Genezen doe je toch in alle rust?

Wat is een ziekenhuis toch een nerveus zoemende bijenkorf. Ik heb er helaas wel wat ervaring mee, en het valt me telkens op hoe schaars de rust er is, terwijl een mens toch net beter wordt van peis en vree en niet van een bad van lawaai en drukte?

Hallo, ik ben Sofie, en ik ga vannacht voor u zorgen, klonk het in mijn pas ontwaakte oren. Een zachte stem. Ter contrast met alles wat ik me herinner van de nacht op intensieve zorg: teringherrie, een pandemonium van zoemen, bliepen, klikken, suizen, kraken, praten, kreunen, roepen. Een man in een naburige box schreeuwt het in het Arabisch uit, tot hij plotseling stilvalt, na wellicht een spuit van het een of het ander. Elders heeft iemand alle infusen losgetrokken en ontstaat er stennis. Ik vraag en krijg oordopjes. Maar het blijft zoemen en bliepen, dwars erdoorheen. Karel Goeyvaerts componeerde ooit met de geluidjes in z’n ziekenhuiskamer. Maar geluidsdeskundige Julian Treasure stelde aan z’n TED-talkpubliek de retorische vraag How does anyone get well with sounds like this?!  nadat hij de heksenhetel van een afdeling intensieve zorg had laten horen.

Karrenvracht

En dan lig je op een gewone kamer, naast een rustige andere zieke. Tot de karren komen. Zoveel karren! Met eten, met verband, met pillen, met een bloeddrukmeter, met poetsgerief. Ze suizen door de gang en je hoort  – kedeng kedeng – elk richeltje in de vloerbekleding onder de wieltjes verdwijnen.  De verpleging moet tegenwoordig zelfs navigeren met een rijdende laptop – ieieieiep – tot net naast je bed om daarna  – piep – je identificatiearmbandje in te scannen. Alle respect hoor; die mensen doen wonderen tegen de klok…

Ik hoef geen gewijde stilte in een dure eenpersoonskamer; ik kan best wel wat gebabbel hebben, met medepatiënten of hulpverleners. En toen enkele kamers verder een bejaarde man met krachtige stem Tweeeeeee oooooogen zo blauauauauauauw zong, voor de hele gang, schoot ik net als iedereen in de lach.

Positief is ook het teeveebeleid. Waar er vroeger één scherm was in een kamer, en de kwiekste zieke de afstandsbediening monopoliseerde om daarna keiluid naar Thuis te kijken, zijn er tegenwoordig twee schermen, of zelfs een soort computerscherm vlak aan je bed. Ieder zijn meug. Bij mij bleef het stil; in het holst van de nacht klonk er Hildegard von Bingen in m’n oortjes.

Voor het bijenkorf- of luchthavengevoel van een ziekenhuis heb ik eigenlijk bewondering. Alle raderen die draaiend in elkaar grijpen; het bloed geanalyseerd, de patiënt ontwaakt, de instrumenten steriel gemaakt, de soep opgelepeld.

Stille ruimte

Maar als je zelf moet herstellen maakt die drukte -want dat is het- je onrustig. Des te blijer ben ik dus om in het ziekenhuis van Vilvoorde, AZ Jan Portaels, een nieuwe stille ruimte te ontdekken. Van zodra ik op de been ben, zoef ik – ping – naar beneden om de deur, met in grote letters: ‘bezinnen-stilte-licht-welkom-gesprek-troost’, even achter me dicht te trekken.

Er staan blankhouten zitbanken en een genereuze tafel om aan te schrijven of te tekenen; papier, pennen en kleurtjes liggen klaar. In het tafelblad is een kompas gegraveerd. Hier ben ik, hier zit ik, hier sta ik. Ik loop misschien verloren in mijn zorgen en mijn leed, maar hier kan ik even voor anker gaan.

Ik denk aan een passage uit de recente roman ‘Oksana’ van Donald Niedekker:

Je bestaat, je bestaat zonder poespas, zonder opsmuk, zonder tierelantijn, gewoon zo, met het bij de sluiting jeukende bh-bandje, met het uitzicht op een dal, je bestaat zonder dat je je hoofd hoeft te breken over de volgende stap, je bestaat met de ochtend, met de bomen, het zand, een vennetje, een dorpsstation, de roep van een koekoek, malse voorjaarsregen, het bestaat, elke regendruppel bestaat, en jij bestaat precies zo.

