Na dit artikel gooit u uw smartphone weg en stapt u over op de telegraaf

De iPhone vierde zijn tiende verjaardag. Cultuurjournalist Lucas Vanclooster,“een onversneden melancholicus”, doet het al tien jaar zonder en is daar niet rouwig om.  

 

Het gebeurde in de tijd dat nog maar weinigen een smartphone hadden. Ik zat op de tram, volgestouwd met scholieren, het was woensdagmiddag. Ik vroeg mij af waarom ik toch altijd op woensdagmiddag in een voertuig van de MIVB terechtkwam. Gelukkig had ik een zitplaats gevonden. Mijn blik dwaalde af naar de jonge vrouw naast mij. Ze had een nieuwsoortig object in de handen, een scherm zonder knoppen of toetsen. “Je dois faire pipi”, las ik op het scherm.

Het deed mij denken aan heel lang geleden. Ik wandelde door een avondlijke laat-middeleeuwse stad. Mijn aandacht werd getrokken door een aanhoudend gedruis en geronk boven mij. Het was een vliegtuigje, dat een hele lichtshow met zich meezeulde, een soort digitale banier. Met wat moeite kon ik de lichtgevende gekleurde letters ontcijferen: “Koop vis bij Pieters”. Ergens in de stad hing er nog een vooroorlogse vergeten muurschildering: “Koopt al uw visch alleenlijk bij Pieters”.

 

Oude wijn in plastic zakken

Als ik het goed heb, zijn er nog twee andere mensen op de redactie zonder smartphone. Ik behoor tot de oudsten. Het is niet zo dat ik dat echt heb beslist uit een soort neo-ludditische afkeer van moderne technologie.

Of dat ik in een omgekeerd snobistische beweging de nieuwe media verguis. Het gebeurde gewoon. Niemand heeft mij hier ooit een I-device opgedrongen, laat staan een toestel à point aangeboden met opleiding voor dummies.

Enkele jaren geleden was er een algemene introductie, met slideshow. Slechts enkelen in de zaal hadden al zo’n toestel in de hand. Na een paar slides haakten sommigen af. Ik als eerste. Sindsdien gebruik ik nog altijd, quasi probleemloos, mijn oude Nokia.

Die is eens van twee etages hoog op de keien gevallen. Toen ik ‘m opraapte, werkte hij nog perfect. Mijn 94-jarige schoonvader heeft een bejaarden-gsm. Ik snak naar mijn pensioen onder meer om zo’n ding te mogen gebruiken. Misschien bestaan er tegen dan smartphones voor bejaarden.

De oude man en zijn kinderen

Voor mijn part doet iedereen wat hij of zij niet laten kan. Ik indoctrineer mijn kinderen niet, noch ideologisch, cultureel of qua communicatietechnologie. Ze zijn 19 en 16 jaar, en gebruiken een gamma toestellen waarvan ik niet eens weet wat het is. Soms roepen ze van beneden naar boven, waar ik in mijn papieren archief rommel: “Hé, oude man, kijk eens of mijn iPod op mijn bed ligt. Ik weet niet welk van de 6 of 7 toestellen ze bedoelen. Welke kleur heeft dat?”, vraag ik dan.

 

Eerlijk, ik ben erg gelukkig dat zij goed overweg kunnen met wat dit tijdsgewricht technologisch te bieden heeft. Toen mijn zoon als 12-jarige een gsm kreeg van zijn meter, dacht ik: “Ai ai ai, nu moet ik uitleggen hoe dat werkt, dat is mijn verantwoordelijkheid als vader.”

Niets van, hij leerde alles bliksemsnel aan zichzelf, en kon mij een paar dagen later al helpen als mijn gsm even niet meteen gehoorzaamde. Hij heeft mij ook leren sms’en (tot rond 2010 stond ik bekend als de man die lege sms’en als antwoord stuurde) en gps’en. Daar ongeveer eindigde mijn bevattingsvermogen.

Technologische indigestie

Bladert u wel eens in een tijdschrift uit de jaren 80? Moet u eens doen, en let vooral op de reclame voor toen nieuwe computersystemen. Van al die hypermoderne systeempjes, en de bijbehorende woordenschat, is weinig overgebleven. Een voordeel van niet elke trend achterna hollen, is dat je veel onnodige vaardigheden niet aanleert en niet hoeft te deleten.

Wat een systemen er in de journalistiek al niet weer verdwenen zijn….blackberry, mojo, glensound. Gelukkig heb ik dat allemaal nooit geleerd. Maar als ik achterom kijk, hoef ik mij als technologische half-analfabeet niet te schamen om wat ik mij wel allemaal eigen heb gemaakt.

 

Ik zou die duimschuivers met bijna vergroeide iPhone eens een wiel van een hydropneumatische auto willen zien vervangen, of in de weer zijn met Nagra-bandopnemers, 16mm-camera’s en projectoren, Barco-televisies, reportofonen, VHS en super 8-apparatuur en van die relieken. Kijk mensen, mijn technologische kwabben zitten vol. OK?

 

Genetisch bepaald

Zoals alles heeft het uiteraard te maken met de kindertijd. Sinterklaas bracht mij nooit een gereedschapskistje. Ik was 10 toen de eerste televisie in mijn leven verscheen. Alleen vader mocht die manipuleren. Hetzelfde gebeurde enkele jaren later met de eerste cassetterecorder en platenspeler. Trouwens, als ik aan die toestellen zat, ging er altijd iets stuk. Ik kreeg de indruk dat het noodlot allerlei apparaten gebruikte om mij hoogstpersoonlijk te kwellen. Ik gaf mij over.

Het is maar hier op de redactie, 23 jaar geleden, dat de legendarische schoolmeesterachtige (in de goede betekenis van het woord) Herman Henderickx mij inwijdde in de wereld van de computer en de gsm. Zijn pedagogische truc was om zijn leerlingen alleen aan te bieden wat ze nodig hadden.

Mondriaan

Daarom, als ik een iPhone zou aanvaarden, dan moet het er zo een van het Mondriaan-principe zijn, met lego-blokjes per toepassing. Geen apps op het scherm, maar een helder en overzichtelijk opbouwsysteem. Moet kunnen in dit Mondriaan-jaar.

Waarom trouwens zijn die smartphones, en nog erger, tablets, zo banaal qua design, zo plat en glad en grijs en vederlicht. En om dat saaie te compenseren dan een onnozel fluo-hoesje errond. Komaan zeg. Steek alles toch eens in het kleurrijke-vlakjespatroon van de Nederlandse grootmeester!

Dimmen Bill Gates

Ik roep de pioniers van de moderne technologie op om nu eens een jaar te stoppen met die voortdurende innovaties, het volstaat nu voor een tijd. Werk eerst aan betrouwbare gebruiksvriendelijke toestellen. Doe een inhaalbeweging die voor iedereen toegankelijk is.

Na de welvaartskloof kwam er een informatie-ravijn. Bewerkstellig dat iedereen mee is, ook de inwoners van Afrika en Bangladesh, de onhandigen en bejaarden. Er bestaat een menstruatie-cyclus-app, vernam ik onlangs. Wel, maak die ook toegankelijk voor alle meisjes en vrouwen in Venezuela en Birma. En zoek daarna nieuwe snufjes en appjes.

