Category Archives: columns

Culturele misdaad tegen de mensheid

De verwoesting door terreurgroep IS van de Al-Nuri-moskee in Mosul vormt helaas alleen maar een voorlopig dieptepunt in de strijd van fanatieke ideologieën tegen ons aller cultureel erfgoed. Dat de Al-Nuri, gebouwd in 1172, tegelijk de Sint-Pietersbasiliek en de toren van Pisa van het kalifaat is, maakt de dynamitering van het architecturale meesterwerk nog onbegrijpelijker. IS mag nog zo beweren dat de luchtmacht van de westerse coalitie de prachtige moskee en de scheve minaret heeft gebombardeerd, filmpjes van de instorting bewijzen dat de explosie professioneel van binnenuit is uitgevoerd. Maar waarom doet IS dat?

We moeten ons er wel voor hoeden om bij “verwoesting van erfgoed” allemaal onze neuzen in de richting van extremistische moslimbewegingen te draaien. IS doet hard zijn best in de kaalslag van het allermooiste waartoe de mens in staat was, maar ook het Westen heeft meer dan een bijrol gespeeld. Godsdiensten en heilsleren waren daarbij beslissend.

Heinrich Heine

In India hebben Moghul-moslims en fanatieke hindoes om beurt elkaars heiligdommen gesloopt om er op diezelfde plek eigen gebedshuizen op te trekken. Dat leidde en leidt nog tot bloedige rellen. Christelijke veroveraars hebben op zowat alle continenten, om te beginnen in Europa zelf, geroofd, geplunderd, gesloopt en ingepalmd.

De protestantse beeldenstorm was precies wat het woord laat vermoeden. Ook honderden uitzonderlijk prachtige brandglasramen gingen tijdens de geuzentijd aan diggelen. Scherven brachten geen geluk.

Fascisme en stalinisme deden hun deel in het wegschoffelen van cultuur, niet alleen gebouwen en beeldende kunst, maar ook bibliotheken, inhoud incluis. De visionaire Heinrich Heine had lang daarvoor voorspeld: waar men boeken verbrandt, branden ook snel mensen. De nazi-boekenbrandstapels voorspelden de concentratiekampen. En misschien ook de niets ontziende bombardementen op historische Duitse cultuursteden, Dresden onder meer, door de geallieerden. Nadat uiteraard het Duitse leger, tijdens de twee wereldoorlogen, moedwillig tientallen kastelen had platgelegd, van Coucy in Picardië tot in Grimbergen en Vilvoorde.

Stalin en Horta

In zijn bijzonder goed gedocumenteerde semi-historische Sovjet-romans beschrijft Tom Rob Smith pijnlijk exact hoe de KGB rond 1950 orthodoxe kerken opblies. Maar past de destructie van het modernistische DDR-Volkspalast in het verenigde Berlijn, om het te vervangen door een waardeloze suikertaart-replica van een keizerlijk paleis, niet in hetzelfde rijtje? Uiteraard wel, en we bereiken hier zelfs de kern van de zaak: met de verwoesting van het Volkspalast gaf het nieuwe Duitsland een beledigende klap aan de gewezen Oost-Duitsers. Nu was de DDR echt definitief dood.

De oorlog van vastgoedmakelaars en speculanten tegen erfgoed, enkel en alleen voor eigen gewin, hoort ook in die categorie. In Brussel is het Volkshuis van Horta al in 1966 gesloopt, aan zee verdwenen de prachtige sanatoria van architect Lucien Engels onder de sloophamers.

In ons land duurt die strijd tot nu voort. Nog maar 2 jaar geleden ging het prachtige Wanson-fabrieksgebouw in Machelen volstrekt zinledig voor de bijl. Wie zonder zonde is, werpe de eerste…euhm…wat ook alweer?

Bamyan en Palmyra

De moeizame dynamitering van de reusachtige Boeddha-beelden in Bamyan in Afghanistan in 2001 door de taliban vormde een keerpunt. Precies omdat het niet meteen lukte, en de taliban de moderne beeldmedia van die tijd ontdekt hadden, deed de langzame foltering van de monumentale kunstwerken erg veel pijn. Het motief voor de verwoesting hebben we sindsdien tot brakens toe voortdurend opnieuw gehoord: het waren afgodsbeelden, blasfemische voorstellingen die ingingen tegen God en het enige ware geloof.

De oplaaiende vete tussen diverse fracties van de islam, nogal vergelijkbaar met de reformatieperiode in Europa, net nu 5 eeuwen geleden, gaf barbaarse verwoesters nieuwe inspiratie, zoals criminele losers in een kromgetrokken religie argumenten voor terreur en moord vinden. Om de anderen lekker te pijnigen en te vernederen, komt alles snel op YouTube en andere kanalen. Palmyra was een schrijnend voorbeeld. Daar vond de verwoesting in afleveringen plaats, met cliffhangers. Niet alleen de infrastructuur, ook honderden voorhistorische voorwerpen sneuvelden. In Mali hadden lokale afgeleiden van Al Qaeda weinig moeite om de kwetsbare islamitische mausolea en lemen moskeeën te slopen.

Baal en Sjamasj

De lijst is intussen eindeloos. Vorig jaar gingen de archeologische sites van Nimrud en Khorsabad in Irak voor de bijl. In de omgeving van Mosul vielen alle christelijke en jezidische kerken en abdijen ten prooi aan het soennitische terreurgeweld.

Relieken van nog oudere religieuze beschavingen, zoals de Bel-tempel, toegewijd aan de god Baal, zijn evenmin veilig. Hetzelfde lot ondervond de 1750 jaar oude tempel van de zonnegod Sjamasj in Hatra en een pak Assyrische kunstschatten. In Syrië ging het christelijke klooster Mar-Elian in Al-Qaryatayn verloren. De slopers namen er het mozaïekenmuseum van Maarat-al-Noomane in één moeite bij. De stad Busra Sham had prachtige ruïnes, nu alleen nog stoffige stenen.

Waarom?

Fundamentalistische bewegingen en regimes willen geschiedenis schrijven. Dat doen ze door al het vorige te verwijderen, zodat het ooit moet lijken alsof de mensheid met hen, met hun duizendjarig rijk, of kalifaat begon. Alsof zij de universele bakermat vormen, het begin der tijden. Dat ze zelf meestal stijl-, humor- en cultuurloos zijn, vergemakkelijkt de uitroeiing van de geschiedenis. Soms ook grijpen tirannen naar een denkbeeldig groots verleden, dat ze willen laten herleven, door alles tussen toen en nu te verwijderen. Alsof er een directe band bestaat tussen dat glorieuze tijdperk en de miserabele leeghoofdigheid nu.

God wil het. Het Boek eist het.

