De week van de gierzwaluw, de Senegalese elektricien, de vaxitaxi, de analoge foto en de IS-kinderen

Lucas Vancloosters Middagjournaal voor Nieuwe feiten, Radio 1, 9-12 juni 2021

Maandag 7 juni

Vandaag is het de internationale dag van de gierzwaluw, International Swift Day. Die dag is belangrijk voor mij sinds de salangaan de totem bij de scouts werd van onze betreurde zoon. De salangaan is de Aziatische gierzwaluw, dat maakt weinig verschil. Mijn zoon de salangaan was trouwens van het principe “’t zal wel gaan”.

Nu zitten er uiteraard geen gierzwaluwen in mijn tuin, ze vliegen er hoog boven, erg talrijk van eind april tot half juli, met soms eens een acrobatische scheervlucht net boven onze hoofden. Ze schonken Guido Gezelle inspiratie voor een van zijn mooiste natuurgedichten met veel klanknabootsing. De gierzwaluw vliegt tot de avondschemering, en laat zich aflossen door de vleermuis, die een stuk lager fladdert.  

Onze woning en tuin zijn binnenkort 100 jaar oud, het laatste bebouwde deel van de licht bochtige straat, die al op middeleeuwse kaarten voorkomt. Vandaar dat onze woning en de tuin een vreemd formaat hebben, het moest er nog tussen passen. In die eeuw zijn tuin en huis niet echt van aanschijn veranderd.

Onlangs kregen we een foto in handen waarop de eerste vrouw des huizes zichzelve elegant en verleidelijk aan het kleine vijvertje van rare constructivistische vorm had gedrapeerd. Nogal wat mensen vinden dat mijn vrouw of dochter die foto zouden moeten herhalen. Maar dat kan niet, rond het vijvertje is alles intussen groen begroeid en veelkleurig bebloemd.

Zeer lang geleden stond op een eilandje met waterlelies zelfs een fonteintje, zoals in de villa in Mon Oncle van Jacques Tati. Het wonder nu is dat het water altijd schoon blijft, het zuivert zichzelf. En het bruist er, zeker in de lente, van leven. Toen we hier 21 jaar geleden aankwamen, zwommen er zowat 15 goudvissen in. Die werden allemaal slachtoffer van een reiger. Een keer zagen we ‘n reiger klapwiekend opstijgen met in zijn opengesperde bek een ongeloofwaardig grote zwarte vis, die we nooit eerder hadden opgemerkt.

Ik vrees dat het fabeltje van Puut kruupt uut hier onlangs gebeurde. Ik leerde het van mijn grootmoeder, en stelde al met vreugde vast dat mijn kinderen het doorvertellen.

Puut kruupt uut, zei de kraai. Gie zoudt mi pakken, zei de puut. Jakkendoe, zei de kraai. En de puut kroop uut. Stek, zei de kraai. ‘k had gepeisd, dacht de puut.

Op dit ogenblik wriemelen er zoals elk jaar tientallen dikkopjes. Die zullen weer opeens mysterieus verdwenen zijn. Voorts trekt het water bijen, libellen en waterjuffers aan en drinkende en spattende vogels. Er zitten veel mussen in het nogal wilde struikgewas omheen de tuin. Hoog in de berk was er een eksternest. Tragisch waren de merels die hun twee jongen, kwetsbaar op de grond, moedig verdedigden tegen onze rosse vervaarlijke transmigrantkater Chapo. Helaas, het hele gebroed van die arme vogels is opgepeuzeld. Meer succes hadden de pimpelmezen in het nestkastje. Heerlijk om de evolutie te volgen vanaf controleren van het huisje, het volproppen met veertjes en pluisjes, via broeden en voederen tot uitvliegen van de kroost. Onze lievelingsvogel in de tuin is een zwartkopje, die luidkeels zingt. En laag bij de grond evolueren twee koddige schuwe egels.  

Ah, de vogelen des hemels, zij zaaien en maaien niet en gaan toch niet verloren, zoals Christus al zei. Gelegen in een krakkemikkige tuinstoel dommel ik in bij het “zie! Zie! Zie!” van de. Tot morgen, waarde luisteraar.

Herbeluister op Radio 1.

Dinsdag 8 juni

Waarde luisteraar. Sinds ik met pensioen ging, ben ik coronavrijwilliger en vaxitaxichauffeur. Gemiddeld eens per week – er zijn echt wel vrijwilligers genoeg – rijd ik minder mobiele oudere mensen naar het vaccinatiebolwerk. In een vorig leven was ik drie jaar directiechauffeur van de Munt, de nationale opera. Ik krijg de indruk dat ik een van mijn vele vorige jobs weer opgenomen heb. Trouwens, ik heb er net nu een ritje naar het centrum opzitten, met een dame die ik drie maanden geleden naar haar eerste Astra Zenica-vaccin bracht.

Het is een heel aangename taak. Zeker drie op de vier vervoerde mensen in mijn woonplaats blijken afkomstig uit mijn geboorteprovincie West-Vlaanderen, het gevolg nog van de na-oorlogse trek van bakkers en slagers naar Brussel en omgeving. En die mensen zijn altijd zo blij en dankbaar. Verscheidene dames nodigden mij uit om na corona een streekbier of trappist te komen drinken en soms moet ik resoluut een fooi afslaan, met het argument dat ze via de belastingen al betaald hebben voor mijn riante ambtenarenpensioen.

Zoals overal is ook ons vaccinatiebolwerk uitstekend georganiseerd. Iedereen is er behulpzaam en supervriendelijk. En dat allemaal gratis, ik herhaal: helemaal VOOR NIETS!! Dank federale overheid, sociale zekerheid en steengoede Belgische Volksgezondheidszorg!

Wat heb ik genoeg van die lawaaierige minderheid van klagers en zeurkousen en zageventen uit allerlei sectoren, die antivaxers en corona-twijfelaars, de verwende Boumers 1, 2 en 3, de agressieve gevaarlijke anti-Viroloog twitterhelden die dan ook nog de media halen.

Als ik die grote tevredenheid bij gewone echte mensen vaststel, vraag ik mij af hoe het kan dat blijkens de laatste opiniepeilingen er schijnbaar toch wel enkele Vlamingen overwegen te stemmen voor partijen die tegenover corona op zijn minst een erg wankelmoedige dubbelzinnige houding vertonen.

Soms ga ik wandelen met niet meer goed te been zijnde dames. De eerste had het in het leven niet makkelijk, vooral na een zwaar auto-ongeval. Ze was jonger dan ik, leefde alleen, had geen computer. We deden een paar administratieve boodschappen, ik haalde een fors park frieten met een ragouzi en joppiesaus.  

De tweede dame, geboren voor de Tweede Wereldoorlog, wilde graag op de begraafplaats het graf van haar jong gestorven kleinkind groeten. Zo kon ik haar de laatste rustplek van mijn zoon tonen. Drie generaties verenigd in verdriet en herinneringen.

Morgen zijn er allerlei versoepelingen, hoera. Binnenkort zoek ik mijn nieuwe vriendinnen op om ergens binnen of buiten die West-Vleteren of Orval uiteindelijk te nuttigen.

Herbeluister op Radio1.

Woensdag 9 juni

Voor mij mag het vandaag, morgen of overmorgen al gebeuren, in het grootste geheim: de landing  op Zaventem of  Melsbroek van een vliegtuig uit het Koerdische gebied in Syrië met aan boord 30 zogenoemde IS-kinderen, en hun 13 moeders, IS-weduwen. Zo discreet als dat maar kan, reizen de kinderen, allen jonger dan 12, verder naar een veilige gezellige plek, terwijl de moeders in verzekerde bewaring worden genomen voor een grondig onderzoek en diepgravende gesprekken. De kinderen vinden daarna hopelijk gezond en wel onderdak bij hun grootmoeders, die met IS en de radicale islam niets te maken hebben. De familie en omgeving van de vaders en alle dubieuze predikers en ronselaars mogen nooit te weten komen waar de kinderen wonen.

En dan begint de lange maar mooie weg naar een positieve toekomst, naar volwaardig burgerschap in onze maatschappij. Dank u regering voor die moedige stap in zo’n pijnlijk dossier over kinderen. Daar moet’ in de politiek om gaan: de organisatie van een humane rechtvaardige maatschappij.  

