. Maar er is nog een lange weg te gaan. In Gasthuisberg in Leuven moet ik altijd  even naar adem happen voor ik de kapel/gebedsruimte binnenga: een donkerbruine kist zonder licht of lucht, volgestouwd met stoelen en dingen die in de weg staan. Maar er woont ook een prachtige, trotse  middeleeuwse madonna met kind; zowel moeder als zoon mankeren een hand. Er komt hier veel volk. Mensen ontsteken een lichtje, of schrijven een intentie neer in een dik boek. Ik denk aan wat Alain de Botton zegt in ‘Religie voor atheïsten’ over de aantrekkingskracht van een moederbeeld in een kerk, voor al wie even wil nadenken, verpozen, zitten of huilen.

In Nederland heeft Jorien Holsappel-Brons enkele jaren geleden haar doctoraat geschreven over stille ruimtes; ze telde er toen al niet minder dan 250. Die in de zorgsector –zieken- en verzorgingstehuizen, psychiatrische instellingen- noemt ze ‘cocons’. Dan zou ze de Kapel van het Niets in de tuin van het psychiatrisch ziekenhuis van Duffel moeten bezoeken: de hardste, meest confronterende stilteplek die ik ken, ontworpen door kunstenaar Thierry De Cordier.

Blik op bomen

Groene ruimte kan ook rust en stilte herbergen. In Leuven is het met een vergrootglas zoeken naar blad of bloem. Ziekenhuisstad is van beton, en wordt trouwens met de maand groter, hoger en versteender. In Vilvoorde kijk ik uit op een ferme linde, die veel houtduiven verwelkomt als de zon ondergaat. Op het terras van de cafetaria zit ik omringd door groen, naast het kanaal. Binnen enkele jaren verhuist deze hele ziekenhuissite, ik mag hopen dat er minstens evenveel groen op de plannen staat. Wat lees ik in de krant? Amerikaans onderzoek heeft uitgewezen dat wie uitkijkt op groen vanuit bed, een dag vroeger dan gepland het ziekenhuis mag verlaten. Het klopt, in mijn geval! Dank je, linde, dank je, stille ruimte.

Kristien Bonneure

Advertisements

Kunst in de Troost 2017

 

Voor de 18de keer opent het karmelietessenklooster Onze-Lieve-Vrouw van Troost de poort voor hedendaagse kunst. Dit jaar voor het eerst twee weekends: 29 en 30 april en 6, 7 en 8 mei 2017.

Kerk en klooster.

Bakens in de branding van verhalen en herinneringen.

Kerk en klooster.

Ankers van de tijd.

–          Joseph Pearce

’t Is een mooie traditie: rond de tijd van de Troostkermis biedt het stilste plekje van Vilvoorde rust en schoonheid. Ook dit jaar zijn in de tuin en in verschillende kamers van het convent werken te zien van 25 kunstenaars.

Dit zijn de deelnemers van 2017:

Annie Andriessen, Jean-Pierre Belaen, Jos Bolle, Martine Bossuyt, Nadine Callebaut, Sebastiaan Coppens, Annie M. Desmet, Natacha Dimovska, Chantal Grard, Marcel Haccuria, Francis Holemans, Luc Leroy, Malyqa, Roos Mannaerts, Francis Méan, Kaarin Poppe, Gerda Standaert, Cine Touchant, Carine Van Hee, Jos Van Moorhem, Karel Van Roy, Patrick Van Tilborgh, Veerle Verheylewegen, Michel Vranckx en Christel Weyts.

Ze werken in uiteenlopende disciplines en materialen: schilderkunst, grafiek, keramiek, brons, hardsteen, marmer, glas… De kunstwerken worden te koop aangeboden, ten voordele van de restauratie van de basiliek van Onze-Lieve-Vrouw van Troost.

