De zachte krachten zullen zeker winnen in ’t eind –

Henriëtte Roland Holst

Advertenties

“Ultima thule” of hoe het verste punt altijd verder opschuift

tile

De Amerikaanse ruimtevaartorganisatie Nasa heeft het hemellichaam Ultima Thule bereikt met de sonde New Horizons. Ultima Thule is het verste ruimteobject dat de mens ooit heeft verkend. “Ultima Thule” is ook een mythisch begrip met een lange voorgeschiedenis en veel weerklank in de kunst.

In 2014 werd (486958) 2014 MU69 opgemerkt met de Hubble-ruimtetelescoop. Een hemellichaam in de zoom van ons zonnestelsel, in de Kuiper Belt, nog 1,6 miljard kilometer verder dan Pluto. Eerder dit jaar werd het object “Ultima Thule” gedoopt na suggesties van het brede publiek. 115.000 deelnemers stelden 34.000 namen voor.

Uiteindelijk werd voor “Ultima Thule” gekozen, “een mythisch, uiterst noordelijk eiland in de middeleeuwse literatuur en cartografie,” volgens de NASA.  Met een symbolische betekenis: een grens voor de mens, die altijd weer opschuift.

MU69 is de volgende “Ultima Thule” van de mensheid

Alan Stern, onderzoeker New Horizons

Het begrip “Ultima Thule” heeft een verre voorgeschiedenis. Pytheas van Massalia (Marseille) ondernam in de 4e eeuw voor onze tijdrekening een ontdekkingsreis naar het hoge noorden, onder meer naar een land dat hij “Thule” noemde. Was het de Noorse kust, de Shetland of de Faroer-eilanden of Ijsland? Van Pytheas zelf zijn geen geschriften bewaard, wel hebben andere auteurs over zijn reis geschreven.

Het uiterste punt der aarde

Vergilius

Publius Vergilius Maro schreef in “Georgica” over “een eiland in de noorderzee, het uiterste punt der aarde van de Ouden gekend en het verst in ’t noordwesten gelegen”. Publius Cornelius Tacitus in “Agricola” had het over een ruwe streek die onder eeuwigdurende sneeuw lag.

Gaius Plinius Secundus maior, ofwel Plinius de Oudere, situeerde de plek zes dagen varen ten noorden van Groot-Brittannië, een streek “waar er geen nacht is in het midden van de zomer, en omgekeerd geen dag midden in de winter”. Wellicht doelde Plinius op Noorwegen of de Orkney- of de Shetlandeilanden.

In de middeleeuwen stond het begrip “Ultima Thule” voor “ergens ver buiten de grenzen van de bekende wereld”. De 16e-eeuwse Antwerpse cartograaf Abraham Ortelius dacht aan een landstreek in Noorwegen, die de bewoners “Tilemark” noemden. Zijn tijdgenoot William Camden situeerde Ultima Thule in de Shetland-eilanden. “Thylenfel” zeiden de zeelieden . Ook Ijsland werd genoemd. “Innis Tile” is de Schots-Gaelische naam voor Ijsland.

In het echt…

Thule bestaat trouwens echt, het is de vroegere naam van Qaanaaq, een stadje op Groenland waar ook een Amerikaanse legerbasis gevestigd is. En ook drie eilanden van de South Sandwichs heten Zuid-Thule omdat ze zo immens ver in het zuiden van de Stille Oceaan liggen. Pikant detail: dat is Brits overzees gebied, maar wordt opgeëist door Argentinië, net als de Falklands.

… en in de verbeelding

Ultima Thule spreekt tot de verbeelding: het verste punt, het einde van wereld, een onbereikbare, mythische plek, op de grens van de barbarij. Zeker in de romantische 19e eeuw gingen kunstenaars en schrijvers ermee aan de slag.

Sir Walter Scott, de Schotse dichter en historische romancier, schreef over Thule, net als de Amerikaanse romantische dichter Henry Wadsworth Longfellow.

With favouring winds, o’er sunlit seas,
We sailed for the Hesperides,
The land where golden apples grow;
But that, ah! that was long ago.

How far, since then, the ocean streams
Have swept us from that land of dreams,
That land of fiction and of truth,
The lost Atlantis of our youth!

Wither, ah, wither? Are not these
The tempest-haunted Orcades,
Where the sea-gulls scream, and breakers roar,
And wreck and sea-weed line the shore?