Al Roj en Al Hol, de namen alleen al. We kennen die verschrikkelijke plekken, Rudi Vranckx is er heen gereisd in het gezelschap van Heidi De Pauw van Child Focus en kinderpsycholoog Gerrit Loots van de VUB. Tussen haakjes, een paar van die moeders zijn witte Vlaamse meisjes die zich om een of andere reden bekeerden tot de islam.

Terecht maken we ons grote zorgen om het lot van tienerprostituees  die door loverboys verleid werden om uiteindelijk in de seksindustrie te verzeilen. Justitie doet alles om die meisjes te zoeken, te bevrijden en te begeleiden, en de ronselaars voor de rechter te brengen.  

Welnu, die IS-weduwen zijn ook als tiener ten prooi gevallen aan een wel heel perfide soort loverboy. De islamistische variant. Maar met dezelfde strategie. Het gaat altijd om zwakke en kwetsbare meisjes, uit moeilijke gezinssituaties, vaak wonend in of weggelopen uit een tehuis. Het is erg dat mannen die het slecht menen hun slachtoffers zo gemakkelijk vinden en kunnen overtuigen. In het geval hier het fata morgana van een nieuw zinvol avontuurlijk leven in een religieuze heilsstaat, waar ze zullen trouwen met een knappe martelaar en lieve kindjes krijgen. In werkelijkheid verschilt hun lot in de woestijn uiteindelijk weinig van dat van hun leeftijdsgenoten in de Belgische prostitutie, ze worden onder meer ook seksslavinnen, alleen is het decor nog mistroostiger.

Als we die kinderen en hun nog jonge moeders op een beschaafde wijze opvangen, kunnen we hen een nieuwe kans geven. Tonen wat onze waarden echt zijn. En wat de veiligheid betreft: iedereen die daar iets over weet, zal u zeggen dat het allergevaarlijkste is kinderen en moeders ginder te houden, waar ze vroeg of laat van de radar verdwijnen.

Ik wil dat de radar van onze politici gericht is op: wat is in alle gevallen de meest menselijke oplossing?

Herbeluister op Radio1.be.

Donderdag 10 juni

Waarde luisteraar van Brussel-Vlaams. Rond deze tijd beëindigt een multicultureel leger vaklui allerlei werkzaamheden in onze woning. Die sleepten nogal aan omdat verscheidene stukken ontbraken bij levering. Het excuus van al die firma’s dezer dagen: het zit op de Ever Given, dat reusachtig containerschip dat eerst het Suez-kanaal blokkeerde en nu aan de ketting ligt. Ik krijg de indruk dat er voor al die uitblijvende onderdelen al twee mammoetschepen nodig zijn.

Maar weet u wat de moed er bij ons inhoudt? Het goede humeur en het talent van die vaklui. De loodgieter is een old school Vlaming van bijna mijn leeftijd. Soms geneer ik mij dat ik hier gepensioneerd rondhang, terwijl hij zijn wervels van zijn ruggengraat sleurt. De sloper van de afgedankte keuken en de vervoerders van de nieuwe waren drie stevige Limburgers, die traag praatten en snel werkten. Een familie Oekraïeners behandelde vloeren en muren. Vader, zoon en zwager en altijd duikt er nog wel een neef of oom op, bekwaam in speciale tegellijmtechnieken. De elektricien is een halve Marokkaan met een Vietnamese naam, gekregen van een een bootvluchteling die hem als zoon erkende, de tijdelijke echtgenoot van zijn Vlaamse moeder.

Op zijn werkdocument zag ik dat hij niet geaarde stopcontacten, maar aardige stopcontacten had geschreven.

Zijn personeelsleden zijn een slanke prins uit Senegal en drie Portugezen. Bij de keukenbouwers zit een keurig Nederlands sprekende man uit de Dominicaanse republiek. Ik tel dus 5 orthodoxe christenen, 3 katholieken, 2 moslims en enkele ongelovigen. Met al hun talen en dialecten schieten die mensen wonderwel met elkaar op. De oudste Portugees vertelt over zijn verleden als vrachtwagenchauffeur en wijnbouwer, en dat hij eens een fles Dao of Vinho Verde zal meebrengen. Soms hoor ik een flard van een exotisch lied, een schaterlach, een vloek, obrigado, shoukran, dobredan, djakuje, gracias en asalaam aleikum. En die mannen zijn zo proper, borstel en vuilblik vinden ze niet beneden hun waardigheid.

Wat een geluk dat al die mensen hier in België en in mijn huis zijn aanbeland. Zonder hen zaten we hier nog de vaat te doen in een zinken teil onder een koudwaterpompzwengel, verschoonden we na gedane zaken ons achterste met verknipt krantenpapier boven een opening in een plank en wasten we ons allen tegelijk in een zitbad waarover Johan Anthierens schreef “het onderlijf baadt, het bovenlijf, droog, kijkt toe”.

Herbeluister op Radio1.be.

Vrijdag 11 juni

Trouwe luisteraar van BRT1. Nu ik hier toch in de buurt ben, ga ik straks voor de laatste maal naar de fotograaf aan de Rogierlaan vlakbij het Meiserplein, La Place Misère. De zaak heet Pages et Images.

Als ik ooit een onderneming start, noem ik die: Teksten en Prentjes.

De aardige vrouw van de zaak komt uit Menen, de bruisende groezelige grensgemeente zo’n 20 kilometer van waar ik geboren ben. Haar man is een Brusselaar die mij steevast meneer De Coster noemt.  

Na vele jaren arbeid in de mooie sector van het beeld gaan die mensen verdiend met pensioen en verhuizen ze naar het uiterste zuiden van België. Dat betekent dat mijn fotocarrière er op zit. Met dat laatste analoge filmpje van 36 foto’s, dat ik begin dit jaar aanvatte. Winterse foto’s op een zomerdag. Hoe fijn ook dat je twee weken moet wachten op ontwikkeling van je kiekjes.

Nog maar 20 jaar geleden waren er in mijn provinciestad drie fotowinkels. Een na een schakelden ze over op de lucratieve verkoop van gsm’s. Toen ontdekte ik die fijne Pages et Images in Schaarbeek. En ja, ik blijf analoog. Echte filmpjes, van Kodak, en glanzende papieren fotoafdrukken. Niet dat ik tegen de moderne tijd ben. Ik heb zelfs de selfie uitgevonden, ik kan u dat tonen.

Het eerste foto-toestel in mijn leven was de Gevabox van mijn vader. Je moest dat voor je buik houden en er van boven in een soort spiegellens in kijken. Binnenopnames konden niet wegens geen flits, en kleur was onmogelijk.  De dag dat mijn zus een toestelletje kocht, fietsten we naar een parkeerterrein waar ze verleidelijk poseerde bij een verlaten Studebaker Hawk. Ik mocht het apparaatje lenen om mee te nemen op schoolreis. In de jaren 80 kocht ik een halfautomatisch onding waar ik toch altijd wel iets aan moest regelen en bijstellen, zodat veel kiekjes letterlijk de mist in gingen.  “Wat een lullig apparaat”, zei een vriend eens. Tijdens een reis in Frankrijk ging het definitief stuk, al die prachtige foto’s die ik had geschoten waren zwart. De volgende camera kreeg ik van mijn broer, die avondschool fotografie volgde, een eervolle vermelding had behaald in een wedstrijd en vreemd genoeg als prijs een rood Oost-Duits toestelletje won van het merk Nova Spectrum. Ik beleefde er plezier aan tot ver na het bestaan van de DDR. Het ging stuk nadat ik er uitgerekend in Weimar op was gaan zitten.

Op de eerste persconferenties die ik een kwart eeuw geleden volgde, waren fotografen nog druk in de weer met het bliksemsnel vervangen van filmpjes. Mijn dochter beëindigde gisteren haar tweede jaar fotografie aan Luca in Brussel. In die twee jaar was ze vooral bezig met analoge foto’s, zelfs met de zogenoemde technische camera, waar je nog lichtgevoelige platen in en uit moet schuiven, en als fotograaf onder een doek kruipen. Het is nu aan haar. Ik stop mijn fototoestel in de vitrinekast van mijn eigen museum.  Dank voor de aandacht, dames en heren.   

Ode aan de bloembak

Geranium, prachtige bloem
die niet mooi is, wijn
van de kruidenier, kip
tussen de vogels, sieraad
van alles wat arm en goedkoop is.