Voor het eerst kan het publiek twee weekends van de kunst genieten: het kermisweekend van de jaarmarkt én het weekend ervoor. Daardoor kunnen mensen van buiten Vilvoorde de tentoonstelling ook makkelijker bereiken. Of een keertje terugkomen…

Praktisch:

Vernissage op zaterdag 29 april om 14u (pas op, nieuw tijdstip voor de opening!) met toespraken van auteur Joseph Pearce, VRT-journalist Lucas Vanclooster en Hans Bonte, burgemeester van Vilvoorde.

Kunst in de Troost 2017 is open op:

-zaterdag 29 april en zondag 30 april 2017 van 14 tot 18u
-zaterdag 6 en zondag 7 mei 2017 van 14 tot 18u

-maandag 8 mei 2017 (dag van de jaarmarkt) van 11 tot 18u

Meer info (tekst en foto’s): www.facebook.com/kunstindetroost en www.kunstindetroost.be

 

Voormoeders

Internationale vrouwendag. Geïnspireerd op het bijbelse ‘zoon van, zoon van’, ben ik eens op zoek gegaan naar mijn voormoeders.

Kristien Bonneure, dochter van
Georgine Lanckriet, dochter van
Marie Lannoye, dochter van
Georgina Eugenia Wijffels, dochter van
Johanna Cornelia Verstringe, dochter van
Emerentiana Dumon, dochter van
Emerentia Vandamme, dochter van
Petronella Claeyssens, dochter van
Anna Maria Maenhout, dochter van
Joanna Blanckaert, dochter van
Petronella Vandenabeele, dochter van
Maria Uyttenholle, dochter van
Margaretha de Gheselle

En dan schrijven we al begin zeventiende eeuw.
Mijn vrouwelijke roots liggen in Oedelem, via Moerkerke en Lapscheure en Oostkerke ook even de grens over, in Biervliet en Aardenburg. Poldergrond. Wat zou ik graag eens met hen aan de keukentafel zitten.

 

 

 

 

Rik Wouters

Op 10 maart 2017 gaat een grote retrospectieve tentoonstelling met het werk van Rik Wouters open in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel. Enkele jaren geleden verscheen al een boeiende biografie van de schilder, door Eric Min. Lucas Vanclooster schreef de recensie voor Cobra.be.
e7240483df22105b6faf6fc7de859a6c.jpg
Kunstcriticus Eric Min heeft het definitieve boek over Rik Wouters geschreven. Het is ondenkbaar dat iemand nog meer en andere bronnen bij elkaar krijgt, over de euvele moed beschikt om al die documenten te doorploegen, laat staan er een even boeiend verhaal over te vertellen.

Tragisch kort, bezeten leven

Jarenlang hing in mijn flat een poster voorstellende “De strijkster” van Rik Wouters. Het heldere, vriendelijke tafereel hielp mij bij de uitvoering van die huiselijke taak. Ik streek met zicht op Nel, vrouw en muze van Wouters tijdens zijn tragische leven.

Wouters is geen 34 jaar geworden, heeft meer dan zijn deel van armoede, pijn en noodlot gekend, werkte als een bezetene, en liet 200 schilderijen, meer dan 1000 tekeningen en zoals Eric Min het noemt, een “leger van sculpturen” na.

De verklaring van een en ander start in de lastige jeugd van de energieke Wouters. Hij is de zoon van een meubelmaker-houtsculpteur, zijn eerste eigen creativiteit viert hij bot met beitel en schaaf in het atelier van zijn vader, met wie hij tot na zijn huwelijk een erg problematische verhouding heeft.

Nel

De achttienjarige Wouters gaat kunst studeren in Brussel en stort zich in het bohémienleven van de vroege twintigste eeuw. Met zijn gezonde provinciale uitstraling, blond haar, blauwe ogen, blozende wangen, fors figuur en spontane karakter valt hij op tussen zijn artistiekerige soortgenoten.