Ultima Thule! Utmost Isle!
Here in thy harbors for a while
We lower our sails; a while we rest
From the unending, endless quest.

Johann Wolfgang von Goethe schreef het gedicht “Koning van Thule”.

Es war ein König in Thule,
Gar treu bis an das Grab,
Dem sterbend seine Buhle
einen goldnen Becher gab.

Es ging ihm nichts darüber,
Er leert’ ihn jeden Schmaus;
Die Augen gingen ihm über,
So oft er trank daraus.

Und als er kam zu sterben,
Zählt’ er seine Städt’ im Reich,
Gönnt’ alles seinen Erben,
Den Becher nicht zugleich.

Er saß beim Königsmahle,
Die Ritter um ihn her,
Auf hohem Vätersaale,
Dort auf dem Schloß am Meer.

Dort stand der alte Zecher,
Trank letzte Lebensglut,
Und warf den heiligen Becher
Hinunter in die Flut.

Er sah ihn stürzen, trinken
Und sinken tief ins Meer,
die Augen täten ihm sinken,
Trank nie einen Tropfen mehr.

Het werd op muziek gezet door veel componisten: Franz Schubert, Robert Schumann, Franz Liszt, Hector Berlioz in de opera “La damnation de Faust” of door Charles Gounod in zijn Faust-opera.

Nog in muzikale sferen maakte de Duitse elektro-groep Tangerine Dream in 1971 een lang uitgesponnen nummer met als titel “Ultima Thule”. In Zweden leeft er ook een vikingrockgroep met dezelfde naam.

In het Nederlands taalgebied schreef Ida Gerhardt verschillende gedichten over Ultima Thule.

“Schapen en wolkendrachten
vachten in elkander verwist,
blaten en dalende mist.
Regengeladen de nachten,
nevelige dageraad.
De nog met water bevrachte
aardeschijf. Aanvangsstaat.”

Cees Nooteboom beschrijft in „Ultima thule“ een reis naar Spitsbergen en naar een noordelijke Russische mijnstad. Thea Beckman herdoopte Groenland tot “Thule” in haar toekomstroman “Kinderen van moeder aarde”. Ultima Thule is ook de naam van een Gents gezelschap dat al jaren felgesmaakt figuren- en beeldend theater maakt voor jongeren en volwassenen.

Lees deze tekst ook op vrtnws.be.

GR in het landschapskantoor

DSCN0978.JPG

Wie markeert rood-wit het
DNA van mijn bedrijf
rolt me uit en kantelt me
in, implementeert resultaat-
en klantgericht mijn
merkbeleving?

Wie houdt mijn rendement
in het oog, ja,
tussentijds,
seint mij in
hoe en wat ik meeneem,
in de markt zet,
bijstuur?

Wie daagt me uit als
teamspeler zonder
9-to-5-mentaliteit, met
helikopterzicht,
hands-on, voeten
vooruit?

Staan de doelstellingen
naast de prioriteiten en de
opportuniteiten?

Waar liggen de leidinggevenden,
de leane managers?

Ik zoek mijn traject, mijn
takenpakket, proactief en
autonoom netwerkend
tussen stakeholders en
extralegale voordelen.

Is er nog buizenpost?
Helpen blauwe bessen ook
tegen burn-out?

Ik trek een rood-witte streep
op mijn clean desk.

 

Kristien Bonneure

 

 

“Het lezen van de schelmenstreken van Reinaert de Vos kan ernstige schade toebrengen aan de tere kinderziel”

c217ba7c-01f9-11e9-abcc-02b7b76bf47fSylvia Weve

Een hedendaagse hertaling van Reinaert de Vos met tekeningen van bijna 20 illustratoren is aan een opmars in Nederland bezig. Wat is de aantrekkingskracht van de sluwe vos?

“De schelmenstreken van Reinaert de Vos” is geschreven door Koos Meinderts, een gevierd kinderboekenauteur die vorig jaar de Gouden Griffel won voor “Naar het noorden”. Hij knipte het vossenstrekenverhaal in hoofdstukken, waarbij 20 illustratoren een tekening maakten, onder hen ook Carll Cneut, Charlotte Dematons of Thé Tjong-Khing.