De werkelijkheid is dat IS en andere terroristische bewegingen en regimes zich nergens ook maar iets van aantrekken, en lak hebben aan virtueel alles. Ze wentelen zich ook graag in een slachtofferrol, in het martelaarschap. Soms proberen ze de schuld af te wentelen op de goddeloze vijand, de ketter, de heiden. Maar als puntje bij paaltje komt, hoeft zelfs dat niet. Als Hitler had gekund, zou hij tijdens zijn laatste dagen vanuit zijn bunker heel Duitsland met alles erop en eraan hebben laten ‘verschwinden’. Want het Duitse volk had hem en de eigen cultuur, zoals hij die zag, verraden.
Mogelijk hanteert IS in Mosul dezelfde logica. Termen als verraad en lafheid zijn bij islamistische fundamentalisten schering en inslag. En daar staan de zwaarste straffen op. Eventueel de zelfvernietiging. God wil het. Het Boek eist het. De grote leider is ontgoocheld, boos en triest.

Cultuur kan ons redden

Toch nog altijd beter om oude gebouwen te verwoesten, dan nieuwe ziekenhuizen en mensen, hoor je wel eens. ’t Zijn maar stenen, waar ligt het verschil, hier of daar in Palma…hoe heet het alweer? Feit is dat de verwoesting van mensen en cultuur samen gaat. Herinner je Heinrich Heine.

Wie geen respect heeft voor het mooiste meest artistieke wat de mens heeft verwezenlijkt, ontziet die mens zelf ook niet. Of de natuur. Wie de Al-Nuri van de aardbodem laat verdwijnen, vermoordt ook elk individu dat daar 800 jaar geleden aan meewerkte en het al die tijd in goede staat doorgaf aan volgende generaties. Die meedogenloze leiders verwoesten cultuur omdat die altijd kiemen van verzet bevat. Als ze alle kunst en architectuur hebben platgeslagen, lijken ze zelf reuzen. Als ze elke herinnering verdrinken, zijn zij pioniers.

De verwoesters van cultureel erfgoed plegen misdaden tegen de mensheid en moeten om die reden voor de allerhoogste internationale rechtbanken verschijnen, en zware straffen krijgen. Onderwijs en media moeten inzetten op cultuur en geschiedenis. We hebben het niet geweten, of wat kan het mij schelen, mogen nooit argumenten worden om barbarisme te vergoelijken.

Lucas Vanclooster. Lees deze tekst ook op deredactie.be

Adieu hydropneumatique

De Franse autofabrikant Citroën heeft de productie van wagens met een hydropneumatische vering stopgezet. Volgens Lucas Vanclooster is dat zonder meer het einde van een tijdperk. In deze analyse doet hij het verhaal van de “hydropneumatique” uit de doeken; of volgens Wikipedia, “the self-levelling automobile”.
.

Bestond dat systeem dan nog? Het is een vraag die ik de voorbije dagen verschillende keren hoorde toen ik meedeelde dat Citroën afscheid nam van de hydropneumatische vering. Ja het bestond nog, tot vorige week. Toen rolde in de fabriek in Rennes in Bretagne nagenoeg onopgemerkt de laatste C5 van de band. Die C5 tweede generatie was geen populaire of emblematische auto, het hydraulisch systeem, dat intussen Hydractive 3 Plus heette, zat alleen op de zowat 4000 euro duurdere Exclusive en XTR versies, en het meest zichtbare kenmerk, dat de auto na gebruik op zijn buik ging liggen, en bij het starten van de motor overeind kwam, had Citroën al danig beperkt.

Paul Magès

Het hydropneumatische systeem is een idee van Paul Magès, qua opleiding een eenvoudige monteur bij Citroën, maar een onverschrokken man met verbeelding. Begin jaren 50 van de vorige eeuw, toen Citroën hard werkte aan de nieuwe DS, die de legendarische Traction uit 1934 moest opvolgen, vroeg Magès zich af of je een auto helemaal kon laten draaien op een buizen-systeem met olie en gas onder hoge druk, met pompjes en membranen om het evenwicht te bewaren.

Magès mocht zijn systeem uitproberen op de 15H, de duurste versie van de Traction, een auto die toen qua design totaal verouderd, maar met zijn zelfdragende constructie en voorwielaandrijving technisch nog altijd modern was. De 15H kreeg eerst remmen bediend door een gas-olie-druk-systeem, in 1954 ook een achtervering zonder veren of schokbrekers, maar met een hydraulische stabilisator. Pientere autojournalisten die ongeduldig wachtten op die aangekondigde nieuwe Citroën hadden door dat die vreemde innovaties op een antiek model te maken moesten hebben met wat komen zou.

La Déesse

De DS19 was de revelatie van het Parijse autosalon van oktober 1955. Nooit was er bij een auto een zo harmonische eenheid van vooruitstrevende architectuur en revolutionaire techniek. Bij de DS geen veren en schokdempers. Ook de schijfremmen werkten op het systeem, en zelfs de halfautomatische versnellingspook roeide in de olie. Dat was het eerste element dat Citroën na een paar jaar opgaf. Als het bedrijf Paul Magès zijn zin had laten doen, dan werkten ook de zijruiten, de verwarming en de afstelling van de stoelen oleopneumatisch.

Onder de DS en zijn opvolgers zat een hele extra-infrastructuur met buizen, leidingen, pompen en voorraadtanks, 2 tot 7, afhankelijk van het type. Daarin staken olie en gas, gescheiden door een membraan. De olie heette “LHM, liquide hydraulique minéral”. Die hele constructie moest de auto stabiel houden, door voortdurend olie te pompen naar het wiel dat een schok of put of welke hindernis dan ook te verwerken kreeg. De pompjes vlakbij de olie- en gastanks achter de motor maakten een mooi geruststellend reutelend geluid. Als ik destijds met mijn DS halt hield voor mijn woning, wist mijn vrouw dat ik daar was, dankzij dat typische tikkend geronk. Het gaf de auto iets van een levend wezen met een ademhaling.

Olé Oleo!

 

Zeker op de vele kasseisteenwegen die er tot eind jaren 60 nog bestonden, moest de oléopneumatique hard werken; op gladde Franse Routes Nationales liet hij het voertuig zwevend en zacht deinend vorderen, met dat typische onbeschrijflijk ontspannen megacomfortabel gevoel dat rijden met de DS, later met de goedkopere ID 19, of met de CX, SM, XM en C6 kenmerkte. Ik heb in mijn beroepsleven met van alles gereden, tot Mercedes S en BMW 7 toe, maar niets geen enkele wagen evenaart het relaxed rijplezier van een oléochevron.

Het meest zichtbare kenmerk was dat een Citroën na gedane arbeid echt ging rusten in liggende houding, en na de start weer de hogere rij-positie innam. Ooit stond ik in een overzetboot met mijn D Super 5 uit de vroege jaren 70 achter een GSA. Toen de chauffeur voor mij en ikzelve de motor tegelijk startten om uit de boot te rijden, kwamen de 2 wagens precies synchroon parallel omhoog. Poëtisch mooi.

