Rik Wouters

Op 10 maart 2017 gaat een grote retrospectieve tentoonstelling met het werk van Rik Wouters open in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel. Enkele jaren geleden verscheen al een boeiende biografie van de schilder, door Eric Min. Lucas Vanclooster schreef de recensie voor Cobra.be.
e7240483df22105b6faf6fc7de859a6c.jpg
Kunstcriticus Eric Min heeft het definitieve boek over Rik Wouters geschreven. Het is ondenkbaar dat iemand nog meer en andere bronnen bij elkaar krijgt, over de euvele moed beschikt om al die documenten te doorploegen, laat staan er een even boeiend verhaal over te vertellen.

Tragisch kort, bezeten leven

Jarenlang hing in mijn flat een poster voorstellende “De strijkster” van Rik Wouters. Het heldere, vriendelijke tafereel hielp mij bij de uitvoering van die huiselijke taak. Ik streek met zicht op Nel, vrouw en muze van Wouters tijdens zijn tragische leven.

Wouters is geen 34 jaar geworden, heeft meer dan zijn deel van armoede, pijn en noodlot gekend, werkte als een bezetene, en liet 200 schilderijen, meer dan 1000 tekeningen en zoals Eric Min het noemt, een “leger van sculpturen” na.

De verklaring van een en ander start in de lastige jeugd van de energieke Wouters. Hij is de zoon van een meubelmaker-houtsculpteur, zijn eerste eigen creativiteit viert hij bot met beitel en schaaf in het atelier van zijn vader, met wie hij tot na zijn huwelijk een erg problematische verhouding heeft.

Nel

De achttienjarige Wouters gaat kunst studeren in Brussel en stort zich in het bohémienleven van de vroege twintigste eeuw. Met zijn gezonde provinciale uitstraling, blond haar, blauwe ogen, blozende wangen, fors figuur en spontane karakter valt hij op tussen zijn artistiekerige soortgenoten.

Hij leert de eigenzinnige, half gedomesticeerde en overtuigend sensuele Hélène “Nel” Duerinckx (1886-1971) kennen. Ze is dan zestien, Franstalig, uit Schaarbeek, en ze wordt zijn passionele liefde, muze, bondgenoot, sister in crime en enig model. Ze leren Frans en Nederlands van elkaar op het hoofdkussen. Na Riks dood trouwt Nel nog twee keer, ze blijft kinderloos.

Het hartstochtelijk maar ook problematisch verliefde koppel gaat samenwonen, trouwt in 1905, en betrekt verschillende povere adressen in Brussel, Mechelen, en uiteindelijk in de armoedige Bezemhoek in Bosvoorde, met zicht op het Zoniënwoud. De kleine vertrekken en het minuscule zolderatelier dwingen Wouters tot originele vogelperspectieven en boeiende lichtinvallen, zijn neo-impressionistisch-luministisch handelsmerk.

Broeierig Brussel

De strijd voor erkenning is bikkelhard. Maar Wouters leeft in een boeiende tijd. De pointillisten en James Ensor hebben hun revolutionaire werk gedaan, tientallen nieuwe kunstenaars staan klaar om te beeldenstormen. Het is de tijd van Les XX en La Libre Esthétique, Lenin zwerft doorheen Brussel.

Eric Min schetst weergaloos het bruisende Brusselse leven. Nagenoeg alle Belgische en een pak Franse kunstenaars die toen iets betekenden passeren de revue en krijgen een geloofwaardig portet. De dagelijkse armoede, de knagende honger, de kou, en tegelijk de levensvreugde halen virtuoos de bladzijden.

Al snel krijgt Wouters gezondheidsproblemen, een verontrustende hoofdpijn plaagt hem. Vermoedelijk liep hij die op door te lang in enge ruimtes te werken met terpentijn, goedkope chemicaliën en giftige verfverdunners. De arme artiest kan zich geen kwaliteit veroorloven.