In een speels ingedeelde wandkast staan de Koran en de Bijbel zusterlijk naast elkaar; ik zie opgerolde gebedsmatjes, een meditatiebankje en kleine kruisjes van brooddeeg. Er heerst hier godsvrede: in het hout zijn katholieke, orthodoxe, evangelische kruisen gebeiteld, net als een islamitische maansikkel-en-ster en een davidsster. En een humanistische happy human.

Een warm, sober interieur, open en pluralistisch. Ik vind de stille ruimte van AZ Jan Portaels een voorbeeld. Ik weet dat er hier en daar nog inspanningen worden geleverd; ik zou eens een inventaris moeten vinden – of maken. In AZ Groeninge in Kortrijk konden ze niet kiezen: er is een kapel én een stille ruimte, bijna identiek zachtgeel ingericht naar een ontwerp van kunstenaar Richard Venlet. Maar er is nog een lange weg te gaan. In Gasthuisberg in Leuven moet ik altijd  even naar adem happen voor ik de kapel/gebedsruimte binnenga: een donkerbruine kist zonder licht of lucht, volgestouwd met stoelen en dingen die in de weg staan. Maar er woont ook een prachtige, trotse  middeleeuwse madonna met kind; zowel moeder als zoon mankeren een hand. Er komt hier veel volk. Mensen ontsteken een lichtje, of schrijven een intentie neer in een dik boek. Ik denk aan wat Alain de Botton zegt in ‘Religie voor atheïsten’ over de aantrekkingskracht van een moederbeeld in een kerk, voor al wie even wil nadenken, verpozen, zitten of huilen.

In Nederland heeft Jorien Holsappel-Brons enkele jaren geleden haar doctoraat geschreven over stille ruimtes; ze telde er toen al niet minder dan 250. Die in de zorgsector –zieken- en verzorgingstehuizen, psychiatrische instellingen- noemt ze ‘cocons’. Dan zou ze de Kapel van het Niets in de tuin van het psychiatrisch ziekenhuis van Duffel moeten bezoeken: de hardste, meest confronterende stilteplek die ik ken, ontworpen door kunstenaar Thierry De Cordier.

Blik op bomen

Groene ruimte kan ook rust en stilte herbergen. In Leuven is het met een vergrootglas zoeken naar blad of bloem. Ziekenhuisstad is van beton, en wordt trouwens met de maand groter, hoger en versteender. In Vilvoorde kijk ik uit op een ferme linde, die veel houtduiven verwelkomt als de zon ondergaat. Op het terras van de cafetaria zit ik omringd door groen, naast het kanaal. Binnen enkele jaren verhuist deze hele ziekenhuissite, ik mag hopen dat er minstens evenveel groen op de plannen staat. Wat lees ik in de krant? Amerikaans onderzoek heeft uitgewezen dat wie uitkijkt op groen vanuit bed, een dag vroeger dan gepland het ziekenhuis mag verlaten. Het klopt, in mijn geval! Dank je, linde, dank je, stille ruimte.

Kristien Bonneure

Terug van weggeweest: de mythe van de communistische aanslag tegen de Innovation

Alle respect en medeleven voor iemand die beide ouders verloor tijdens de grote brand van de Innovation in Brussel, het is ook begrijpelijk dat je dan op zoek gaat naar de oorzaak. Maar het besluit dat er een terroristische aanslag was, kan auteur Johan Swinnen niet hard maken in zijn nieuwe boek over dit inferno, is de mening van Lucas Vanclooster:

Die maandag 22 mei 1967 hadden mijn ouders blijkbaar weinig behoefte aan informatie. Tijdens het avondmaal bleef de radio stom, en vader schakelde de televisie maar aan net voor 20 uur. De legendarische weerman Armand Pien had het over de strakke wind die in de loop van de middag enkele keren gedraaid was en zo “het vuur” in alle richtingen aanwakkerde. Waar heeft die man het over? Dacht ik.

Ergste ramp in België

Dat werd snel duidelijk. Het hele journaal ging over de verschrikkelijke Innovation-brand, die nog niet was geblust, en die, zo bleek, zeker tientallen slachtoffers had gemaakt. Uiteindelijk werden officieel 251 doden geteld, maar wellicht zijn er heel wat meer slachtoffers, forensisch onderzoek stelde toen nog niet zo veel voor, en het vuur had zo hevig gewoed dat de stoffelijke resten van nogal wat mensen gewoon volledig verpulverd en verdwenen waren.