Hij leert de eigenzinnige, half gedomesticeerde en overtuigend sensuele Hélène “Nel” Duerinckx (1886-1971) kennen. Ze is dan zestien, Franstalig, uit Schaarbeek, en ze wordt zijn passionele liefde, muze, bondgenoot, sister in crime en enig model. Ze leren Frans en Nederlands van elkaar op het hoofdkussen. Na Riks dood trouwt Nel nog twee keer, ze blijft kinderloos.

Het hartstochtelijk maar ook problematisch verliefde koppel gaat samenwonen, trouwt in 1905, en betrekt verschillende povere adressen in Brussel, Mechelen, en uiteindelijk in de armoedige Bezemhoek in Bosvoorde, met zicht op het Zoniënwoud. De kleine vertrekken en het minuscule zolderatelier dwingen Wouters tot originele vogelperspectieven en boeiende lichtinvallen, zijn neo-impressionistisch-luministisch handelsmerk.

Broeierig Brussel

De strijd voor erkenning is bikkelhard. Maar Wouters leeft in een boeiende tijd. De pointillisten en James Ensor hebben hun revolutionaire werk gedaan, tientallen nieuwe kunstenaars staan klaar om te beeldenstormen. Het is de tijd van Les XX en La Libre Esthétique, Lenin zwerft doorheen Brussel.

Eric Min schetst weergaloos het bruisende Brusselse leven. Nagenoeg alle Belgische en een pak Franse kunstenaars die toen iets betekenden passeren de revue en krijgen een geloofwaardig portet. De dagelijkse armoede, de knagende honger, de kou, en tegelijk de levensvreugde halen virtuoos de bladzijden.

Al snel krijgt Wouters gezondheidsproblemen, een verontrustende hoofdpijn plaagt hem. Vermoedelijk liep hij die op door te lang in enge ruimtes te werken met terpentijn, goedkope chemicaliën en giftige verfverdunners. De arme artiest kan zich geen kwaliteit veroorloven.

WO I

Net als het beter gaat met Wouters, die zijn eerste grote tentoonstellingen met doenbare verkoop krijgt, en ook met de relatie tussen Rik en Nel, breekt de Eerste Wereldoorlog los. Wouters moet onder de wapens. Hij neemt deel aan een paar burleske en hopeloze veldslagen, deserteert tijdelijk maar niemand heeft het gemerkt, zo chaotisch gaat er het in het Belgische leger aan toe. Opnieuw chapeau voor Eric Min die visueel sterk de ellende van de oorlog oproept. De verschrikkelijke taferelen spelen zich overigens erg ver van de loopgraven in de Westhoek af.

Heelder pelotons Belgische soldaten komen in Nederland terecht, en worden daar gehuisvest in Zeist in een concentratiekamp van tochtige barakken, zonder enig comfort. Voor Rik is het moeilijkste dat zijn artistieke temperament geen uitweg vindt, en dat hij Nel maar sporadisch ziet. Frederik Van Eeden komt hem bezoeken, Cyriel Buysse neemt contact op.

Rik wordt opnieuw erg ziek. Uiteindelijk blijkt dat een voordeel want hij kan nu in de humanere omgeving van een ziekenhuis en in een Amsterdams appartement van de familie Nicolaas Beets verblijven.

Ziek en blind

Wouters heeft tumoren in zijn kaakholte, die bijna niet te behandelen blijken. Het is cynisch dat op dat moment zijn werk een definitieve doorbraak kent, met tentoonstellingen in de grote Nederlandse steden, in Edinburgh, Glasgow, Birmingham, Liverpool, Parijs, Madrid, Venetië. Vreemd genoeg blijft er weinig werk in de buurlanden hangen.