WO I

Net als het beter gaat met Wouters, die zijn eerste grote tentoonstellingen met doenbare verkoop krijgt, en ook met de relatie tussen Rik en Nel, breekt de Eerste Wereldoorlog los. Wouters moet onder de wapens. Hij neemt deel aan een paar burleske en hopeloze veldslagen, deserteert tijdelijk maar niemand heeft het gemerkt, zo chaotisch gaat er het in het Belgische leger aan toe. Opnieuw chapeau voor Eric Min die visueel sterk de ellende van de oorlog oproept. De verschrikkelijke taferelen spelen zich overigens erg ver van de loopgraven in de Westhoek af.

Heelder pelotons Belgische soldaten komen in Nederland terecht, en worden daar gehuisvest in Zeist in een concentratiekamp van tochtige barakken, zonder enig comfort. Voor Rik is het moeilijkste dat zijn artistieke temperament geen uitweg vindt, en dat hij Nel maar sporadisch ziet. Frederik Van Eeden komt hem bezoeken, Cyriel Buysse neemt contact op.

Rik wordt opnieuw erg ziek. Uiteindelijk blijkt dat een voordeel want hij kan nu in de humanere omgeving van een ziekenhuis en in een Amsterdams appartement van de familie Nicolaas Beets verblijven.

Ziek en blind

Wouters heeft tumoren in zijn kaakholte, die bijna niet te behandelen blijken. Het is cynisch dat op dat moment zijn werk een definitieve doorbraak kent, met tentoonstellingen in de grote Nederlandse steden, in Edinburgh, Glasgow, Birmingham, Liverpool, Parijs, Madrid, Venetië. Vreemd genoeg blijft er weinig werk in de buurlanden hangen.

Eric Min evoceert Wouters’ laatste dagen in 1916 als een noodlotstragedie. Verdoving heeft geen vat op de patiënt, hij doorstaat de volle pijn van het kerven en snijden in zijn hoofd, het weghalen van een oog en van een deel van zijn gehemelte, de behandeling met radium. Uit het ziekenhuis sleept hij zich naar zijn expositie, waar hij uitgeput neerzijgt. Absoluut dieptepunt: Wouters verliest ook het zicht in zijn goede oog en krijgt zijn penseel niet meer juist op het karton. Eric Min zet het aangrijpend, ontroerend, emotioneel en toch beheerst op papier.

Parallel aan het beklijvende levensverhaal volgt Min de artistieke evolutie van Wouters, die altijd zichzelve blijft, een authentiek anti-snobistisch natuurtalent, een eerlijke kunstenaar, die totaal vernieuwend omgaat met licht en compositie, die zijn eigen impressionistisch constructivistisch fauvisme uitvindt. Hij is ook een perfectionist: drie jaar werkt hij aan zijn Zotte Geweld, het uitbundige bronzen beeld van Nel, dat u verwelkomt in het Middelheim-beeldenpark.

Gedetailleerd

Eric Min gaat weinig details uit de weg, geen ontmoeting, brief of kritiek blijft onbesproken. Hij put ook uit het indrukwekkende archief van Nel, die zelfs de kranten waaraan ze het palet van haar man afveegde spaart, en ook een roman schreef en een dagboek bijhield. In de soms wat plechtige stijl van Eric Min, die wel erg geschikt is voor de periode die hij behandelt, wordt de lectuur wel eens vermoeiend. Het is erg veel, maar het resultaat staat er: een exemplarisch krachtige, literair sterke, belangrijke kunstenaarsbiografie. Met bovendien prachtige foto’s. Ze zou eigenlijk snel in andere talen moeten verschijnen.

Lucas Vanclooster

[“Rik Wouters. Een biografie”  van Eric Min is uitgegeven bij De Bezige Bij Antwerpen, 2011

 

Luwteplekken in de stad

dscn8149Waar is het rustig in de stad? En wat zijn de kenmerken van de plekken waar we kunnen schuilen voor het lawaai en de drukte? Architect Geert Peymen en interieurarchitecte Pleuntje Jellema voerden twee jaar lang onderzoek, samen met studenten en wandelaars.

“Stil is het nergens in de stad,” steekt Geert Peymen van wal in Bonus (Radio 1). Enkel akoestiek als criterium nemen voor een rustige plaats heeft dus weinig zin. Hij spreekt daarom niet over stilte-, maar over luwteplek.

Luwte als de plek in de rivier achter een steen, waar de stroming geen vat op heeft.