Dichter Hans Vlek had maar schampere verzen veil voor de geranium. Maar als de bescheiden bloem hem helemaal koud zou laten, schreef hij er natuurlijk geen gedicht over. Paul Snoek van zijn kant onderhield een existentialistische conversatie met wat aan zijn venster groeide:


Wij weten bloemen
dat er in de droefheid
vreugde en wat kleur bestaat
en daarom bloemen
zijn wij soms gelukkig
gij en ik.


Het nabije en het kleine vaker opmerken en hopelijk ook meer waarderen, dat zou toch de niet-geringe winst moeten zijn van corona. Een notenbalk die uit een raam kringelt. Een wolkje parfum dat over een muur kruipt. Je ruikt de seringen maar je ziet ze niet. Je vermoedt sardines op een vuurtje ergens onzichtbaar. Knip je zintuigen aan en de dag wordt interessanter.


Een bloeiende bloembak op de vensterbank van een rijhuis in een gewone straat is dus in staat om mijn humeur met tien graden op te warmen. Soms is er één, vaak steken ze elkaar huisnummer na huisnummer met een botanisch virus aan. Paars-en-gele penseetjes, rode geraniums, oranje afrikaantjes of wit-en-purpergestreepte petunia’s als strandparasollen. Een schildershand die kleurtoetsen zet op een canvas met doorgaans meer dan vijftig tinten grijs.
Plantjes kosten bijna niets – elk jaar minder, lijkt het wel, wat verdienen die kwekers er eigenlijk nog aan, vraag ik me af – en toch zijn ze waardevol. Ze hebben je water en je liefde nodig. Soms ook je buren, als je met vakantie bent, om ervoor te zorgen.


Een bloembak is een statement: je doet het niet enkel voor jezelf, maar vooral voor wie langs je gevel wandelt. Tot nut van ’t algemeen, ter verfraaiing van de werkplaats genaamd samenleving. Er zijn al steden die bloembakken of plantjes subsidiëren. Waarom niet? Een trottoirtuintje kan ook, één tegel uit de stoep wippen en er ontspringt een weelderige wisteria, zag ik in hartje Brussel. Een bonte stokroos. Of straks een paar pronte zonnebloemen. Nog mooier als je voor bloemen kiest die bijen lekker vinden.


Alles kan dienen om bloemen in te planten, van de klomp aan de muur tot de witgeschilderde autoband. Misschien werd er vroeger op neergekeken, maar de tijden zijn veranderd. Zelfs het eerbiedwaardige, aanstekelijke BBC-programma Gardeners’ World dat al 60 jaar bestaat heeft het niet enkel meer over royale kasteeltuinen, exotische variëteiten en gazons als biljartlakens, maar ook over huis-, tuin- en keukenbloemen, gezaaid en gekoesterd in potjes en pannetjes op stadsbalkons, koertjes of zelfs het dek van een woonboot. Wel alles goed vastmaken. Ooit zijn mijn terracotta bakken eens van twee hoog op de stoep in scherven gevallen. Niemand gewond, gelukkig, behalve de rode geraniums.


J. C. Bloem – what’s in a name – dichtte: “Alles is veel voor wie niet veel verwacht.” Meer bloem op straat dus! Wie weet worden we “domweg gelukkig in de Dapperstraat”.

(Tertio, 2 juni 2020)

KÄTHE KOLLWITZ

Salon van Sisyphus

Saatfrüchte sollen nicht vermahlen werden

Door Kristien Bonneure

Museum De Reede in Antwerpen toont grafiek en beeldhouwwerk van de Duitse expressioniste Käthe Kollwitz. Haar werk handelt over het lijden, is evenwel nooit miserabilistisch en spreekt van hart tot hart. Kollwitz’ schreeuw om vrede heeft een eeuw later niets aan waarde en relevantie ingeboet.

Als jevanzelevenin de westhoek verdwaalt … dan beland je vroeg of laat in Vladslo, deelgemeente van Diksmuide. Een paar kilometer verder te lande ligt de Duitse militaire begraafplaats bij het Praatbos. Bij het vredesbospad hangen verzen van Lies Van Gasse:

“Dit gaat over verdriet maar ik zeg het anders, als een snelle veelvoetige wind, koud over lanen, als een haastige, zinloze gedachte. Dit gaat over pijn, maar het klinkt als het gefladder van bladeren.”

Tegels met telkens de namen van 20 dode Duitse jongens. Bomen en gras, een haag. Een paar bescheiden kruisen en voorin…

View original post 1.507 woorden meer

Triënnale Brugge: de achterkant van de postkaart

Aan de eerste Triënnales eind jaren 60 en begin jaren 70 bewaar ik enkele heel vroege herinneringen, aan de hand van vader en moeder. De zwanen van Raveel op de reien, de grappig-naïeve schilderijen van Joseph Willaert: leuk voor kinderen. De draad is sinds enkele jaren weer opgepikt met buitenkunst, nog leuker voor kinderen. De derde editie van de Triënnale neemt je mee naar verborgen hoeken van Brugge. Met nu eens spectaculaire en kleurrijke kunstzinnige interventies en dan weer ingetogen, mysterieus en zelfs griezelig werk. En Brugge blijft Brugge: het eerste kantwerkje in de vorm van een coronavirus is gesignaleerd.

Het driejaarlijkse kunstevenement Triënnale in Brugge vaart in 2021 onder de vlag “TraumA”, een woord dat zowel “droom”, “ruimte” of ook echt “trauma” kan omvatten. Curator Till-Holger Borchert: “We kozen dit thema lang voor corona, maar de realiteit haalt ons in.”

13 kunstenaars en architecten uit binnen- en buitenland gingen met het thema aan de slag. Hun vaak opvallende en spectaculaire werk is gratis te bekijken op bijzondere locaties en vaak verborgen, minder bekende plekken. Till Holger-Borchert: “Het is een herontdekkingstocht. We spelen met het bekende imago van Brugge.” Zijn collega-curator Michel Dewilde valt hem bij: “We willen achter het picture-perfect, Zwitserse-Alpen-plaatje van Brugge kijken.  Onder de waterlijn, onder het rimpelloze. Want deze stad heeft zoveel geschiedenissen. En wat dan bovenkomt zijn wonderlijke maar ook bedreigende verhalen.” 

De kunstwerken vertellen over dromen en nachtmerries, of gaan over wat zichtbaar en wat verborgen is, met een hint naar het bekendste boek over Brugge, “Bruges-la-morte” van Georges Rodenbach. 

Voor de feestelijke kleurrijke droom zorgt de Amerikaanse textielkunstenares Amanda Browder. Met honderden vrijwilligers naait ze stukken stof aan elkaar om straks gebouwen mee te bekleden. Dat is wegens corona wat vertraagd; nu ligt er wel al een digitale print over het water aan de Verversdijk, de plek waar in de middeleeuwen laken werd gekleurd. “Ik wil de naaisters, de wevers, iedereen die met textiel werkt opwaarderen,” zegt Browder, “denk maar aan de wol of de kant die voor Brugge zo belangrijk waren. Vaak vrouwenwerk dat onterecht niet werd opgemerkt.” 

Amanda Browder vroeg en kreeg van de Bruggelingen stapels stofrestjes en zette een naaiatelier op. “Openbare kunst brengt mensen samen. Om stof te spelden, te leren naaien. Later als het werk er hangt kunnen inwoners zeggen: kijk, dat stukje is van mij, of dat patroon doet me aan iets denken.” Het creatieproces is het belangrijkste, stipt Browder aan. Haar werk “Happy coincidences” is een bij uitstek sociaal project. In de loop van de zomer zullen er drie enorme “quilts” in Brugge hangen; een reusachtig geprint voorproefje is alvast over het water gespannen aan de Verversdijk:

Nog meer textiel van de Amerikaanse Laura Splan, die op het snijvlak van kunst, design en wetenschap werkt. Ze is gefascineerd door de vorm van virussen. En zo kreeg het eerste kantwerkje met de typische coronastekels vorm. Het hangt, naast een videoinstallatie van Splan, zeer toepasselijk in het museum Onze-Lieve-Vrouw ter Potterie, waar lang geleden pestlijders werden verzorgd.

Hermetisch zwart

Voor de nachtmerrie van de Brugse Triënnale moet je in de kerk van het Grootseminarie zijn. De Duitser Gregor Schneider bouwde daar een hermetisch labyrint van zwart fluweel. Je stapt de kerkpoort binnen, wordt opgeslokt door de nacht en al na enkele ogenblikken voel je je volstrekt verloren. Er zit niets anders op dan voorzichtig en op de tast verder te schuifelen, tot er letterlijk zwak licht komt aan het einde van de tunnel. Niet voor claustrofoben. De installatie heet “Black Lightning” en doet denken aan “Het hermetisch zwart”, een roman van Marguerite Yourcenar, die zich afspeelt in het middeleeuwse Brugge. 

