Stilte is van niemand en voor iedereen

De twee minuten stilte op de Dodenherdenking begin mei zijn “heilig” voor de Nederlanders. Maar actievoerders dreigden met groot lawijt, om aandacht te vragen voor de slachtoffers van de Nederlandse kolonisatie.

Er kwam in Nederland een rechter aan te pas om de twee stille minuten tijdens de Dodenherdenking op 4 mei te vrijwaren. De avond van 4 mei is bijzonder; dan worden de Nederlandse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en andere conflicten herdacht. Dat gebeurt al 73 jaar volgens een strak scenario, in aanwezigheid van het koningspaar. Nadat de klok van de Nieuwe Kerk acht keer heeft geslagen volgen twee volle minuten indrukwekkende stilte op de volgepakte Dam in Amsterdam.

Het actiecomité “Geen 4 mei voor mij” heeft daar bezwaren tegen; de tegenstanders noemen de plechtigheid hypocriet en racistisch. De slachtoffers van het Nederlandse leger na de bevrijding in Nederlands-Indië (toen nog een Nederlandse kolonie) worden namelijk niet herdacht.

“Geen 4 mei voor mij” wilde tijdens de stilte van de Dodenherdenking letterlijk kabaal maken. Of als het moest zelfs een luchtalarm laten afgaan, om in oorlogssfeer te blijven. Nou moe! De rechter verbood de actie; de tegenstanders zagen er uiteindelijk van af. Ze zijn wel tevreden dat “de beerput is geopend” en het onderwerp nu op de kaart staat.

Er vallen gewichtige woorden over twee minuten stilte. De burgemeester van Amsterdam beschouwt de Dodenherdenking als een “heilig moment” en het organisatiecomité wilde niet praten met de actievoerders “omdat die zich buiten het maatschappelijk debat plaatsen”. Opnieuw: nou moe!

De Dodenherdenking lijkt het volgende heilige huisje waarvan onverlaten de ruiten ingooien. Links en rechts vliegen elkaar weer eens een keer naar de strot met termen als politiek correct, lange tenen, geschiedvervalsing, traditie, cultuur, identiteit, koloniale erfenis, witte kramp … Ik hoor het koor aanzwellen als in een opera van Wagner. Of is dat de Koningin Elisabethwedstrijd voor zang?

Stilte, ruimte en tijd delen heeft grote verbindende betekenis.

Mij treft vooral hoe stilte en lawaai opgeëist kunnen worden. Een minuut stilte kennen we als een gedeeld moment van respect. Op een openbare plek samen stil zijn en stil staan betekent wel wat. Na de aanslagen van 22 maart in Brussel en Zaventem, na àlle aanslagen, zie je mensen geschokt en bouche bée samentroepen op de plaats des onheils, om een bloem neer te leggen, een kaars te branden.

Helaas moet er nog al te vaak eerst iets heel ergs gebeuren. Een mooi voorbeeld van positieve stilte zijn de publieke sit-ins van “Silence for Peace” in Brussel, Antwerpen en andere steden. Zonder aanleiding, maar met des te meer betekenis: samen stilvallen in de wereld, verbinding zoeken en hopelijk ook uitstralen.

Het is goed als ook de overheid daar gelegenheid toe biedt. Zo’n “officiële” stilte lijkt neutraal, als een soort seculier gebed. Maar het is een dubbeltje op zijn kant. Als ik onder de Menenpoort in Ieper de stilte hoor waarin de Last Post verdwijnt, dan beneemt me dat nog altijd de adem. Maar als ik mijn ogen opendoe en de vele militaire uniformen zie, dan snap ik ook waarom Unesco dit (nog) niet als (neutraal) Werelderfgoed erkent. Om de balans te herstellen ga ik steevast ook naar het Duitse Soldatenfriedhof in Vladslo, om stil te zijn in het gezelschap van de gebroken vader en moeder van Käthe Kollwitz.

Als de stilte politiek geclaimd wordt of zelfs heilig verklaard, dan is er weinig ruimte voor gefluister in de marge.

De stilte van de Dodenherdenking in Amsterdam is wel erg geregisseerd, geritualiseerd en misschien ook gebetonneerd. Als het machthebbers zijn die beslissen wie, waar, wanneer en waarom stil moet zijn, dan komt er vroeg of laat een ogenblik waarop die stilte ter discussie staat.

Ik ben fan van stilte. In een (soort van) ideale definitie: stilte als vrijplaats om open te staan voor de buitenwereld en ruimte te scheppen om te reflecteren. Als ik dat samen met anderen kan beleven, des te beter. Hoe meer zielen, hoe meer stilte.

Maar ik ben me ook bewust van de problematische kant. Van Dale geeft bijvoorbeeld vooral negatieve definities van stilte: eigenschap van zonder beweging te zijn; toestand dat het niet of weinig waait, dat niemand geluid maakt, dat er niet gesproken wordt, afwezigheid van verkeer, vertier… Voor veel slachtoffers mag het net wat meer waaien, zeker als de stilte van bovenaf wordt opgelegd.

“Silence encourages the tormentor, never the tormented,” zei de nazi-jager Elie Wiesel, toen hij de Nobelprijs voor de Vrede kreeg. Je leest het in de woordenschat: slachtoffers worden monddood gemaakt, wandaden doodgezwegen, potjes gedekt. Als stilte onderdrukt, dan is spreken – of schreeuwen – natuurlijk bevrijdend: inspraak krijgen, gehoord worden, een stem hebben. Eindelijk! MeToo! In die zin zijn stilte en lawaai politiek. “Who gets to make a noise and who doesn’t, who gets their voice heard and who doesn’t, who gets to listen and who doesn’t is of crucial importance,” schrijft David Hendy in zijn boek “Noise”.

In Nederland wilde “Geen 4 mei voor mij” lawaai maken tijdens een stille minuut, maar het kan ook omgekeerd. Tijdens de demonstraties in Turkije tegen de ontruiming van een centraal plein bleef eerst één choreograaf stil staan, en later vele anderen met hem. Een jaar nadat een storm over Pukkelpop raasde, vroeg zangeres Skunk Anansie om allemaal samen 20 seconden veel kabaal te maken, uit eerbied voor de slachtoffers.

Respect kan stil of luid zijn. Wat telt is de intentie en de aandacht. En dat is zeldzaam in de swipende wereld.

Hoe los je dat nu op in Nederland? Tja, tegelijk stil zijn en lawaai maken kan natuurlijk niet. Maar de lawaaimakers hebben wel een punt dat zelfs officiële stille minuten niet in stenen tafelen gebeiteld zijn. Discussie is goed, “de herrie brengt ons verder”, zegt Ilse Raaijmakers, die een boek publiceerde over de Dodenherdenking met de veelzeggende titel “De stilte en de storm”.

Wellicht is het tijd om herdenkingen te her-denken met nieuwe vormen en gedachten. Ik zou het fijn vinden als dat in stilte blijft gebeuren. Ik denk aan de vierdaagse tocht Ijzer 2018 waarbij ik vorige maand een stukje meefietste. Dichters hielden letterlijk halt in de berm. Ze lazen eigen gedichten en verzen van 100 jaar geleden voor, zowel van Vlaamse frontsoldaten, Britse war poets als van “den Duits” of van een Indiase dichter. We vielen daar met z’n allen voortdurend stil in de Westhoek. En dat zal me nog lang heugen.

In mijn ideale wereld is stilte een vrijplaats, politiek niet te claimen, inclusief, een ruimte die de tegenstellingen overstijgt, niet verkaveld, van niemand en voor iedereen. You may say I’m a dreamer, but I’m not the only one.