In die tijd gebruikten nogal wat gangsters een DS. Bij een bankoverval moest er dan wel iemand de motor draaiende houden om snel weg te scheuren met de buit. Starten, en wachten tot het voertuig de rijpositie innam, zou een beslissend tijdverlies betekenen. Ik heb het altijd vreemd gevonden dat er voor zover ik weet geen detectiveverhalen verschenen, waarbij een moordenaar zich verraadt door bijvoorbeeld te beweren dat hij nog maar net thuis is, terwijl zijn DS of CX al plat op de grond ligt, of omgekeerd.

Xantia

Op het vlak van veiligheid was de DS zijn tijd decennia vooruit. Gecombineerd met een krachtige weliswaar bandenverslijtende voorwielaandrijving, echt onafhankelijke wielen en schijfremmen, bediend door een ultra-directe voetknop in de plaats van een pedaal, had de wagen een uitzonderlijke wegligging en stabiliteit. De break-versies van de DS en CX waren populair bij ambulancediensten en cameraploegen.

Een DS kan rijden op drie wielen. Tenminste als een achterwiel ontbreekt. Zie YouTube. De legende wil dat president De Gaulle een paar keer aan de dood is ontsnapt bij een aanslag omdat een DS met platgeschoten banden toch met volle snelheid weg scheerde. En je hoefde bij bandenpech de auto niet op te vijzelen. Met een vaste krik en een hendel naast het koppelingspedaal kon je de wagen zijn wielen laten intrekken of uitrekken, om een wiel te verwijderen of te bevestigen. Heerlijk toch.

Het systeem werd integraal toegepast tot en met de Xantia, vanaf 1994. Geen enkele auto doorstond de zogenoemde eland-test beter dan de Xantia. Vanaf de eerste generatie van de opvolger C5 moest Citroën van eigenaar PSA, Peugeot dus, beknibbelen, en bij de tweede versie vanaf 2008 nog meer. Alleen de vering was nog hydraulisch.

Vloeken en sakkeren

Maar als het allemaal zo fantastisch was, waarom stopt Citroën er dan mee? Wel vooreerst veranderen de modes en de wensen van de consumenten, terwijl de wegen verbeteren. De erg zachte vering is uit de mode, automobilisten willen niet meer zweven als op een vliegend tapijt, zoals in een Amerikaanse slee of een DS of CX. De laatste C5 Hydractive Drie Plus had al een sportieve versie van het concept. Mensen verkiezen al een tijd een hardere Duitse vering die beter laat aanvoelen wat er op de weg gebeurt.

Fragiel

Citroën dringt ook niet aan omdat het na ruim 60 jaar nog altijd een dure, complexe, broze techniek is. Elke Citroën-rijder die toch enkele honderdduizenden kilometer aflegt, heeft het zeker meegemaakt dat het systeem het begaf. En dan sta je of beter lig je daar, plat ter aarde, machteloos als een insect op zijn rug, want niets functioneert nog. Takelen en herstellen vallen duur uit. Ik kan er verdraaid over mee spreken.

Het heeft 10 jaar geduurd voor het concept op punt stond. Vroeger lieten Franse constructeurs hun klanten de kinderziekten van een nieuw model ervaren. Het was beter om, als je dolgraag een verleidelijke pas verschenen 205 of BX wilde, een paar jaar te wachten, tot na de eerste aanpassingen. Bij de DS was dat tot 1965.

Vraatzuchtige olie

Bij de eerste versies vrat de rode chemische olie het hele buizencomplex van binnenuit op. In de jaren 50 en 60 zag je onder een DS vaak een rode plas. Sommige garagisten wilden niet dat je met een lekkende DS hun pand binnenreed, en ze hielden altijd stukken karton of vodden klaar om onder je incontinente kar te leggen.

In 1965 vonden de ingenieurs eindelijk de juiste legering voor de leidingen, en de goede half-natuurlijke samenstelling van de intussen groene (en dure) olie. Daarom zijn de DS’en uit de periode 1965-68 op de markt van ancêtres de beste investering. De fundamentalistische Citro-snob houdt minder van de versie vanaf 1969 met dubbele koplampen, waarvan er 2 meedraaiden in de bochten, onder plexiglas.

De ULB, de Franstalige vrijzinnige universiteit van Brussel, wilde in de tweede helft van de jaren 50 haar progressieve instelling onderstrepen door de rector, vice-rector, decanen en anderen met een DS te laten rijden. Ze waren van de eerste DS-rijders in ons land. Maar de wagens stonden nog niet op punt. Als ze startten, kwam soms alleen de linker- of rechterkant omhoog, of de achtersteven… Mais enfin.

Et maintenant?

 

De Hydractive Drie Plus is dood, leve de Aircross Advanced Comfort!! Citroën is het aan zichzelf verplicht om met een vering voor de proppen te komen, die het beste van een klassieke ophanging, met keurige veerpoten, combineert met een paar elementen van de oléopneumatique, een mini-oliesysteem in de schokbrekers onder meer, en stoelen met “geheugenschuim”, die na een vervorming, snel hun oorspronkelijke ergonomie weer innemen. Paul Margès leeft nog een beetje.

De nieuwe C5 Aircross, een soort sportieve SUV die niets te maken heeft met de afscheidnemende C5, zal als eerste dat volgens de constructeur beste veersysteem ter wereld krijgen, later geleidelijk wellicht alle Citroëns, via de Cactus tot de C1…Niet meer wiegen en zweven en een oliespoor achterlaten, toch veilig en comfortabel rijden. Het is een missie.

(Filmpje onder: een Citroën DS rijdt op 3 wielen dankzij de hydropneumatische vering)

 

Lees deze tekst ook op deredactie.be

 

Terug van weggeweest: de mythe van de communistische aanslag tegen de Innovation

Alle respect en medeleven voor iemand die beide ouders verloor tijdens de grote brand van de Innovation in Brussel, het is ook begrijpelijk dat je dan op zoek gaat naar de oorzaak. Maar het besluit dat er een terroristische aanslag was, kan auteur Johan Swinnen niet hard maken in zijn nieuwe boek over dit inferno, is de mening van Lucas Vanclooster:

Die maandag 22 mei 1967 hadden mijn ouders blijkbaar weinig behoefte aan informatie. Tijdens het avondmaal bleef de radio stom, en vader schakelde de televisie maar aan net voor 20 uur. De legendarische weerman Armand Pien had het over de strakke wind die in de loop van de middag enkele keren gedraaid was en zo “het vuur” in alle richtingen aanwakkerde. Waar heeft die man het over? Dacht ik.