Henrique Oliveira

Rond en boven de bomen

Voor mensen zonder hoogtevrees is er “Strangler” in de schitterende tuin van het Gezellehuis (zie foto boven dit artikel). De Mexicaanse kunstenaar Héctor Zamora bouwde een fluorode stelling en spiraalvormige trap rond een enorme den. Als een slingerplant die de boom bedreigt. Zamora: “Ik wil de spanning laten zien tussen het organische en de menselijke structuren. De boom is natuurlijk een universeel symbool. Bij openbare kunst als deze moet je een open taal spreken.” Wie zich tot boven waagt heeft op 30 meter hoogte een mooi panorama over een relatief onbekende hoek van Brugge. Op de begane grond slaat het borstbeeld van Gezelle, omringd door fluostellingen, alles gade.

Natasja van het Begijnhof

De Poolse kunstenaars Joanna Malinowska en C.T. Jasper brachten een kopie van een oud communistisch standbeeld naar Brugge. Het was ooit een “cadeau” van de Polen aan de Sovjet- “bevrijders” en werd door de bevolking “Natasja” genoemd. Anno 2021 draagt Natasja de symbolen van de feministische strijd in Polen, tegen de beperking van het recht op abortus en andere vrouwenrechten. “In dat opzicht waren we beter af in de Sovjetjaren dan nu,” zegt Joanna Malinowska. Dat het beeld in het Begijnhof staat, tussen de huisjes waar devote, maar tegelijk zeer zelfstandige vrouwen woonden, is geen toeval.

In de schaduw van de bomen op de Burg, waar ooit de Sint-Donaaskerk stond, heeft de Tunesisch-Oekraïens-Duitse Nadia Kaabi-Linke een ronde zitbank neergepoot, bekleed met ijzeren stekels als om duiven weg te jagen. Het werk “Inner circle” heeft veel betekenissen, licht ze toe. Het gaat over gesloten cirkels en clubs, waar je bijhoort of net niet. Over de menselijke drang om alle natuur te controleren: “Duiven wegjagen met ijzeren pinnen? Die vogels die symbool staan voor vrijheid en vrede?” Maar ook over (on)gastvrijheid tegenover migranten en vluchtelingen. Of over de vraag hoe toegankelijk de publieke ruimte nog is. Zitten kun je niet op de ronde bank, maar de eerste snoodaard heeft er al wel een appel op gemikt. 

Ook de “Colonnade” op de Komvest, aan de noordrand van Brugge, speelt met “in” en “uit”, binnen en buiten. Het bouwwerk van Gijs Van Vaerenbergh lijkt wel een omgevallen bos of een Griekse tempel na een aardbeving, met dikke zuilen van roestkleurig metaal. Het architectenduo Gijs Van Vaerenbergh is bekend van hun stalen doorkijkkerkje in Borgloon en van een al even roestkleurig labyrint in C-mine. 

Gijs Van Vaerenbergh is een van de drie Belgische deelnemers aan de Brugse Triënnale, naast Nadia Naveau, die kleurige maskers en linten laat weerspiegelen in het water van de stille Augustijnenrei, en Hans Op de Beeck, voor wiens werk we nog wat geduld moeten oefenen. Wegens corona zal zijn “Danse macabre”, een stilstaande carroussel op ware grootte, pas op 10 juni klaar zijn. Het wordt een mysterieuze, versteende, grijsgekleurde draaimolen naast de barokke Walburgakerk. 

De Triënnale van Brugge loopt van 8 mei tot 24 oktober en is gratis. Bijna alle buitenwerken zijn 24/7 te bekijken. Voor de groepsexpo “De poreuze stad” in de Poortersloge en voor enkele andere locaties moet je wel reserveren. Alle info over de Triënnale vind je hier.

Lees dit artikel met video en audio op vrtnws.be.

Nadia Naveau
Nnenna Okore

Als de bliksem

De Abdij van Park is behalve een populaire wandelplek in Leuven ook een site met een eeuwenoude geschiedenis. Voor het eerst zijn nu prachtig gerestaureerde ruimtes in de abdij toegankelijk. De tentoonstelling “Als de bliksem” gidst je door 900 jaar geschiedenis van de kloosterorde van de norbertijnen. “Niet veel organisaties blijven zolang bestaan,” zegt prior Jozef Van Osta fijntjes.

Het is twee keer feest voor de Abdij van Park in 2021: de kloosterorde van de norbertijnen bestaat precies 900 jaar én het resultaat van jaren restauratie kan aan het publiek worden getoond. De titel van de bijhorende expo “Als de bliksem” verwijst naar de stichter Norbertus. Hij werd volgens de legende letterlijk van zijn paard gebliksemd en besloot in 1121 om een eerste abdij te stichten in Prémontré in het noorden van Frankrijk. Snel daarna volgden abdijen in Floreffe, Grimbergen, Averbode, Tongerlo of Leuven.

foto Cedric Verhelst

Verbluffende plafonds

Het levenspad van Norbertus valt af te lezen van de gebouwen in Heverlee. De monumentale bibliotheek heeft een tongewelf en het plafond barst van scènes uit het leven van Norbertus in prachtig 17e-eeuws stucwerk van Jan Christiaan Hansche.  Er staan ligzetels klaar om achterover te leunen en alles goed te kunnen bekijken.  De bib doet wat denken aan die van het beroemde Strahov-klooster in Praag, waar de relieken van de heilige Norbertus liggen. Voorwerpen uit Strahov zijn ook in Leuven te zien.

Nog een wonderlijk plafond in de refter op de begane grond, met onder meer een laatste avondmaal dat lijkt neer te dalen. Spiegels helpen om alle details te bestuderen, zonder een stijve nek op te lopen.

In de vierkante kloostergangen duikt een andere schat op: een 20-tal 17e-eeuwse glas-in-loodramen van Jan de Caumont. Ze laten als een stripverhaal het leven van Norbertus zien. Na de Franse revolutie verkochten de paters de collectie van 41 glasramen, om den brode. De voorbije jaren is hemel en aarde verzet om ze op te sporen, tot in de Amerikaanse Yale-universiteit toe. “Zelfs in sjieke mansions op Fifth Avenue”, zegt Katrien Deckers, expert gebouwen en restauratie van de stad Leuven. De glasramen hangen weer op hun oorspronkelijke plek. Ze zijn in 2018 erkend als Vlaams Topstuk.

foto Cedric Verhelst

Voor het eerst kunnen bezoekers ook in de gerestaureerde vertrekken van de abt rondwandelen, met een privékapel en privébibliotheekje, waar achter een valse wand boeken … een brandkast zat. De abt was en is ook een manager. De abdij als bedrijf: daar laat de expo veel historische illustraties van zien zoals kaartenboeken of rekeningen. 

Voor de tentoonstelling “Als de bliksem” zijn voorwerpen uit andere norbertijnerkloosters verzameld en ook uit musea, bibliotheken en privécollecties. Zoals de befaamde “Atlas Maior” uit de Abdij van Tongerlo, recent aangekocht door de Phoebus Foundation van Fernand Huts. Of het prachtige “Antifonarium Tsgrooten”, een versierd muziekboek uit de 16e eeuw. 

Een van de best bewaarde abdijsites van de zuidelijke Nederlanden

Het centrale thema van de expo is schoonheid, zegt Stefan Van Lani, beleidscoördinator van Abdij van Park. “Schoonheid in vele lagen.” Jozef Van Osta, prior van de Abdij van Park, beaamt: “Niet alleen de stukken van de tentoonstelling, maar ook de vertrekken zijn zeer mooi. Dat vind je in weinig andere abdijen, Park is een van de best bewaarde abdijsites in de zuidelijke Nederlanden.”

Niet zomaar mooi erfgoed

“Voor ons zijn die gebouwen niet louter mooi erfgoed. Hier is geleefd, hier hebben andere mensen gewandeld in de gangen, gebeden in het koorgestoelte, gekookt in de keuken, gewerkt in de moestuin. Je plaatst je in een boeiend en lang verhaal. Je moet dat met respect doen om het ook weer door te geven aan de mensen na ons,” zegt prior Van Osta, die zichzelf een kleine schakel noemt in de 900-jarige geschiedenis van de norbertijnen.