Het schijnt overigens dat een smartphone na een paar jaar hopeloos defect of totaal verouderd is. Denkt u wel eens aan de ouderwetse voetafdruk van al die verspilling?

Vooruit dan maar, wat heb ik ertegen?

Aargh die vuile schermen vol vettige vingers. Gaan er nooit meer af. Bij een tablet is dat nog erger. De bacteriën verkneukelen zich zichtbaar. En die dwaze scroll-bewegingen. Mijn vingers, geërfd van mijn grootvader die zelfstandig metselaar was, zijn overigens te dik, al die spullen lijken wel bedoeld voor een nieuw type in de menselijke evolutie, de uomo smartophonicus met slanke secretaressevingertjes.

Als ik zo iemand zie lopen met in de ene hand een opengeslagen laptop, en met de andere scrollend, hoop ik altijd op een theatrale valpartij of botsing onder soortgenoten. Met alleen blikschade uiteraard.

Die toestellen zijn ook helemaal niet nodig om steeds bereikbaar te wezen, voor zover dat een wenselijke evolutie zou zijn. Mijn gsm heb ik voortdurend op zak.

Thuis en op het werk staat de computer meestal op, ik beschik op beide plekken ook over een klassieke telefoon. Als reserve hebben we thuis een toestel met draaischijf. Om 797 204 te vormen.

Want je wordt gecontroleerd

Opmerkelijk hoe visionair de Vlaamse punk en cold- en dark wavegroepen uit mijn jonge jaren waren. “Je wordt gecontroleerd”, schreeuwden de Brassers. De Antwerpse Kommeniste hadden een nummer dat Telefoon heette, “wonder van techniek”.

En “Art of Conversation”, een meesterwerk van Red Zebra, ging over “new communication” die het normale contact tussen mensen verstoorde. Waar hadden zij het over? Over de iPhone die nog een kwart eeuw op zich zou laten wachten! Profetische kerels waren ze, Peter Slabbynck in het bijzonder.

Niemand kan mij van mijn geloof afbrengen dat smartphone en tutti quanti bedoeld zijn om mensen weg te houden van waar het echt om gaat. Mijn kinderen lezen niet, klaagde ik eens bij mijn eminente ex-collega Johan Janssens. “Het is teken dat ze iets beters te doen hebben”, zei die begrijpende, verstandige man.

Maar nu denk ik dat hij toch fout zat: Het is teken dat ze iets makkelijkers te doen hebben. Met de smartphone verdwijnt het laatste restje inspanning uit het leven. Smartphone in de klas? Ga weg zeg. Leer de kinderen toch eens wat ze nog niet weten, open deuren en ramen!

Zelfrijdende smartphone

De zelfrijdende auto is het ultieme bewijs. Het zijn niet de autoconstructeurs die streven naar die nieuwe mobiliteit. Voor een groot deel is dat uiteraard omdat die sector aartsconservatief is. Juist, maar toch. De pioniers van de zelfrijdende wagen zijn Google, Apple, Facebook, batterijenfabrikant Tesla en anderen in Silicon Valley. Waarom? Omdat het hen goed uitkomt dat we te allen tijde overal connected zijn. Ook op weg, aan wat in het verre verleden “het stuurwiel” was.

En zo worden we onafgebroken bestookt met gepersonaliseerde reclame, weet iedereen, ook de overheid en het bedrijfsleven, altijd waar we wat uitvreten. En met wie! Leuk hé?

Verzet u!!

Geachte lezer, relativeer aub eens de smartphone. Vraag u af wat daar achter zit, wat de bedoeling is, wie er rijk van wordt. Laat u niet gek maken door de commerciële bakerpraatjes van de geradicaliseerde onliners als zou iedereen nu informatie betrekken via smartphone en tablet.

Uit onafhankelijk ernstig academisch onderzoek blijkt dat een overgrote meerderheid van alvast de Vlaamse bevolking informatie verwerft langs de traditionele kanalen, en dat daar niet veel beweging in zit. Daar is niks mis mee. En wie de indrukwekkende nadelen van online-shoppen nu nog niet inziet, is ter kwader trouw. Of heet Zalando Vanderbolpuntcom.

Nog een belangrijk voordeel voor de iPhone-lozen: u blijft helemaal in het ongewisse over die verachtelijke hoop bagger die de nieuwe media overspoelt, en de ellendige beledigingen van allerlei tuig bereiken u niet.

“Ik hoor geen geluidje”, zei Guus Flater glimlachend met forse oorverwarmers op zijn hoofd terwijl Kwabbernoot en Demesmaeker tegen hem stonden te schreeuwen. Tenslotte, dierbare landgenoten, relativeer uzelve. Wat hebt u in godsnaam de hele tijd te communiceren? Que tu dois faire pipi?

Lucas Vanclooster. Lees deze tekst ook op deredactie.be

Advertisements

Zorg aub voor deze beer, dank u

Paddington_Bear_Statue_in_new_location_at_Paddington_Station

(Beertje Paddington in metrostation Paddington in Londen)

Michael Bond, de Britse auteur die het bij kinderen geliefde figuurtje Beertje Paddington in het leven riep, is op 91-jarige leeftijd overleden. Een afgeleide animatiereeks was van 1977 tot 1981 ook op de BRT te zien. Een aflevering duurde vijf minuten. De eerste designer die een licentie verwierf om een driedimensionele Paddington te ontwerpen, was Shirley Clarkson. Zo was haar zoontje, Jeremy Clarkson (van Top Gear), de allereerste die een echte beer Paddington, in de armen kon houden. En knuffelen of verwoesten. In 2014 werd het verhaal nog eens stemmig een aangrijpend verfilmd door Paul King.

Het leven van Michael Bond leest als een roman. Hij schreef verhalen vanaf 1945, toen hij voor het Britse leger dienst deed in Kaïro. In de vroege jaren ’40, toen hij in Reading woonde, en als kantoorbediende werkte, knutselde hij allerlei radio-versterkers en elektrische apparaten in elkaar, en die kwamen via via bij mensen van de BBC terecht.Dat hij ooit voor de omroep zou werken, was toen al een vaststaand feit. In 1950 werd hij inderdaad cameraman. Maar het scheelde geen haar of daar was niets van terecht gekomen. Hij was de enige overlevende van een gebouw dat door de Duitse Luftwaffe werd gebombardeerd. 45 andere mensen kwamen om. Het is een van de redenen waarom Bond per se bij het leger wou, bij voorkeur bij de RAF, maar dat ging niet door omdat hij altijd luchtziek werd aan boord van een vliegtuig. Hij deed dan maar nuttig verbindingswerk in Noord-Afrika, op de begane grond.

Toen Bond eind 1956 kerstgeschenken zocht, vond hij in een speelgoedwinkel een verwaarloosde beer. Hij kocht die, hield hem en verzon een verhaal, hoewel hij de beer feitelijk had bedoeld als tochthond en/of kousenvuller. Michael Bond had twee jaar nodig om de figuur te bedenken en uit te werken, en “A Bear Called Paddington” te schrijven, het eerste van 25 boeken. Hij tekende de beer niet zelf, dat deden verschillende illustratoren.