Hoe dan ook, de Innovation-brand is de ergste ramp die ons land in vredestijd trof.

Al decennia blijft de ramp mensen fascineren. Dit jaar zijn er, alleen al in het Nederlands, 3 erg boeiende, bijzonder leesbare en breed gedocumenteerde boeken verschenen. Ze focussen vooral op de oorzaak, en ze doen dat na ampel onderzoek door de auteurs van gerechtelijke dossiers, en nieuwe gesprekken met getuigen.

Kortsluiting of kaduke tl-lamp

Geert De Vriese en Frank Van Laeken houden het in “Inferno, de brand in de Innovation” bij de algemeen aanvaarde stelling dat een kortsluiting in een voorraadkamertje de ramp veroorzaakte.

In zijn “De brand in de Innovation” komt Siegfried Evens met een nieuwe goed onderbouwde theorie: vonken uit een kaduke tl-buis zouden opgehoopt gas uit een lekke leiding in datzelfde voorraadkamertje hebben doen ontbranden. Die drie auteurs verwerpen de these van een aanslag.

Sleutelroman

Volgens Johan Swinnen in de sleutelroman “Happening, de aanslag in de Innovation”” is de ramp wel het gevolg van een terroristische daad, door drie extreemlinkse bommenleggers. Extreem-links communistisch, jawel, de brand vond plaats tijdens een opvallende Amerikaanse veertiendaagse, in volle Vietnam-contestatie. Communistische actievoerders hadden al betoogd in de Nieuwstraat, voetzoekers gegooid, en er waren bedreigingen geuit…

Innovation-weesjongen

Johan Swinnen staat erg dicht bij wat er op die noodlottige 22 mei 1967 gebeurde: hij verloor zijn ouders in het vuur. Hij was toen 13. En hij had er bij kunnen zijn…

Alle respect en medeleven voor iemand die te maken heeft gekregen met een levensbepalende ingrijpende gebeurtenis van die omvang. En meer dan begrijpelijk dat hij als nabestaande op zoek gaat naar verklaringen, verantwoordelijken, daders, en zich laat meeslepen door een op het eerste zicht plausibel verhaal.

Swinnen baseert zijn roman op een opgenomen maar niet openbaar gemaakt gesprek met een vrouw die mogelijk betrokken was bij, nou ja, de aanslag. Hij combineert dat gesprek met een aantal opvallende feiten uit 1967. Maar de mayonaise pakt niet.

Bommenleggers zonder bom

De hele thesis van de drie bommenleggers kunnen we makkelijk weerleggen met deze simpele vaststelling: er was geen bom! Na de ramp heeft de politie ruim twee jaar lang alle mogelijke getuigen, aanwezigen, voorbijgangers, overlevenden en nabestaanden grondig aan de tand gevoeld.

Sommige ‘getuigen’ kwamen met verregaande verhalen over verdachte sujetten die raar of nerveus deden, of vreemde zaken scandeerden. Dat heeft nergens heen geleid. Niemand, ik herhaal werkelijk niemand van die getuigen, geen één, had het over een explosie, een knal, een ontploffing.

Ook een brandbom, of om in het juiste taalgebruik te blijven, een molotov-cocktail, heeft niemand opgemerkt. Of waren de daders genieën die een stille bom hadden ontwikkeld?

Anarcho-communistische ULB

De bewering dat docenten scheikunde van de ULB de bom mee hadden gefabriceerd is te knotsgek voor woorden. En al even vreemd is de vaststelling dat er onder bepaalde ULB-studenten een zekere nervositeit heerste en dat ze vanaf de middag met transistor-radio’s aan hun oren liepen alsof ze op belangrijk nieuws wachten.

Neen, de omroepen zaten toen aan de beide zijden van de taalgrens helemaal vast in een staatsmonopolie en in die tijd duurde het zelfs bij een apocalyptische calamiteit uren voor het nieuws de media en de bevolking bereikte. Daarover heeft radiojournalist en ooggetuige Urbaan De Becker tien jaar geleden in Keerpunt op Canvas treffend en met veel ironie verteld.