Ergste ramp in België

Dat werd snel duidelijk. Het hele journaal ging over de verschrikkelijke Innovation-brand, die nog niet was geblust, en die, zo bleek, zeker tientallen slachtoffers had gemaakt. Uiteindelijk werden officieel 251 doden geteld, maar wellicht zijn er heel wat meer slachtoffers, forensisch onderzoek stelde toen nog niet zo veel voor, en het vuur had zo hevig gewoed dat de stoffelijke resten van nogal wat mensen gewoon volledig verpulverd en verdwenen waren.

Hoe dan ook, de Innovation-brand is de ergste ramp die ons land in vredestijd trof.

Al decennia blijft de ramp mensen fascineren. Dit jaar zijn er, alleen al in het Nederlands, 3 erg boeiende, bijzonder leesbare en breed gedocumenteerde boeken verschenen. Ze focussen vooral op de oorzaak, en ze doen dat na ampel onderzoek door de auteurs van gerechtelijke dossiers, en nieuwe gesprekken met getuigen.

Kortsluiting of kaduke tl-lamp

Geert De Vriese en Frank Van Laeken houden het in “Inferno, de brand in de Innovation” bij de algemeen aanvaarde stelling dat een kortsluiting in een voorraadkamertje de ramp veroorzaakte.

In zijn “De brand in de Innovation” komt Siegfried Evens met een nieuwe goed onderbouwde theorie: vonken uit een kaduke tl-buis zouden opgehoopt gas uit een lekke leiding in datzelfde voorraadkamertje hebben doen ontbranden. Die drie auteurs verwerpen de these van een aanslag.

Sleutelroman

Volgens Johan Swinnen in de sleutelroman “Happening, de aanslag in de Innovation”” is de ramp wel het gevolg van een terroristische daad, door drie extreemlinkse bommenleggers. Extreem-links communistisch, jawel, de brand vond plaats tijdens een opvallende Amerikaanse veertiendaagse, in volle Vietnam-contestatie. Communistische actievoerders hadden al betoogd in de Nieuwstraat, voetzoekers gegooid, en er waren bedreigingen geuit…

Innovation-weesjongen

Johan Swinnen staat erg dicht bij wat er op die noodlottige 22 mei 1967 gebeurde: hij verloor zijn ouders in het vuur. Hij was toen 13. En hij had er bij kunnen zijn…

Alle respect en medeleven voor iemand die te maken heeft gekregen met een levensbepalende ingrijpende gebeurtenis van die omvang. En meer dan begrijpelijk dat hij als nabestaande op zoek gaat naar verklaringen, verantwoordelijken, daders, en zich laat meeslepen door een op het eerste zicht plausibel verhaal.

Swinnen baseert zijn roman op een opgenomen maar niet openbaar gemaakt gesprek met een vrouw die mogelijk betrokken was bij, nou ja, de aanslag. Hij combineert dat gesprek met een aantal opvallende feiten uit 1967. Maar de mayonaise pakt niet.

Bommenleggers zonder bom

De hele thesis van de drie bommenleggers kunnen we makkelijk weerleggen met deze simpele vaststelling: er was geen bom! Na de ramp heeft de politie ruim twee jaar lang alle mogelijke getuigen, aanwezigen, voorbijgangers, overlevenden en nabestaanden grondig aan de tand gevoeld.

Sommige ‘getuigen’ kwamen met verregaande verhalen over verdachte sujetten die raar of nerveus deden, of vreemde zaken scandeerden. Dat heeft nergens heen geleid. Niemand, ik herhaal werkelijk niemand van die getuigen, geen één, had het over een explosie, een knal, een ontploffing.

Ook een brandbom, of om in het juiste taalgebruik te blijven, een molotov-cocktail, heeft niemand opgemerkt. Of waren de daders genieën die een stille bom hadden ontwikkeld?

Anarcho-communistische ULB

De bewering dat docenten scheikunde van de ULB de bom mee hadden gefabriceerd is te knotsgek voor woorden. En al even vreemd is de vaststelling dat er onder bepaalde ULB-studenten een zekere nervositeit heerste en dat ze vanaf de middag met transistor-radio’s aan hun oren liepen alsof ze op belangrijk nieuws wachten.

Neen, de omroepen zaten toen aan de beide zijden van de taalgrens helemaal vast in een staatsmonopolie en in die tijd duurde het zelfs bij een apocalyptische calamiteit uren voor het nieuws de media en de bevolking bereikte. Daarover heeft radiojournalist en ooggetuige Urbaan De Becker tien jaar geleden in Keerpunt op Canvas treffend en met veel ironie verteld.

Dan maar een terreurdaad door brandstichting? Ook dat lijkt weinig waarschijnlijk. Het vuur is het eerst opgemerkt om 20 over 1 in een opslagplaatsje van strand- en communiekledij. Dat magazijntje zat goed verborgen achter de rekken en stands, totaal onzichtbaar voor wie niet vertrouwd was met die afdeling van het enorme warenhuis.

Een medeplichtige

Een communistische medeplichtige bij het personeel? Ongeloofwaardig. Uit alle gesprekken blijkt dat het personeel van de Innovation daar erg graag werkte, verknocht was aan de onderneming waar een voorbeeldige sociale vrede heerste, en dat de collega’s prima met elkaar konden opschieten, als vormden ze een grote familie.

Welke onverlaat zou dan het hele bedrijf en zijn mede-werknemers aan zo’n gevaar blootstellen?

Uit het onderzoek blijkt ook dat er in de weken voor de ramp geen persoonlijke conflicten vermeld werden. Dat een personeelslid, dat nog rokend uit het self-service-restaurant kwam, een sigarettenpeuk in het magazijntje zou hebben gedoofd, is niet aannemelijk. De meest verregaande bewering in “Happening” is dat parket, politieke overheid en Innovation de piste van de aanslag na één week in de doofpot stopten, om de bevolking niet te verontrusten… Alsof een accidentele brandramp minder verontrustend zou zijn dan een geplande aanslag… Alsof een directie die een loopje neemt met de brandveiligheid het publiek geruststelt…

De werkelijkheid is dat linkse activisten wekenlang van hun bed gelicht en terdege op de rooster werden gelegd, zonder resultaat. Overigens, er kwam ook nooit een ernstige opeising van de “aanslag”.

De roman vermeldt ronkende krantentitels over terreur die eerste week. Welgeteld één Vlaams orgaan, het sensatieweekblad KWIK, had als kop: “Wie heeft de massamoord in Brussel op zijn geweten?” Alle andere kranten brachten een veel voorzichtiger berichtgeving.