Naast de eenzame speelgoedbeer waren er nog twee inspiratiebronnen voor Paddington. Vooreerst de vader van Michael, een erg minzame postmeester, die in alle omstandigheden zijn hoed ophield, ook als hij ging pootjebaden in zee. Je weet nooit wie je ontmoet die je deftig moet groeten, zei vader Bond. Maar ook verweesde oorlogskinderen uit Londen, die voor hun veiligheid per trein naar het platteland of de kust werden gebracht, inspireerden Michael Bond. Die kinderen droegen een label met hun naam en bestemming rond hun hals en al hun bezittingen zaten in een enkel koffertje. Ook Paddington zou zo’n bord om zijn harige nek krijgen. Ook hij was een vluchteling, en dat maakt het verhaal nog altijd actueel.

Er was eens een klein gelikt beertje…

… Vanuit het hooggebergte in Peru, waar de berenfamilie woonde, stuurde tante Lucy een kleine net schoongelikte “cub” als verstekeling op een boot naar Engeland. Ze kleedde hem warm aan met een blauwe duffelcoat en een rood hoedje en gaf hem een koffertje met proviand mee, vijf potten jam, zijn lievelingseten. Via de haven van Southampton reisde het beertje per trein naar Londen waar hij in station Paddington strandde. Het beertje droeg een label met als opschrift: “zorg aub voor mij, dank u”. De toevallig voorbijlopende familie Brown kreeg medelijden met het beest, adopteerde hem en noemde hem Paddington. De kleine is geen knuffel maar een als beer vermomde argeloze kleuter, die zich telkens weer in ongeveer dezelfde nesten werkt, en daaruit telkens wordt gered door de familie Brown.

De boeken waren meteen succesvol, ook omdat de droge Britse humor een volwassen publiek kon aanspreken. Ze vonden de weg naar 35 miljoen lezers in 20 landen. En er kwam een hele reeks bewerkingen voor televisie, theater, film (tot in 2014) met bijhorende merchandising. Michael Bond creëerde nog andere vrij succesvolle maar niet vertaalde figuren, onder meer het Guinees biggetje Olga de Polga, en de kok-detective Monsieur Pamplemousse met zijn bloedhond Pommes Frites. Pamplemousse is eigenlijk een reeks voor volwassenen, featuring een ontgoochelde gepensioneerde politieman die culinair journalist wordt en misdaden in restaurants overal in Frankrijk oplost aan de hand van onregelmatigheden op de menukaarten.

Michael Bond was een breedingly British gentleman, francofiel en Europeaan zoals ze er over het Kanaal nauwelijks nog maken. Helaas. Hij was 91 en overleed na een korte ziekte.

Lucas Vanclooster. Lees deze tekst ook op deredactie.be

Culturele misdaad tegen de mensheid

De verwoesting door terreurgroep IS van de Al-Nuri-moskee in Mosul vormt helaas alleen maar een voorlopig dieptepunt in de strijd van fanatieke ideologieën tegen ons aller cultureel erfgoed. Dat de Al-Nuri, gebouwd in 1172, tegelijk de Sint-Pietersbasiliek en de toren van Pisa van het kalifaat is, maakt de dynamitering van het architecturale meesterwerk nog onbegrijpelijker. IS mag nog zo beweren dat de luchtmacht van de westerse coalitie de prachtige moskee en de scheve minaret heeft gebombardeerd, filmpjes van de instorting bewijzen dat de explosie professioneel van binnenuit is uitgevoerd. Maar waarom doet IS dat?

We moeten ons er wel voor hoeden om bij “verwoesting van erfgoed” allemaal onze neuzen in de richting van extremistische moslimbewegingen te draaien. IS doet hard zijn best in de kaalslag van het allermooiste waartoe de mens in staat was, maar ook het Westen heeft meer dan een bijrol gespeeld. Godsdiensten en heilsleren waren daarbij beslissend.

Heinrich Heine

In India hebben Moghul-moslims en fanatieke hindoes om beurt elkaars heiligdommen gesloopt om er op diezelfde plek eigen gebedshuizen op te trekken. Dat leidde en leidt nog tot bloedige rellen. Christelijke veroveraars hebben op zowat alle continenten, om te beginnen in Europa zelf, geroofd, geplunderd, gesloopt en ingepalmd.

De protestantse beeldenstorm was precies wat het woord laat vermoeden. Ook honderden uitzonderlijk prachtige brandglasramen gingen tijdens de geuzentijd aan diggelen. Scherven brachten geen geluk.

Fascisme en stalinisme deden hun deel in het wegschoffelen van cultuur, niet alleen gebouwen en beeldende kunst, maar ook bibliotheken, inhoud incluis. De visionaire Heinrich Heine had lang daarvoor voorspeld: waar men boeken verbrandt, branden ook snel mensen. De nazi-boekenbrandstapels voorspelden de concentratiekampen. En misschien ook de niets ontziende bombardementen op historische Duitse cultuursteden, Dresden onder meer, door de geallieerden. Nadat uiteraard het Duitse leger, tijdens de twee wereldoorlogen, moedwillig tientallen kastelen had platgelegd, van Coucy in Picardië tot in Grimbergen en Vilvoorde.

Stalin en Horta

In zijn bijzonder goed gedocumenteerde semi-historische Sovjet-romans beschrijft Tom Rob Smith pijnlijk exact hoe de KGB rond 1950 orthodoxe kerken opblies. Maar past de destructie van het modernistische DDR-Volkspalast in het verenigde Berlijn, om het te vervangen door een waardeloze suikertaart-replica van een keizerlijk paleis, niet in hetzelfde rijtje? Uiteraard wel, en we bereiken hier zelfs de kern van de zaak: met de verwoesting van het Volkspalast gaf het nieuwe Duitsland een beledigende klap aan de gewezen Oost-Duitsers. Nu was de DDR echt definitief dood.

De oorlog van vastgoedmakelaars en speculanten tegen erfgoed, enkel en alleen voor eigen gewin, hoort ook in die categorie. In Brussel is het Volkshuis van Horta al in 1966 gesloopt, aan zee verdwenen de prachtige sanatoria van architect Lucien Engels onder de sloophamers.

In ons land duurt die strijd tot nu voort. Nog maar 2 jaar geleden ging het prachtige Wanson-fabrieksgebouw in Machelen volstrekt zinledig voor de bijl. Wie zonder zonde is, werpe de eerste…euhm…wat ook alweer?

Bamyan en Palmyra

De moeizame dynamitering van de reusachtige Boeddha-beelden in Bamyan in Afghanistan in 2001 door de taliban vormde een keerpunt. Precies omdat het niet meteen lukte, en de taliban de moderne beeldmedia van die tijd ontdekt hadden, deed de langzame foltering van de monumentale kunstwerken erg veel pijn. Het motief voor de verwoesting hebben we sindsdien tot brakens toe voortdurend opnieuw gehoord: het waren afgodsbeelden, blasfemische voorstellingen die ingingen tegen God en het enige ware geloof.