Samen met studenten en wandelaars ging hij op pad in Gent en wist een aantal van die luwteplekken te vinden. Daarvoor gebruikten ze zes parameters: omsloten, poreus, betekenisvol, contrastrijk, relationeel en niet-toegeëigend.

Een belangrijk aspect om tot rust te komen is de mogelijkheid om afstand te kunnen nemen. Een omsloten plek, zoals het Drongenhofje in het Patershol, biedt bescherming, met gevels, muren, hagen of bomen. Terwijl we met Peymen staan te praten komt de plaatselijke kat tegen onze benen strijken. Tegelijk is zo’n plek niet helemaal afgesloten, maar poreus: de stad en haar geluiden dringen er in door. Vaak moet je als wandelaar door een poort of een andere doorgang, als een overgang van de drukke stad naar de luwteplek.

(Al dan niet religieuze) symbolen, natuurelementen of erfgoed brengen betekenis bij, blijkt uit een andere luwteplek, ‘Het rustpunt’, de schitterende binnentuin van de karmelieten in Gent. Ook contrast is van belang, bijvoorbeeld in de gebruikte materialen. In een park stap je over zandpaden, dat geeft een andere beleving dan kasseien of stoepstenen. Daarnaast kun je van een luwteplek in je eentje genieten, maar soms ook collectief. En liefst is zo’n plek ook neutraal, zonder al te nadrukkelijke aanwezigheid van religie, commercie of privé-inkijk.

Ga eens op je rug liggen

“Op onze wandelingen namen we een caféstoel mee op onze rug, om uit te vissen waar we zouden gaan zitten in de ruimte,” lacht Geert Peymen. Die het ook belangrijk vindt om af en toe eens te gaan liggen in de stad. “Dat geeft pas een ander perspectief!”

Het onderzoek en gelijknamige boek ‘De Luwteplek’ is een handig instrument voor beleidsmakers, organisaties maar ook burgers. Nu de stedelijke verdichting ons voor nieuwe uitdagingen stelt, vinden de onderzoekers, is het nog belangrijker om een stad op mensenmaat te ontwikkelen waar ruimte blijft voor stilte, rust en verstilling. Idealiter komt er zelfs een netwerk van verstillende plekken in de stad, verbonden door trage wegen en paden. “Vergelijk het met de fit-o-meter, indertijd,” zegt Geert Peymen.

Lees deze tekst ook op de redactie.be en beluister de reportage op Radio 1.

1116336370.jpg

Stilstaan bij een collectief trauma

Met de eerste verjaardag van de aanslagen van 22 maart in het verschiet worden her en der in het land herdenkingen voorbereid. “Bonus” (Radio 1) sprak met Kristin Verellen, die haar partner Johan Van Steen verloor in de metro van Maalbeek.
kv
Hoewel Kristin Verellen sinds de aanslagen “van dag tot dag leeft, omdat zoveel zekerheden zijn weggevallen”, kijkt ze toch met “open ogen en een open hart” naar 22 maart eerstkomend. Haar verjaardag, nota bene. “Het is zo belangrijk om stil te staan. Dat zijn we wat vergeten als samenleving. Als we dat op een symbolische, rituele manier doen, kan het stilstaan betekenis krijgen, en een nieuwe richting vrijmaken voor mens, familie en samenleving”.

Cirkels als rimpels in het water

Al op de avond van 22 maart 2016, nog voor ze zeker wist dat haar partner overleden was, hield Verellen een wake met familie en vrienden. Die groep breidde uit met vele anderen, mensen die rechtstreeks te maken hadden met de aanslagen, of die zich betrokken voelden. Op meer dan twintig plaatsen is intussen een ‘cirkel’ gehouden, een eenvoudige manier om in kleine groep, in een beschermde omgeving, gevoelens en gedachten te delen, van mens tot mens, “evenveel luisterend als sprekend”. Iedereen is welkom in zo’n open cirkel. Ook instellingen als de FOD mobiliteit of de VRT deden mee.

“Soms komen er mensen binnen met zware, heftige emoties. Vaak gaan ze lichter buiten, of is er een sterker besef van waar het echt op aankomt in het leven. Dat is iets magisch, iets ontzettend moois. Er gebeuren kleine wonderen in de cirkels,” zegt Kristin Verellen.