Het prentenboek neemt een hoge vlucht in Nederland. De populaire praatshow “De wereld draait door” koos het als Boek van de Maand. Recensenten schreven lovende stukken. “Drie weken na verschijnen zijn er ruim 10.000 exemplaren van verkocht,” juicht uitgever Frank van Klaveren. Vlaanderen volgt, maar niet zo snel als gedacht, want “jullie zijn toch de bakermat van het Reinaert-verhaal”.

Dit is geen aaibare Reinaert

“De schelmenstreken van Reinaert de Vos” is bedoeld voor jong en oud. “Het knappe is dat Meinderts de tekst niet erg aaibaar heeft gemaakt; de seksuele en religieuze verwijzigingen zitten er nog allemaal in,” zegt uitgever Van Klaveren aan VRT NWS. Het boek begint trouwens met een waarschuwing “dat het ernstige schade aan de tere kinderziel kan toebrengen”.

Auteur Koos Meinderts voegt eraan toe: “Ik heb aan de uitgever gevraagd of ik “vol op het orgel mocht spelen”, en dat mocht. Tegen de tendens in dat alles tegenwoordig preutser en mierzoet moet.”

Middelnederlands epos

“Van den vos Reynaerde” is een middelnederlands epos, met dieren als personages en vol verwijzingen naar de mensenmaatschappij en kritiek op clerus en adel. Waarschijnlijk werd het in de 13e eeuw geschreven door “Willem die Madoc maakte”. Het heeft wortels in de klassieke Griekse en Latijnse fabels en in de vossenverhalen van “Le roman de Renard”. Het originele handschrift is niet bewaard.

Koos Meinderts heeft zich gebaseerd op de Nederlandse teksteditie van dr. Tinbergen en op het Comburgse handschrift, rond 1400 geschreven in de omgeving van Gent.

Waarover gaat het epos? Kort samengevat: Reinaert is een sluwe vos, die andere dieren naar het leven staat en alles uit de kast haalt om niet veroordeeld te worden door koning Nobel. Al die andere dieren (Bruun de beer, Cuwaert de haas, Tibeert de kater…) zijn trouwens niet bijzonder schrander of hebben zelf boter op de kop.

Het is interessant om te zien hoe elke bewerker dit eeuwenoude verhaal actualiseert

Rik van Daele van het Reynaertgenootschap is tevreden met het nieuwe prentenboek en met de aandacht voor het verhaal. Hij heeft geen probleem met een eigentijdse versie. “Het is interessant om te zien hoe elke bewerker dit eeuwenoude verhaal actualiseert.” Van Daele signaleert dat er gemiddeld één Reinaert-bewerking per jaar opduikt.

Kleine valsspeler tegen hogere machten

“Valsspelen is van alle tijden,” duidt Van Daele de blijvende aantrekkingskracht van Reinaert. Omdat de wereld van de vos eigenlijk de mensenwereld is, met dierenpersonages met menselijke trekken “gaat Reinaert over ons”. In die zin “is Reinaert van alle tijden, maar in alle tijden ook weer anders”. De verscheidenheid van het hoofdpersonage valt af te lezen aan de 20 interpretaties van Nederlandse en Vlaamse illustratoren.

Auteur Koos Meinderts denkt dat Reinaert een snaar beroert omdat hij voor “de kleine man” staat, die het opneemt “tegen de hypocrisie en de hebzucht van de hoge omes. Een soort David tegen Goliath.  Reinaert weet zich ook overal uit te praten.” Natuurlijk is Reinaert ook zelf een schurk, maar “dat wordt door de vingers gezien”, volgens Koos Meinderts.

Collectief erfgoed

De bakermat van Reinaert mag dan wel Vlaanderen zijn, in Nederland wordt hij ook gelezen en bestudeerd. “Misschien dat hij toch wel meer tot het collectieve erfgoed van Vlaanderen én Zeeuws-Vlaanderen behoort,” zegt Rik van Daele.

Het verhaal is na honderden jaren nog altijd populair. Eerder dit jaar was er het evenement “Vossen” in het Waasland, de bakermat van Reinaert, “Waes, het soete lant”: een fietstocht en kunstmanifestatie, georganiseerd door de stichting van Fernand Huts. “Reinaert de vos” als hoorspel van het Geluidshuis was een hit op de Boekenbeurs.