Van Osta kwam in 2013 met enkele confraters over van Averbode naar Heverlee. Nu woont daar nog maar een vijftal norbertijnen, aangevuld met studenten theologie, zoals pater Benjamin uit Kinshasa.  

“Niet veel organisaties blijven 900 jaar bestaan”, zegt prior Van Osta. “Onze formule, ons ideaal van “gemeenschap” is dan toch niet zo dom. Dat willen we ook in de toekomst graag verderzetten. Vanzelfsprekend is dat niet. Zeker wat religieuzen betreft is het in het geseculariseerde België niet eenvoudig  voor een jonge man of vrouw om te zeggen: ik ga in dienst van de kerk en de mensen in zo’n gemeenschap leven.” Hij voegt er wervend aan toe: “Jonge mensen, als je er nog maar aan denkt: probeer het, waag het, het is de moeite waard. Ik ben er zelf gelukkig mee.”  

Mensen hebben nood aan introspectie en houvast

Abdij van Park is een historische, groene site in de stad. Burgemeester Mohamed Ridouani (Vooruit): “In 2011 heeft de stad Leuven een erfpacht genomen op de hele site van de norbertijnen. Met de Vlaamse overheid is afgesproken om samen de restauratie in gang te steken. Heel wat partners hebben de handen in elkaar geslagen.” De restauratie, voor een bedrag van alles samen 42 miljoen euro, zal pas in 2025 helemaal afgerond zijn.

Burgemeester Ridouani noemt de rol van een abdij in 2021 essentieel. “Mensen hebben nood aan introspectie en houvast. Deze abdij is een stille getuige van een eeuwenlange geschiedenis. Maar met een eigentijdse invulling: een bioboerderij, straks ook opleiding biolandbouw, sociale economie met een winkel, een microbrouwerij. Deze abdij koestert het verleden maar kijkt resoluut naar de toekomst.”

Norbertijnen worden ook wel “witheren” genoemd, naar de witte gewaden of habijten die ze dragen. Of “premonstratenzers” naar de eerste abdij van Prémontré. Ze volgen de regel van Augustinus. Ze combineren het kloosterleven met engagement in parochies, onderwijs, zorg of missionering. Er zijn ook vrouwelijke norbertinessen. Volgens gegevens van 2017 zijn er 159 norbertijnen in Vlaanderen. Bekende abdijen zijn Grimbergen, Tongerlo, Averbode, Postel, Leffe, Park in Heverlee.

De tentoonstelling “Als de bliksem” in Abdij van Park Leuven loopt tot 1 augustus. Reservatie noodzakelijk.  Het bijbehorende boek onder redactie van Janick Appelmans, Herman Janssens en Stefan Van Lani is uitgegeven bij Averbode.

Lees dit artikel ook met video en audio op vrtnws.be.

Charles Baudelaire 200, de man die Brussel een “hoofdstad van apen” noemde

De teksten van de Franse schrijver Charles Baudelaire zijn tientallen keren op muziek gezet, van Debussy tot Gainsbourg en The Cure. Voor zijn 200e verjaardag verschijnen allerlei nieuwe uitgaven en vertalingen. De vernieuwende dichter van de erotiek en de dood, de “godfather of gothic”, is springlevend. Hij woonde enkele jaren in Brussel, maar hij haatte die “hoofdstad van apen”, waar vrouwen “voortdurend schoonmaken met bruine zeep”.  

Charles Baudelaire, 200 jaar geleden geboren, is nog altijd een van de bekendste en beruchtste Franse dichters, met als belangrijkste thema’s erotiek en dood. Zijn bundel “Les fleurs du mal” uit 1857 leverde hem een boete op wegens openbare zedenschennis. Zes gedichten, waaronder “Les bijoux”, werden eruit geschrapt. Pas een eeuw later mochten ze in Frankrijk weer verschijnen. Recent werd een uitgave geveild waarin Baudelaire eigenhandig een nieuwe strofe had toegevoegd aan “Les bijoux”.

Een ander belangrijk boek is “Le spleen de Paris“, waarin hij door Parijs flaneert en allerlei personages observeert. Charles Baudelaire was behalve een vernieuwer in de Franse letteren ook een van de eerste vertalers van het werk van “griezelauteur” Edgar Allen Poe.

Brussel, een hoofdstad van apen

Verschillende draden verbinden Charles Baudelaire met ons land.  Op het eind van zijn leven, van 1864 tot 1866, verbleef hij in het Hôtel du Grand Miroir in de Bergstraat in Brussel. Maar zijn lezingen lokten geen volk, hij ving bot bij veel uitgevers en hij werd steeds zieker als gevolg van de geslachtsziekte syfilis, wat hem er niet van weerhield om het nachtleven te blijven opzoeken. In “De eeuw van Brussel” beschrijft Eric Min zijn lamentabele toestand. 

In 1867 overleed Baudelaire in Parijs. Pas na zijn dood verscheen “Pauvre Belgique!”, een pamflet waarin hij keihard afrekent met zijn tijd in Brussel. Het is puur scheldproza, een “catalogus van de domheid en de brutaliteit” van ons land, schrijft Eric Min. Baudelaire hekelt de koning, de straten, de gebouwen, de stank van Brussel, “een hoofdstad om te lachen, een hoofdstad van apen”.  

Flaneren lukt niet in Brussel, want daar zijn de stoepen en straten niet geschikt voor. Brusselaars hebben “duistere, vormeloze gezichten”, ze praten moeilijk, de woorden blijven hen in de keel steken. Het Brusselse bier faro lijkt wel “twee keer gedronken” of “uit de latrine van de Zenne geschept”. De vrouwen “poetsen onafgebroken met bruine zeep”, maar blijven stinken als een ram, schrijft Baudelaire in dit spotdicht:

La propreté des demoiselles belges

Elle puait comme une fleur moisie.
Moi, je lui dis (mais avec courtoisie) :
« Vous devriez prendre un bain régulier
Pour dissiper ce parfum de bélier. »

Que me répond cette jeune hébétée ?
« Je ne suis pas, moi, de vous dégoûtée ! »
— Ici pourtant on lave le trottoir
Et le parquet avec du savon noir !

In 1864 trof Baudelaire in Namen de Belgische tekenaar en etser Félicien Rops, “de enige echte artiest die ik in België ontmoette.” Ze deelden hun fascinatie voor het skelet. Rops illustreerde enkele verboden gedichten van Baudelaire; het boekje heet “Les épaves” of “De wrakstukken”. 

Volop nieuwe uitgaven en vertalingen

Voor zijn 200e geboortedag geeft de prestigieuze Bibliothèque de la Pléiade van Gallimard het volledige werk van Charles Baudelaire opnieuw uit.

“Luxe, calme et volupté”, dichtte Baudelaire. Godfried Bomans vertaalde dat ooit spottend als “Luxe, kalmte en volop thee”. Er zijn allerlei nieuwe Nederlandse edities van Baudelaire op de markt.

Bijvoorbeeld Het spleen van Parijs”, (spleen betekent melancholie, red) in een vertaling van Jacob Groot met erotische illustraties van de Tsjech Miro Svolik. Hetzelfde werk verschijnt in het najaar in een vertaling van Hafid Bouazza met illustraties van Marlene Dumas

Vertaler Jacob Groot ziet Baudelaire als “de vader van de moderne poëzie” en “het prototype van de poète maudit”. “Het spleen van Parijs” bestaat uit een 50-tal korte stukken, “anekdotische snapshots of columns avant la lettre”. De dichter flaneert in de hoofdstad, gaat op in de menigte en is tegelijk buitenstaander, en tekent portretten van personages als minnaressen of straatjochies.  

Eveneens net uit: “De bloemen van het kwaad met vertalingen van gedichten en prozastukken door de Nederlandse romantische dichter Menno Wigman, die twee jaar geleden overleed. Ook de brieven van Charles Baudelaire zijn nu in het Nederlands beschikbaar, in de reeks Privédomein van de Arbeiderspers, met als veelzeggende titel ”Mijn hoofd is een zieke vulkaan”. 

Van Debussy over Gainsbourg tot The Cure

Tientallen componisten en liedjesschrijvers hebben verzen van Charles Baudelaire op muziek gezet, van klassieke componisten als Claude Debussy over chansonniers als Léo Ferré , Serge GainsbourgMylene Farmer tot new-wavers als The Cure (“How beautiful you are” is een bewerking van “Les yeux des pauvres” uit “Le spleen de Paris”) of allerlei metalbands die inspiratie putten uit de “gothic” kant van Baudelaire.