De oplaaiende vete tussen diverse fracties van de islam, nogal vergelijkbaar met de reformatieperiode in Europa, net nu 5 eeuwen geleden, gaf barbaarse verwoesters nieuwe inspiratie, zoals criminele losers in een kromgetrokken religie argumenten voor terreur en moord vinden. Om de anderen lekker te pijnigen en te vernederen, komt alles snel op YouTube en andere kanalen. Palmyra was een schrijnend voorbeeld. Daar vond de verwoesting in afleveringen plaats, met cliffhangers. Niet alleen de infrastructuur, ook honderden voorhistorische voorwerpen sneuvelden. In Mali hadden lokale afgeleiden van Al Qaeda weinig moeite om de kwetsbare islamitische mausolea en lemen moskeeën te slopen.

Baal en Sjamasj

De lijst is intussen eindeloos. Vorig jaar gingen de archeologische sites van Nimrud en Khorsabad in Irak voor de bijl. In de omgeving van Mosul vielen alle christelijke en jezidische kerken en abdijen ten prooi aan het soennitische terreurgeweld.

Relieken van nog oudere religieuze beschavingen, zoals de Bel-tempel, toegewijd aan de god Baal, zijn evenmin veilig. Hetzelfde lot ondervond de 1750 jaar oude tempel van de zonnegod Sjamasj in Hatra en een pak Assyrische kunstschatten. In Syrië ging het christelijke klooster Mar-Elian in Al-Qaryatayn verloren. De slopers namen er het mozaïekenmuseum van Maarat-al-Noomane in één moeite bij. De stad Busra Sham had prachtige ruïnes, nu alleen nog stoffige stenen.

Waarom?

Fundamentalistische bewegingen en regimes willen geschiedenis schrijven. Dat doen ze door al het vorige te verwijderen, zodat het ooit moet lijken alsof de mensheid met hen, met hun duizendjarig rijk, of kalifaat begon. Alsof zij de universele bakermat vormen, het begin der tijden. Dat ze zelf meestal stijl-, humor- en cultuurloos zijn, vergemakkelijkt de uitroeiing van de geschiedenis. Soms ook grijpen tirannen naar een denkbeeldig groots verleden, dat ze willen laten herleven, door alles tussen toen en nu te verwijderen. Alsof er een directe band bestaat tussen dat glorieuze tijdperk en de miserabele leeghoofdigheid nu.

God wil het. Het Boek eist het.

De werkelijkheid is dat IS en andere terroristische bewegingen en regimes zich nergens ook maar iets van aantrekken, en lak hebben aan virtueel alles. Ze wentelen zich ook graag in een slachtofferrol, in het martelaarschap. Soms proberen ze de schuld af te wentelen op de goddeloze vijand, de ketter, de heiden. Maar als puntje bij paaltje komt, hoeft zelfs dat niet. Als Hitler had gekund, zou hij tijdens zijn laatste dagen vanuit zijn bunker heel Duitsland met alles erop en eraan hebben laten ‘verschwinden’. Want het Duitse volk had hem en de eigen cultuur, zoals hij die zag, verraden.
Mogelijk hanteert IS in Mosul dezelfde logica. Termen als verraad en lafheid zijn bij islamistische fundamentalisten schering en inslag. En daar staan de zwaarste straffen op. Eventueel de zelfvernietiging. God wil het. Het Boek eist het. De grote leider is ontgoocheld, boos en triest.

Cultuur kan ons redden

Toch nog altijd beter om oude gebouwen te verwoesten, dan nieuwe ziekenhuizen en mensen, hoor je wel eens. ’t Zijn maar stenen, waar ligt het verschil, hier of daar in Palma…hoe heet het alweer? Feit is dat de verwoesting van mensen en cultuur samen gaat. Herinner je Heinrich Heine.

Wie geen respect heeft voor het mooiste meest artistieke wat de mens heeft verwezenlijkt, ontziet die mens zelf ook niet. Of de natuur. Wie de Al-Nuri van de aardbodem laat verdwijnen, vermoordt ook elk individu dat daar 800 jaar geleden aan meewerkte en het al die tijd in goede staat doorgaf aan volgende generaties. Die meedogenloze leiders verwoesten cultuur omdat die altijd kiemen van verzet bevat. Als ze alle kunst en architectuur hebben platgeslagen, lijken ze zelf reuzen. Als ze elke herinnering verdrinken, zijn zij pioniers.

De verwoesters van cultureel erfgoed plegen misdaden tegen de mensheid en moeten om die reden voor de allerhoogste internationale rechtbanken verschijnen, en zware straffen krijgen. Onderwijs en media moeten inzetten op cultuur en geschiedenis. We hebben het niet geweten, of wat kan het mij schelen, mogen nooit argumenten worden om barbarisme te vergoelijken.

Lucas Vanclooster. Lees deze tekst ook op deredactie.be

Adieu hydropneumatique

De Franse autofabrikant Citroën heeft de productie van wagens met een hydropneumatische vering stopgezet. Volgens Lucas Vanclooster is dat zonder meer het einde van een tijdperk. In deze analyse doet hij het verhaal van de “hydropneumatique” uit de doeken; of volgens Wikipedia, “the self-levelling automobile”.
.

Bestond dat systeem dan nog? Het is een vraag die ik de voorbije dagen verschillende keren hoorde toen ik meedeelde dat Citroën afscheid nam van de hydropneumatische vering. Ja het bestond nog, tot vorige week. Toen rolde in de fabriek in Rennes in Bretagne nagenoeg onopgemerkt de laatste C5 van de band. Die C5 tweede generatie was geen populaire of emblematische auto, het hydraulisch systeem, dat intussen Hydractive 3 Plus heette, zat alleen op de zowat 4000 euro duurdere Exclusive en XTR versies, en het meest zichtbare kenmerk, dat de auto na gebruik op zijn buik ging liggen, en bij het starten van de motor overeind kwam, had Citroën al danig beperkt.

Paul Magès

Het hydropneumatische systeem is een idee van Paul Magès, qua opleiding een eenvoudige monteur bij Citroën, maar een onverschrokken man met verbeelding. Begin jaren 50 van de vorige eeuw, toen Citroën hard werkte aan de nieuwe DS, die de legendarische Traction uit 1934 moest opvolgen, vroeg Magès zich af of je een auto helemaal kon laten draaien op een buizen-systeem met olie en gas onder hoge druk, met pompjes en membranen om het evenwicht te bewaren.

Magès mocht zijn systeem uitproberen op de 15H, de duurste versie van de Traction, een auto die toen qua design totaal verouderd, maar met zijn zelfdragende constructie en voorwielaandrijving technisch nog altijd modern was. De 15H kreeg eerst remmen bediend door een gas-olie-druk-systeem, in 1954 ook een achtervering zonder veren of schokbrekers, maar met een hydraulische stabilisator. Pientere autojournalisten die ongeduldig wachtten op die aangekondigde nieuwe Citroën hadden door dat die vreemde innovaties op een antiek model te maken moesten hebben met wat komen zou.