Eric Min evoceert Wouters’ laatste dagen in 1916 als een noodlotstragedie. Verdoving heeft geen vat op de patiënt, hij doorstaat de volle pijn van het kerven en snijden in zijn hoofd, het weghalen van een oog en van een deel van zijn gehemelte, de behandeling met radium. Uit het ziekenhuis sleept hij zich naar zijn expositie, waar hij uitgeput neerzijgt. Absoluut dieptepunt: Wouters verliest ook het zicht in zijn goede oog en krijgt zijn penseel niet meer juist op het karton. Eric Min zet het aangrijpend, ontroerend, emotioneel en toch beheerst op papier.

Parallel aan het beklijvende levensverhaal volgt Min de artistieke evolutie van Wouters, die altijd zichzelve blijft, een authentiek anti-snobistisch natuurtalent, een eerlijke kunstenaar, die totaal vernieuwend omgaat met licht en compositie, die zijn eigen impressionistisch constructivistisch fauvisme uitvindt. Hij is ook een perfectionist: drie jaar werkt hij aan zijn Zotte Geweld, het uitbundige bronzen beeld van Nel, dat u verwelkomt in het Middelheim-beeldenpark.

Gedetailleerd

Eric Min gaat weinig details uit de weg, geen ontmoeting, brief of kritiek blijft onbesproken. Hij put ook uit het indrukwekkende archief van Nel, die zelfs de kranten waaraan ze het palet van haar man afveegde spaart, en ook een roman schreef en een dagboek bijhield. In de soms wat plechtige stijl van Eric Min, die wel erg geschikt is voor de periode die hij behandelt, wordt de lectuur wel eens vermoeiend. Het is erg veel, maar het resultaat staat er: een exemplarisch krachtige, literair sterke, belangrijke kunstenaarsbiografie. Met bovendien prachtige foto’s. Ze zou eigenlijk snel in andere talen moeten verschijnen.

Lucas Vanclooster

[“Rik Wouters. Een biografie”  van Eric Min is uitgegeven bij De Bezige Bij Antwerpen, 2011

 

Luwteplekken in de stad

dscn8149Waar is het rustig in de stad? En wat zijn de kenmerken van de plekken waar we kunnen schuilen voor het lawaai en de drukte? Architect Geert Peymen en interieurarchitecte Pleuntje Jellema voerden twee jaar lang onderzoek, samen met studenten en wandelaars.

“Stil is het nergens in de stad,” steekt Geert Peymen van wal in Bonus (Radio 1). Enkel akoestiek als criterium nemen voor een rustige plaats heeft dus weinig zin. Hij spreekt daarom niet over stilte-, maar over luwteplek.

Luwte als de plek in de rivier achter een steen, waar de stroming geen vat op heeft.

Samen met studenten en wandelaars ging hij op pad in Gent en wist een aantal van die luwteplekken te vinden. Daarvoor gebruikten ze zes parameters: omsloten, poreus, betekenisvol, contrastrijk, relationeel en niet-toegeëigend.

Een belangrijk aspect om tot rust te komen is de mogelijkheid om afstand te kunnen nemen. Een omsloten plek, zoals het Drongenhofje in het Patershol, biedt bescherming, met gevels, muren, hagen of bomen. Terwijl we met Peymen staan te praten komt de plaatselijke kat tegen onze benen strijken. Tegelijk is zo’n plek niet helemaal afgesloten, maar poreus: de stad en haar geluiden dringen er in door. Vaak moet je als wandelaar door een poort of een andere doorgang, als een overgang van de drukke stad naar de luwteplek.

(Al dan niet religieuze) symbolen, natuurelementen of erfgoed brengen betekenis bij, blijkt uit een andere luwteplek, ‘Het rustpunt’, de schitterende binnentuin van de karmelieten in Gent. Ook contrast is van belang, bijvoorbeeld in de gebruikte materialen. In een park stap je over zandpaden, dat geeft een andere beleving dan kasseien of stoepstenen. Daarnaast kun je van een luwteplek in je eentje genieten, maar soms ook collectief. En liefst is zo’n plek ook neutraal, zonder al te nadrukkelijke aanwezigheid van religie, commercie of privé-inkijk.