 

LEES OOK

Advertenties

Het eeuwig jonge meisje van Egtved

d1cc77f6-37fe-11e8-ac85-6cb82dfe780cZe werd in 1921 door een Deense boer gevonden in een uitgeholde eikenstam, een boom die geveld werd in 1370 voor onze tijdrekening. Een meisje van een jaar of zestien uit de bronstijd. Haar geraamte was er niet meer, wel veel lang haar met een froufrou, tanden, vinger­nagels en een wonderlijke uitdossing: een wollen blotebuiktrui met korte mouwen, een bronzen buikplaat versierd met spiralen, een doorkijkrokje van touwfranje. De resten liggen nu in het Nationaal Museum in Kopenhagen.

Het meisje van Egtved komt ter sprake in het boek Over oude wegen van Mathijs Deen. Archeologen zijn verrukt over wat ze ons vertelt over haar tijd, cultuur en handelsroutes. Ze is geen individu meer, ze is deel van een groter geheel. Ze is van de aarde en de aarde is van haar. Letterlijk.

DNA is niet aangetroffen, maar wel iets anders. Strontiumisotopen van de plekken waar ze verbleven en gegeten heeft, zijn als gps-coördinaten opgeslagen in haar resten. Met de nieuwste technologie is ontdekt dat ze helemaal niet van Denemarken was, dit nationaal symboolmeisje. Ze heeft gereisd, en hoe! Via die isotopen in haar tanden weten we dat ze wellicht opgroeide in het Zwarte Woud, en de chemie in haar haren vertelt centimeter per centimeter dat ze de laatste twee jaar van haar korte leven over grote afstanden heen en weer reisde. Ze was een vreemdeling, een trekvogel, een transmigrant. Net zo beweeglijk en traceerbaar als een wolf met een chip.

Had ze iets te maken met de handel in koper, tin, barnsteen? Trouwde ze als ‘Duitse’ met een ‘Deen’? Was ze een zonnepriesteres, een danseres? Waarom werd ze met zoveel egards begraven in haar eik? Ze had een koperen armband om. Er lagen een kam en een vaatje bier bij haar, voor in het hiernamaals.

Wie was het meisje van Egtved? Haar naam, karakter, stem, gedachten, dromen, pijn, vreugde, littekens, positie in de groep: fascinerend hoe die individuele kenmerken zijn weggedreven in de rivier van de tijd, 3.500 jaar ver. En toch is er een draad gespannen. Wij zijn van dezelfde soort. We geven onze voormoeders en -vaders namen: Lucy of Ötzi. We boetseren een replica van de man van Spy.

Het meisje van Egtved spreekt tot de verbeelding: google eens en je vindt talrijke meiden uitgedost in haar sexy kleren. Nu ik erover nadenk, drakenkoningin Daenerys in Game of Thrones frequenteert blijkbaar dezelfde boetiek. Arte zond vorig jaar een documentaire uit met een levend meisje van Egtved, dat als een dappere Katniss Everdeen in The Hunger Games door woeste landschappen loopt. Om zich schoon te stomen kruipt ze in een zweethut. Iets wat ik ook weleens heb gedaan. Wat trekt me aan? Gelijkenis of verschil?

Ze kon niet telefoneren, maar wel reizen. Ze dronk geen latte ­macchiato, maar keek naar dezelfde maan.

Er is geen tekst, alleen de materie vertelt ons iets. Dingen zijn belangrijk. ‘Ze getuigen eerder van hele gemeenschappen en gecompliceerde processen dan van afzonderlijke gebeurtenissen’, zei Neil MacGregor van het British Museum, toen hij de geschiedenis vertelde in honderd voorwerpen. Wetenschappelijk onderzoek is cruciaal, maar je moet ook je verbeelding gebruiken en, waarom niet, je emoties beluisteren. Ik vind het verhaal van het meisje troostend en relativerend tegelijk.

Rond mijn nek draag ik een stukje barnsteen, het goud van het noorden uit de streek waar het meisje van Egtved begraven werd, de kostbaarste handelswaar van haar streek. Straks wordt het zomer en bloeit het duizendblad. Een takje van die bloem zat in haar eiken kist. Ze hoeft niet te verrijzen, laat haar maar tot me spreken in symbolen en mysteries, het meisje van Egtved, zo oud als mijn dochter. Ze hoeft niet te verrijzen, want ze is er nog, opgegaan in Moeder Aarde.

Kristien Bonneure is VRT-journalist. In de rubriek De verrijzenis zoeken we elke dag van de paasvakantie een goede reden om iemand uit de dood te laten opstaan.

Lees ook op De Standaard.

You know nothing

wallpaper-stark-sigil-1600

Het zevende, voorlaatste seizoen van Game of Thrones komt eraan. Wereldwijd houden miljoenen kijkers de adem in. Zal drakenmoeder Daenerys Targaryen haar sublieme derrière op de Ijzeren Troon vlijen? Game of Thrones is behalve spannend, bloederig en mooi ook een superieur patchwork van geschiedenis en mythologie.

Offer eens je kind

Vijfde seizoen, aflevering negen. De intelligente prinses Shireen, tienerdochter van Stannis Baratheon, komt op een ijzingwekkende manier op de brandstapel aan haar vroegtijdige einde. Ze wordt geofferd door haar eigenste vader en moeder, in de hoop de krijgskansen te keren. De kwade genius die hen dit had ingefluisterd was een priesteres van een nieuw geloof in een ‘Heer van het Licht’.

Een leider die zijn dochter vermoordt om de goden gunstig te stemmen? Waar ligt mijn boek met Griekse mythen? Koning Agamemnon wou zijn dochter Iphigenia slachten. Hij had een gunstige wind nodig om zijn oorlogsvloot naar Troje te blazen. Iphigenia werd op het nippertje gered door de godin Artemis. Shireen helaas niet. Dat nieuwe geloof in de Heer van het Licht uit Game of Thrones lijkt trouwens verdacht veel op de leer van Zarathustra, met zoroastrische vuurtempels om de zon als scheppende energie te aanbidden. Of is die ene Heer van het Licht misschien Jezus Christus?

Religie in Game of Thrones: er is voor elk wat wils. Sommigen geloven in oude goden, in bomen. Anderen in één God met zeven archetypische verschijningsvormen (moeder, vader, meisje, oud besje, krijger, smid, vreemdeling). Er lopen extremisten rond die ‘een god met vele gezichten’ als excuus gebruiken om op bestelling mensen uit de weg te ruimen. De ‘Mussen’ kun je vergelijken met fanatieke Taliban of IS’ers.

En er zijn vrolijke vrijdenkers. Dwerg Tyrion Lannister, de briljantste vuilgebekte van de bende, verzucht op zeker moment:  ‘The Lord of Light wants his enemies burned. The Drowned God wants them drowned. Why are all the gods such vicious cunts? Where is the god of tits and wine?’

Shakespeare revisited

Eén aflevering Game of Thrones maken kost bijna tien miljoen euro, en moet dus opbrengen. Met miljoenen kijkers in meer dan honderd landen zal dat wel lukken. Acteur Peter De Graef uitte de vrees dat GoT Shakespeare zou vervangen in deze commerciële tijden. Vervangen niet, aanvullen zeker wel, heruitvinden zelfs! Kijk door alle zwaardgekletter en van het scherm druppend bloed heen en je vindt à volonté verwijzingen naar echte geschiedenis en mythologie.

Game of Thrones is gebaseerd op de boeken van George R. R. Martin (‘A Song of Ice and Fire’). Net als Shakespeare haalt hij tonnen mosterd bij de Rozenoorlogen. Lannisters en Starks: dat zijn natuurlijk de Lancasters en Yorks die om de Engelse troon vochten in de tweede helft van de 15de eeuw. De Lancasters voerden een rode roos in het vaandel, de Yorks een witte. In Game of Thrones duikt de gouden roos op als zegel van het onfortuinlijke huis Tyrell.  Veel personages worden gelinkt aan Shakespearehelden. Koning Robert Baratheon is een soort wining and dining Falstaff uit Hendrik IV en de Merry Wives of Windsor. De lepe opportunistische intrigant Petyr Bailish zien sommigen als een nieuwe Iago, de überslechterik uit Othello.