La Déesse

De DS19 was de revelatie van het Parijse autosalon van oktober 1955. Nooit was er bij een auto een zo harmonische eenheid van vooruitstrevende architectuur en revolutionaire techniek. Bij de DS geen veren en schokdempers. Ook de schijfremmen werkten op het systeem, en zelfs de halfautomatische versnellingspook roeide in de olie. Dat was het eerste element dat Citroën na een paar jaar opgaf. Als het bedrijf Paul Magès zijn zin had laten doen, dan werkten ook de zijruiten, de verwarming en de afstelling van de stoelen oleopneumatisch.

Onder de DS en zijn opvolgers zat een hele extra-infrastructuur met buizen, leidingen, pompen en voorraadtanks, 2 tot 7, afhankelijk van het type. Daarin staken olie en gas, gescheiden door een membraan. De olie heette “LHM, liquide hydraulique minéral”. Die hele constructie moest de auto stabiel houden, door voortdurend olie te pompen naar het wiel dat een schok of put of welke hindernis dan ook te verwerken kreeg. De pompjes vlakbij de olie- en gastanks achter de motor maakten een mooi geruststellend reutelend geluid. Als ik destijds met mijn DS halt hield voor mijn woning, wist mijn vrouw dat ik daar was, dankzij dat typische tikkend geronk. Het gaf de auto iets van een levend wezen met een ademhaling.

Olé Oleo!

 

Zeker op de vele kasseisteenwegen die er tot eind jaren 60 nog bestonden, moest de oléopneumatique hard werken; op gladde Franse Routes Nationales liet hij het voertuig zwevend en zacht deinend vorderen, met dat typische onbeschrijflijk ontspannen megacomfortabel gevoel dat rijden met de DS, later met de goedkopere ID 19, of met de CX, SM, XM en C6 kenmerkte. Ik heb in mijn beroepsleven met van alles gereden, tot Mercedes S en BMW 7 toe, maar niets geen enkele wagen evenaart het relaxed rijplezier van een oléochevron.

Het meest zichtbare kenmerk was dat een Citroën na gedane arbeid echt ging rusten in liggende houding, en na de start weer de hogere rij-positie innam. Ooit stond ik in een overzetboot met mijn D Super 5 uit de vroege jaren 70 achter een GSA. Toen de chauffeur voor mij en ikzelve de motor tegelijk startten om uit de boot te rijden, kwamen de 2 wagens precies synchroon parallel omhoog. Poëtisch mooi.

In die tijd gebruikten nogal wat gangsters een DS. Bij een bankoverval moest er dan wel iemand de motor draaiende houden om snel weg te scheuren met de buit. Starten, en wachten tot het voertuig de rijpositie innam, zou een beslissend tijdverlies betekenen. Ik heb het altijd vreemd gevonden dat er voor zover ik weet geen detectiveverhalen verschenen, waarbij een moordenaar zich verraadt door bijvoorbeeld te beweren dat hij nog maar net thuis is, terwijl zijn DS of CX al plat op de grond ligt, of omgekeerd.

Xantia

Op het vlak van veiligheid was de DS zijn tijd decennia vooruit. Gecombineerd met een krachtige weliswaar bandenverslijtende voorwielaandrijving, echt onafhankelijke wielen en schijfremmen, bediend door een ultra-directe voetknop in de plaats van een pedaal, had de wagen een uitzonderlijke wegligging en stabiliteit. De break-versies van de DS en CX waren populair bij ambulancediensten en cameraploegen.

Een DS kan rijden op drie wielen. Tenminste als een achterwiel ontbreekt. Zie YouTube. De legende wil dat president De Gaulle een paar keer aan de dood is ontsnapt bij een aanslag omdat een DS met platgeschoten banden toch met volle snelheid weg scheerde. En je hoefde bij bandenpech de auto niet op te vijzelen. Met een vaste krik en een hendel naast het koppelingspedaal kon je de wagen zijn wielen laten intrekken of uitrekken, om een wiel te verwijderen of te bevestigen. Heerlijk toch.

Het systeem werd integraal toegepast tot en met de Xantia, vanaf 1994. Geen enkele auto doorstond de zogenoemde eland-test beter dan de Xantia. Vanaf de eerste generatie van de opvolger C5 moest Citroën van eigenaar PSA, Peugeot dus, beknibbelen, en bij de tweede versie vanaf 2008 nog meer. Alleen de vering was nog hydraulisch.

Vloeken en sakkeren

Maar als het allemaal zo fantastisch was, waarom stopt Citroën er dan mee? Wel vooreerst veranderen de modes en de wensen van de consumenten, terwijl de wegen verbeteren. De erg zachte vering is uit de mode, automobilisten willen niet meer zweven als op een vliegend tapijt, zoals in een Amerikaanse slee of een DS of CX. De laatste C5 Hydractive Drie Plus had al een sportieve versie van het concept. Mensen verkiezen al een tijd een hardere Duitse vering die beter laat aanvoelen wat er op de weg gebeurt.

Fragiel

Citroën dringt ook niet aan omdat het na ruim 60 jaar nog altijd een dure, complexe, broze techniek is. Elke Citroën-rijder die toch enkele honderdduizenden kilometer aflegt, heeft het zeker meegemaakt dat het systeem het begaf. En dan sta je of beter lig je daar, plat ter aarde, machteloos als een insect op zijn rug, want niets functioneert nog. Takelen en herstellen vallen duur uit. Ik kan er verdraaid over mee spreken.

Het heeft 10 jaar geduurd voor het concept op punt stond. Vroeger lieten Franse constructeurs hun klanten de kinderziekten van een nieuw model ervaren. Het was beter om, als je dolgraag een verleidelijke pas verschenen 205 of BX wilde, een paar jaar te wachten, tot na de eerste aanpassingen. Bij de DS was dat tot 1965.

Vraatzuchtige olie

Bij de eerste versies vrat de rode chemische olie het hele buizencomplex van binnenuit op. In de jaren 50 en 60 zag je onder een DS vaak een rode plas. Sommige garagisten wilden niet dat je met een lekkende DS hun pand binnenreed, en ze hielden altijd stukken karton of vodden klaar om onder je incontinente kar te leggen.

In 1965 vonden de ingenieurs eindelijk de juiste legering voor de leidingen, en de goede half-natuurlijke samenstelling van de intussen groene (en dure) olie. Daarom zijn de DS’en uit de periode 1965-68 op de markt van ancêtres de beste investering. De fundamentalistische Citro-snob houdt minder van de versie vanaf 1969 met dubbele koplampen, waarvan er 2 meedraaiden in de bochten, onder plexiglas.

De ULB, de Franstalige vrijzinnige universiteit van Brussel, wilde in de tweede helft van de jaren 50 haar progressieve instelling onderstrepen door de rector, vice-rector, decanen en anderen met een DS te laten rijden. Ze waren van de eerste DS-rijders in ons land. Maar de wagens stonden nog niet op punt. Als ze startten, kwam soms alleen de linker- of rechterkant omhoog, of de achtersteven… Mais enfin.