Dan maar een terreurdaad door brandstichting? Ook dat lijkt weinig waarschijnlijk. Het vuur is het eerst opgemerkt om 20 over 1 in een opslagplaatsje van strand- en communiekledij. Dat magazijntje zat goed verborgen achter de rekken en stands, totaal onzichtbaar voor wie niet vertrouwd was met die afdeling van het enorme warenhuis.

Een medeplichtige

Een communistische medeplichtige bij het personeel? Ongeloofwaardig. Uit alle gesprekken blijkt dat het personeel van de Innovation daar erg graag werkte, verknocht was aan de onderneming waar een voorbeeldige sociale vrede heerste, en dat de collega’s prima met elkaar konden opschieten, als vormden ze een grote familie.

Welke onverlaat zou dan het hele bedrijf en zijn mede-werknemers aan zo’n gevaar blootstellen?

Uit het onderzoek blijkt ook dat er in de weken voor de ramp geen persoonlijke conflicten vermeld werden. Dat een personeelslid, dat nog rokend uit het self-service-restaurant kwam, een sigarettenpeuk in het magazijntje zou hebben gedoofd, is niet aannemelijk. De meest verregaande bewering in “Happening” is dat parket, politieke overheid en Innovation de piste van de aanslag na één week in de doofpot stopten, om de bevolking niet te verontrusten… Alsof een accidentele brandramp minder verontrustend zou zijn dan een geplande aanslag… Alsof een directie die een loopje neemt met de brandveiligheid het publiek geruststelt…

De werkelijkheid is dat linkse activisten wekenlang van hun bed gelicht en terdege op de rooster werden gelegd, zonder resultaat. Overigens, er kwam ook nooit een ernstige opeising van de “aanslag”.

De roman vermeldt ronkende krantentitels over terreur die eerste week. Welgeteld één Vlaams orgaan, het sensatieweekblad KWIK, had als kop: “Wie heeft de massamoord in Brussel op zijn geweten?” Alle andere kranten brachten een veel voorzichtiger berichtgeving.

Er bestaan trouwens nog andere complottheorieën. Dat de CIA achter de brandstichting zat om de communistische actievoerders en links in het algemeen als voor de hand liggende verdachten in diskrediet te brengen. En dat eerste-minister Van Den Boeynants en bouwpromotor Charlie De Pauw op de kar sprongen om op de plaats van de oude Innovation een immense parkeergarage te bouwen. Bewijs: onder de nieuwe Inno, geopend in 1970, zit warempel een parkeergarage… Filmmaker Bram Van Paesschen spitte die mogelijkheden uit in een mockumentary een jaar of 15 geleden.

 

Architect baron Victor Horta, die de Innovation in 1901 ontwierp, waarschuwde al in de jaren dertig dat een brand in zijn gebouw een catastrofe zou veroorzaken, deels door de schoorsteen- en kachelachtige constructie van de centrale galerij met balkons en trappen en broze lichtkoepel, maar ook door de rommelige uitbreiding in belendende panden, met veel trapjes, doorgangen, dienstliften, luchtkokers, valse plafonds, kortom een kluwen, een labyrint. Op die 22 mei kwam daar de overdadige papieren, kartonnen en nylon decoratie voor de Amerikaanse veertiendaagse bij.

De brand is, door een kortsluiting of vonkende tl-lamp, ontstaan in een voorraadhokje, en nam uiterst snel een enorme uitbreiding.

De Innovation had geen sprinklersysteem. Drie interne brandweerlui probeerden met te kleine brandblussers het vuur te bedwingen. Het brand-alarm bleef quasi onopgemerkt in het lawaai van het warenhuis, waar verschillende belsignalen net het begin van de middagshift aankondigden.

De brandweer kwam twintig minuten later bijna voltallig ter plekke toen het gebouw al in lichterlaaie stond. Ze hielden zich vooreerst bezig met de redding van mensen op daken, luifels en vensterbanken. Hun voertuigen (toen allemaal al meer dan tien jaar oud), ladders en brandslangen waren ontoereikend om effectief te blussen.

De Nieuwstraat stond vol geparkeerde auto’s. De gitzwarte rook belemmerde elk uitzicht op de sowieso al veel te kleine slecht aangeduide en soms door publiciteit aan het zicht ontnomen of afgeschafte nooduitgangen. Het is allemaal sneu, tragisch, jammer, noodlottig. En de wind draaide, zoals Armand Pien vermeldde …

Lucas Vanclooster
Lees deze tekst ook op deredactie.be.