Beroemde bitches

Nog meer geschiedenis?  Harde tante Cersei Lannister lijkt gemodelleerd naar andere machtige historische vrouwen: de complotterende en wellicht ook incest bedrijvende Lucrezia Borgia, de ambitieuze Anne Boleyn, de slimme politica Catherine de Medici. De optelsom macht +  geen al te vriendelijk karakter spreekt tot de verbeelding: zulke vrouwen raken met het stempel ‘beroemde bitch’ in de geschiedenisboeken. En mannen? Joffrey Lannister en Ramsay Bolton zijn sadistische wreedzakken van het type Vlad de Spietser of Caligula.  Nog meer portrettering: Tywin Lannister zou Edward I zijn, Sansa Stark Elisabeth van York, de moeder van Hendrik VIII. Massa’s historische vergelijkingen, educated guesses eigenlijk, vind je op het internet.

De ‘Red Wedding’, waarbij meerdere Stark-protagonisten in de valstrik van een feestelijk huwelijk lopen, om vervolgens brutaal de keel te worden overgesneden – terwijl een strijkje op het balkon een omineus lied over wraak ten gehore brengt –  is volgens auteur Martin zelf geïnspireerd op twee vergelijkbare slachtpartijen tussen Schotse clans, de ‘Black Dinner’ uit 1440 en de ‘Massacre of Glencoe’ uit 1692. Het leek gastvrijheid, maar het was verraad, zo rot als een wormstekige mispel.

De Muur

De monumentale muur van ijs, die de zeven koninkrijken beschermt tegen Wildlings en White Walkers in het noorden, is te vergelijken met andere historische muren, ooit opgetrokken tegen ‘barbaren’. De Muur van Hadrianus markeerde de grens van het Romeinse rijk in huidig Schotland. Er waren trouwens burchten op gebouwd, net als die van de Night’s Watch. De Chinese Muur moest aanvallen van nomadische volkeren tegenhouden. Ik moet bij The Wall ook altijd aan de Israëlische muur op de westelijke Jordaanoever denken. Of aan die waar Trump van droomt.

De Ironborn kun je bekijken als Vikings; de Dothraki als nomadische Mongolen of Hunnen, de Wildlings als native Americans, gepakt op hun eigen grond. De tempels van Meereen lijken piramides uit Egypte; de arenagevechten met slaven en dieren komen recht uit het Romeinse rijk.

Bachelor in Games of Thrones

Aan verschillende Amerikaanse universiteiten wordt al geschiedenisles gegeven over de tv-reeks en de boeken. De prestige-unief Harvard biedt de cursus ‘The Real Game of Thrones: From Modern Myths to Medieval Models’ aan, een ‘onderzoek hoe de reeks de Euraziatische middeleeuwse geschiedenis tussen 400 en 1500 echoot en aanpast, maar ook vervormt.’ Gedoceerd door proffen middeleeuwse en religieuze geschiedenis en oud-Duits. Als ik leraar was in ’t middelbaar: ik zou het wel weten! Uit elke historische periode vallen er parallellen te trekken met gebeurtenissen uit de reeks.

De Roze Ridder

Fascinatie voor ridders is daarenboven van alle tijden. Ontelbaar zijn de culturele variaties op het thema van Koning Arthur en de Ridders van de Ronde Tafel, van Wagner tot Monty Python’s ‘Knights who say Ni’. Tolkien, Braveheart, Blackadder, de Elegast, Lego Nexo Knights, wijlen het Land van Ooit waar de Zwarte Ridder-stuntman écht aan zijn einde kwam bij een steekspel … In stripvorm: de Koene Ridder, Ridder Bauknecht of de Rode Ridder die aan het vervellen is tot Red Rider, met een motor tussen zijn dijen in plaats van een paard.

In ‘Buiten de Zone’ speelde de piepjonge Mathias Sercu een charmante Roze Ridder, die de belagers van een edeldame over de kling joeg met de onsterfelijke woorden: ‘wat zijn dat nu voor manieren!’ Fijn om te zien dat er ook in Game of Thrones enkele homoseksuele ridders rondlopen. Helaas boeten ze danig voor hun geaardheid.  Ook in de hedendaagse kunst is het ridderthema present. Jan Fabre is er dol op. Hij is één van de kunstenaars in de expo The Artist/Knight die deze zomer te zien is in het kasteel van Gaasbeek.

Winter is coming

Maar terug naar Game of Thrones. ‘You know nothing’, herhaalt Ygritte steeds weer tegen haar geliefde Jon Snow – dat koppel bood overigens een pakkend Romeo en Juliaverhaal-in-het-verhaal, ook al weer Shakespeare!

‘You know nothing.’ Laat dat een aansporing zijn om wat meer te lezen over de historische, culturele en mythologische verwijzingen in GoT. Maar vooral ook om te genieten van verhaallijnen als krankzinnige schaakpartijen, zalige acteurs, glasscherpe dialogen,  somptueuze decors en kostuums,  majestueuze landschappen in Noord-Ierland of Kroatië, ontroerend mooie muziek. Dit is geschiedenis én theater én opera én cinema. ’t Is putje zomer, maar … winter is coming.

 

Kristien Bonneure. Lees deze tekst ook op deredactie.be.

Na dit artikel gooit u uw smartphone weg en stapt u over op de telegraaf

De iPhone vierde zijn tiende verjaardag. Cultuurjournalist Lucas Vanclooster,“een onversneden melancholicus”, doet het al tien jaar zonder en is daar niet rouwig om.  

 

Het gebeurde in de tijd dat nog maar weinigen een smartphone hadden. Ik zat op de tram, volgestouwd met scholieren, het was woensdagmiddag. Ik vroeg mij af waarom ik toch altijd op woensdagmiddag in een voertuig van de MIVB terechtkwam. Gelukkig had ik een zitplaats gevonden. Mijn blik dwaalde af naar de jonge vrouw naast mij. Ze had een nieuwsoortig object in de handen, een scherm zonder knoppen of toetsen. “Je dois faire pipi”, las ik op het scherm.

Het deed mij denken aan heel lang geleden. Ik wandelde door een avondlijke laat-middeleeuwse stad. Mijn aandacht werd getrokken door een aanhoudend gedruis en geronk boven mij. Het was een vliegtuigje, dat een hele lichtshow met zich meezeulde, een soort digitale banier. Met wat moeite kon ik de lichtgevende gekleurde letters ontcijferen: “Koop vis bij Pieters”. Ergens in de stad hing er nog een vooroorlogse vergeten muurschildering: “Koopt al uw visch alleenlijk bij Pieters”.

 

Oude wijn in plastic zakken

Als ik het goed heb, zijn er nog twee andere mensen op de redactie zonder smartphone. Ik behoor tot de oudsten. Het is niet zo dat ik dat echt heb beslist uit een soort neo-ludditische afkeer van moderne technologie.

Of dat ik in een omgekeerd snobistische beweging de nieuwe media verguis. Het gebeurde gewoon. Niemand heeft mij hier ooit een I-device opgedrongen, laat staan een toestel à point aangeboden met opleiding voor dummies.

Enkele jaren geleden was er een algemene introductie, met slideshow. Slechts enkelen in de zaal hadden al zo’n toestel in de hand. Na een paar slides haakten sommigen af. Ik als eerste. Sindsdien gebruik ik nog altijd, quasi probleemloos, mijn oude Nokia.

Die is eens van twee etages hoog op de keien gevallen. Toen ik ‘m opraapte, werkte hij nog perfect. Mijn 94-jarige schoonvader heeft een bejaarden-gsm. Ik snak naar mijn pensioen onder meer om zo’n ding te mogen gebruiken. Misschien bestaan er tegen dan smartphones voor bejaarden.