Ga eens op je rug liggen

“Op onze wandelingen namen we een caféstoel mee op onze rug, om uit te vissen waar we zouden gaan zitten in de ruimte,” lacht Geert Peymen. Die het ook belangrijk vindt om af en toe eens te gaan liggen in de stad. “Dat geeft pas een ander perspectief!”

Het onderzoek en gelijknamige boek ‘De Luwteplek’ is een handig instrument voor beleidsmakers, organisaties maar ook burgers. Nu de stedelijke verdichting ons voor nieuwe uitdagingen stelt, vinden de onderzoekers, is het nog belangrijker om een stad op mensenmaat te ontwikkelen waar ruimte blijft voor stilte, rust en verstilling. Idealiter komt er zelfs een netwerk van verstillende plekken in de stad, verbonden door trage wegen en paden. “Vergelijk het met de fit-o-meter, indertijd,” zegt Geert Peymen.

Lees deze tekst ook op de redactie.be en beluister de reportage op Radio 1.

1116336370.jpg

Stilstaan bij een collectief trauma

Met de eerste verjaardag van de aanslagen van 22 maart in het verschiet worden her en der in het land herdenkingen voorbereid. “Bonus” (Radio 1) sprak met Kristin Verellen, die haar partner Johan Van Steen verloor in de metro van Maalbeek.
kv
Hoewel Kristin Verellen sinds de aanslagen “van dag tot dag leeft, omdat zoveel zekerheden zijn weggevallen”, kijkt ze toch met “open ogen en een open hart” naar 22 maart eerstkomend. Haar verjaardag, nota bene. “Het is zo belangrijk om stil te staan. Dat zijn we wat vergeten als samenleving. Als we dat op een symbolische, rituele manier doen, kan het stilstaan betekenis krijgen, en een nieuwe richting vrijmaken voor mens, familie en samenleving”.

Cirkels als rimpels in het water

Al op de avond van 22 maart 2016, nog voor ze zeker wist dat haar partner overleden was, hield Verellen een wake met familie en vrienden. Die groep breidde uit met vele anderen, mensen die rechtstreeks te maken hadden met de aanslagen, of die zich betrokken voelden. Op meer dan twintig plaatsen is intussen een ‘cirkel’ gehouden, een eenvoudige manier om in kleine groep, in een beschermde omgeving, gevoelens en gedachten te delen, van mens tot mens, “evenveel luisterend als sprekend”. Iedereen is welkom in zo’n open cirkel. Ook instellingen als de FOD mobiliteit of de VRT deden mee.

“Soms komen er mensen binnen met zware, heftige emoties. Vaak gaan ze lichter buiten, of is er een sterker besef van waar het echt op aankomt in het leven. Dat is iets magisch, iets ontzettend moois. Er gebeuren kleine wonderen in de cirkels,” zegt Kristin Verellen.

Het overstijgt ook het individu. “Onderschat wordt hoeveel mensen betrokken en getroffen zijn. De aanslagen hebben een diepe deuk geslagen in de samenleving. Je kan gerust van een collectief trauma spreken,” vindt Verellen.

De samenleving is een diepe wond toegebracht en is aan het verharden. De ‘cirkels’ bieden tegengif, en hun effect deint uit als rimpels in het water, als je er een steen in gooit. Intussen is er een organisatie uit gegroeid, We have the choice, die op en rond 22 maart verschillende stille herdenkingsmomenten plant, onder meer op Zaventem, in het metrostation van Maalbeek, en in de Ravensteingalerij, waar ook foto’s van Johan Van Steen zullen worden tentoongesteld.

Oproep tot verzoening

Opvallend toch, hoe verschillende nabestaanden geen wrok koesteren, maar net oproepen tot verdraagzaamheid en verzoening. Twee maanden na de aanslagen hield Verellen een opmerkelijke toespraak in het koninklijk paleis: “We hebben de keuze. Of we stappen in de neerwaartse spiraal van geweld die geweld oproept. Of in de opwaartse spiraal die liefde ontketent”. Denk ook aan de veel bekeken ‘jihad van liefde’ van Mohamed el Bachiri, die zijn vrouw Loubna verloor in Brussel.