Stilte is een kunst

https://www.randkrant.be/artikel/kristien-bonneure-kunst-in-de-troost

De poort achter het stilste plekje van Vilvoorde gaat voor enkele dagen open. Twee weekends kan je achter de dikke muren van het slotklooster van Onze-Lieve-Vrouw van Troost een reeks kunstwerken gaan bekijken. Kristien Bonneure en haar partner Lucas Vanclooster maakten de selectie.
Kunst in de Troost is een unieke gelegenheid om de troostende kracht van een stille plek te ervaren. De werken van maar liefst 25 kunstenaars staan tentoongesteld in de mooie kloostertuin en enkele ruimten binnen in het klooster. Het werd een stil ensemble van creaties van schilders, grafici, beeldhouwers en keramisten. Elk op hun manier en via hun artistiek medium nodigen ze je uit om stil te staan en dieper in te gaan op een gedachte of een gevoelen. Dat je op één plek zoveel creatief talent kan vinden, is uniek.’

‘Net zoals de plek waar de tentoonstelling plaatsvindt. Ik herinner me nog hoe ik vele jaren geleden – toen ik nog niet zo lang in Vilvoorde woonde – aan mijn echtgenoot vertelde dat die wereld achter de groene poort van het karmelietenklooster me fascineerde. Dat zich daar een leven in alle stilte afspeelde, sprak toen al tot mijn verbeelding’, zegt Bonneure.

‘Stilte helpt om aandachtiger te luisteren.’

Aan de ingangspoort van de kloostertuin hangt een gedicht. Het is een ode aan de stilte. Bonneure schreef er drie jaar geleden een boek over: Stil leven, een stem voor rust en ruimte in drukke tijden. ‘In onze hectische wereld zijn stille plekken even levensnoodzakelijk als oases in de woestijn. Ook ik verdwijn af en toe graag een paar dagen in de stilte. Nog belangrijker vind ik het om stilte in mijn dagelijkse leven in te weven. Stilte brengt evenwicht en diepte. En hoe gek het ook mag klinken, stilte werkt verbindend. Het helpt je om aandachtiger te luisteren. Naar de wereld, de andere en naar je eigen innerlijke stem.’
Helpt kunst ons ook om die innerlijke stem te vinden? ‘Het valt me op dat de stilte van deze exporuimte vele kunstenaars aanspreekt. Het doet hun werken ook tot hun recht komen. Hun creaties komen trouwens vaak in grote stilte tot stand.’ Of zoals het gedicht aan de ingangspoort van de kloostertuin zo treffend samenvat: In de tuin bloeit stilte. In stilte bloeit kunst.

29 EN 30 APR • 6, 7 EN 8 MEI
Kunst in de Troost
Vilvoorde, www.kunstindetroost.be

infoDe toegang is gratis. De opbrengst van de verkoop van de kunstwerken gaat naar de restauratie van de Troostbasiliek.

Nathalie Dirix, verschenen in RandKrant mei 2017

Kunst in de Troost 2017

 

Voor de 18de keer opent het karmelietessenklooster Onze-Lieve-Vrouw van Troost de poort voor hedendaagse kunst. Dit jaar voor het eerst twee weekends: 29 en 30 april en 6, 7 en 8 mei 2017.

Kerk en klooster.

Bakens in de branding van verhalen en herinneringen.

Kerk en klooster.

Ankers van de tijd.

–          Joseph Pearce

’t Is een mooie traditie: rond de tijd van de Troostkermis biedt het stilste plekje van Vilvoorde rust en schoonheid. Ook dit jaar zijn in de tuin en in verschillende kamers van het convent werken te zien van 25 kunstenaars.

Dit zijn de deelnemers van 2017:

Annie Andriessen, Jean-Pierre Belaen, Jos Bolle, Martine Bossuyt, Nadine Callebaut, Sebastiaan Coppens, Annie M. Desmet, Natacha Dimovska, Chantal Grard, Marcel Haccuria, Francis Holemans, Luc Leroy, Malyqa, Roos Mannaerts, Francis Méan, Kaarin Poppe, Gerda Standaert, Cine Touchant, Carine Van Hee, Jos Van Moorhem, Karel Van Roy, Patrick Van Tilborgh, Veerle Verheylewegen, Michel Vranckx en Christel Weyts.