Schurk én held

Meer in het algemeen is de vos het dier “we love to hate”, half schurk en half held. Vossen duiken op in boeken, films en opera. De Kroatisch-Nederlandse Dubravka Ugresic publiceerde eerder dit jaar “De vos”, een roman die de vos in al zijn gedaantes volgt over de wereldbol. “Ten zuiden van de rivier” van Blake Morrison (2007) verhaalt over stadsvossen in Londen. “De kleine prins” van Antoine de Saint-Exupéry leert levenslessen van een vos.  Louis Paul Boon verwerkte een Reinaert-thema in “De Kapellekensbaan”.

Hatsekidee!

“Zorro” betekent “vos” in het Spaans. Wes Anderson verfilmde “Fantastic Mr. Fox” van Roald Dahl. En al in de eerste aflevering van de Fabeltjeskrant dook Lowieke de vos op. “Hatsekidee!”

Vossen zijn ook geliefd in de designwereld. Kijk eens rond: vossen zijn overal, op sokken, mokken, schriften en truien. En ze duiken steeds vaker in levende lijve op, zelfs in de stad. In het bos achter de VRT-gebouwen in Schaarbeek is er veel vossenactiviteit. Er zijn 50 burchten geteld en afgelopen zomer waren er vijf koppels en vijf jongen.

 

“De schelmenstreken van Reinaert de Vos” van Koos Meinderts is uitgegeven bij Hoogland & Van Klaveren, die eerder al andere klassiekers bewerkte en door vele tekenaars liet illustreren: “De baron van Münchhausen” en “De avonturen van Odysseus”. Lees deze tekst ook op vrtnws.be.

 

Opsporingsbericht

Hier zwiept het licht als een tak tegen je wang.
Daar de gezichten van de anderen
alsof ze opstappen op een trein. Je zou willen

bijknippen, herschikken. Die man daar
weer laten opbloeien uit zijn regenjas. Maar
je wil niemand missen. Niet de witte paardenkastanje

en zijn armen als afleggers, de eiken en de beuken
die in hun kostuums naar buiten staan te kijken.
De varens met hun stekels, de bladverliezende azalea’s

met hun dunnende dos. Zit hier iemand tussen
die aan de beschrijving voldoet? Roodbruin
zou hij zijn, haar in een staart met een witte punt.

Op zwarte sokken. Iemand vangt de zon
met een hand . Je ziet de schaduw
die op de rugleuning voor je valt. Een duim

naar boven, de wijsvinger vormt een oog.
De pink gespreid, weg van de andere vingers.
De schaduw hapt en doet je adem stokken.

Paul Demets
Plattelandsgedicht XXXIII-oktober 2018

Voor de Tuindagen in het Park van Beervelde en voor het Reynaertjaar van de gemeente Lochristi.

To piet or not to piet

1ef05f06-f3cb-11e8-abcc-02b7b76bf47fVoor de enen is de zwarte schmink van Zwarte Piet puur racisme dat anno 2018 niet meer door de beugel kan, omdat de figuur zo de voormalige tot slaaf gemaakte Afrikanen ridiculiseert. Voor de anderen heeft de kleur van zijn gezicht in de verste verte niets met racisme te maken. Hij is zwart omdat hij een Moor is. Of omdat in de middeleeuwen alle schrikwekkende figuren zwart waren. Of hij is zwart door het roet van de schoorsteen. Hoe zijn al die verhalen tot stand gekomen? Wat weten we eigenlijk over de geschiedenis van de knecht van Sinterklaas?

Bij heel veel kinderen groeit de spanning dezer dagen tot een schier ondraaglijk niveau. De goede Sint is in aantocht, met cadeautjes en snoep en wie weet welke verrassingen nog al niet. Zwarte Piet vergezelt hem. Wat moet je anno 2018 over die figuur denken? Speelt het imago van Piet hoe dan ook een rol? Is hij meer dan een levend decorstuk bij de feestelijke intocht van de langverwachte heilige man? En meer nog: waar komt hij vandaan?

Geen Zwarte Piet zonder Sinterklaas. En omgekeerd.

Over de afkomst van zwarte Piet bestaat geen sluitende historische uitleg, allerlei plausibele verklaringen liggen erg ver uit elkaar of spreken mekaar tegen. Maar geen Piet zonder Sint… Dus: wie is Sint-Niklaas?