Het overstijgt ook het individu. “Onderschat wordt hoeveel mensen betrokken en getroffen zijn. De aanslagen hebben een diepe deuk geslagen in de samenleving. Je kan gerust van een collectief trauma spreken,” vindt Verellen.

De samenleving is een diepe wond toegebracht en is aan het verharden. De ‘cirkels’ bieden tegengif, en hun effect deint uit als rimpels in het water, als je er een steen in gooit. Intussen is er een organisatie uit gegroeid, We have the choice, die op en rond 22 maart verschillende stille herdenkingsmomenten plant, onder meer op Zaventem, in het metrostation van Maalbeek, en in de Ravensteingalerij, waar ook foto’s van Johan Van Steen zullen worden tentoongesteld.

Oproep tot verzoening

Opvallend toch, hoe verschillende nabestaanden geen wrok koesteren, maar net oproepen tot verdraagzaamheid en verzoening. Twee maanden na de aanslagen hield Verellen een opmerkelijke toespraak in het koninklijk paleis: “We hebben de keuze. Of we stappen in de neerwaartse spiraal van geweld die geweld oproept. Of in de opwaartse spiraal die liefde ontketent”. Denk ook aan de veel bekeken ‘jihad van liefde’ van Mohamed el Bachiri, die zijn vrouw Loubna verloor in Brussel.

Erkenning

Kristin Verellen heeft het moeilijk met het woord ‘slachtoffer’. Het creëert een bepaalde perceptie, en bemoeilijkt de relatie met anderen. “Wat we met de cirkels willen doen is net uit het slachtofferschap stappen, voorbij de tweedeling slachtoffer-dader. Het is daarom soms een innerlijk gevecht om voor je eigen rechten als getroffene op te komen”.

Iets wat Verellen overigens wel doet. Ook op Europees niveau ijvert ze voor erkenning en schadevergoeding. Overheid en bijvoorbeeld verzekeringsmaatschappijen laten steken vallen. Wie getroffen werd, moet zelf de eerste stap zetten, op zoek naar hulp en ondersteuning. Minister van Justitie Geens beloofde onlangs een speciaal statuut voor de slachtoffers. Maar er blijft nog heel veel werk aan de winkel. “Als zoiets nog eens gebeurt, hoe gaan we het dan aanpakken in dit versnipperde landje?” vraagt Kristin Verellen zich af.

 

Een foto van de gsm van Johan Van Steen, stilgevallen op 22 maart 2016 om 9:11 in de metro in Maalbeek.

Lees deze tekst ook op de redactie.be en op radio1.be

De muur van Laken

3a1fcc4c14d6a20d5979e9664fcce26e_c619743fb2f830f08e8a302e96ff9f9a0faeea2d
In het Brussels Parlement dient Groen een voorstel in om het Koninklijk Domein in Laken open te stellen voor het publiek. Ook SPA, Open VLD en N-VA zijn dat idee genegen.
Als in mei de Koninklijke Serres na drie weken dichtgaan, valt de poort weer in het slot. De rest van het lange jaar kijk je dan op zes kilometer muur rond het Koninklijk Domein, drie meter hoog, opgevrolijkt met prikkeldraad en camera’s. Een zeldzame keer klimt er toch een onverlaat over of rijdt er iemand een gat in met z’n auto. De muur slingert langs het Chinees Paviljoen en de Japanse Toren, en als je langs het kanaal naar Vilvoorde fietst dan zie je niets, niets dan muur van de Laken- tot de Van Praetbrug. Op een punt kun je een prieelachtig vervallen gebouwtje onderscheiden, geflankeerd door een eerbiedwaardige oude ceder. Naar de grote, wondere wereld daarachter hebben we het raden. Naar het schijnt gaat de koning joggen in zijn ommuurde hof.