Ze werken in uiteenlopende disciplines en materialen: schilderkunst, grafiek, keramiek, brons, hardsteen, marmer, glas… De kunstwerken worden te koop aangeboden, ten voordele van de restauratie van de basiliek van Onze-Lieve-Vrouw van Troost.

Voor het eerst kan het publiek twee weekends van de kunst genieten: het kermisweekend van de jaarmarkt én het weekend ervoor. Daardoor kunnen mensen van buiten Vilvoorde de tentoonstelling ook makkelijker bereiken. Of een keertje terugkomen…

Praktisch:

Vernissage op zaterdag 29 april om 14u (pas op, nieuw tijdstip voor de opening!) met toespraken van auteur Joseph Pearce, VRT-journalist Lucas Vanclooster en Hans Bonte, burgemeester van Vilvoorde.

Kunst in de Troost 2017 is open op:

-zaterdag 29 april en zondag 30 april 2017 van 14 tot 18u
-zaterdag 6 en zondag 7 mei 2017 van 14 tot 18u

-maandag 8 mei 2017 (dag van de jaarmarkt) van 11 tot 18u

Meer info (tekst en foto’s): www.facebook.com/kunstindetroost en www.kunstindetroost.be

 

Voormoeders

Internationale vrouwendag. Geïnspireerd op het bijbelse ‘zoon van, zoon van’, ben ik eens op zoek gegaan naar mijn voormoeders.

Kristien Bonneure, dochter van
Georgine Lanckriet, dochter van
Marie Lannoye, dochter van
Georgina Eugenia Wijffels, dochter van
Johanna Cornelia Verstringe, dochter van
Emerentiana Dumon, dochter van
Emerentia Vandamme, dochter van
Petronella Claeyssens, dochter van
Anna Maria Maenhout, dochter van
Joanna Blanckaert, dochter van
Petronella Vandenabeele, dochter van
Maria Uyttenholle, dochter van
Margaretha de Gheselle

En dan schrijven we al begin zeventiende eeuw.
Mijn vrouwelijke roots liggen in Oedelem, via Moerkerke en Lapscheure en Oostkerke ook even de grens over, in Biervliet en Aardenburg. Poldergrond. Wat zou ik graag eens met hen aan de keukentafel zitten.

 

 

 

 

Rik Wouters

Op 10 maart 2017 gaat een grote retrospectieve tentoonstelling met het werk van Rik Wouters open in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel. Enkele jaren geleden verscheen al een boeiende biografie van de schilder, door Eric Min. Lucas Vanclooster schreef de recensie voor Cobra.be.
e7240483df22105b6faf6fc7de859a6c.jpg
Kunstcriticus Eric Min heeft het definitieve boek over Rik Wouters geschreven. Het is ondenkbaar dat iemand nog meer en andere bronnen bij elkaar krijgt, over de euvele moed beschikt om al die documenten te doorploegen, laat staan er een even boeiend verhaal over te vertellen.

Tragisch kort, bezeten leven

Jarenlang hing in mijn flat een poster voorstellende “De strijkster” van Rik Wouters. Het heldere, vriendelijke tafereel hielp mij bij de uitvoering van die huiselijke taak. Ik streek met zicht op Nel, vrouw en muze van Wouters tijdens zijn tragische leven.

Wouters is geen 34 jaar geworden, heeft meer dan zijn deel van armoede, pijn en noodlot gekend, werkte als een bezetene, en liet 200 schilderijen, meer dan 1000 tekeningen en zoals Eric Min het noemt, een “leger van sculpturen” na.

De verklaring van een en ander start in de lastige jeugd van de energieke Wouters. Hij is de zoon van een meubelmaker-houtsculpteur, zijn eerste eigen creativiteit viert hij bot met beitel en schaaf in het atelier van zijn vader, met wie hij tot na zijn huwelijk een erg problematische verhouding heeft.

Nel

De achttienjarige Wouters gaat kunst studeren in Brussel en stort zich in het bohémienleven van de vroege twintigste eeuw. Met zijn gezonde provinciale uitstraling, blond haar, blauwe ogen, blozende wangen, fors figuur en spontane karakter valt hij op tussen zijn artistiekerige soortgenoten.