In mijn kindertijd was de gangbare opvatting dat Niklaas een Turkse bisschop was, of een Spaanse prelaat in Turkije, een millennium geleden. Daar bevrijdde de dappere man drie kinderen uit een vat met pekelzout in de werkplaats van een slager. Die legende kreeg vorm in de 11e eeuw. In een latere versie reisde de bisschop naar Spanje, doorheen Noord-Afrika, waar hij een knecht engageerde, een “Moor”, uit het zuiden van de Maghreb. De term “Moor” zit ook in “Morocco”, en Mauretanië. En thuis in West-Vlaanderen stond vroeger op het vuur een zwartgeblakerde waterketel, een “moor”.

Het concilie van Nicea

Nog voor het eerste schisma in de christelijke kerk leefde er waarschijnlijk een zekere Nicolaas van Myra. De legende wil dat hij is overleden op 6 december 342 of 352, aan de zuidelijke kust van het huidige Turkije, toen Griekenland.

Hij zou een belangrijke rol hebben gespeeld op het allereerste concilie, dat van Nicea, in 325. Zijn naam komt echter niet voor op de nochtans goed gedocumenteerde deelnemerslijst aan die kerkvergadering.

Don Quichot en Sancho Panza, Tijl Uilenspiegel en Lamme Goedzak

Het is een welbeproefd recept in verhalen over grote al of niet heilige en mythologische figuren om een assistent te introduceren die de protagonist meer reliëf geeft. Die begeleider mocht in alles het tegendeel zijn van de held, denk aan Sancho Panza bij Don Quichot en Lamme Goedzak bij Tijl Uilenspiegel, en zelfs aan Sherlock Holmes en Watson. Maar hij kon na verloop van tijd ook (bijna) op het niveau van de baas komen, dat is het geval bij Paulus en zijn sidekick Timoteus. Of bij Samwise Gamgee, de vermeende dommekracht van Frodo Baggins in “Lord of the Rings”.

Bij Sinterklaas vinden we iets van de twee opvattingen. Er is het meest bekende beeld van Zwarte Piet als echte ondergeschikte, een onderdeurtje, in alles de mindere van de heilige bisschop. In sommige versies heeft de Sint verscheidene, tot tientallen, knechten, soms in een hiërarchische onderschikking, de een al dwazer of grappiger en onhandiger dan de andere. Ook tegenover zijn knecht(en) moest Sinterklaas overkomen als een genereuze ruimhartige man die de fouten van zijn dienaren sterk relativeerde. Iets van die opvatting zit nog in “Dag Sinterklaas” van Hugo Matthysen.

Nicolaas en Nicodemus

Mijn grootouders noemden Zwarte Piet Nicodemus. Die naam lijkt op Nicolaas, in die mate dat er soms verwarring ontstond tussen de twee.

En dat klopt met weer een andere afwijking van het oude kindervriendverhaal. In die variant is dienaar Nicodemus een hoogstaand semi-zalig figuur die de Sint niet alleen praktisch helpt, maar bijna op gelijke voet met hem communiceert.

Een goed gevulde garderobe

Ook de kledij van Piet bewijst in enkele verhaalvarianten dat de knecht een ontwikkeld man was. Terwijl de Sint onveranderlijk de uitmonstering draagt van een vroegchristelijke bisschop, zoals die ook op het Lam Gods voorkomt, zit Piet soms in het pak van een Spaanse edelman uit de 16e eeuw. Maar iets minder chic. Dat sloeg op een werkelijke situatie. Als een aristocraat een fijn uitgedoste zwarte knecht had, wees dat op het bezit van plantages.

In de loop der tijden heeft Piet een brede variëteit aan kleren gedragen, gaande van de schamele lompen van een slaaf, over het plunje van een schoorsteenveger, via een keurig pak tot allerlei vormen van showkledij. Die verscheidenheid bleef hier en daar voortwoekeren tot rond 1980.

Pakjesgooier of boeman?

Sinterklaas is het populairst in Nederland, daar geeft zijn persoon aanleiding tot een familiefeest voor jong en oud, met pakjes en zelfgeschreven gedichten. In Vlaanderen is het alleen een festijn voor kinderen. De vermaardheid van de Sint neemt af naar het zuiden toe.

Ook in Noord-Frankrijk kan je hem tegenkomen. Her en der neemt Sint-Maarten zijn taak over. In Duitsland bestaat de Sint aan de grens met Nederland en België. Maar daar heeft hij een heel ander soort hulpje, een duivel, Ruprecht, Nickel of Krampus genaamd, afschrikwekkend als een boeman of bietebauw voor kinderen die iets mispeuterden. Mogelijk komt de uitdrukking “elkaar de Zwarte Piet doorspelen” uit die omgeving.