In de pas

Gewone stervelingen zoals ik mogen enkel in de serres komen. Dat doe ik bijna elke lente, ‘comme il faut’, door het royale hek. Het is een prettige wandeling langs groepjes enorme rode beuken, de ware masten van het park, en een hele mooie linde. De graspartijen met bosschages en narcissen lonken, maar je mag de Paadjes Niet Verlaten. Op elke hoek staat een agent. Op bezoek bij de koning is verdwalen of opzettelijk verkeerd lopen geen optie. Er zijn zelfs geen shortcuts zoals in de Ikea.

laeken-serre

Eén miljoen liter mazout

De Oranjerie is het oudste deel van de serres, een zotternij van voor de geboorte van België, van de Nederlandse koning Willem I. De collectie sinaasappel- en mandarijnbomen en camelia’s is wereldvermaard en eeuwenoud. Het was natuurlijk Leopold II, de Bob de Bouwer van de Belgische monarchie, die er de rest van de Glazen Stad aan toevoegde, getekend door Alphonse Balat, leraar van Victor Horta. Een kathedraal van staal en glas, met koepels, kamers en gangen, die perfect de palmen en de reuzenvarens weerspiegelde die er in wortelen.

De serres zijn een plantaardige bonbondoos waarin alles precies en ‘toevallig’ bloeit in april en mei. Een ideale florale wereld zonder dorre bladeren, schimmel of ongedierte.

Ecologisch kun je de folly van Leopold II niet noemen. De serres verwarmen kost 800.000 liter stookolie per jaar, met het kasteel erbij een miljoen liter. 1.000.000 liter mazout! Eindelijk, eindelijk zijn er nu concrete plannen om de warmte van de afvalverbrandingsoven van Neder-over-Heembeek richting Laken te pompen.

“De mooiste en gunstigste plek van Brussel”

Sinds een jaar of tien leidt de wandeling van serre naar serre ook eventjes naar buiten, in open lucht. Daar ontvouwt zich een vista, zoals er maar weinig bestaan in Brussel: glooiend gazon, in de verte een half afgebroken zuil en een lusthof-terras, machtige bomenpartijen, vijvers. Daarachter de skyline van Brussel, en iets meer in de voorgrond de donkere Japanse Toren.

Eind 18de eeuw kocht de Oostenrijkse landvoogdes dit stuk grond “op de mooiste en gunstigste plek in de omgeving van Brussel, waar we een huis bouwden en een mooie tuin in Engelse stijl aanlegden”, schreef haar echtgenoot in zijn memoires. De ontwerper was niemand minder dan Lancelot ‘Capability’ Brown, de uitvinder van de Engelse landschapstuin, die ook in Kew Gardens werkte of rond Blenheim Palace, waar het wiegje van Churchill stond. Een visioniair die inschatte hoe eiken en vijvers er over tien generaties zouden uitzien.

Open tuinen

Hoezeer de grassige hellingen ook uitnodigen om de leden te strekken, kinderen en ouders mogen er enkel naar kijken, drie schamele weken per jaar. Hoe zou het er in oktober uitzien? Daar zou ik een moord voor begaan. De vijftig tinten rood en bruin zijn vast adembenemend. Eens hoorde ik een moeder tegen haar kinderen zeggen: “Kijk maar eens goed, hier betalen wij allemaal voor.”

Toen Vaclav Havel president van Tsjechoslovakije werd in 1989 zette hij de poorten van de koninklijke tuinen rond de Burcht van Praag wijd open voor het publiek. In Noorwegen is iedereen welkom in het Paleispark in Oslo. Ter gelegenheid van 25-jarig jubileum van de huidige koning is het park nog heraangelegd en opgewaardeerd, ten bate van de gemeenschap.

Wordt het geen tijd om dat ook met het Koninklijk Domein in Laken te doen? Voor mijn part af en toe, of elk weekend, met geleide wandelingen, maar ook open middagen waarop ik van de hellingen mag rennen en alle joekels van bomen in de uithoeken van het domein mag verkennen. Er is zelfs een koninklijk stationnetje (zie foto hier onder). Stel je voor dat ik hier met de trein heen kan.

station.png

Het Koninklijk Domein van Laken is eigendom van de staat – via de Regie der Gebouwen en de Koninklijke Schenking. Koning Filip en koningin Mathilde hebben dan wel een kroostrijk gezin, maar dat Koninklijk Domein is ruim bemeten: een kleine 200 hectaren. Plaats zat voor iedereen die van rust en ruimte houdt. We zullen elkaar niet in de weg lopen.