Hij leert de eigenzinnige, half gedomesticeerde en overtuigend sensuele Hélène “Nel” Duerinckx (1886-1971) kennen. Ze is dan zestien, Franstalig, uit Schaarbeek, en ze wordt zijn passionele liefde, muze, bondgenoot, sister in crime en enig model. Ze leren Frans en Nederlands van elkaar op het hoofdkussen. Na Riks dood trouwt Nel nog twee keer, ze blijft kinderloos.

Het hartstochtelijk maar ook problematisch verliefde koppel gaat samenwonen, trouwt in 1905, en betrekt verschillende povere adressen in Brussel, Mechelen, en uiteindelijk in de armoedige Bezemhoek in Bosvoorde, met zicht op het Zoniënwoud. De kleine vertrekken en het minuscule zolderatelier dwingen Wouters tot originele vogelperspectieven en boeiende lichtinvallen, zijn neo-impressionistisch-luministisch handelsmerk.

Broeierig Brussel

De strijd voor erkenning is bikkelhard. Maar Wouters leeft in een boeiende tijd. De pointillisten en James Ensor hebben hun revolutionaire werk gedaan, tientallen nieuwe kunstenaars staan klaar om te beeldenstormen. Het is de tijd van Les XX en La Libre Esthétique, Lenin zwerft doorheen Brussel.

Eric Min schetst weergaloos het bruisende Brusselse leven. Nagenoeg alle Belgische en een pak Franse kunstenaars die toen iets betekenden passeren de revue en krijgen een geloofwaardig portet. De dagelijkse armoede, de knagende honger, de kou, en tegelijk de levensvreugde halen virtuoos de bladzijden.

Al snel krijgt Wouters gezondheidsproblemen, een verontrustende hoofdpijn plaagt hem. Vermoedelijk liep hij die op door te lang in enge ruimtes te werken met terpentijn, goedkope chemicaliën en giftige verfverdunners. De arme artiest kan zich geen kwaliteit veroorloven.

WO I

Net als het beter gaat met Wouters, die zijn eerste grote tentoonstellingen met doenbare verkoop krijgt, en ook met de relatie tussen Rik en Nel, breekt de Eerste Wereldoorlog los. Wouters moet onder de wapens. Hij neemt deel aan een paar burleske en hopeloze veldslagen, deserteert tijdelijk maar niemand heeft het gemerkt, zo chaotisch gaat er het in het Belgische leger aan toe. Opnieuw chapeau voor Eric Min die visueel sterk de ellende van de oorlog oproept. De verschrikkelijke taferelen spelen zich overigens erg ver van de loopgraven in de Westhoek af.

Heelder pelotons Belgische soldaten komen in Nederland terecht, en worden daar gehuisvest in Zeist in een concentratiekamp van tochtige barakken, zonder enig comfort. Voor Rik is het moeilijkste dat zijn artistieke temperament geen uitweg vindt, en dat hij Nel maar sporadisch ziet. Frederik Van Eeden komt hem bezoeken, Cyriel Buysse neemt contact op.

Rik wordt opnieuw erg ziek. Uiteindelijk blijkt dat een voordeel want hij kan nu in de humanere omgeving van een ziekenhuis en in een Amsterdams appartement van de familie Nicolaas Beets verblijven.

Ziek en blind

Wouters heeft tumoren in zijn kaakholte, die bijna niet te behandelen blijken. Het is cynisch dat op dat moment zijn werk een definitieve doorbraak kent, met tentoonstellingen in de grote Nederlandse steden, in Edinburgh, Glasgow, Birmingham, Liverpool, Parijs, Madrid, Venetië. Vreemd genoeg blijft er weinig werk in de buurlanden hangen.

Eric Min evoceert Wouters’ laatste dagen in 1916 als een noodlotstragedie. Verdoving heeft geen vat op de patiënt, hij doorstaat de volle pijn van het kerven en snijden in zijn hoofd, het weghalen van een oog en van een deel van zijn gehemelte, de behandeling met radium. Uit het ziekenhuis sleept hij zich naar zijn expositie, waar hij uitgeput neerzijgt. Absoluut dieptepunt: Wouters verliest ook het zicht in zijn goede oog en krijgt zijn penseel niet meer juist op het karton. Eric Min zet het aangrijpend, ontroerend, emotioneel en toch beheerst op papier.