De oude man en zijn kinderen

Voor mijn part doet iedereen wat hij of zij niet laten kan. Ik indoctrineer mijn kinderen niet, noch ideologisch, cultureel of qua communicatietechnologie. Ze zijn 19 en 16 jaar, en gebruiken een gamma toestellen waarvan ik niet eens weet wat het is. Soms roepen ze van beneden naar boven, waar ik in mijn papieren archief rommel: “Hé, oude man, kijk eens of mijn iPod op mijn bed ligt. Ik weet niet welk van de 6 of 7 toestellen ze bedoelen. Welke kleur heeft dat?”, vraag ik dan.

 

Eerlijk, ik ben erg gelukkig dat zij goed overweg kunnen met wat dit tijdsgewricht technologisch te bieden heeft. Toen mijn zoon als 12-jarige een gsm kreeg van zijn meter, dacht ik: “Ai ai ai, nu moet ik uitleggen hoe dat werkt, dat is mijn verantwoordelijkheid als vader.”

Niets van, hij leerde alles bliksemsnel aan zichzelf, en kon mij een paar dagen later al helpen als mijn gsm even niet meteen gehoorzaamde. Hij heeft mij ook leren sms’en (tot rond 2010 stond ik bekend als de man die lege sms’en als antwoord stuurde) en gps’en. Daar ongeveer eindigde mijn bevattingsvermogen.

Technologische indigestie

Bladert u wel eens in een tijdschrift uit de jaren 80? Moet u eens doen, en let vooral op de reclame voor toen nieuwe computersystemen. Van al die hypermoderne systeempjes, en de bijbehorende woordenschat, is weinig overgebleven. Een voordeel van niet elke trend achterna hollen, is dat je veel onnodige vaardigheden niet aanleert en niet hoeft te deleten.

Wat een systemen er in de journalistiek al niet weer verdwenen zijn….blackberry, mojo, glensound. Gelukkig heb ik dat allemaal nooit geleerd. Maar als ik achterom kijk, hoef ik mij als technologische half-analfabeet niet te schamen om wat ik mij wel allemaal eigen heb gemaakt.

 

Ik zou die duimschuivers met bijna vergroeide iPhone eens een wiel van een hydropneumatische auto willen zien vervangen, of in de weer zijn met Nagra-bandopnemers, 16mm-camera’s en projectoren, Barco-televisies, reportofonen, VHS en super 8-apparatuur en van die relieken. Kijk mensen, mijn technologische kwabben zitten vol. OK?

 

Genetisch bepaald

Zoals alles heeft het uiteraard te maken met de kindertijd. Sinterklaas bracht mij nooit een gereedschapskistje. Ik was 10 toen de eerste televisie in mijn leven verscheen. Alleen vader mocht die manipuleren. Hetzelfde gebeurde enkele jaren later met de eerste cassetterecorder en platenspeler. Trouwens, als ik aan die toestellen zat, ging er altijd iets stuk. Ik kreeg de indruk dat het noodlot allerlei apparaten gebruikte om mij hoogstpersoonlijk te kwellen. Ik gaf mij over.

Het is maar hier op de redactie, 23 jaar geleden, dat de legendarische schoolmeesterachtige (in de goede betekenis van het woord) Herman Henderickx mij inwijdde in de wereld van de computer en de gsm. Zijn pedagogische truc was om zijn leerlingen alleen aan te bieden wat ze nodig hadden.

Mondriaan

Daarom, als ik een iPhone zou aanvaarden, dan moet het er zo een van het Mondriaan-principe zijn, met lego-blokjes per toepassing. Geen apps op het scherm, maar een helder en overzichtelijk opbouwsysteem. Moet kunnen in dit Mondriaan-jaar.

Waarom trouwens zijn die smartphones, en nog erger, tablets, zo banaal qua design, zo plat en glad en grijs en vederlicht. En om dat saaie te compenseren dan een onnozel fluo-hoesje errond. Komaan zeg. Steek alles toch eens in het kleurrijke-vlakjespatroon van de Nederlandse grootmeester!

Dimmen Bill Gates

Ik roep de pioniers van de moderne technologie op om nu eens een jaar te stoppen met die voortdurende innovaties, het volstaat nu voor een tijd. Werk eerst aan betrouwbare gebruiksvriendelijke toestellen. Doe een inhaalbeweging die voor iedereen toegankelijk is.

Na de welvaartskloof kwam er een informatie-ravijn. Bewerkstellig dat iedereen mee is, ook de inwoners van Afrika en Bangladesh, de onhandigen en bejaarden. Er bestaat een menstruatie-cyclus-app, vernam ik onlangs. Wel, maak die ook toegankelijk voor alle meisjes en vrouwen in Venezuela en Birma. En zoek daarna nieuwe snufjes en appjes.

Het schijnt overigens dat een smartphone na een paar jaar hopeloos defect of totaal verouderd is. Denkt u wel eens aan de ouderwetse voetafdruk van al die verspilling?

Vooruit dan maar, wat heb ik ertegen?

Aargh die vuile schermen vol vettige vingers. Gaan er nooit meer af. Bij een tablet is dat nog erger. De bacteriën verkneukelen zich zichtbaar. En die dwaze scroll-bewegingen. Mijn vingers, geërfd van mijn grootvader die zelfstandig metselaar was, zijn overigens te dik, al die spullen lijken wel bedoeld voor een nieuw type in de menselijke evolutie, de uomo smartophonicus met slanke secretaressevingertjes.

Als ik zo iemand zie lopen met in de ene hand een opengeslagen laptop, en met de andere scrollend, hoop ik altijd op een theatrale valpartij of botsing onder soortgenoten. Met alleen blikschade uiteraard.

Die toestellen zijn ook helemaal niet nodig om steeds bereikbaar te wezen, voor zover dat een wenselijke evolutie zou zijn. Mijn gsm heb ik voortdurend op zak.

Thuis en op het werk staat de computer meestal op, ik beschik op beide plekken ook over een klassieke telefoon. Als reserve hebben we thuis een toestel met draaischijf. Om 797 204 te vormen.

Want je wordt gecontroleerd

Opmerkelijk hoe visionair de Vlaamse punk en cold- en dark wavegroepen uit mijn jonge jaren waren. “Je wordt gecontroleerd”, schreeuwden de Brassers. De Antwerpse Kommeniste hadden een nummer dat Telefoon heette, “wonder van techniek”.

En “Art of Conversation”, een meesterwerk van Red Zebra, ging over “new communication” die het normale contact tussen mensen verstoorde. Waar hadden zij het over? Over de iPhone die nog een kwart eeuw op zich zou laten wachten! Profetische kerels waren ze, Peter Slabbynck in het bijzonder.

Niemand kan mij van mijn geloof afbrengen dat smartphone en tutti quanti bedoeld zijn om mensen weg te houden van waar het echt om gaat. Mijn kinderen lezen niet, klaagde ik eens bij mijn eminente ex-collega Johan Janssens. “Het is teken dat ze iets beters te doen hebben”, zei die begrijpende, verstandige man.

Maar nu denk ik dat hij toch fout zat: Het is teken dat ze iets makkelijkers te doen hebben. Met de smartphone verdwijnt het laatste restje inspanning uit het leven. Smartphone in de klas? Ga weg zeg. Leer de kinderen toch eens wat ze nog niet weten, open deuren en ramen!

Zelfrijdende smartphone

De zelfrijdende auto is het ultieme bewijs. Het zijn niet de autoconstructeurs die streven naar die nieuwe mobiliteit. Voor een groot deel is dat uiteraard omdat die sector aartsconservatief is. Juist, maar toch. De pioniers van de zelfrijdende wagen zijn Google, Apple, Facebook, batterijenfabrikant Tesla en anderen in Silicon Valley. Waarom? Omdat het hen goed uitkomt dat we te allen tijde overal connected zijn. Ook op weg, aan wat in het verre verleden “het stuurwiel” was.