De Britse erfgoedorganisatie National Trust heeft als motto: ‘For Ever, For Everyone’. De National Trust heeft trouwens veel adellijke domeinen in beheer en stelt die open, zelfs al wonen de eigenaars er nog. Soms is één plus één echt gewoon twee. Zo’n reuzegroene long in Brussel, vlak naast dichtbevolkte woonwijken? Tear down these walls, sire.

(herwerkte tekst van 2013, ook te lezen op deredactie.be en in het Frans op DaarDaar)

Rijk en ziek op de Toverberg

In Davos in Zwitserland verzamelt de internationale elite voor het jaarlijkse World Economic Forum. Zelfs de Chinese president is van de partij. Davos oefent al een paar eeuwen een bijzondere aantrekkingskracht uit op de -al dan niet aan tuberculose lijdende- high society. Het was ook de setting van ‘De Toverberg ‘ van Thomas Mann en van de film ‘Youth’ van Paolo Sorrentino.

De Slechte Russentafel

“In het hartje van de zomer reisde er een eenvoudig jongmens van zijn vaderstad Hamburg naar Davos-Platz in het Graubündense land. Hij was van plan er drie weken te blijven”. Zo begint de magistrale roman ‘De Toverberg’ van NobelprijswinnaarThomas Mann. Hoofdpersonage Hans Castorp bezoekt zijn neef in een kuuroord voor longpatiënten, en o wat vermeide auteur Mann zich in de beschrijvingen van dat berghospitaal en de internationale mensentuin die daar de gezonde lucht en elkaars gezelschap op kwam zoeken.

Van de liberaal Settembrini tot de marxistische jezuïet Naphta, van de Nederlander Peeperkorn over madame Chauchat uit Dagestan tot de Goede Russen- en de Slechte Russentafel.  Er werd gedineerd en gediscussieerd, gekaart en gemusiceerd, gewandeld, er waren spiritistische seances en met pijnlijke precisie noteerden doktoren en verpleegsters de  gezondheidsparameters van hun patiënten in een logboek. Want de meeste hotelgasten waren wel degelijk doodziek.

Lijken per bobslee naar beneden

Thomas Mann kende het goed. Zijn vrouw Katia leed aan tuberculose en kuurde langdurig in het Waldhotel in Davos. Ze was er één van de eerste patiënten in 1912. Mann bezocht haar en gebruikte ook hun uitgebreide correspondentie als basis voor ‘De Toverberg’. Het Waldhotel bestaat nog altijd; er loopt een Thomas Mann-wandelpad naar een naburig etablissement. Citaat uit de Toverberg: “Het allerhoogst ligt sanatorium Schatzalp, daar achter, je kunt het niet zien. ’s Winters moeten die hun lijken per bobslee omlaag transporteren, want de wegen zijn dan onbegaanbaar.” Ook Schatzalp is er nog; de tijd is blijven stilstaan op de art-decoterrassen en in de belle époque-eetzaal. Recent werd daar de melancholische film ‘Youth’ met krasse knarren Harvey Keitel en Michael Caine gedraaid, met als thema het vlietende leven.

Ligkuur

Er bestaan prangende zwart-witfoto’s van dik induffelde teringlijders die op een zonnig terras van de Alpenlucht genieten, bedolven onder dekens. Een ‘Liegekur’ was deel van hun strikte dagelijke routine. “Dus jullie liggen bij nacht en ontij op het balkon?”, is een van de eerste vragen van Castorp. Het dieet bestond uit veel rood vlees en melk.

Tuberculose, zo schrijft Susan Sontag in ‘Illness as metaphor’, was een symbolische ziekte voor de 19de en begin-20ste-eeuwer, “het was onbeleefd om met smaak te eten en glamoureus om er ziekelijk uit te zien”. Modieus of niet, tbc richtte wel een ravage aan, ook onder kunstenaars en schrijvers. Kafka, Van Ostaijen, Orwell, … google eens op ‘writers and tbc’. Je wordt daar stil van.