Et maintenant?

 

De Hydractive Drie Plus is dood, leve de Aircross Advanced Comfort!! Citroën is het aan zichzelf verplicht om met een vering voor de proppen te komen, die het beste van een klassieke ophanging, met keurige veerpoten, combineert met een paar elementen van de oléopneumatique, een mini-oliesysteem in de schokbrekers onder meer, en stoelen met “geheugenschuim”, die na een vervorming, snel hun oorspronkelijke ergonomie weer innemen. Paul Margès leeft nog een beetje.

De nieuwe C5 Aircross, een soort sportieve SUV die niets te maken heeft met de afscheidnemende C5, zal als eerste dat volgens de constructeur beste veersysteem ter wereld krijgen, later geleidelijk wellicht alle Citroëns, via de Cactus tot de C1…Niet meer wiegen en zweven en een oliespoor achterlaten, toch veilig en comfortabel rijden. Het is een missie.

(Filmpje onder: een Citroën DS rijdt op 3 wielen dankzij de hydropneumatische vering)

 

Lees deze tekst ook op deredactie.be

 

Genezen doe je toch in alle rust?

Wat is een ziekenhuis toch een nerveus zoemende bijenkorf. Ik heb er helaas wel wat ervaring mee, en het valt me telkens op hoe schaars de rust er is, terwijl een mens toch net beter wordt van peis en vree en niet van een bad van lawaai en drukte?

Hallo, ik ben Sofie, en ik ga vannacht voor u zorgen, klonk het in mijn pas ontwaakte oren. Een zachte stem. Ter contrast met alles wat ik me herinner van de nacht op intensieve zorg: teringherrie, een pandemonium van zoemen, bliepen, klikken, suizen, kraken, praten, kreunen, roepen. Een man in een naburige box schreeuwt het in het Arabisch uit, tot hij plotseling stilvalt, na wellicht een spuit van het een of het ander. Elders heeft iemand alle infusen losgetrokken en ontstaat er stennis. Ik vraag en krijg oordopjes. Maar het blijft zoemen en bliepen, dwars erdoorheen. Karel Goeyvaerts componeerde ooit met de geluidjes in z’n ziekenhuiskamer. Maar geluidsdeskundige Julian Treasure stelde aan z’n TED-talkpubliek de retorische vraag How does anyone get well with sounds like this?!  nadat hij de heksenhetel van een afdeling intensieve zorg had laten horen.

Karrenvracht

En dan lig je op een gewone kamer, naast een rustige andere zieke. Tot de karren komen. Zoveel karren! Met eten, met verband, met pillen, met een bloeddrukmeter, met poetsgerief. Ze suizen door de gang en je hoort  – kedeng kedeng – elk richeltje in de vloerbekleding onder de wieltjes verdwijnen.  De verpleging moet tegenwoordig zelfs navigeren met een rijdende laptop – ieieieiep – tot net naast je bed om daarna  – piep – je identificatiearmbandje in te scannen. Alle respect hoor; die mensen doen wonderen tegen de klok…

Ik hoef geen gewijde stilte in een dure eenpersoonskamer; ik kan best wel wat gebabbel hebben, met medepatiënten of hulpverleners. En toen enkele kamers verder een bejaarde man met krachtige stem Tweeeeeee oooooogen zo blauauauauauauw zong, voor de hele gang, schoot ik net als iedereen in de lach.

Positief is ook het teeveebeleid. Waar er vroeger één scherm was in een kamer, en de kwiekste zieke de afstandsbediening monopoliseerde om daarna keiluid naar Thuis te kijken, zijn er tegenwoordig twee schermen, of zelfs een soort computerscherm vlak aan je bed. Ieder zijn meug. Bij mij bleef het stil; in het holst van de nacht klonk er Hildegard von Bingen in m’n oortjes.

Voor het bijenkorf- of luchthavengevoel van een ziekenhuis heb ik eigenlijk bewondering. Alle raderen die draaiend in elkaar grijpen; het bloed geanalyseerd, de patiënt ontwaakt, de instrumenten steriel gemaakt, de soep opgelepeld.

Stille ruimte

Maar als je zelf moet herstellen maakt die drukte -want dat is het- je onrustig. Des te blijer ben ik dus om in het ziekenhuis van Vilvoorde, AZ Jan Portaels, een nieuwe stille ruimte te ontdekken. Van zodra ik op de been ben, zoef ik – ping – naar beneden om de deur, met in grote letters: ‘bezinnen-stilte-licht-welkom-gesprek-troost’, even achter me dicht te trekken.

Er staan blankhouten zitbanken en een genereuze tafel om aan te schrijven of te tekenen; papier, pennen en kleurtjes liggen klaar. In het tafelblad is een kompas gegraveerd. Hier ben ik, hier zit ik, hier sta ik. Ik loop misschien verloren in mijn zorgen en mijn leed, maar hier kan ik even voor anker gaan.

Ik denk aan een passage uit de recente roman ‘Oksana’ van Donald Niedekker:

Je bestaat, je bestaat zonder poespas, zonder opsmuk, zonder tierelantijn, gewoon zo, met het bij de sluiting jeukende bh-bandje, met het uitzicht op een dal, je bestaat zonder dat je je hoofd hoeft te breken over de volgende stap, je bestaat met de ochtend, met de bomen, het zand, een vennetje, een dorpsstation, de roep van een koekoek, malse voorjaarsregen, het bestaat, elke regendruppel bestaat, en jij bestaat precies zo.

In een speels ingedeelde wandkast staan de Koran en de Bijbel zusterlijk naast elkaar; ik zie opgerolde gebedsmatjes, een meditatiebankje en kleine kruisjes van brooddeeg. Er heerst hier godsvrede: in het hout zijn katholieke, orthodoxe, evangelische kruisen gebeiteld, net als een islamitische maansikkel-en-ster en een davidsster. En een humanistische happy human.

Een warm, sober interieur, open en pluralistisch. Ik vind de stille ruimte van AZ Jan Portaels een voorbeeld. Ik weet dat er hier en daar nog inspanningen worden geleverd; ik zou eens een inventaris moeten vinden – of maken. In AZ Groeninge in Kortrijk konden ze niet kiezen: er is een kapel én een stille ruimte, bijna identiek zachtgeel ingericht naar een ontwerp van kunstenaar Richard Venlet. Maar er is nog een lange weg te gaan. In Gasthuisberg in Leuven moet ik altijd  even naar adem happen voor ik de kapel/gebedsruimte binnenga: een donkerbruine kist zonder licht of lucht, volgestouwd met stoelen en dingen die in de weg staan. Maar er woont ook een prachtige, trotse  middeleeuwse madonna met kind; zowel moeder als zoon mankeren een hand. Er komt hier veel volk. Mensen ontsteken een lichtje, of schrijven een intentie neer in een dik boek. Ik denk aan wat Alain de Botton zegt in ‘Religie voor atheïsten’ over de aantrekkingskracht van een moederbeeld in een kerk, voor al wie even wil nadenken, verpozen, zitten of huilen.