En zo worden we onafgebroken bestookt met gepersonaliseerde reclame, weet iedereen, ook de overheid en het bedrijfsleven, altijd waar we wat uitvreten. En met wie! Leuk hé?

Verzet u!!

Geachte lezer, relativeer aub eens de smartphone. Vraag u af wat daar achter zit, wat de bedoeling is, wie er rijk van wordt. Laat u niet gek maken door de commerciële bakerpraatjes van de geradicaliseerde onliners als zou iedereen nu informatie betrekken via smartphone en tablet.

Uit onafhankelijk ernstig academisch onderzoek blijkt dat een overgrote meerderheid van alvast de Vlaamse bevolking informatie verwerft langs de traditionele kanalen, en dat daar niet veel beweging in zit. Daar is niks mis mee. En wie de indrukwekkende nadelen van online-shoppen nu nog niet inziet, is ter kwader trouw. Of heet Zalando Vanderbolpuntcom.

Nog een belangrijk voordeel voor de iPhone-lozen: u blijft helemaal in het ongewisse over die verachtelijke hoop bagger die de nieuwe media overspoelt, en de ellendige beledigingen van allerlei tuig bereiken u niet.

“Ik hoor geen geluidje”, zei Guus Flater glimlachend met forse oorverwarmers op zijn hoofd terwijl Kwabbernoot en Demesmaeker tegen hem stonden te schreeuwen. Tenslotte, dierbare landgenoten, relativeer uzelve. Wat hebt u in godsnaam de hele tijd te communiceren? Que tu dois faire pipi?

Lucas Vanclooster. Lees deze tekst ook op deredactie.be

Culturele misdaad tegen de mensheid

De verwoesting door terreurgroep IS van de Al-Nuri-moskee in Mosul vormt helaas alleen maar een voorlopig dieptepunt in de strijd van fanatieke ideologieën tegen ons aller cultureel erfgoed. Dat de Al-Nuri, gebouwd in 1172, tegelijk de Sint-Pietersbasiliek en de toren van Pisa van het kalifaat is, maakt de dynamitering van het architecturale meesterwerk nog onbegrijpelijker. IS mag nog zo beweren dat de luchtmacht van de westerse coalitie de prachtige moskee en de scheve minaret heeft gebombardeerd, filmpjes van de instorting bewijzen dat de explosie professioneel van binnenuit is uitgevoerd. Maar waarom doet IS dat?

We moeten ons er wel voor hoeden om bij “verwoesting van erfgoed” allemaal onze neuzen in de richting van extremistische moslimbewegingen te draaien. IS doet hard zijn best in de kaalslag van het allermooiste waartoe de mens in staat was, maar ook het Westen heeft meer dan een bijrol gespeeld. Godsdiensten en heilsleren waren daarbij beslissend.

Heinrich Heine

In India hebben Moghul-moslims en fanatieke hindoes om beurt elkaars heiligdommen gesloopt om er op diezelfde plek eigen gebedshuizen op te trekken. Dat leidde en leidt nog tot bloedige rellen. Christelijke veroveraars hebben op zowat alle continenten, om te beginnen in Europa zelf, geroofd, geplunderd, gesloopt en ingepalmd.

De protestantse beeldenstorm was precies wat het woord laat vermoeden. Ook honderden uitzonderlijk prachtige brandglasramen gingen tijdens de geuzentijd aan diggelen. Scherven brachten geen geluk.

Fascisme en stalinisme deden hun deel in het wegschoffelen van cultuur, niet alleen gebouwen en beeldende kunst, maar ook bibliotheken, inhoud incluis. De visionaire Heinrich Heine had lang daarvoor voorspeld: waar men boeken verbrandt, branden ook snel mensen. De nazi-boekenbrandstapels voorspelden de concentratiekampen. En misschien ook de niets ontziende bombardementen op historische Duitse cultuursteden, Dresden onder meer, door de geallieerden. Nadat uiteraard het Duitse leger, tijdens de twee wereldoorlogen, moedwillig tientallen kastelen had platgelegd, van Coucy in Picardië tot in Grimbergen en Vilvoorde.

Stalin en Horta

In zijn bijzonder goed gedocumenteerde semi-historische Sovjet-romans beschrijft Tom Rob Smith pijnlijk exact hoe de KGB rond 1950 orthodoxe kerken opblies. Maar past de destructie van het modernistische DDR-Volkspalast in het verenigde Berlijn, om het te vervangen door een waardeloze suikertaart-replica van een keizerlijk paleis, niet in hetzelfde rijtje? Uiteraard wel, en we bereiken hier zelfs de kern van de zaak: met de verwoesting van het Volkspalast gaf het nieuwe Duitsland een beledigende klap aan de gewezen Oost-Duitsers. Nu was de DDR echt definitief dood.

De oorlog van vastgoedmakelaars en speculanten tegen erfgoed, enkel en alleen voor eigen gewin, hoort ook in die categorie. In Brussel is het Volkshuis van Horta al in 1966 gesloopt, aan zee verdwenen de prachtige sanatoria van architect Lucien Engels onder de sloophamers.

In ons land duurt die strijd tot nu voort. Nog maar 2 jaar geleden ging het prachtige Wanson-fabrieksgebouw in Machelen volstrekt zinledig voor de bijl. Wie zonder zonde is, werpe de eerste…euhm…wat ook alweer?

Bamyan en Palmyra

De moeizame dynamitering van de reusachtige Boeddha-beelden in Bamyan in Afghanistan in 2001 door de taliban vormde een keerpunt. Precies omdat het niet meteen lukte, en de taliban de moderne beeldmedia van die tijd ontdekt hadden, deed de langzame foltering van de monumentale kunstwerken erg veel pijn. Het motief voor de verwoesting hebben we sindsdien tot brakens toe voortdurend opnieuw gehoord: het waren afgodsbeelden, blasfemische voorstellingen die ingingen tegen God en het enige ware geloof.

De oplaaiende vete tussen diverse fracties van de islam, nogal vergelijkbaar met de reformatieperiode in Europa, net nu 5 eeuwen geleden, gaf barbaarse verwoesters nieuwe inspiratie, zoals criminele losers in een kromgetrokken religie argumenten voor terreur en moord vinden. Om de anderen lekker te pijnigen en te vernederen, komt alles snel op YouTube en andere kanalen. Palmyra was een schrijnend voorbeeld. Daar vond de verwoesting in afleveringen plaats, met cliffhangers. Niet alleen de infrastructuur, ook honderden voorhistorische voorwerpen sneuvelden. In Mali hadden lokale afgeleiden van Al Qaeda weinig moeite om de kwetsbare islamitische mausolea en lemen moskeeën te slopen.

Baal en Sjamasj

De lijst is intussen eindeloos. Vorig jaar gingen de archeologische sites van Nimrud en Khorsabad in Irak voor de bijl. In de omgeving van Mosul vielen alle christelijke en jezidische kerken en abdijen ten prooi aan het soennitische terreurgeweld.

Relieken van nog oudere religieuze beschavingen, zoals de Bel-tempel, toegewijd aan de god Baal, zijn evenmin veilig. Hetzelfde lot ondervond de 1750 jaar oude tempel van de zonnegod Sjamasj in Hatra en een pak Assyrische kunstschatten. In Syrië ging het christelijke klooster Mar-Elian in Al-Qaryatayn verloren. De slopers namen er het mozaïekenmuseum van Maarat-al-Noomane in één moeite bij. De stad Busra Sham had prachtige ruïnes, nu alleen nog stoffige stenen.