Lees dit artikel met videofragmenten op vrtnws.be.

Pen, letters, papier

Na tien minuten klungelen om het klokje van de magnetron bij de zomertijd te krijgen weet ik het weer. Ik zal altijd meer analoog dan digitaal zijn. Sommige dingen kunnen niet verbeterd worden. Behalve voor een knoop, veter, schaar, emmer of kruiwagen geldt dat zeker voor een notitieboekje, pen, potlood of balpen. Als het tenminste geen ongevraagde promostylo is voor een of andere goed doel, die geheid uitloopt in je tas.

Van veel mensen in mijn omgeving ken ik het handschrift niet meer. We communiceren vlotter dan ooit dankzij eentjes en nulletjes, maar daardoor mis ik toch een inkijk in iemands intimiteit en persoonlijkheid. De beweging van de hand, de lussen, punten, hoofdletters, de pen hard krassend of het papier zacht kussend. Schrijf het maar op: grafoloog wordt een uitgestorven beroep.

100 jaar geleden componeerde Paul van Ostaijen zijn meesterwerk Bezette stad. Het manuscript is onlangs aangekocht door de Vlaamse Gemeenschap. Nu is het van ons allemaal en kunnen we het bewonderen in het Letterenhuis in Antwerpen. Nog los van de verontrustende en brandbare inhoud is het een feest voor wie van handgeschreven tekst houdt, met woorden die over de bladzijden dansen in zwarte en rode inkt, in dikke en dunne letters, nu eens beheerst, dan weer woedend. Van Ostaijen schreef en tekende zijn papieren revolutie piekfijn uit en na een verhitte correspondentie tussen Berlijn en Antwerpen werd het boek uiteindelijk gedrukt.

Ik kon de voorbije weken enkele jonge kunstenaars volgen die zich op Bezette stad hebben geïnspireerd. Dichteres Lisette Ma Neza en cineaste Maja Ajmia Yde Zellama schreven elkaar ouderwetse brieven tijdens de eerste lockdown, van Brussel naar Breda en omgekeerd. Voor een brief moet je gaan zitten, in tegenstelling tot een whatsappje. Ze hebben elkaar veel vragen gesteld. Het schrijven bleek een echte introspectie.  Vanuit hun brieven vertrokken ze om creatieve video’s te maken, kinderen van deze tijd.

Illustratrice Shamisa Debroey vervaardigde ambachtelijke zeefdrukken met woorden van Van Ostaijen maar ook logo’s van allerlei sociale media. Die doen alsof ze ons een schuilplaats bieden maar wiegen ons eigenlijk in slaap, net als de Music Hall een eeuw geleden. Je kan makkelijk een hele dag zoekmaken door te bingewatchen, maar daarmee zorg je niet voor jezelf, vindt Shamisa. Laat staan dat je er de wereld mee verbetert.

Papier of scherm, inkt of pixels. Verbazingwekkend hoe de boodschap al die media overstijgt en moeiteloos een eeuw overspant. Veel jonge mensen ervaren een groot onbehagen, ze verlangen naar een andere, betere, rechtvaardigere wereld. Met die Antwerpse hemelbestormer van 100 jaar geleden voelen ze zich zeer verwant. Paul van Ostaijen was jong en angstig in de oorlog, zij ervaren hetzelfde in deze pandemie. Net als hij willen ze allerminst terug naar het oude normaal.

Tertio, 7 april 2021
Lees meer over het werk van de jonge kunstenaars op vrtnws.

“Onmisbaar gelijk een kookboek”

Collectie Vlaamse Gemeenschap, foto : Bart Huysmans en Michel Wuyts

“Boem paukeslag”: 100 jaar geleden verscheen “Bezette stad” van Paul van Ostaijen. Het Letterenhuis in Antwerpen toont nu voor het eerst het handschrift dat onlangs is aangekocht door de Vlaamse Gemeenschap. De expo “Bezette stad 100” vertelt het boeiende verhaal van de Eerste Wereldoorlog in Antwerpen, de Berlijnse jaren van Paul van Ostaijen en zijn revolutionaire gedichten.

Het was groot nieuws enkele weken geleden: er was een handgeschreven versie van “Bezette stad” opgedoken en de Vlaamse Gemeenschap kocht het aan voor 725.000 euro. Dat monument uit de literatuurgeschiedenis is nu voor het eerst te bewonderen in het Letterenhuis in Antwerpen, dat er een grote tentoonstelling rond opzet. Het is dan ook het Van Ostaijenjaar. Hij werd 125 jaar geleden geboren en zijn revolutionaire boek “Bezette stad” verscheen precies een eeuw geleden. 

“Iedereen kent “Boem paukeslag”, zegt co-curator Lies Galle. “We willen in deze expo in het Letterenhuis de verhalen in en achter de bundel vertellen. “Bezette stad” is een iconische bundel, die brak met wat men toen kende. Het is baanbrekende typografie en aan flarden geschoten poëzie om de Eerste Wereldoorlog die Paul van Ostaijen meemaakte in beelden te scheppen. “

De oorlog van 1914-1918 onderging Van Ostaijen in Antwerpen en de buurgemeenten. De bombardementen, de zeppelins, de Duitse soldaten in de straten. De haven die stilviel, de vluchtelingen en ondanks alles het vertier ’s avonds in feestzalen of “music-halls” als Le Scala of de Wintergarten. Het Letterenhuis dompelt je meteen in de oorlogssfeer met enorme foto’s, bijpassende verzen van Van Ostaijen en geluiden van toen.

Co-curator Johanna Ferket wijst meteen op de parallellen met deze coronatijd: “De bundel is heel actueel. De Eerste Wereldoorlog veroorzaakte een enorme crisis, net als nu in zekere zin, maar tegelijk is er een impuls om daar met nieuwe kunst op te reageren om tot een nieuw begin te komen, een nieuwe wereld te creëren.”

“Bezette stad” is namelijk niet enkel een literair experiment maar ook een ideologisch manifest, verduidelijkt Lies Galle. De oorlog was een kans om naar een soort nulpunt, een “nihil” te gaan en vandaaruit een betere, mooiere wereld te scheppen. Het is revolutie op papier. Van Ostaijen breekt met het klassieke vers, hij schopt ook tegen alle heilige huisjes van folklore, gezag, bourgeoisie, kerk, en hij doet dat soms op een heel humoristische manier.”

Mooi voorbeeld daarvan: het papieren “buikbandje” dat rond “Bezette stad” werd geschoven, om er reclame voor te maken in de winkel: 

Van Ostaijen overdreef niet, zegt Johanna Ferket: “Het was het modernste van het modernste. Op die manier vorm en inhoud laten samengaan was nog nooit eerder gezien in de Vlaamse en ook de internationale literatuur.” 

Net als in de film

In 1921 was de film een nieuw massamedium en Paul van Ostaijen en zijn vrienden waren erdoor betoverd. Op de expo zijn fragmenten uit boevenfilms te zien, waar de meesterdief het steevast haalt van het gezag, waar de wereld op zijn kop wordt gezet. In één van de filmscenes is de hoofdrol voor de Zweedse actrice Asta Nielsen, die vaak wordt genoemd in “Bezette stad”. “Ze werd aanbeden als een goddelijk wezen,” zeggen de curatoren. Dat Van Ostaijen kleuren als “pruisies blauw” of “violet” noemt in zijn gedichten heeft alles te maken met de kleurenfilters die in de bioscoop werden gebruikt. Hij past ook al schrijvend regelrechte filmtechnieken toe, als hij van een overzichtsbeeld overschakelt naar een detail waar hij op inzoomt.

Cocaïne op de post

De expo grijpt de sfeer van de oorlogsjaren in Antwerpen en het artistieke klimaat in Berlijn, waar Paul van Ostaijen in 1918 heen trok en waar hij een levendige correspondentie onderhield. Er werd hem zelfs “kokaine” toegezonden, of in zijn geheimtaal “merkandijs”.

De echte archiefdocumenten stelen natuurlijk de show. Het gaat onder meer om unieke stukken uit een privécollectie die nu voor het eerst te zien zijn, documenten uit de Berlijnse periode, de eerste proefdrukvellen van “Bezette stad”, de brieven van zijn vormgever Oscar Jespers die letters stempelde als voorbeeld.