Dichter Paul Demets haalt hem naar boven in zijn nieuwe bundel “De Klaverknoop”: “Banger dan kinderen liggen we hier stokstijf, (…) Krampus laat zich nog niet zien, dat zwarte schaap.”

Misdaad en ontucht in de middeleeuwen

LECA, het “Landelijk Expertisecentrum voor Cultuur van Alledag” in Gent, gesticht door emeritus hoogleraar volkskunde en klaaskenner Stefaan Top,  ziet de oorsprong van Zwarte Piet in de middeleeuwen, toen mensen bibberend en bevend in de duivel geloofden. Zwart werd geassocieerd met het kwaad. In de middeleeuwse iconografie hadden heiligen een demon met een zwartgemaakt gezicht en een duivelsmasker aan hun voeten. Ook Sint-Niklaas.

In die tijd waren er feesten waarbij een kind Sint-Niklaas uitbeeldde. Andere kinderen speelden met zwartgemaakte gezichten de rol van duivel. De stoet liep van deur tot deur om te schooien en het hele gebeuren ontaardde meestal in misdaad en ontucht.

Eeuwen later trok de nieuwe burgerij een streep onder dat helse gedoe. Sinterklaas evolueerde tot een huiselijk feest voor brave kinderen. En in de koloniale tijd stond het chic om zwarte pages te hebben als huispersoneel, aldus LECA.

De président-fondateur van het Sint-Nicolaasgenootschap

Lieven Dehandschutter (N-VA) begint in januari aan zijn tweede termijn als burgemeester van Sint-Niklaas en was in 1989 de stichter van het Sint-Nicolaasgenootschap. Hij bleef voorzitter tot 5 jaar geleden. Zijn visie op de oorsprong van Zwarte Piet staat dicht bij die van LECA. In de middeleeuwen was er, tegengesteld aan de witte Sint-Niklaas, een zwarte contrastfiguur nodig. De Sint beloonde, Zwarte Piet bestrafte. Ook elders in Europa waren er vergelijkbare contrastfiguren. In het Frans heet de knecht Père Fouettard, letterlijk vertaald “Vader Zweep”.

Met kolonialisme en Afrika heeft zwarte Piet volgens Lieven Dehandschutter niets te maken. Hij betreurt de foute connotaties daaromtrent. Maskering en onherkenbaar maken zijn belangrijk voor kinderen. Ze kunnen dan geleidelijk ontdekken, op het goede ogenblik, hoe de vork aan de steel zit.

Eviva España

Uiteraard heeft Sinterklaas te maken met het Moorse Spanje, die merkwaardige periode in de geschiedenis toen de “Mohammedanen” over Andalusië heersten, en in vrede leefden met katholieken en joden, tot de reconquista daar op bloedige wijze een einde aan maakte. Kort door de bocht: Zwarte Piet is een bekeerde moslim. En in sommige gevallen lijkt hij niet toevallig op Balthasar, de zwarte van de Drie Koningen.

Het islamitische Spanje was een tijd met een hoogstaande cultuur. Volgens bepaalde historici vond de Renaissance haar oorsprong in Andalusië. De Borgia’s, die in de 15e eeuw twee decadente kunstzinnige pausen leverden, Calixtus de Derde en Alexander de Zesde, waren Spanjaarden. Hoewel Sinterklaas in Spanje niet wordt gevierd, kan het toch dat de Spaanse Habsburgers hem naar onze streken brachten, als een politiek-ideologisch instrument om kinderen, en ouders, binnen de Roomse kerk te houden.

“Roetmop, kroeskop”

Voor de zwarte kleur van Piet zijn er grosso modo drie verklaringen. De eerste: hij is een Moor, en dus zwart, punt. Tweede mogelijkheid: hij is zo vaak in een schoorsteen afgedaald om cadeautjes naast het haardvuur te deponeren, dat de zwarte kleur niet meer afgaat, zelfs niet met de hardste zeep en schuurborstels. Derde mogelijkheid: hij is een als zwarte vermomde blanke.