Waarom?

Fundamentalistische bewegingen en regimes willen geschiedenis schrijven. Dat doen ze door al het vorige te verwijderen, zodat het ooit moet lijken alsof de mensheid met hen, met hun duizendjarig rijk, of kalifaat begon. Alsof zij de universele bakermat vormen, het begin der tijden. Dat ze zelf meestal stijl-, humor- en cultuurloos zijn, vergemakkelijkt de uitroeiing van de geschiedenis. Soms ook grijpen tirannen naar een denkbeeldig groots verleden, dat ze willen laten herleven, door alles tussen toen en nu te verwijderen. Alsof er een directe band bestaat tussen dat glorieuze tijdperk en de miserabele leeghoofdigheid nu.

God wil het. Het Boek eist het.

De werkelijkheid is dat IS en andere terroristische bewegingen en regimes zich nergens ook maar iets van aantrekken, en lak hebben aan virtueel alles. Ze wentelen zich ook graag in een slachtofferrol, in het martelaarschap. Soms proberen ze de schuld af te wentelen op de goddeloze vijand, de ketter, de heiden. Maar als puntje bij paaltje komt, hoeft zelfs dat niet. Als Hitler had gekund, zou hij tijdens zijn laatste dagen vanuit zijn bunker heel Duitsland met alles erop en eraan hebben laten ‘verschwinden’. Want het Duitse volk had hem en de eigen cultuur, zoals hij die zag, verraden.
Mogelijk hanteert IS in Mosul dezelfde logica. Termen als verraad en lafheid zijn bij islamistische fundamentalisten schering en inslag. En daar staan de zwaarste straffen op. Eventueel de zelfvernietiging. God wil het. Het Boek eist het. De grote leider is ontgoocheld, boos en triest.

Cultuur kan ons redden

Toch nog altijd beter om oude gebouwen te verwoesten, dan nieuwe ziekenhuizen en mensen, hoor je wel eens. ’t Zijn maar stenen, waar ligt het verschil, hier of daar in Palma…hoe heet het alweer? Feit is dat de verwoesting van mensen en cultuur samen gaat. Herinner je Heinrich Heine.

Wie geen respect heeft voor het mooiste meest artistieke wat de mens heeft verwezenlijkt, ontziet die mens zelf ook niet. Of de natuur. Wie de Al-Nuri van de aardbodem laat verdwijnen, vermoordt ook elk individu dat daar 800 jaar geleden aan meewerkte en het al die tijd in goede staat doorgaf aan volgende generaties. Die meedogenloze leiders verwoesten cultuur omdat die altijd kiemen van verzet bevat. Als ze alle kunst en architectuur hebben platgeslagen, lijken ze zelf reuzen. Als ze elke herinnering verdrinken, zijn zij pioniers.

De verwoesters van cultureel erfgoed plegen misdaden tegen de mensheid en moeten om die reden voor de allerhoogste internationale rechtbanken verschijnen, en zware straffen krijgen. Onderwijs en media moeten inzetten op cultuur en geschiedenis. We hebben het niet geweten, of wat kan het mij schelen, mogen nooit argumenten worden om barbarisme te vergoelijken.

Lucas Vanclooster. Lees deze tekst ook op deredactie.be

Adieu hydropneumatique

De Franse autofabrikant Citroën heeft de productie van wagens met een hydropneumatische vering stopgezet. Volgens Lucas Vanclooster is dat zonder meer het einde van een tijdperk. In deze analyse doet hij het verhaal van de “hydropneumatique” uit de doeken; of volgens Wikipedia, “the self-levelling automobile”.
.

Bestond dat systeem dan nog? Het is een vraag die ik de voorbije dagen verschillende keren hoorde toen ik meedeelde dat Citroën afscheid nam van de hydropneumatische vering. Ja het bestond nog, tot vorige week. Toen rolde in de fabriek in Rennes in Bretagne nagenoeg onopgemerkt de laatste C5 van de band. Die C5 tweede generatie was geen populaire of emblematische auto, het hydraulisch systeem, dat intussen Hydractive 3 Plus heette, zat alleen op de zowat 4000 euro duurdere Exclusive en XTR versies, en het meest zichtbare kenmerk, dat de auto na gebruik op zijn buik ging liggen, en bij het starten van de motor overeind kwam, had Citroën al danig beperkt.

Paul Magès

Het hydropneumatische systeem is een idee van Paul Magès, qua opleiding een eenvoudige monteur bij Citroën, maar een onverschrokken man met verbeelding. Begin jaren 50 van de vorige eeuw, toen Citroën hard werkte aan de nieuwe DS, die de legendarische Traction uit 1934 moest opvolgen, vroeg Magès zich af of je een auto helemaal kon laten draaien op een buizen-systeem met olie en gas onder hoge druk, met pompjes en membranen om het evenwicht te bewaren.

Magès mocht zijn systeem uitproberen op de 15H, de duurste versie van de Traction, een auto die toen qua design totaal verouderd, maar met zijn zelfdragende constructie en voorwielaandrijving technisch nog altijd modern was. De 15H kreeg eerst remmen bediend door een gas-olie-druk-systeem, in 1954 ook een achtervering zonder veren of schokbrekers, maar met een hydraulische stabilisator. Pientere autojournalisten die ongeduldig wachtten op die aangekondigde nieuwe Citroën hadden door dat die vreemde innovaties op een antiek model te maken moesten hebben met wat komen zou.

La Déesse

De DS19 was de revelatie van het Parijse autosalon van oktober 1955. Nooit was er bij een auto een zo harmonische eenheid van vooruitstrevende architectuur en revolutionaire techniek. Bij de DS geen veren en schokdempers. Ook de schijfremmen werkten op het systeem, en zelfs de halfautomatische versnellingspook roeide in de olie. Dat was het eerste element dat Citroën na een paar jaar opgaf. Als het bedrijf Paul Magès zijn zin had laten doen, dan werkten ook de zijruiten, de verwarming en de afstelling van de stoelen oleopneumatisch.

Onder de DS en zijn opvolgers zat een hele extra-infrastructuur met buizen, leidingen, pompen en voorraadtanks, 2 tot 7, afhankelijk van het type. Daarin staken olie en gas, gescheiden door een membraan. De olie heette “LHM, liquide hydraulique minéral”. Die hele constructie moest de auto stabiel houden, door voortdurend olie te pompen naar het wiel dat een schok of put of welke hindernis dan ook te verwerken kreeg. De pompjes vlakbij de olie- en gastanks achter de motor maakten een mooi geruststellend reutelend geluid. Als ik destijds met mijn DS halt hield voor mijn woning, wist mijn vrouw dat ik daar was, dankzij dat typische tikkend geronk. Het gaf de auto iets van een levend wezen met een ademhaling.

Olé Oleo!

 

Zeker op de vele kasseisteenwegen die er tot eind jaren 60 nog bestonden, moest de oléopneumatique hard werken; op gladde Franse Routes Nationales liet hij het voertuig zwevend en zacht deinend vorderen, met dat typische onbeschrijflijk ontspannen megacomfortabel gevoel dat rijden met de DS, later met de goedkopere ID 19, of met de CX, SM, XM en C6 kenmerkte. Ik heb in mijn beroepsleven met van alles gereden, tot Mercedes S en BMW 7 toe, maar niets geen enkele wagen evenaart het relaxed rijplezier van een oléochevron.

Het meest zichtbare kenmerk was dat een Citroën na gedane arbeid echt ging rusten in liggende houding, en na de start weer de hogere rij-positie innam. Ooit stond ik in een overzetboot met mijn D Super 5 uit de vroege jaren 70 achter een GSA. Toen de chauffeur voor mij en ikzelve de motor tegelijk startten om uit de boot te rijden, kwamen de 2 wagens precies synchroon parallel omhoog. Poëtisch mooi.