Er bestaan trouwens nog andere complottheorieën. Dat de CIA achter de brandstichting zat om de communistische actievoerders en links in het algemeen als voor de hand liggende verdachten in diskrediet te brengen. En dat eerste-minister Van Den Boeynants en bouwpromotor Charlie De Pauw op de kar sprongen om op de plaats van de oude Innovation een immense parkeergarage te bouwen. Bewijs: onder de nieuwe Inno, geopend in 1970, zit warempel een parkeergarage… Filmmaker Bram Van Paesschen spitte die mogelijkheden uit in een mockumentary een jaar of 15 geleden.

 

Architect baron Victor Horta, die de Innovation in 1901 ontwierp, waarschuwde al in de jaren dertig dat een brand in zijn gebouw een catastrofe zou veroorzaken, deels door de schoorsteen- en kachelachtige constructie van de centrale galerij met balkons en trappen en broze lichtkoepel, maar ook door de rommelige uitbreiding in belendende panden, met veel trapjes, doorgangen, dienstliften, luchtkokers, valse plafonds, kortom een kluwen, een labyrint. Op die 22 mei kwam daar de overdadige papieren, kartonnen en nylon decoratie voor de Amerikaanse veertiendaagse bij.

De brand is, door een kortsluiting of vonkende tl-lamp, ontstaan in een voorraadhokje, en nam uiterst snel een enorme uitbreiding.

De Innovation had geen sprinklersysteem. Drie interne brandweerlui probeerden met te kleine brandblussers het vuur te bedwingen. Het brand-alarm bleef quasi onopgemerkt in het lawaai van het warenhuis, waar verschillende belsignalen net het begin van de middagshift aankondigden.

De brandweer kwam twintig minuten later bijna voltallig ter plekke toen het gebouw al in lichterlaaie stond. Ze hielden zich vooreerst bezig met de redding van mensen op daken, luifels en vensterbanken. Hun voertuigen (toen allemaal al meer dan tien jaar oud), ladders en brandslangen waren ontoereikend om effectief te blussen.

De Nieuwstraat stond vol geparkeerde auto’s. De gitzwarte rook belemmerde elk uitzicht op de sowieso al veel te kleine slecht aangeduide en soms door publiciteit aan het zicht ontnomen of afgeschafte nooduitgangen. Het is allemaal sneu, tragisch, jammer, noodlottig. En de wind draaide, zoals Armand Pien vermeldde …

Lucas Vanclooster
Lees deze tekst ook op deredactie.be.

De muur van Laken

3a1fcc4c14d6a20d5979e9664fcce26e_c619743fb2f830f08e8a302e96ff9f9a0faeea2d
In het Brussels Parlement dient Groen een voorstel in om het Koninklijk Domein in Laken open te stellen voor het publiek. Ook SPA, Open VLD en N-VA zijn dat idee genegen.
Als in mei de Koninklijke Serres na drie weken dichtgaan, valt de poort weer in het slot. De rest van het lange jaar kijk je dan op zes kilometer muur rond het Koninklijk Domein, drie meter hoog, opgevrolijkt met prikkeldraad en camera’s. Een zeldzame keer klimt er toch een onverlaat over of rijdt er iemand een gat in met z’n auto. De muur slingert langs het Chinees Paviljoen en de Japanse Toren, en als je langs het kanaal naar Vilvoorde fietst dan zie je niets, niets dan muur van de Laken- tot de Van Praetbrug. Op een punt kun je een prieelachtig vervallen gebouwtje onderscheiden, geflankeerd door een eerbiedwaardige oude ceder. Naar de grote, wondere wereld daarachter hebben we het raden. Naar het schijnt gaat de koning joggen in zijn ommuurde hof.

In de pas

Gewone stervelingen zoals ik mogen enkel in de serres komen. Dat doe ik bijna elke lente, ‘comme il faut’, door het royale hek. Het is een prettige wandeling langs groepjes enorme rode beuken, de ware masten van het park, en een hele mooie linde. De graspartijen met bosschages en narcissen lonken, maar je mag de Paadjes Niet Verlaten. Op elke hoek staat een agent. Op bezoek bij de koning is verdwalen of opzettelijk verkeerd lopen geen optie. Er zijn zelfs geen shortcuts zoals in de Ikea.

laeken-serre

Eén miljoen liter mazout

De Oranjerie is het oudste deel van de serres, een zotternij van voor de geboorte van België, van de Nederlandse koning Willem I. De collectie sinaasappel- en mandarijnbomen en camelia’s is wereldvermaard en eeuwenoud. Het was natuurlijk Leopold II, de Bob de Bouwer van de Belgische monarchie, die er de rest van de Glazen Stad aan toevoegde, getekend door Alphonse Balat, leraar van Victor Horta. Een kathedraal van staal en glas, met koepels, kamers en gangen, die perfect de palmen en de reuzenvarens weerspiegelde die er in wortelen.

De serres zijn een plantaardige bonbondoos waarin alles precies en ‘toevallig’ bloeit in april en mei. Een ideale florale wereld zonder dorre bladeren, schimmel of ongedierte.

Ecologisch kun je de folly van Leopold II niet noemen. De serres verwarmen kost 800.000 liter stookolie per jaar, met het kasteel erbij een miljoen liter. 1.000.000 liter mazout! Eindelijk, eindelijk zijn er nu concrete plannen om de warmte van de afvalverbrandingsoven van Neder-over-Heembeek richting Laken te pompen.

“De mooiste en gunstigste plek van Brussel”

Sinds een jaar of tien leidt de wandeling van serre naar serre ook eventjes naar buiten, in open lucht. Daar ontvouwt zich een vista, zoals er maar weinig bestaan in Brussel: glooiend gazon, in de verte een half afgebroken zuil en een lusthof-terras, machtige bomenpartijen, vijvers. Daarachter de skyline van Brussel, en iets meer in de voorgrond de donkere Japanse Toren.

Eind 18de eeuw kocht de Oostenrijkse landvoogdes dit stuk grond “op de mooiste en gunstigste plek in de omgeving van Brussel, waar we een huis bouwden en een mooie tuin in Engelse stijl aanlegden”, schreef haar echtgenoot in zijn memoires. De ontwerper was niemand minder dan Lancelot ‘Capability’ Brown, de uitvinder van de Engelse landschapstuin, die ook in Kew Gardens werkte of rond Blenheim Palace, waar het wiegje van Churchill stond. Een visioniair die inschatte hoe eiken en vijvers er over tien generaties zouden uitzien.

Open tuinen

Hoezeer de grassige hellingen ook uitnodigen om de leden te strekken, kinderen en ouders mogen er enkel naar kijken, drie schamele weken per jaar. Hoe zou het er in oktober uitzien? Daar zou ik een moord voor begaan. De vijftig tinten rood en bruin zijn vast adembenemend. Eens hoorde ik een moeder tegen haar kinderen zeggen: “Kijk maar eens goed, hier betalen wij allemaal voor.”