In Nederland heeft Jorien Holsappel-Brons enkele jaren geleden haar doctoraat geschreven over stille ruimtes; ze telde er toen al niet minder dan 250. Die in de zorgsector –zieken- en verzorgingstehuizen, psychiatrische instellingen- noemt ze ‘cocons’. Dan zou ze de Kapel van het Niets in de tuin van het psychiatrisch ziekenhuis van Duffel moeten bezoeken: de hardste, meest confronterende stilteplek die ik ken, ontworpen door kunstenaar Thierry De Cordier.

Blik op bomen

Groene ruimte kan ook rust en stilte herbergen. In Leuven is het met een vergrootglas zoeken naar blad of bloem. Ziekenhuisstad is van beton, en wordt trouwens met de maand groter, hoger en versteender. In Vilvoorde kijk ik uit op een ferme linde, die veel houtduiven verwelkomt als de zon ondergaat. Op het terras van de cafetaria zit ik omringd door groen, naast het kanaal. Binnen enkele jaren verhuist deze hele ziekenhuissite, ik mag hopen dat er minstens evenveel groen op de plannen staat. Wat lees ik in de krant? Amerikaans onderzoek heeft uitgewezen dat wie uitkijkt op groen vanuit bed, een dag vroeger dan gepland het ziekenhuis mag verlaten. Het klopt, in mijn geval! Dank je, linde, dank je, stille ruimte.

Kristien Bonneure

Terug van weggeweest: de mythe van de communistische aanslag tegen de Innovation

Alle respect en medeleven voor iemand die beide ouders verloor tijdens de grote brand van de Innovation in Brussel, het is ook begrijpelijk dat je dan op zoek gaat naar de oorzaak. Maar het besluit dat er een terroristische aanslag was, kan auteur Johan Swinnen niet hard maken in zijn nieuwe boek over dit inferno, is de mening van Lucas Vanclooster:

Die maandag 22 mei 1967 hadden mijn ouders blijkbaar weinig behoefte aan informatie. Tijdens het avondmaal bleef de radio stom, en vader schakelde de televisie maar aan net voor 20 uur. De legendarische weerman Armand Pien had het over de strakke wind die in de loop van de middag enkele keren gedraaid was en zo “het vuur” in alle richtingen aanwakkerde. Waar heeft die man het over? Dacht ik.

Ergste ramp in België

Dat werd snel duidelijk. Het hele journaal ging over de verschrikkelijke Innovation-brand, die nog niet was geblust, en die, zo bleek, zeker tientallen slachtoffers had gemaakt. Uiteindelijk werden officieel 251 doden geteld, maar wellicht zijn er heel wat meer slachtoffers, forensisch onderzoek stelde toen nog niet zo veel voor, en het vuur had zo hevig gewoed dat de stoffelijke resten van nogal wat mensen gewoon volledig verpulverd en verdwenen waren.

Hoe dan ook, de Innovation-brand is de ergste ramp die ons land in vredestijd trof.

Al decennia blijft de ramp mensen fascineren. Dit jaar zijn er, alleen al in het Nederlands, 3 erg boeiende, bijzonder leesbare en breed gedocumenteerde boeken verschenen. Ze focussen vooral op de oorzaak, en ze doen dat na ampel onderzoek door de auteurs van gerechtelijke dossiers, en nieuwe gesprekken met getuigen.

Kortsluiting of kaduke tl-lamp

Geert De Vriese en Frank Van Laeken houden het in “Inferno, de brand in de Innovation” bij de algemeen aanvaarde stelling dat een kortsluiting in een voorraadkamertje de ramp veroorzaakte.

In zijn “De brand in de Innovation” komt Siegfried Evens met een nieuwe goed onderbouwde theorie: vonken uit een kaduke tl-buis zouden opgehoopt gas uit een lekke leiding in datzelfde voorraadkamertje hebben doen ontbranden. Die drie auteurs verwerpen de these van een aanslag.

Sleutelroman

Volgens Johan Swinnen in de sleutelroman “Happening, de aanslag in de Innovation”” is de ramp wel het gevolg van een terroristische daad, door drie extreemlinkse bommenleggers. Extreem-links communistisch, jawel, de brand vond plaats tijdens een opvallende Amerikaanse veertiendaagse, in volle Vietnam-contestatie. Communistische actievoerders hadden al betoogd in de Nieuwstraat, voetzoekers gegooid, en er waren bedreigingen geuit…

Innovation-weesjongen

Johan Swinnen staat erg dicht bij wat er op die noodlottige 22 mei 1967 gebeurde: hij verloor zijn ouders in het vuur. Hij was toen 13. En hij had er bij kunnen zijn…

Alle respect en medeleven voor iemand die te maken heeft gekregen met een levensbepalende ingrijpende gebeurtenis van die omvang. En meer dan begrijpelijk dat hij als nabestaande op zoek gaat naar verklaringen, verantwoordelijken, daders, en zich laat meeslepen door een op het eerste zicht plausibel verhaal.

Swinnen baseert zijn roman op een opgenomen maar niet openbaar gemaakt gesprek met een vrouw die mogelijk betrokken was bij, nou ja, de aanslag. Hij combineert dat gesprek met een aantal opvallende feiten uit 1967. Maar de mayonaise pakt niet.

Bommenleggers zonder bom

De hele thesis van de drie bommenleggers kunnen we makkelijk weerleggen met deze simpele vaststelling: er was geen bom! Na de ramp heeft de politie ruim twee jaar lang alle mogelijke getuigen, aanwezigen, voorbijgangers, overlevenden en nabestaanden grondig aan de tand gevoeld.

Sommige ‘getuigen’ kwamen met verregaande verhalen over verdachte sujetten die raar of nerveus deden, of vreemde zaken scandeerden. Dat heeft nergens heen geleid. Niemand, ik herhaal werkelijk niemand van die getuigen, geen één, had het over een explosie, een knal, een ontploffing.

Ook een brandbom, of om in het juiste taalgebruik te blijven, een molotov-cocktail, heeft niemand opgemerkt. Of waren de daders genieën die een stille bom hadden ontwikkeld?

Anarcho-communistische ULB

De bewering dat docenten scheikunde van de ULB de bom mee hadden gefabriceerd is te knotsgek voor woorden. En al even vreemd is de vaststelling dat er onder bepaalde ULB-studenten een zekere nervositeit heerste en dat ze vanaf de middag met transistor-radio’s aan hun oren liepen alsof ze op belangrijk nieuws wachten.

Neen, de omroepen zaten toen aan de beide zijden van de taalgrens helemaal vast in een staatsmonopolie en in die tijd duurde het zelfs bij een apocalyptische calamiteit uren voor het nieuws de media en de bevolking bereikte. Daarover heeft radiojournalist en ooggetuige Urbaan De Becker tien jaar geleden in Keerpunt op Canvas treffend en met veel ironie verteld.

Dan maar een terreurdaad door brandstichting? Ook dat lijkt weinig waarschijnlijk. Het vuur is het eerst opgemerkt om 20 over 1 in een opslagplaatsje van strand- en communiekledij. Dat magazijntje zat goed verborgen achter de rekken en stands, totaal onzichtbaar voor wie niet vertrouwd was met die afdeling van het enorme warenhuis.