In die tijd gebruikten nogal wat gangsters een DS. Bij een bankoverval moest er dan wel iemand de motor draaiende houden om snel weg te scheuren met de buit. Starten, en wachten tot het voertuig de rijpositie innam, zou een beslissend tijdverlies betekenen. Ik heb het altijd vreemd gevonden dat er voor zover ik weet geen detectiveverhalen verschenen, waarbij een moordenaar zich verraadt door bijvoorbeeld te beweren dat hij nog maar net thuis is, terwijl zijn DS of CX al plat op de grond ligt, of omgekeerd.

Xantia

Op het vlak van veiligheid was de DS zijn tijd decennia vooruit. Gecombineerd met een krachtige weliswaar bandenverslijtende voorwielaandrijving, echt onafhankelijke wielen en schijfremmen, bediend door een ultra-directe voetknop in de plaats van een pedaal, had de wagen een uitzonderlijke wegligging en stabiliteit. De break-versies van de DS en CX waren populair bij ambulancediensten en cameraploegen.

Een DS kan rijden op drie wielen. Tenminste als een achterwiel ontbreekt. Zie YouTube. De legende wil dat president De Gaulle een paar keer aan de dood is ontsnapt bij een aanslag omdat een DS met platgeschoten banden toch met volle snelheid weg scheerde. En je hoefde bij bandenpech de auto niet op te vijzelen. Met een vaste krik en een hendel naast het koppelingspedaal kon je de wagen zijn wielen laten intrekken of uitrekken, om een wiel te verwijderen of te bevestigen. Heerlijk toch.

Het systeem werd integraal toegepast tot en met de Xantia, vanaf 1994. Geen enkele auto doorstond de zogenoemde eland-test beter dan de Xantia. Vanaf de eerste generatie van de opvolger C5 moest Citroën van eigenaar PSA, Peugeot dus, beknibbelen, en bij de tweede versie vanaf 2008 nog meer. Alleen de vering was nog hydraulisch.

Vloeken en sakkeren

Maar als het allemaal zo fantastisch was, waarom stopt Citroën er dan mee? Wel vooreerst veranderen de modes en de wensen van de consumenten, terwijl de wegen verbeteren. De erg zachte vering is uit de mode, automobilisten willen niet meer zweven als op een vliegend tapijt, zoals in een Amerikaanse slee of een DS of CX. De laatste C5 Hydractive Drie Plus had al een sportieve versie van het concept. Mensen verkiezen al een tijd een hardere Duitse vering die beter laat aanvoelen wat er op de weg gebeurt.

Fragiel

Citroën dringt ook niet aan omdat het na ruim 60 jaar nog altijd een dure, complexe, broze techniek is. Elke Citroën-rijder die toch enkele honderdduizenden kilometer aflegt, heeft het zeker meegemaakt dat het systeem het begaf. En dan sta je of beter lig je daar, plat ter aarde, machteloos als een insect op zijn rug, want niets functioneert nog. Takelen en herstellen vallen duur uit. Ik kan er verdraaid over mee spreken.

Het heeft 10 jaar geduurd voor het concept op punt stond. Vroeger lieten Franse constructeurs hun klanten de kinderziekten van een nieuw model ervaren. Het was beter om, als je dolgraag een verleidelijke pas verschenen 205 of BX wilde, een paar jaar te wachten, tot na de eerste aanpassingen. Bij de DS was dat tot 1965.

Vraatzuchtige olie

Bij de eerste versies vrat de rode chemische olie het hele buizencomplex van binnenuit op. In de jaren 50 en 60 zag je onder een DS vaak een rode plas. Sommige garagisten wilden niet dat je met een lekkende DS hun pand binnenreed, en ze hielden altijd stukken karton of vodden klaar om onder je incontinente kar te leggen.

In 1965 vonden de ingenieurs eindelijk de juiste legering voor de leidingen, en de goede half-natuurlijke samenstelling van de intussen groene (en dure) olie. Daarom zijn de DS’en uit de periode 1965-68 op de markt van ancêtres de beste investering. De fundamentalistische Citro-snob houdt minder van de versie vanaf 1969 met dubbele koplampen, waarvan er 2 meedraaiden in de bochten, onder plexiglas.

De ULB, de Franstalige vrijzinnige universiteit van Brussel, wilde in de tweede helft van de jaren 50 haar progressieve instelling onderstrepen door de rector, vice-rector, decanen en anderen met een DS te laten rijden. Ze waren van de eerste DS-rijders in ons land. Maar de wagens stonden nog niet op punt. Als ze startten, kwam soms alleen de linker- of rechterkant omhoog, of de achtersteven… Mais enfin.

Et maintenant?

 

De Hydractive Drie Plus is dood, leve de Aircross Advanced Comfort!! Citroën is het aan zichzelf verplicht om met een vering voor de proppen te komen, die het beste van een klassieke ophanging, met keurige veerpoten, combineert met een paar elementen van de oléopneumatique, een mini-oliesysteem in de schokbrekers onder meer, en stoelen met “geheugenschuim”, die na een vervorming, snel hun oorspronkelijke ergonomie weer innemen. Paul Margès leeft nog een beetje.

De nieuwe C5 Aircross, een soort sportieve SUV die niets te maken heeft met de afscheidnemende C5, zal als eerste dat volgens de constructeur beste veersysteem ter wereld krijgen, later geleidelijk wellicht alle Citroëns, via de Cactus tot de C1…Niet meer wiegen en zweven en een oliespoor achterlaten, toch veilig en comfortabel rijden. Het is een missie.

(Filmpje onder: een Citroën DS rijdt op 3 wielen dankzij de hydropneumatische vering)

 

Lees deze tekst ook op deredactie.be

 

Terug van weggeweest: de mythe van de communistische aanslag tegen de Innovation

Alle respect en medeleven voor iemand die beide ouders verloor tijdens de grote brand van de Innovation in Brussel, het is ook begrijpelijk dat je dan op zoek gaat naar de oorzaak. Maar het besluit dat er een terroristische aanslag was, kan auteur Johan Swinnen niet hard maken in zijn nieuwe boek over dit inferno, is de mening van Lucas Vanclooster:

Die maandag 22 mei 1967 hadden mijn ouders blijkbaar weinig behoefte aan informatie. Tijdens het avondmaal bleef de radio stom, en vader schakelde de televisie maar aan net voor 20 uur. De legendarische weerman Armand Pien had het over de strakke wind die in de loop van de middag enkele keren gedraaid was en zo “het vuur” in alle richtingen aanwakkerde. Waar heeft die man het over? Dacht ik.

Ergste ramp in België

Dat werd snel duidelijk. Het hele journaal ging over de verschrikkelijke Innovation-brand, die nog niet was geblust, en die, zo bleek, zeker tientallen slachtoffers had gemaakt. Uiteindelijk werden officieel 251 doden geteld, maar wellicht zijn er heel wat meer slachtoffers, forensisch onderzoek stelde toen nog niet zo veel voor, en het vuur had zo hevig gewoed dat de stoffelijke resten van nogal wat mensen gewoon volledig verpulverd en verdwenen waren.

Hoe dan ook, de Innovation-brand is de ergste ramp die ons land in vredestijd trof.

Al decennia blijft de ramp mensen fascineren. Dit jaar zijn er, alleen al in het Nederlands, 3 erg boeiende, bijzonder leesbare en breed gedocumenteerde boeken verschenen. Ze focussen vooral op de oorzaak, en ze doen dat na ampel onderzoek door de auteurs van gerechtelijke dossiers, en nieuwe gesprekken met getuigen.

Kortsluiting of kaduke tl-lamp

Geert De Vriese en Frank Van Laeken houden het in “Inferno, de brand in de Innovation” bij de algemeen aanvaarde stelling dat een kortsluiting in een voorraadkamertje de ramp veroorzaakte.