Daarover heeft de jonge Nederlandse historica Elisabeth Koning een stevig gedocumenteerde studie laten verschijnen in het “Tijdschrift voor Geschiedenis”, onder de titel “Zwarte Piet, een blackfacepersonage: een eeuw aan blackfacevermaak in Nederland”. Elisabeth Koning haalde haar inspiratie uit de tijd dat ze in de Verenigde Staten studeerde en daar soms op Zwarte Piet meende te stuiten.

“The Black and White Minstrel Show”

Al op de plantages in het zuiden van de Verenigde Staten legden de Afro-Amerikaanse slaven de basis voor hun muziekcultuur: blues en gospel. Na de afschaffing van de slavernij mochten blanken en zwarten niet samen musiceren of gemengd naar muziek luisteren. De “vrije” slaven veroorzaakten veel frustratie bij heel wat blanken. Rednecks  bedachten personages, blanken verkleed als zwarten, om de Afro-Amerikanen belachelijk te maken door hen voor te stellen als minderwaardige clowns. Dat werden de blackfaceshows. Dat variété kwam ook naar Europa. In Frankrijk en Nederland bestond er een aangepaste toneelversie van ‘De hut van oom Tom’. Om het anti-racistische element van het boek van Harriet Beecher-Stowe te neutraliseren, voegde de toneelauteur er twee “blackfaces” aan toe.

Hoewel organisaties van mensen met Afrikaanse roots al vanaf de jaren 1960 tegen die voorstellingen protesteerden, zond de BBC maar liefst tot 1978 de “Black and White Minstrel Show” uit. Bij ons waren die programma’s vooral te zien op oudejaarsavond. De ingrediënten: blanke zangers en dansers naast als zwarte mensen vermomde artiesten in een wit dandy-pak, en fraaie Britse vrouwen met riante décolletés meestal vanuit vogelperspectief gefilmd. Kortom: een opeenstapeling van clichés.

Kuifje in Afrika

De als zwarten vermomde acteurs leken omgekeerde panda’s: ze hadden witte omrandingen aan de ogen, aapachtige lippen, en ze zongen karikaturaal. Hun kledij varieerde van glinsterende showpakken tot iets wat leek op het kostuum van een Spaanse edelman uit vroeger tijden.

Die simplistische en vernederende voorstelling van Afrikaanse mensen drong ook door tot stripverhalen. Tussen de twee wereldoorlogen verschenen er in Europa strips die zich afspeelden in de kolonies, met een karikaturale voorstelling van de autochtone kannibalen en “kroeskoppen”, die zich vaak in bomen ophielden. Na 1945 vond die portrettering zijn weg naar “Kuifje”, “Asterix en Obelix” en “Sjors en Sjimmie”.  Het was kortom een aanval op alle media-fronten. Ook hoe de televisie omging met het Sinterklaasgebeuren.

22a88507-f3cb-11e8-abcc-02b7b76bf47f.jpg

Komt hij nu uit Spanje of uit Amerika?

Voor Elisabeth Koning is het duidelijk: de blackfaceshows sprongen in de 19e eeuw over naar Nederland, en toen kreeg Zwarte Piet zijn nieuwe gezicht. In 1850 legde onderwijzer Jan Schenkman dat beeld definitief vast in zijn kinderboek “Sint Nicolaas en zijn knecht”. Als dat klopt, dan is Zwarte Piet wel degelijk een racistische creatie.

Omdat er meer mensen met Afrikaanse roots via de omweg van de Nederlandse kolonies in de Caraïben en Suriname naar het moederland migreerden, speelt deze theorie bij onze noorderburen veel heftiger. De Surinaamse gemeenschap in Nederland is ook veel mondiger en beter georganiseerd dan de Afrikaanse bij ons. En een paar jaar geleden hadden wij het stilzwijgend en onopvallend goedgekeurde “Pietenpact” dat als een buffer diende tegen ongenoegen.

In Wallonië is Sint-Niklaas minder populair dan in Vlaanderen. In Brussel is er wel de traditie van de “Noirauds”, blanke mannen die zich vermommen als zwarten om geld in te zamelen voor arme kinderen. Toen onder een laag schmink minister van Buitenlandse Zaken Didier Reynders (MR) werd ontdekt, kwam die kortstondig in het oog van de storm.

Voor de echte consumptiemaatschappij bij ons losbarstte, na Expo 58, was Sinterklaas veel minder een rondstrooier van speelgoed. In de zak van Zwarte Piet zat niets. Maar als stout kind liep je de kans om er in te verdwijnen.