Erkenning

Kristin Verellen heeft het moeilijk met het woord ‘slachtoffer’. Het creëert een bepaalde perceptie, en bemoeilijkt de relatie met anderen. “Wat we met de cirkels willen doen is net uit het slachtofferschap stappen, voorbij de tweedeling slachtoffer-dader. Het is daarom soms een innerlijk gevecht om voor je eigen rechten als getroffene op te komen”.

Iets wat Verellen overigens wel doet. Ook op Europees niveau ijvert ze voor erkenning en schadevergoeding. Overheid en bijvoorbeeld verzekeringsmaatschappijen laten steken vallen. Wie getroffen werd, moet zelf de eerste stap zetten, op zoek naar hulp en ondersteuning. Minister van Justitie Geens beloofde onlangs een speciaal statuut voor de slachtoffers. Maar er blijft nog heel veel werk aan de winkel. “Als zoiets nog eens gebeurt, hoe gaan we het dan aanpakken in dit versnipperde landje?” vraagt Kristin Verellen zich af.

 

Een foto van de gsm van Johan Van Steen, stilgevallen op 22 maart 2016 om 9:11 in de metro in Maalbeek.

Lees deze tekst ook op de redactie.be en op radio1.be

De muur van Laken

3a1fcc4c14d6a20d5979e9664fcce26e_c619743fb2f830f08e8a302e96ff9f9a0faeea2d
In het Brussels Parlement dient Groen een voorstel in om het Koninklijk Domein in Laken open te stellen voor het publiek. Ook SPA, Open VLD en N-VA zijn dat idee genegen.
Als in mei de Koninklijke Serres na drie weken dichtgaan, valt de poort weer in het slot. De rest van het lange jaar kijk je dan op zes kilometer muur rond het Koninklijk Domein, drie meter hoog, opgevrolijkt met prikkeldraad en camera’s. Een zeldzame keer klimt er toch een onverlaat over of rijdt er iemand een gat in met z’n auto. De muur slingert langs het Chinees Paviljoen en de Japanse Toren, en als je langs het kanaal naar Vilvoorde fietst dan zie je niets, niets dan muur van de Laken- tot de Van Praetbrug. Op een punt kun je een prieelachtig vervallen gebouwtje onderscheiden, geflankeerd door een eerbiedwaardige oude ceder. Naar de grote, wondere wereld daarachter hebben we het raden. Naar het schijnt gaat de koning joggen in zijn ommuurde hof.

In de pas

Gewone stervelingen zoals ik mogen enkel in de serres komen. Dat doe ik bijna elke lente, ‘comme il faut’, door het royale hek. Het is een prettige wandeling langs groepjes enorme rode beuken, de ware masten van het park, en een hele mooie linde. De graspartijen met bosschages en narcissen lonken, maar je mag de Paadjes Niet Verlaten. Op elke hoek staat een agent. Op bezoek bij de koning is verdwalen of opzettelijk verkeerd lopen geen optie. Er zijn zelfs geen shortcuts zoals in de Ikea.

laeken-serre

Eén miljoen liter mazout

De Oranjerie is het oudste deel van de serres, een zotternij van voor de geboorte van België, van de Nederlandse koning Willem I. De collectie sinaasappel- en mandarijnbomen en camelia’s is wereldvermaard en eeuwenoud. Het was natuurlijk Leopold II, de Bob de Bouwer van de Belgische monarchie, die er de rest van de Glazen Stad aan toevoegde, getekend door Alphonse Balat, leraar van Victor Horta. Een kathedraal van staal en glas, met koepels, kamers en gangen, die perfect de palmen en de reuzenvarens weerspiegelde die er in wortelen.