In zijn “De brand in de Innovation” komt Siegfried Evens met een nieuwe goed onderbouwde theorie: vonken uit een kaduke tl-buis zouden opgehoopt gas uit een lekke leiding in datzelfde voorraadkamertje hebben doen ontbranden. Die drie auteurs verwerpen de these van een aanslag.

Sleutelroman

Volgens Johan Swinnen in de sleutelroman “Happening, de aanslag in de Innovation”” is de ramp wel het gevolg van een terroristische daad, door drie extreemlinkse bommenleggers. Extreem-links communistisch, jawel, de brand vond plaats tijdens een opvallende Amerikaanse veertiendaagse, in volle Vietnam-contestatie. Communistische actievoerders hadden al betoogd in de Nieuwstraat, voetzoekers gegooid, en er waren bedreigingen geuit…

Innovation-weesjongen

Johan Swinnen staat erg dicht bij wat er op die noodlottige 22 mei 1967 gebeurde: hij verloor zijn ouders in het vuur. Hij was toen 13. En hij had er bij kunnen zijn…

Alle respect en medeleven voor iemand die te maken heeft gekregen met een levensbepalende ingrijpende gebeurtenis van die omvang. En meer dan begrijpelijk dat hij als nabestaande op zoek gaat naar verklaringen, verantwoordelijken, daders, en zich laat meeslepen door een op het eerste zicht plausibel verhaal.

Swinnen baseert zijn roman op een opgenomen maar niet openbaar gemaakt gesprek met een vrouw die mogelijk betrokken was bij, nou ja, de aanslag. Hij combineert dat gesprek met een aantal opvallende feiten uit 1967. Maar de mayonaise pakt niet.

Bommenleggers zonder bom

De hele thesis van de drie bommenleggers kunnen we makkelijk weerleggen met deze simpele vaststelling: er was geen bom! Na de ramp heeft de politie ruim twee jaar lang alle mogelijke getuigen, aanwezigen, voorbijgangers, overlevenden en nabestaanden grondig aan de tand gevoeld.

Sommige ‘getuigen’ kwamen met verregaande verhalen over verdachte sujetten die raar of nerveus deden, of vreemde zaken scandeerden. Dat heeft nergens heen geleid. Niemand, ik herhaal werkelijk niemand van die getuigen, geen één, had het over een explosie, een knal, een ontploffing.

Ook een brandbom, of om in het juiste taalgebruik te blijven, een molotov-cocktail, heeft niemand opgemerkt. Of waren de daders genieën die een stille bom hadden ontwikkeld?

Anarcho-communistische ULB

De bewering dat docenten scheikunde van de ULB de bom mee hadden gefabriceerd is te knotsgek voor woorden. En al even vreemd is de vaststelling dat er onder bepaalde ULB-studenten een zekere nervositeit heerste en dat ze vanaf de middag met transistor-radio’s aan hun oren liepen alsof ze op belangrijk nieuws wachten.

Neen, de omroepen zaten toen aan de beide zijden van de taalgrens helemaal vast in een staatsmonopolie en in die tijd duurde het zelfs bij een apocalyptische calamiteit uren voor het nieuws de media en de bevolking bereikte. Daarover heeft radiojournalist en ooggetuige Urbaan De Becker tien jaar geleden in Keerpunt op Canvas treffend en met veel ironie verteld.

Dan maar een terreurdaad door brandstichting? Ook dat lijkt weinig waarschijnlijk. Het vuur is het eerst opgemerkt om 20 over 1 in een opslagplaatsje van strand- en communiekledij. Dat magazijntje zat goed verborgen achter de rekken en stands, totaal onzichtbaar voor wie niet vertrouwd was met die afdeling van het enorme warenhuis.

Een medeplichtige

Een communistische medeplichtige bij het personeel? Ongeloofwaardig. Uit alle gesprekken blijkt dat het personeel van de Innovation daar erg graag werkte, verknocht was aan de onderneming waar een voorbeeldige sociale vrede heerste, en dat de collega’s prima met elkaar konden opschieten, als vormden ze een grote familie.

Welke onverlaat zou dan het hele bedrijf en zijn mede-werknemers aan zo’n gevaar blootstellen?

Uit het onderzoek blijkt ook dat er in de weken voor de ramp geen persoonlijke conflicten vermeld werden. Dat een personeelslid, dat nog rokend uit het self-service-restaurant kwam, een sigarettenpeuk in het magazijntje zou hebben gedoofd, is niet aannemelijk. De meest verregaande bewering in “Happening” is dat parket, politieke overheid en Innovation de piste van de aanslag na één week in de doofpot stopten, om de bevolking niet te verontrusten… Alsof een accidentele brandramp minder verontrustend zou zijn dan een geplande aanslag… Alsof een directie die een loopje neemt met de brandveiligheid het publiek geruststelt…

De werkelijkheid is dat linkse activisten wekenlang van hun bed gelicht en terdege op de rooster werden gelegd, zonder resultaat. Overigens, er kwam ook nooit een ernstige opeising van de “aanslag”.

De roman vermeldt ronkende krantentitels over terreur die eerste week. Welgeteld één Vlaams orgaan, het sensatieweekblad KWIK, had als kop: “Wie heeft de massamoord in Brussel op zijn geweten?” Alle andere kranten brachten een veel voorzichtiger berichtgeving.

Er bestaan trouwens nog andere complottheorieën. Dat de CIA achter de brandstichting zat om de communistische actievoerders en links in het algemeen als voor de hand liggende verdachten in diskrediet te brengen. En dat eerste-minister Van Den Boeynants en bouwpromotor Charlie De Pauw op de kar sprongen om op de plaats van de oude Innovation een immense parkeergarage te bouwen. Bewijs: onder de nieuwe Inno, geopend in 1970, zit warempel een parkeergarage… Filmmaker Bram Van Paesschen spitte die mogelijkheden uit in een mockumentary een jaar of 15 geleden.

 

Architect baron Victor Horta, die de Innovation in 1901 ontwierp, waarschuwde al in de jaren dertig dat een brand in zijn gebouw een catastrofe zou veroorzaken, deels door de schoorsteen- en kachelachtige constructie van de centrale galerij met balkons en trappen en broze lichtkoepel, maar ook door de rommelige uitbreiding in belendende panden, met veel trapjes, doorgangen, dienstliften, luchtkokers, valse plafonds, kortom een kluwen, een labyrint. Op die 22 mei kwam daar de overdadige papieren, kartonnen en nylon decoratie voor de Amerikaanse veertiendaagse bij.

De brand is, door een kortsluiting of vonkende tl-lamp, ontstaan in een voorraadhokje, en nam uiterst snel een enorme uitbreiding.

De Innovation had geen sprinklersysteem. Drie interne brandweerlui probeerden met te kleine brandblussers het vuur te bedwingen. Het brand-alarm bleef quasi onopgemerkt in het lawaai van het warenhuis, waar verschillende belsignalen net het begin van de middagshift aankondigden.

De brandweer kwam twintig minuten later bijna voltallig ter plekke toen het gebouw al in lichterlaaie stond. Ze hielden zich vooreerst bezig met de redding van mensen op daken, luifels en vensterbanken. Hun voertuigen (toen allemaal al meer dan tien jaar oud), ladders en brandslangen waren ontoereikend om effectief te blussen.

De Nieuwstraat stond vol geparkeerde auto’s. De gitzwarte rook belemmerde elk uitzicht op de sowieso al veel te kleine slecht aangeduide en soms door publiciteit aan het zicht ontnomen of afgeschafte nooduitgangen. Het is allemaal sneu, tragisch, jammer, noodlottig. En de wind draaide, zoals Armand Pien vermeldde …

Lucas Vanclooster
Lees deze tekst ook op deredactie.be.