Toen Vaclav Havel president van Tsjechoslovakije werd in 1989 zette hij de poorten van de koninklijke tuinen rond de Burcht van Praag wijd open voor het publiek. In Noorwegen is iedereen welkom in het Paleispark in Oslo. Ter gelegenheid van 25-jarig jubileum van de huidige koning is het park nog heraangelegd en opgewaardeerd, ten bate van de gemeenschap.

Wordt het geen tijd om dat ook met het Koninklijk Domein in Laken te doen? Voor mijn part af en toe, of elk weekend, met geleide wandelingen, maar ook open middagen waarop ik van de hellingen mag rennen en alle joekels van bomen in de uithoeken van het domein mag verkennen. Er is zelfs een koninklijk stationnetje (zie foto hier onder). Stel je voor dat ik hier met de trein heen kan.

station.png

Het Koninklijk Domein van Laken is eigendom van de staat – via de Regie der Gebouwen en de Koninklijke Schenking. Koning Filip en koningin Mathilde hebben dan wel een kroostrijk gezin, maar dat Koninklijk Domein is ruim bemeten: een kleine 200 hectaren. Plaats zat voor iedereen die van rust en ruimte houdt. We zullen elkaar niet in de weg lopen.

De Britse erfgoedorganisatie National Trust heeft als motto: ‘For Ever, For Everyone’. De National Trust heeft trouwens veel adellijke domeinen in beheer en stelt die open, zelfs al wonen de eigenaars er nog. Soms is één plus één echt gewoon twee. Zo’n reuzegroene long in Brussel, vlak naast dichtbevolkte woonwijken? Tear down these walls, sire.

(herwerkte tekst van 2013, ook te lezen op deredactie.be en in het Frans op DaarDaar)

Rijk en ziek op de Toverberg

In Davos in Zwitserland verzamelt de internationale elite voor het jaarlijkse World Economic Forum. Zelfs de Chinese president is van de partij. Davos oefent al een paar eeuwen een bijzondere aantrekkingskracht uit op de -al dan niet aan tuberculose lijdende- high society. Het was ook de setting van ‘De Toverberg ‘ van Thomas Mann en van de film ‘Youth’ van Paolo Sorrentino.

De Slechte Russentafel

“In het hartje van de zomer reisde er een eenvoudig jongmens van zijn vaderstad Hamburg naar Davos-Platz in het Graubündense land. Hij was van plan er drie weken te blijven”. Zo begint de magistrale roman ‘De Toverberg’ van NobelprijswinnaarThomas Mann. Hoofdpersonage Hans Castorp bezoekt zijn neef in een kuuroord voor longpatiënten, en o wat vermeide auteur Mann zich in de beschrijvingen van dat berghospitaal en de internationale mensentuin die daar de gezonde lucht en elkaars gezelschap op kwam zoeken.

Van de liberaal Settembrini tot de marxistische jezuïet Naphta, van de Nederlander Peeperkorn over madame Chauchat uit Dagestan tot de Goede Russen- en de Slechte Russentafel.  Er werd gedineerd en gediscussieerd, gekaart en gemusiceerd, gewandeld, er waren spiritistische seances en met pijnlijke precisie noteerden doktoren en verpleegsters de  gezondheidsparameters van hun patiënten in een logboek. Want de meeste hotelgasten waren wel degelijk doodziek.

Lijken per bobslee naar beneden

Thomas Mann kende het goed. Zijn vrouw Katia leed aan tuberculose en kuurde langdurig in het Waldhotel in Davos. Ze was er één van de eerste patiënten in 1912. Mann bezocht haar en gebruikte ook hun uitgebreide correspondentie als basis voor ‘De Toverberg’. Het Waldhotel bestaat nog altijd; er loopt een Thomas Mann-wandelpad naar een naburig etablissement. Citaat uit de Toverberg: “Het allerhoogst ligt sanatorium Schatzalp, daar achter, je kunt het niet zien. ’s Winters moeten die hun lijken per bobslee omlaag transporteren, want de wegen zijn dan onbegaanbaar.” Ook Schatzalp is er nog; de tijd is blijven stilstaan op de art-decoterrassen en in de belle époque-eetzaal. Recent werd daar de melancholische film ‘Youth’ met krasse knarren Harvey Keitel en Michael Caine gedraaid, met als thema het vlietende leven.

Ligkuur

Er bestaan prangende zwart-witfoto’s van dik induffelde teringlijders die op een zonnig terras van de Alpenlucht genieten, bedolven onder dekens. Een ‘Liegekur’ was deel van hun strikte dagelijke routine. “Dus jullie liggen bij nacht en ontij op het balkon?”, is een van de eerste vragen van Castorp. Het dieet bestond uit veel rood vlees en melk.

Tuberculose, zo schrijft Susan Sontag in ‘Illness as metaphor’, was een symbolische ziekte voor de 19de en begin-20ste-eeuwer, “het was onbeleefd om met smaak te eten en glamoureus om er ziekelijk uit te zien”. Modieus of niet, tbc richtte wel een ravage aan, ook onder kunstenaars en schrijvers. Kafka, Van Ostaijen, Orwell, … google eens op ‘writers and tbc’. Je wordt daar stil van.

Happy few

Berglucht is goed voor zieke longen. Al sinds 1897 is er een Nederlands Astma Centrum in Davos, en het bestaat nog altijd, 1700 meter boven de zeespiegel, zonder fijn stof, smog of pollen. Hoewel de ziekteverzekeraars het stilaan te duur vinden. Uitbehandelde astmapatiënten die nu willen kuren, moeten strootje trekken: de enen kunnen terecht in Davos, de anderen in … Hilversum. Het was trouwens een Nederlandse zakenman, Holsboer, die eind 19de eeuw meerdere kuuroorden uit de grond stampte in Davos en zelfs een smalspoorlijntje aanlegde om er te geraken. De sanatoria bleven op volle toeren draaien en trokken een internationaal publiek tot net na de Tweede Wereldoorlog.  Toen werd streptomycine ontdekt, als antibioticum voor de mycobacterium tuberculosis en dat veegde alle alternatieve therapieën voor tbc van de kaart.

Maar wie goed in de slappe was zat, bleef naar de Zwitserse Alpen komen, voor de rust en de dennengeur, en om te skiën in de “weidse vergezichten op de fantasmagorisch torenende spitsen, toppen en kammen van het hooggebergte”, zoals Mann jubelend schreef. In de jaren dertig en veertig vonden overigens ook nazi’s hun weg naar Davos, in het neutrale Zwitserland.

De echte wereld

Dezer dagen hokken 3000 eenentwintigste-eeuwse hotemetoten samen in de sneeuw van Davos. The rich, famous, smart en royal. De Chinese president en de Vlaamse minister-president. Maurice Lippens niet. In De Morgen vond hij Davos iets voor flierefluiters. Maar de meeste aspirant-bobo’s zouden een arm en een been geven om erbij te zijn.