De serres zijn een plantaardige bonbondoos waarin alles precies en ‘toevallig’ bloeit in april en mei. Een ideale florale wereld zonder dorre bladeren, schimmel of ongedierte.

Ecologisch kun je de folly van Leopold II niet noemen. De serres verwarmen kost 800.000 liter stookolie per jaar, met het kasteel erbij een miljoen liter. 1.000.000 liter mazout! Eindelijk, eindelijk zijn er nu concrete plannen om de warmte van de afvalverbrandingsoven van Neder-over-Heembeek richting Laken te pompen.

“De mooiste en gunstigste plek van Brussel”

Sinds een jaar of tien leidt de wandeling van serre naar serre ook eventjes naar buiten, in open lucht. Daar ontvouwt zich een vista, zoals er maar weinig bestaan in Brussel: glooiend gazon, in de verte een half afgebroken zuil en een lusthof-terras, machtige bomenpartijen, vijvers. Daarachter de skyline van Brussel, en iets meer in de voorgrond de donkere Japanse Toren.

Eind 18de eeuw kocht de Oostenrijkse landvoogdes dit stuk grond “op de mooiste en gunstigste plek in de omgeving van Brussel, waar we een huis bouwden en een mooie tuin in Engelse stijl aanlegden”, schreef haar echtgenoot in zijn memoires. De ontwerper was niemand minder dan Lancelot ‘Capability’ Brown, de uitvinder van de Engelse landschapstuin, die ook in Kew Gardens werkte of rond Blenheim Palace, waar het wiegje van Churchill stond. Een visioniair die inschatte hoe eiken en vijvers er over tien generaties zouden uitzien.

Open tuinen

Hoezeer de grassige hellingen ook uitnodigen om de leden te strekken, kinderen en ouders mogen er enkel naar kijken, drie schamele weken per jaar. Hoe zou het er in oktober uitzien? Daar zou ik een moord voor begaan. De vijftig tinten rood en bruin zijn vast adembenemend. Eens hoorde ik een moeder tegen haar kinderen zeggen: “Kijk maar eens goed, hier betalen wij allemaal voor.”

Toen Vaclav Havel president van Tsjechoslovakije werd in 1989 zette hij de poorten van de koninklijke tuinen rond de Burcht van Praag wijd open voor het publiek. In Noorwegen is iedereen welkom in het Paleispark in Oslo. Ter gelegenheid van 25-jarig jubileum van de huidige koning is het park nog heraangelegd en opgewaardeerd, ten bate van de gemeenschap.

Wordt het geen tijd om dat ook met het Koninklijk Domein in Laken te doen? Voor mijn part af en toe, of elk weekend, met geleide wandelingen, maar ook open middagen waarop ik van de hellingen mag rennen en alle joekels van bomen in de uithoeken van het domein mag verkennen. Er is zelfs een koninklijk stationnetje (zie foto hier onder). Stel je voor dat ik hier met de trein heen kan.

station.png

Het Koninklijk Domein van Laken is eigendom van de staat – via de Regie der Gebouwen en de Koninklijke Schenking. Koning Filip en koningin Mathilde hebben dan wel een kroostrijk gezin, maar dat Koninklijk Domein is ruim bemeten: een kleine 200 hectaren. Plaats zat voor iedereen die van rust en ruimte houdt. We zullen elkaar niet in de weg lopen.

De Britse erfgoedorganisatie National Trust heeft als motto: ‘For Ever, For Everyone’. De National Trust heeft trouwens veel adellijke domeinen in beheer en stelt die open, zelfs al wonen de eigenaars er nog. Soms is één plus één echt gewoon twee. Zo’n reuzegroene long in Brussel, vlak naast dichtbevolkte woonwijken? Tear down these walls, sire.

(herwerkte tekst van 2013, ook te lezen op deredactie.be en in het Frans op DaarDaar)