Happy few

Berglucht is goed voor zieke longen. Al sinds 1897 is er een Nederlands Astma Centrum in Davos, en het bestaat nog altijd, 1700 meter boven de zeespiegel, zonder fijn stof, smog of pollen. Hoewel de ziekteverzekeraars het stilaan te duur vinden. Uitbehandelde astmapatiënten die nu willen kuren, moeten strootje trekken: de enen kunnen terecht in Davos, de anderen in … Hilversum. Het was trouwens een Nederlandse zakenman, Holsboer, die eind 19de eeuw meerdere kuuroorden uit de grond stampte in Davos en zelfs een smalspoorlijntje aanlegde om er te geraken. De sanatoria bleven op volle toeren draaien en trokken een internationaal publiek tot net na de Tweede Wereldoorlog.  Toen werd streptomycine ontdekt, als antibioticum voor de mycobacterium tuberculosis en dat veegde alle alternatieve therapieën voor tbc van de kaart.

Maar wie goed in de slappe was zat, bleef naar de Zwitserse Alpen komen, voor de rust en de dennengeur, en om te skiën in de “weidse vergezichten op de fantasmagorisch torenende spitsen, toppen en kammen van het hooggebergte”, zoals Mann jubelend schreef. In de jaren dertig en veertig vonden overigens ook nazi’s hun weg naar Davos, in het neutrale Zwitserland.

De echte wereld

Dezer dagen hokken 3000 eenentwintigste-eeuwse hotemetoten samen in de sneeuw van Davos. The rich, famous, smart en royal. De Chinese president en de Vlaamse minister-president. Maurice Lippens niet. In De Morgen vond hij Davos iets voor flierefluiters. Maar de meeste aspirant-bobo’s zouden een arm en een been geven om erbij te zijn.

Wat ik me afvraag: zou er één van die 3000 dikke legumen eens De Toverberg ter hand nemen? En lezen tot het eind, als Hans Castorp niet na drie weken, maar na zeven jaren (!) weer van de berg afkomt en per trein recht de Eerste Wereldoorlog inrijdt? Een front dat Thomas Mann schildert als een apocalyptisch doek van Jeroen Bosch.  Dat zou nogal wat zijn, die 3000 netwerkers die vanuit hun luxueuze sneeuwbol de wereld inskiën.

De echte wereld waarin tbc trager afneemt dan gepland. Tegen 2030 willen de VN de ziekte nagenoeg de wereld uit, maar er blijven hardnekkige haarden bestaan, in India, Pakistan, Indonesië, Nigeria, Zuid-Afrika… Anno 2017 is tbc een armeluizenziekte. Bovendien zijn sommige gevallen resistent tegen medicijnen. In de armste landen moet het geld om zieken te behandelen nog altijd van buitenlandse donoren komen. En onderzoek naar vaccins en remedies blijft ernstig ondergefinancieerd. Komaan, Davospelgrims, ga eens rond met de hoed daarboven.

Lees deze tekst ook op deredactie.be.

Een radicaal positief jaar

Hoe vreemd, de zuilen van de Beurs in Brussel zijn omwikkeld met kerstlampjes. Drie seizoenen geleden stonden de kaarsjes op de koude grond. Het was een jaar met een rouwrand. Maar ook met lichtjes.

Maalbeek. Zaventem. Nice. Bagdad. Aleppo. Berlijn. Brexit. Trump. Een jaar om moedeloos van te worden, met misselijkmakend geweld, verdriet, haat, ongeloof, walging, schrik en beven. Maar mogelijk ook een jaar om te sublimeren en te transformeren in iets radicaal anders en beters.

De profundis

Antoine Leiris verloor zijn vriendin Hélène in de Bataclan in Parijs. Twee dagen na de aanslag zette hij een brief op Facebook: “Vous n’aurez pas ma haine”.  Ik zal niet met woede reageren op haat, beloofde de kersverse vader.  “Vous voulez que j’ai peur, que je regarde mes concitoyens avec un oeil méfiant, que je sacrifie ma liberté pour la sécurité. Perdu. Même joueur joue encore”. De brief werd dit jaar een boek, met dezelfde titel. Een verslag van de rauwste rouw die hij doormaakt met zijn zoontje. Aarzelend en moedig, maar zonder haat.