Een medeplichtige

Een communistische medeplichtige bij het personeel? Ongeloofwaardig. Uit alle gesprekken blijkt dat het personeel van de Innovation daar erg graag werkte, verknocht was aan de onderneming waar een voorbeeldige sociale vrede heerste, en dat de collega’s prima met elkaar konden opschieten, als vormden ze een grote familie.

Welke onverlaat zou dan het hele bedrijf en zijn mede-werknemers aan zo’n gevaar blootstellen?

Uit het onderzoek blijkt ook dat er in de weken voor de ramp geen persoonlijke conflicten vermeld werden. Dat een personeelslid, dat nog rokend uit het self-service-restaurant kwam, een sigarettenpeuk in het magazijntje zou hebben gedoofd, is niet aannemelijk. De meest verregaande bewering in “Happening” is dat parket, politieke overheid en Innovation de piste van de aanslag na één week in de doofpot stopten, om de bevolking niet te verontrusten… Alsof een accidentele brandramp minder verontrustend zou zijn dan een geplande aanslag… Alsof een directie die een loopje neemt met de brandveiligheid het publiek geruststelt…

De werkelijkheid is dat linkse activisten wekenlang van hun bed gelicht en terdege op de rooster werden gelegd, zonder resultaat. Overigens, er kwam ook nooit een ernstige opeising van de “aanslag”.

De roman vermeldt ronkende krantentitels over terreur die eerste week. Welgeteld één Vlaams orgaan, het sensatieweekblad KWIK, had als kop: “Wie heeft de massamoord in Brussel op zijn geweten?” Alle andere kranten brachten een veel voorzichtiger berichtgeving.

Er bestaan trouwens nog andere complottheorieën. Dat de CIA achter de brandstichting zat om de communistische actievoerders en links in het algemeen als voor de hand liggende verdachten in diskrediet te brengen. En dat eerste-minister Van Den Boeynants en bouwpromotor Charlie De Pauw op de kar sprongen om op de plaats van de oude Innovation een immense parkeergarage te bouwen. Bewijs: onder de nieuwe Inno, geopend in 1970, zit warempel een parkeergarage… Filmmaker Bram Van Paesschen spitte die mogelijkheden uit in een mockumentary een jaar of 15 geleden.

 

Architect baron Victor Horta, die de Innovation in 1901 ontwierp, waarschuwde al in de jaren dertig dat een brand in zijn gebouw een catastrofe zou veroorzaken, deels door de schoorsteen- en kachelachtige constructie van de centrale galerij met balkons en trappen en broze lichtkoepel, maar ook door de rommelige uitbreiding in belendende panden, met veel trapjes, doorgangen, dienstliften, luchtkokers, valse plafonds, kortom een kluwen, een labyrint. Op die 22 mei kwam daar de overdadige papieren, kartonnen en nylon decoratie voor de Amerikaanse veertiendaagse bij.

De brand is, door een kortsluiting of vonkende tl-lamp, ontstaan in een voorraadhokje, en nam uiterst snel een enorme uitbreiding.

De Innovation had geen sprinklersysteem. Drie interne brandweerlui probeerden met te kleine brandblussers het vuur te bedwingen. Het brand-alarm bleef quasi onopgemerkt in het lawaai van het warenhuis, waar verschillende belsignalen net het begin van de middagshift aankondigden.

De brandweer kwam twintig minuten later bijna voltallig ter plekke toen het gebouw al in lichterlaaie stond. Ze hielden zich vooreerst bezig met de redding van mensen op daken, luifels en vensterbanken. Hun voertuigen (toen allemaal al meer dan tien jaar oud), ladders en brandslangen waren ontoereikend om effectief te blussen.

De Nieuwstraat stond vol geparkeerde auto’s. De gitzwarte rook belemmerde elk uitzicht op de sowieso al veel te kleine slecht aangeduide en soms door publiciteit aan het zicht ontnomen of afgeschafte nooduitgangen. Het is allemaal sneu, tragisch, jammer, noodlottig. En de wind draaide, zoals Armand Pien vermeldde …

Lucas Vanclooster
Lees deze tekst ook op deredactie.be.

Stilte is een kunst

https://www.randkrant.be/artikel/kristien-bonneure-kunst-in-de-troost

De poort achter het stilste plekje van Vilvoorde gaat voor enkele dagen open. Twee weekends kan je achter de dikke muren van het slotklooster van Onze-Lieve-Vrouw van Troost een reeks kunstwerken gaan bekijken. Kristien Bonneure en haar partner Lucas Vanclooster maakten de selectie.
Kunst in de Troost is een unieke gelegenheid om de troostende kracht van een stille plek te ervaren. De werken van maar liefst 25 kunstenaars staan tentoongesteld in de mooie kloostertuin en enkele ruimten binnen in het klooster. Het werd een stil ensemble van creaties van schilders, grafici, beeldhouwers en keramisten. Elk op hun manier en via hun artistiek medium nodigen ze je uit om stil te staan en dieper in te gaan op een gedachte of een gevoelen. Dat je op één plek zoveel creatief talent kan vinden, is uniek.’

‘Net zoals de plek waar de tentoonstelling plaatsvindt. Ik herinner me nog hoe ik vele jaren geleden – toen ik nog niet zo lang in Vilvoorde woonde – aan mijn echtgenoot vertelde dat die wereld achter de groene poort van het karmelietenklooster me fascineerde. Dat zich daar een leven in alle stilte afspeelde, sprak toen al tot mijn verbeelding’, zegt Bonneure.

‘Stilte helpt om aandachtiger te luisteren.’

Aan de ingangspoort van de kloostertuin hangt een gedicht. Het is een ode aan de stilte. Bonneure schreef er drie jaar geleden een boek over: Stil leven, een stem voor rust en ruimte in drukke tijden. ‘In onze hectische wereld zijn stille plekken even levensnoodzakelijk als oases in de woestijn. Ook ik verdwijn af en toe graag een paar dagen in de stilte. Nog belangrijker vind ik het om stilte in mijn dagelijkse leven in te weven. Stilte brengt evenwicht en diepte. En hoe gek het ook mag klinken, stilte werkt verbindend. Het helpt je om aandachtiger te luisteren. Naar de wereld, de andere en naar je eigen innerlijke stem.’
Helpt kunst ons ook om die innerlijke stem te vinden? ‘Het valt me op dat de stilte van deze exporuimte vele kunstenaars aanspreekt. Het doet hun werken ook tot hun recht komen. Hun creaties komen trouwens vaak in grote stilte tot stand.’ Of zoals het gedicht aan de ingangspoort van de kloostertuin zo treffend samenvat: In de tuin bloeit stilte. In stilte bloeit kunst.

29 EN 30 APR • 6, 7 EN 8 MEI
Kunst in de Troost
Vilvoorde, www.kunstindetroost.be

infoDe toegang is gratis. De opbrengst van de verkoop van de kunstwerken gaat naar de restauratie van de Troostbasiliek.

Nathalie Dirix, verschenen in RandKrant mei 2017