Wat ik me afvraag: zou er één van die 3000 dikke legumen eens De Toverberg ter hand nemen? En lezen tot het eind, als Hans Castorp niet na drie weken, maar na zeven jaren (!) weer van de berg afkomt en per trein recht de Eerste Wereldoorlog inrijdt? Een front dat Thomas Mann schildert als een apocalyptisch doek van Jeroen Bosch.  Dat zou nogal wat zijn, die 3000 netwerkers die vanuit hun luxueuze sneeuwbol de wereld inskiën.

De echte wereld waarin tbc trager afneemt dan gepland. Tegen 2030 willen de VN de ziekte nagenoeg de wereld uit, maar er blijven hardnekkige haarden bestaan, in India, Pakistan, Indonesië, Nigeria, Zuid-Afrika… Anno 2017 is tbc een armeluizenziekte. Bovendien zijn sommige gevallen resistent tegen medicijnen. In de armste landen moet het geld om zieken te behandelen nog altijd van buitenlandse donoren komen. En onderzoek naar vaccins en remedies blijft ernstig ondergefinancieerd. Komaan, Davospelgrims, ga eens rond met de hoed daarboven.

Lees deze tekst ook op deredactie.be.

Een radicaal positief jaar

Hoe vreemd, de zuilen van de Beurs in Brussel zijn omwikkeld met kerstlampjes. Drie seizoenen geleden stonden de kaarsjes op de koude grond. Het was een jaar met een rouwrand. Maar ook met lichtjes.

Maalbeek. Zaventem. Nice. Bagdad. Aleppo. Berlijn. Brexit. Trump. Een jaar om moedeloos van te worden, met misselijkmakend geweld, verdriet, haat, ongeloof, walging, schrik en beven. Maar mogelijk ook een jaar om te sublimeren en te transformeren in iets radicaal anders en beters.

De profundis

Antoine Leiris verloor zijn vriendin Hélène in de Bataclan in Parijs. Twee dagen na de aanslag zette hij een brief op Facebook: “Vous n’aurez pas ma haine”.  Ik zal niet met woede reageren op haat, beloofde de kersverse vader.  “Vous voulez que j’ai peur, que je regarde mes concitoyens avec un oeil méfiant, que je sacrifie ma liberté pour la sécurité. Perdu. Même joueur joue encore”. De brief werd dit jaar een boek, met dezelfde titel. Een verslag van de rauwste rouw die hij doormaakt met zijn zoontje. Aarzelend en moedig, maar zonder haat.

“We hebben de keuze,” sprak Kristin Verellen twee maanden na de aanslagen in Brussel, waarbij haar partner Johan om het leven kwam. “Of we stappen in de neerwaartse spiraal van geweld die geweld oproept. Of in de opwaartse spiraal van geweld die liefde ontketent. Liefde die alles overstijgt.” Mohamed El Bachiri, die zijn vrouw Loubna verloor in Brussel, heeft het over een ‘jihad van liefde, die de omhelzing zoekt om de vlammen van de wrok te doven’.

Vanuit het lijden van direct getroffen mensen, de profundis, klonk in 2016 een dwingende oproep om geen toeschouwer meer te zijn, niet lijdzaam te ondergaan. Keep calm and carry on? Hm, tot op zekere hoogte heeft onze Belgische nuchterheid wel geholpen om niet door te schieten in de angstige kramp. Alles went, zelfs het dagelijkse duo para’s aan de ingang van je station. Maar tegelijk voel je aan je kleine teen dat het tijd is voor verandering.  Als we doen wat we altijd hebben gedaan, krijgen we meer van hetzelfde.

Kiezen voor vrede

Midden september zaten tientallen mensen in stilte samen op het Muntplein in Brussel. Een open gezelschap. Wie dat wilde kon er –eventjes, of langere tijd- aan meedoen. De stilte zinderde en zoemde. Silence for peace, troost en solidariteit in een gewonde stad. Het was een bijzonder experiment.

Sinds de aanslagen komen op verschillende plaatsen mensen samen in ‘Cirkels’, een initiatief van Kristin Verellen. Slachtoffers, nabestaanden, hulpverleners, iedereen die zich betrokken voelt. In een weldadige stilte krijgen verdriet en twijfel de ruimte. De verbondenheid zindert en zoemt. Weer die troost door solidariteit, als tegengif voor angst en stress.

Vrede werkt niet op afroep en valt ook niet uit de lucht. Komt niet uit de loop van een geweer, niet van een wettekst in het parlement. “La paix ça s’apprend” is de mening van advocaat en therapeut Thomas d’Ansembourg en auteur David Van Reybrouck in een gelijknamig boekje. Verbeter de wereld, begin met jezelf, in de oude woorden van Bond zonder Naam.

De auteurs maken een dappere sprong van buiten naar binnen, van samenleving naar individu. Innerlijke rust is het begin van goed burgerschap, van een maatschappij in balans. Mindfulness, compassietraining, opleidingen geweldloze en verbindende communicatie: het valt te leren, zoals fietsen, koken of foto’s bewerken. Het zou de gewoonste zaak van de wereld moeten worden in de drukke school, op het prestatiezieke werk, tussen de onverschillig kauwende kaken van de media.

Klinkt wollig? Bisounours, met een mooi Frans woord? Het is het tegenovergestelde. Het is met twee voeten in de modder van het dagelijkse leven staan, en weten dat de mens géén wolf is voor een ander. Als apen empathie betonen, zoals Frans de Waal heeft aangetoond, dan kunnen wij dat ook. Nog een voorbeeld: politiek filosoof Bleri Lleshi schreef dit jaar een boek over de liefdessamenleving. Kleine cirkels, dunne boekjes, een tekst links, een lied rechts.

Zegeningen tellen

Ik zie het als steentjes in de donkere vijver van 2016, met almaar meer rimpelingen. Het gebeurt onder de radar, zonder camera’s en microfoons. Maar het gebeurt. En het is radicaal, in de ware betekenis van het woord radix: aan de wortel, fundamenteel.

Is het krachtig genoeg tegen verbaal opbod, het grote gelijk, radicalisering, terreur? Het is een begin, een stille poging om elkaar weer te vertrouwen – het ware cement van menselijk samenleven. Optimisme is geen morele plicht. Maar cynisme ook niet, bij Toutatis!

Op het eind van een jaar als dit helpt het om je zegeningen te tellen. Toen ik laatst in goed gezelschap  in een cafeetje op de taalgrens zat, hadden we geen zin om een boom omver te zagen over o tempora o mores en het einde van de wereld. We probeerden tien maatschappelijke kwesties te vinden die er merkelijk op waren vooruitgegaan, de laatste jaren. Te beginnen met het rookverbod op de plek waar we zaten. We kwamen verbazend makkelijk aan tien. ’t Is nog ol nie no de wuppe.