Parallel aan het beklijvende levensverhaal volgt Min de artistieke evolutie van Wouters, die altijd zichzelve blijft, een authentiek anti-snobistisch natuurtalent, een eerlijke kunstenaar, die totaal vernieuwend omgaat met licht en compositie, die zijn eigen impressionistisch constructivistisch fauvisme uitvindt. Hij is ook een perfectionist: drie jaar werkt hij aan zijn Zotte Geweld, het uitbundige bronzen beeld van Nel, dat u verwelkomt in het Middelheim-beeldenpark.

Gedetailleerd

Eric Min gaat weinig details uit de weg, geen ontmoeting, brief of kritiek blijft onbesproken. Hij put ook uit het indrukwekkende archief van Nel, die zelfs de kranten waaraan ze het palet van haar man afveegde spaart, en ook een roman schreef en een dagboek bijhield. In de soms wat plechtige stijl van Eric Min, die wel erg geschikt is voor de periode die hij behandelt, wordt de lectuur wel eens vermoeiend. Het is erg veel, maar het resultaat staat er: een exemplarisch krachtige, literair sterke, belangrijke kunstenaarsbiografie. Met bovendien prachtige foto’s. Ze zou eigenlijk snel in andere talen moeten verschijnen.

Lucas Vanclooster

[“Rik Wouters. Een biografie”  van Eric Min is uitgegeven bij De Bezige Bij Antwerpen, 2011

 

Luwteplekken in de stad

dscn8149Waar is het rustig in de stad? En wat zijn de kenmerken van de plekken waar we kunnen schuilen voor het lawaai en de drukte? Architect Geert Peymen en interieurarchitecte Pleuntje Jellema voerden twee jaar lang onderzoek, samen met studenten en wandelaars.

“Stil is het nergens in de stad,” steekt Geert Peymen van wal in Bonus (Radio 1). Enkel akoestiek als criterium nemen voor een rustige plaats heeft dus weinig zin. Hij spreekt daarom niet over stilte-, maar over luwteplek.

Luwte als de plek in de rivier achter een steen, waar de stroming geen vat op heeft.

Samen met studenten en wandelaars ging hij op pad in Gent en wist een aantal van die luwteplekken te vinden. Daarvoor gebruikten ze zes parameters: omsloten, poreus, betekenisvol, contrastrijk, relationeel en niet-toegeëigend.

Een belangrijk aspect om tot rust te komen is de mogelijkheid om afstand te kunnen nemen. Een omsloten plek, zoals het Drongenhofje in het Patershol, biedt bescherming, met gevels, muren, hagen of bomen. Terwijl we met Peymen staan te praten komt de plaatselijke kat tegen onze benen strijken. Tegelijk is zo’n plek niet helemaal afgesloten, maar poreus: de stad en haar geluiden dringen er in door. Vaak moet je als wandelaar door een poort of een andere doorgang, als een overgang van de drukke stad naar de luwteplek.

(Al dan niet religieuze) symbolen, natuurelementen of erfgoed brengen betekenis bij, blijkt uit een andere luwteplek, ‘Het rustpunt’, de schitterende binnentuin van de karmelieten in Gent. Ook contrast is van belang, bijvoorbeeld in de gebruikte materialen. In een park stap je over zandpaden, dat geeft een andere beleving dan kasseien of stoepstenen. Daarnaast kun je van een luwteplek in je eentje genieten, maar soms ook collectief. En liefst is zo’n plek ook neutraal, zonder al te nadrukkelijke aanwezigheid van religie, commercie of privé-inkijk.

Ga eens op je rug liggen

“Op onze wandelingen namen we een caféstoel mee op onze rug, om uit te vissen waar we zouden gaan zitten in de ruimte,” lacht Geert Peymen. Die het ook belangrijk vindt om af en toe eens te gaan liggen in de stad. “Dat geeft pas een ander perspectief!”

Het onderzoek en gelijknamige boek ‘De Luwteplek’ is een handig instrument voor beleidsmakers, organisaties maar ook burgers. Nu de stedelijke verdichting ons voor nieuwe uitdagingen stelt, vinden de onderzoekers, is het nog belangrijker om een stad op mensenmaat te ontwikkelen waar ruimte blijft voor stilte, rust en verstilling. Idealiter komt er zelfs een netwerk van verstillende plekken in de stad, verbonden door trage wegen en paden. “Vergelijk het met de fit-o-meter, indertijd,” zegt Geert Peymen.

Lees deze tekst ook op de redactie.be en beluister de reportage op Radio 1.

1116336370.jpg