“We hebben de keuze,” sprak Kristin Verellen twee maanden na de aanslagen in Brussel, waarbij haar partner Johan om het leven kwam. “Of we stappen in de neerwaartse spiraal van geweld die geweld oproept. Of in de opwaartse spiraal van geweld die liefde ontketent. Liefde die alles overstijgt.” Mohamed El Bachiri, die zijn vrouw Loubna verloor in Brussel, heeft het over een ‘jihad van liefde, die de omhelzing zoekt om de vlammen van de wrok te doven’.

Vanuit het lijden van direct getroffen mensen, de profundis, klonk in 2016 een dwingende oproep om geen toeschouwer meer te zijn, niet lijdzaam te ondergaan. Keep calm and carry on? Hm, tot op zekere hoogte heeft onze Belgische nuchterheid wel geholpen om niet door te schieten in de angstige kramp. Alles went, zelfs het dagelijkse duo para’s aan de ingang van je station. Maar tegelijk voel je aan je kleine teen dat het tijd is voor verandering.  Als we doen wat we altijd hebben gedaan, krijgen we meer van hetzelfde.

Kiezen voor vrede

Midden september zaten tientallen mensen in stilte samen op het Muntplein in Brussel. Een open gezelschap. Wie dat wilde kon er –eventjes, of langere tijd- aan meedoen. De stilte zinderde en zoemde. Silence for peace, troost en solidariteit in een gewonde stad. Het was een bijzonder experiment.

Sinds de aanslagen komen op verschillende plaatsen mensen samen in ‘Cirkels’, een initiatief van Kristin Verellen. Slachtoffers, nabestaanden, hulpverleners, iedereen die zich betrokken voelt. In een weldadige stilte krijgen verdriet en twijfel de ruimte. De verbondenheid zindert en zoemt. Weer die troost door solidariteit, als tegengif voor angst en stress.

Vrede werkt niet op afroep en valt ook niet uit de lucht. Komt niet uit de loop van een geweer, niet van een wettekst in het parlement. “La paix ça s’apprend” is de mening van advocaat en therapeut Thomas d’Ansembourg en auteur David Van Reybrouck in een gelijknamig boekje. Verbeter de wereld, begin met jezelf, in de oude woorden van Bond zonder Naam.

De auteurs maken een dappere sprong van buiten naar binnen, van samenleving naar individu. Innerlijke rust is het begin van goed burgerschap, van een maatschappij in balans. Mindfulness, compassietraining, opleidingen geweldloze en verbindende communicatie: het valt te leren, zoals fietsen, koken of foto’s bewerken. Het zou de gewoonste zaak van de wereld moeten worden in de drukke school, op het prestatiezieke werk, tussen de onverschillig kauwende kaken van de media.

Klinkt wollig? Bisounours, met een mooi Frans woord? Het is het tegenovergestelde. Het is met twee voeten in de modder van het dagelijkse leven staan, en weten dat de mens géén wolf is voor een ander. Als apen empathie betonen, zoals Frans de Waal heeft aangetoond, dan kunnen wij dat ook. Nog een voorbeeld: politiek filosoof Bleri Lleshi schreef dit jaar een boek over de liefdessamenleving. Kleine cirkels, dunne boekjes, een tekst links, een lied rechts.

Zegeningen tellen

Ik zie het als steentjes in de donkere vijver van 2016, met almaar meer rimpelingen. Het gebeurt onder de radar, zonder camera’s en microfoons. Maar het gebeurt. En het is radicaal, in de ware betekenis van het woord radix: aan de wortel, fundamenteel.

Is het krachtig genoeg tegen verbaal opbod, het grote gelijk, radicalisering, terreur? Het is een begin, een stille poging om elkaar weer te vertrouwen – het ware cement van menselijk samenleven. Optimisme is geen morele plicht. Maar cynisme ook niet, bij Toutatis!

Op het eind van een jaar als dit helpt het om je zegeningen te tellen. Toen ik laatst in goed gezelschap  in een cafeetje op de taalgrens zat, hadden we geen zin om een boom omver te zagen over o tempora o mores en het einde van de wereld. We probeerden tien maatschappelijke kwesties te vinden die er merkelijk op waren vooruitgegaan, de laatste jaren. Te beginnen met het rookverbod op de plek waar we zaten. We kwamen verbazend makkelijk aan tien. ’t Is nog ol nie no de wuppe.

Lees deze tekst ook op deredactie.be