De sensatie spat van de pagina’s

En natuurlijk het eigenlijke handschrift van “Bezette stad”, sinds heel recent ons aller collectief bezit. Het bestaat uit losse pagina’s, waarvan het Letterenhuis er verschillende laat zien. Voor maximaal drie maanden, daarna moeten ze weer de duisternis in. Teveel licht is niet goed.

“Een heel indrukwekkend manuscript,” vindt Johanna Ferket, “met alle details en de visie die er in zit. “We werden er een beetje stil van toen we het voor het eerst zagen,” voegt Lies Galle toe. “Omdat er zoveel hard labeur in gekropen is, en kijk hoe netjes en mooi vormgegeven alles is. De sensatie spat van de pagina’s. Het is een echt kunstwerk.”

Het is een echt kunstwerk

Omdat hij al die dikke, grote, scheve letters en rare bladspiegels niet kon typen, maakte Van Ostaijen een  volledig met de hand getekende en ontworpen versie van “Bezette stad”, bedoeld voor vormgever Oscar Jespers die voor de druk moest zorgen. Sinds kort maakt dat unieke boek dus deel uit van de Vlaamse Topstukkencollectie. Net als een ander handschrift van Van Ostaijen, dat ook te zien is in Antwerpen, “De feesten van angst en pijn”. Lies Galle: “De twee zijn hier nu weer herenigd. Ze hebben wellicht samen op zijn bureau gelegen in Berlijn.” 

De tentoonstelling Bezette stad 100 is te zien tot 27 juni in het Letterenhuis in Antwerpen. Reserveren noodzakelijk.

Tegelijk is er de reizende installatie “Boem Paukeslag Bezette stad X5” waarin jonge kunstenaars hun interpretatie brengen van Van Ostaijen. Die expo start in de bibliotheek van Hasselt en is daarna onder meer te zien in Brussel, Gent en Oostende. Met Jens Meijen, Lisette Ma Neza, Maja Ajmia Yde Zellama, Shamisa Debroey en Younes van den Broeck aka Spitler. 

Hier vindt u een overzicht van alle activiteiten in het Van Ostaijenjaar.

Lees dit artikel met video op vrtnws.be

Unieke vondst in het VRT-archief: radioverslag van de derde begrafenis van Paul van Ostaijen

Dichter Paul van Ostaijen werd 125 jaar geleden geboren en zijn meesterwerk “Bezette stad” is een eeuw oud. Komend weekend gaan twee tentoonstellingen open over Van Ostaijen. Net nu duikt in het VRT-archief een plaatopname op met een verslag van de herbegrafenis van Paul van Ostaijen op het Schoonselhof in Antwerpen. De plaat is onlangs gedigitaliseerd, samen met duizenden anderen oude opnames.

Paul van Ostaijen staat volop in de belangstelling, een eeuw na de publicatie van zijn revolutionaire dichtbundel “Bezette stad”. Van Ostaijen stierf erg jong, op zijn 32e, aan de gevolgen van tuberculose. Hij was opgenomen in een sanatorium in Miavoye, in Wallonië. Daar overleed hij in 1928 en werd hij eerst begraven op het plaatselijke kerkhof.

In 1932 werd zijn stoffelijk overschot naar Antwerpen overgebracht en werd hij opnieuw ter aarde besteld op de begraafplaats Schoonselhof. Dertig jaar later kreeg Van Ostaijen dan zijn definitieve rustplaats op het erepark van dezelfde begraafplaats, waar de belangrijke burgers van de stad Antwerpen liggen. Van die derde (!) begrafenis is nu een uniek klankverslag opgedoken in de VRT-archieven. Het stond op een lakplaat, die recent gedigitaliseerd werd.

Op reportage met een “lakplaatgraveermachine”

Lakplaten hoorden bij de eerste manieren om klank te registreren, voor andere “dragers” zoals de magneetband, de vinylplaat, de cassette, de cd of de usb-stick. Lakplaten waren in gebruik bij het NIR, de voorloper van de VRT, van 1930 tot begin jaren 60. Het zijn metalen, glazen of kartonnen platen platen met een laagje lak, waarin de geluidsopname werd gegroefd.

Alan De Feyter, die de Van Ostaijen-opname opdook en restaureerde in het VRT-archief, neemt ons mee naar 1952. De lakplaten werden ter plekke gemaakt. Naast het graf van Van Ostaijen moet dus een technicus in de weer zijn geweest met microfoons en met twéé graveertoestellen om op tijd te switchen, want de plechtigheid duurde langer dan één plaatkant. De opnamen beslaan dus twee kanten van twee verschillende platen. Op het ene label staat “Nachtelijke optocht – Van Ostaijen”, op het andere “Schoonselhof”. De datum is ook bekend: 8 november 1952. Meer informatie is bij de plaat niet te vinden.

Witte aanslag als op oude chocolade

Dergelijke oude lakplaten zijn kwetsbaar, vaak ligt er een laag viezigheid en vet op, zoals een wit waas bij oude chocolade. Als een opname werd afgespeeld maakten de studiotechnici aantekeningen met waskrijt. Soms zijn er stukjes die ontbreken als de lak afgeschilferd is.

De voorbije drie jaar zijn zo’n 14.300 lakplaatkanten uit de VRT-kelders schoongepoetst en gedigitaliseerd. Daar staan vooral eigen muziekopnames op, naast gesproken woord en “veldopnames”. Alan De Feyter: “Ik ben nu bezig met geluiden uit een brouwerij in Mechelen uit 1930, waar je het hoefgetrappel van de paarden hoort…” Een schat aan onuitgegeven informatie, waar voor de digitalisering en de ontsluiting wordt samengewerkt met meemoo, het Vlaams instituut voor archief.

Kerkklokken

Eind december 2020 werd het digitalisatieproject onder leiding van Christien Fettweis afgerond. Nu is het archief deze audiobestanden volop aan het monteren en restaureren. “Dit vervolgtraject is nog maar net opgestart en leverde alvast een eerste prachtige audiofile op, een uniek tijdsdocument,” zegt Kathleen Bertrem van het VRT-archief.

Vaak is het zoeken naar welke plaatkanten bij elkaar horen. En “we halen de kliks en bijgeluiden weg, we verbeteren de verstaanbaarheid,” legt Alan De Feyter uit. Dat is mooi gelukt bij de opname rond het graf van Van Ostaijen. De stemmen klinken relatief helder en in de achtergrond zijn zelfs kerkklokken te horen.

Digitaal restaureren is mensenwerk. Elke opname, elke plaatkant klinkt anders, zelfs binnen één verhaal. “Het duurt zo’n 10 minuten om 1 minuut originele klank goed te krijgen,” zegt De Feyter, “ik ben dus voor een uurtje oude opnames vaak een hele dag bezig.”

Terug naar de twee lakplaten met de summiere informatie over Van Ostaijen. Via de datum gingen de archivarissen op zoek naar meer informatie en context. “Het leek wel detectivewerk,” zegt Alan De Feyter.

En zo werd duidelijk dat het om de herbegrafenis van Paul van Ostaijen ging en wie de verschillende sprekers waren. En dat het radioverslag twee dagen later op 10 november ’s avonds om tien voor acht (gedeeltelijk) werd uitgezonden in het regionale nieuws op “Studio Antwerpen”. In de rubriek Actualiteit, gepresenteerd door L. Gypen, en gevolgd door een “Bonte Avond” vanuit Zaal Moderne in Wijnegem. Van Ostaijen zou er om lachen. Tussen haakjes: in november 1952 is er nog net geen televisie, die doet pas een jaar later haar intrede.

De klankopname duurt 21 minuten en bevat toespraken van Ger Schmook, toentertijd directeur van de stedelijke bibliotheken van Antwerpen; van Julien Kuypers van de NIR, van Jozef Muls, uitgever van het blad “Vlaamsche Arbeid” waarin Van Ostaijen publiceerde en van dichter Etienne Schoonhoven die het gedicht “Nachtelijke optocht” voordraagt.