Lees deze tekst ook op deredactie.be

 

 

 

 

Beurs van de boeken

Voor de 80ste keer opent de Boekenbeurs in Antwerpen. Verguisd door literaire snobs, maar nog altijd door een massa liefhebbers bezocht.

Natuurlijk is de Boekenbeurs de fancy fair van de letteren. Dat er nog niemand op het idee is gekomen om boeken in te pakken en die eendjesgewijs uit een bad te laten vissen! Je ziet er meer BV’s dan goed voor je is op een dag. Ze hebben een boek in elkaar geflanst – of dat laten doen. Ze zetten er hun handtekening in of ze verkondigen algemeenheden op een podium, over gezond eten en een betere wereld enzo. Ze hebben even verblijfsrecht op de Beurs en hun aanwezigheid blijft niet onopgemerkt, om het met Reve te zeggen.

Vroeger werd er ding-ding-dong omgeroepen wie er signeerde – ‘Jef Geeraerts op de stand van Manteau’. Nu is dat niet meer doenbaar, want er zijn meer mensen die wél dedicaceren dan niet. Ook de ‘ernstige’ auteurs worden er in een rol geduwd die hen vaak niet past: te kijk gezet achter een tafeltje. Maar het werkt als een magneet; lezers willen schrijvers zien, spreken, aanraken bijna, en trekken bijgevolg sneller hun bankkaart. Ik weet zeker dat menig auteur er als een berg tegen opziet, maar achteraf wel blij is met de aandacht en de verkoop.

Wie er niet tegen kan, forceer je niet, blijf weg van de Beurs. Lees vooral wat, waar en wanneer je dat wil of ga naar auteurslezingen in rustiger oorden als Passa Porta, deBuren, Bozar, de Groene Waterman of andere Zondvloeden. De Boekenbeurs is een evenement, voor wie daarvan houdt. Sommige koks en autofreaks blijven ook ver weg van voedings- en autosalons. Love it or hate it. Of beide, in mijn geval: odi et amo.

Tips

De Boekenbeurs vergt wat ervaring of tenminste toch voorbereiding, dat is waar. Anders ga je kopje onder in de mensenbrij in de smalle gangen of wordt het laatste plastic broodje net voor je neus verkocht, en veel te duur ook. Je kunt er echt beurs van worden, van zo’n Boekenbeurs.

Dit zijn mijn tips:

-Kies je moment: weekdagen, vooral op maandag. Kom om 10 uur ’s ochtends. Je kunt bij wijze van spreken met paard en kar door de hallen stevenen, en ook aan de vermaledijde vestiaire is het dan nog geen oorlogstafereel; je jas aanhouden betekent sterven in het zweet.

-Struin in je eentje rond, anders wacht je op elkaar tot je een ons weegt. Geef wrevel geen kans. Spreek een uur af op een avontuurlijke plaats, aan een onbekende stand.

-Mag je iemand binnenkort een cadeautje geven (altijd, dus), doe als de hamster.

-Breng je eigen lijstje mee, maar kleur buiten de lijnen, laat je verrassen en maak notities. Keer op je stappen terug; ga nog een tweede, derde keer langs waar het interessant is.

-Sla onnozele standen over, spaar je voeten. Hoge hakken zijn altijd af te raden, tenzij je een BV bent die niet moet opstaan van haar tafeltje.

-Zeg nee tegen gratis brochures, kranten, tijdschriften, instantsoepzakjes als je niet te zwaar beladen wil rondlopen.

-Kijk verder dan de bestsellerlijst en de nieuwe boeken. Er staat ook heel wat tijdloze en veel waardevollere literatuur.

-Zoek en vind poëzie: die is er hier wél, in tegenstelling tot de bestsellerboekhandel bij u om de hoek.

-Kijk wat er te doen is: wie spreekt er, wie is lijfelijk aanwezig? Als je daar belang aan hecht.

-Ga na of er illustratoren zijn, die tekenen in plaats van te signeren, soms met een hele batterij aquarelkleurtjes en potloden in de aanslag.

-Bedenk, als er eenmaal een en ander in je boekenzak zit, dat voor elk nieuw boek er een oud je huis uit mag. Een wik-en-weegoefening om naar uit te kijken. Boeken zijn minder om te hebben en te houden, meer om te lezen en door te geven.

-Vergeet het slotritueel niet: de 11-11-11-verkopers aan de uitgang danken u.

150.000 bezoekers can’t be all wrong

Overigens zou ik aan die uitgang heel graag eens in alle Boekenzakken kijken, naar wat mensen zoal naar hun hol slepen. De meiden van vijftien en de oudere leraars, de voorleesoma’s en hun stripkleinkinderen. Ze hebben hun geld niet in kleren, schoenen of een viergangenmenu gestoken, maar in boeke-boeke-boeken! En in tijd om die te lezen. Ik word daar nog altijd blij van.

80 Boekenbeurzen, de eerste in 1932 in de Stadsfeestzaal, en nu al 45 jaar in dat Saddam Hoesseinwaardige bunkercomplex, vroeger Bouwcentrum, nu Antwerp Expo. Als ik één ding mag veranderen, dan de locatie. Waarom ook niet eens in Brugge, Gent of Hasselt? De Boekenbeurs is volgens mij nog niet zo snel kapot te krijgen. Die 150.000 bezoekers gaan toch niet tegen hun goesting?

Een existentialistische signeersessie

Als kind heb ik er vele dagen van de herfstvakantie doorgebracht, roaming free in alle gangen, in boeken lezend die nog niet voor mijn ogen bestemd waren, terwijl mijn vader-uitgever druk doende was met lezers en schrijvers. Sindsdien sla ik soms een jaar over, of ik ga erheen met bovenstaande tips als leidraad.

Twee jaar geleden waren de rollen omgedraaid en had m’n uitgever (ja, die van de afgelaste ladies’ night over poetsen!) me gevraagd om m’n eigen boek te komen signeren. Het was een vreemde ervaring. Ik had – hoe zullen we het optimistisch formuleren – ruim de tijd om na te denken.

Wat deed ik hier, op de Beurs der Lawaaierige Auteurs, met een boek over Stilte? En zat niet elke schrijver in die Paradox gevangen? Het hielp niet echt dat er op dezelfde stand een Magneet aan het werk was, jawel, een eetgoeroe. Hoe dan ook, enkele mensen kwamen een praatje maken, geïnteresseerd en wel. Dat deed me deugd. Toen verzocht een jonge snaak mij om een foto. Ga je gang, zei ik. En toen de foto was genomen, vroeg hij me kwansuis: ‘Wie bent u eigenlijk?’

Lees deze tekst ook op deredactie.be