Van Ostaijen zou zichzelf uitlachen bij een officiële plechtigheid

Wat is er nu precies te horen op dit unieke tijdsdocument? We schrijven 8 november 1952. De Boekenbeurs is aan de gang en voor het eerst verschijnt het verzameld werk van Paul van Ostaijen. Bij die gelegenheid, 24 jaar na zijn dood, krijgt de dichter een nieuwe rustplaats op de begraafplaats Schoonselhof bij Antwerpen. Een plechtigheid? Dat ontlokt een van de sprekers de commentaar dat Van Ostaijen, “zichzelf zou uitlachen moest hij ooit vermoed  hebben dat men hem officieel zou huldigen.” Aan het woord is Julien Kuypers, toen voorzitter  van de Raad van Bestuur van de NIR, de voorloper van de VRT en heel actief in het kunst- en cultuurleven in Antwerpen.

Julien Kuypers spaart de loftuitingen niet. Hij noemt Van Ostaijen “een schone jongeman”, een “rijke belofte en veel meer dan dat”, een “geniaal aangelegde, maar roekeloze ruitentikker”. Iemand “die de bergen bestormde in een land van veel lage, vlakke horizonnen.”  Of nog: een “roekeloos geniale spuiter (in de betekenis van grappenmaker, red.)”, een “poète maudit” (een verdoemde dichter, red.). Kuypers stipt aan dat in 1952 “zijn geest voorleeft, dat hij werkelijk in de dagelijkse productie van onze poëzie aanwezig is.”

Auteur en uitgever Jozef Muls publiceerde het werk van Paul van Ostaijen in zijn tijdschrift “Vlaamsche Arbeid” en neemt ook het woord op zijn herbegrafenis in 1952. Hij heeft vooral lof voor “Bezette stad”, de revolutionaire bundel waarvan we in 2021 het eeuwfeest vieren. “Het beste dat de Eerste Wereldoorlog in de Vlaamse literatuur heeft voortgebracht, het allerbeste dat over die tijden van ontwrichting, over die inzinking van alle waarden geschreven is geweest,” volgens Muls. Van Ostaijen bracht “een nieuw geluid dat nodig was in ons land om te genezen van de oude sleur die was blijven heersen.” Een geluid “dat geen echo heeft gekregen, juist omdat het enig was, omdat het maar door één mens zo kon worden uitgebracht.” Bovendien heeft Van Ostaijen “onze literatuur op het peil van de internationale voortbrengst” gebracht.  

Naar aanleiding van het droeve levenseinde van Van Ostaijen in een Waals sanatorium doet Julien Kuypers al in 1952 een oproep voor een systeem van overheidssteun: “Waar er geen mecenaten meer zijn, daar heeft de staat een rol te vervullen. Om het even welke richting een jong kunstenaar uitgaat, om het even welke buitenissigheden hij soms uithaalt, van zodra er kwaliteit is , van zodra er een zekere standing erkend wordt, is het de morele plicht voor de gemeenschap om niet onverschillig te blijven, om te tonen dat ze interesse heeft voor wat daar aan het groeien is.”

Dat kunnen we zien als een vroege oproep voor een organisatie als een Fonds voor de Letteren of Literatuur Vlaanderen, als het ware, met argumenten die hij bij Van Ostaijen haalde, zegt Matthijs De Ridder, biograaf van Paul van Ostaijen. Hij vindt de VRT-archiefopname een merkwaardig klankdocument. “Ik wist wie er op die plechtigheid hadden gesproken, maar niet wat er precies gezegd was.” De Ridder onthoudt vooral het woord “roekeloos”, dat een paar keer wordt toegepast op Van Ostaijen. “Dat betekent dat hij zonder enig compromis dichter is geweest. Hij merkt ook op: “Literatuur verandert altijd en onze appreciatie van literatuur ook. Maar als je hoort wat er in 1952 werd gezegd over hem, dan komt dat voor een heel groot deel overeen met de impact die hij nu nog altijd heeft.”

Lees en luister ook op vrtnws.be.


Dichters bij Raveel

Kunstschilder Roger Raveel werd precies een eeuw geleden geboren. Om dat te herdenken zijn er verschillende tentoonstellingen, manifestaties en zelfs leuke postzegels, maar ook enkele nieuwe dichtbundels. Raveel werkte samen met Hugo Claus, Roland Jooris en vele anderen, maar ook na zijn dood blijft zijn kleurrijke kunst opvallend sterk nieuwe generaties poëten inspireren.

Niet veel schilders kunnen op zoveel dichterlijke belangstelling rekenen als Roger Raveel. Kleppers als Hugo Claus, Rutger Kopland, Roland Jooris, Jo Gisekin, Paul Demets en nu een hele generatie jonge dichters hebben over Raveels werk gedichten geschreven.

Hoe komt dat, wat zorgt er voor die inspiratie en verbinding tussen woord en beeld? Zijn het de krachtige beelden van Raveel? Het wit in zijn schilderijen, de lege vierkanten? De buitenwereld die binnendringt in het werk en omgekeerd? Het zijn vragen die Carl De Strycker van het Poëziecentrum stelt in “Met heldere verf en verlangen“, een kleurrijk boek met gloednieuwe gedichten van 32 schrijvers over evenveel werken van Raveel.

Het schilderij of het gedicht. Ze hebben met elkaar gemeen dat men het mysterie of hun wonder telkens opnieuw moet bekijken of lezen, dat ze nooit definitief verklaard kunnen worden 
Roland Jooris in “Met heldere verf en verlangen”

Met heldere verf en verlangen” is een titel van Joke van Leeuwen. Andere gedichten komen bijvoorbeeld van Maud Vanhauwaert, Annemarie Estor, Lies Van Gasse, Dominique De Groen, Astrid Haerens of Amina Belôrf. 

Als jonge kerel had ik het gevoel rond te fietsen in een werk van Raveel

Dichter Paul Demets brengt naar aanleiding van de 100e geboortedag van Roger Raveel “Het web van omtrek” uit, eigenlijk zijn allereerste bundel, die tot nu toe nooit werd uitgegeven. Demets woont al sinds zijn kindertijd op twee kilometer van het huis waar Raveel woonde en werkte en voelt zich zeer met hem verwant.

“Ik was altijd vooral gefascineerd door de manier van waarnemen in het werk van Raveel. Dat is ook het centrale thema in mijn poëziebundel.  Als jonge kerel had ik vaak het gevoel rond te fietsen in een werk van Raveel. Het bezorgde mij een haat-liefdeverhouding met zijn werk, omdat het voor mij in mijn leefomgeving als achttienjarige op mij leek af te komen. Nadien, aan de universiteit, ging ik mij in Raveels werk verdiepen en begon ik het sterk te waarderen.”

Alles heeft zijn plaats in de ruimte.
De dingen zijn met hun geest beladen
die rust. Maar ook zijn hier aanwezig
het toeval, het stamelen, de menselijke fout.

Paul Demets (fragment)

Ook dichteres Jo Gisekin, kleindochter van Stijn Streuvels die in Machelen-aan-de-Leie opgroeide, wijdde een bundel aan Raveel, “Een spiegel op uitkijk“, over enkele van zijn schilderijen en over zijn “totaalkunstwerk” in een kapel in zijn dorp, dat bestaat uit wandschilderijen, glasramen en keramiek. 

Een spiegel op uitkijk aan de vork van de weg het gras
tot vierkant versneden een muur in traag beton. Hier 
vergeet de tijd zichzelf, gaat geluid stapvoets teloor
wordt niemand verwacht.

Jo Gisekin (fragment)

Heel opmerkelijk was de vriendschap en de samenwerking tussen Hugo Claus en Roger Raveel, op het dorpsplein van Watou vereeuwigd in een sculptuur met het profiel van de dichter. Tussen 1966 en 1968 maakte Raveel 33 tekeningen met als thema het eerste Bijbelboek “Genesis”. Bij elke tekening schreef Hugo Claus een gedicht. De originele tekeningen en handgeschreven gedichten horen tot de collectie van het Groeningemuseum in Brugge. 

Ook dichter Roland Jooris was een halve eeuw goed bevriend met Roger Raveel en schreef geregeld poëzie bij zijn werk. 

Eensklaps

Als een duif
opvliegt
neemt geen geluid
haar plaats
nog in;

Eensklaps
en wit
laat zij slechts
verte
in mij na.

Roland Jooris

Zanger Wouter Berlaen, ook uit dat bijzondere dorp Zulte/Machelen-aan-de Leie, schreef een lied voor Roger Raveel, “De definitie van geluk”, in de Radio 1-reeks “Kleur in e-mineur”.  Hij zong het op Raveels 91e verjaardag in het Raveelmuseum in 2012.  

Lees dit artikel met video en audio ook op vrtnws.be