Lucas Vanclooster. Lees deze tekst ook op vrtnws.be

600.000 beeldjes vertrekken naar alle windstreken

DSCN1181.JPG

De 600.000 beeldjes van klei, die ruim een half jaar in Ieper hebben gelegen als eerbetoon aan evenveel slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog, worden gratis weggegeven. Het kunstproject “Coming world remember me” van Koen Vanmechelen wordt daarmee officieel ontmanteld. VRT NWS-journaliste Kristien Bonneure was een van de vele duizenden makers. Ze ging ook op zoek naar het oorlogsslachtoffer waarmee ze via een beeldje gelinkt is.

Wat er de afgelopen vier jaar is gebeurd zou je “crowd-kleien” kunnen noemen. Alles samen hebben 180.000 mensen meegewerkt. Het resultaat: 600.000 mensjes van gebakken klei, evenveel als er Belgische slachtoffers waren van de Eerste Wereldoorlog: militairen en burgers. Nu kan iedereen een beeldje ophalen in het provinciaal domein De Palingbeek in Ieper, ook wie er zelf geen heeft gemaakt.

De voorbije dagen trokken al veel mensen gewapend met een lege zak naar de Palingbeek. “Iets gratis uitdelen, dat trekt altijd veel volk aan”, zegt een vrijwilliger. Maar respect is wel geboden: ten slotte staat elk figuurtje van klei symbool voor een dode. “Niet over de beeldjes lopen en ook niet doorverkopen”, waarschuwt gedeputeerde Myriam Vanlerberghe. Kunstenaar Koen Vanmechelen voegt eraan toe: “Vanaf nu is iedereen die een beeldje meeneemt een museum op  zich.” Hij koestert de stille hoop dat ooit, over 50 of 100 jaar, een curator de beeldjes weer eens bijeen zal brengen.

Herdenken, helpen, reflecteren, verbinden: dat was de bedoeling van “Coming world remember me” van Vanmechelen.  “Dat het project geleefd heeft, dat het mensen verbonden heeft, dat het mensen heeft doen nadenken over oorlog en vrede” vindt intendant Jan Moeyaert van blijvende waarde. Ik vond het een heel bijzondere, tastbare manier om stil te staan bij de Eerste Wereldoorlog en bij het vredespotentieel vandaag.

’t Poeierke

Het duurde een poos voor ik zelf de hand aan de ploeg kon slaan. In de vaste ateliers in Ieper en Nieuwpoort was ik niet geraakt en op het Kunstenfestival van Watou was er te veel kunst en te weinig tijd om een beeldje te maken. Maar net voor Wapenstilstand 2017 kwam “Coming world remember me” naar me toe met een mobiel atelier in Vilvoorde. Op een symbolische plek: de Kruitfabriek.

Na Wapenstilstand lieten de Duitse troepen 200 onbewaakte treinwagons met munitie achter in Vilvoorde. Het spul kwam onder meer terecht in buskruitfabriek ’ t Poeierke. Op 31 mei 1919 brak daar brand uit. Er vielen 13 doden, duizend huizen liepen schade op, 100 gezinnen hadden geen dak meer. De ontploffing werd als oorlogsramp erkend, omdat het om munitie uit WO I ging.

Bijna 100 jaar later krijg ik, uitgeweken West-Vlaming, in de Kruitfabriek in Vilvoorde een dikke cilinder zware klei van een vriendelijke medewerkster. Ik ga een beeldje maken van het type “New Generation”. Ik krijg een mooi boekje met een “certificaat van deelname” en een “dogtag”, zo’n ijzeren plaatje dat om de nek van de soldaten zat. Ik ben nu namelijk verbonden met een slachtoffer van de oorlog. Maar daarover straks meer. Een deel van mijn 5 euro is bestemd voor hulp aan kinderen in oorlogsgebied, met name in Oeganda en in Congo. 

 

cw2
het beeldje van els

Reusachtig wafelijzer

Met een vrachtwagen is het mobiele atelier aangevoerd en opgesteld. Goed gerief. Stevige werktafels en zware gietijzeren mallen om de figuurtjes in vorm te krijgen. Als een soort reusachtige wafelijzers. Met enkele vriendinnen ga ik aan de slag; we nemen onze tijd en hangen met ons volle gewicht aan de hengsels van de mallen. We draaien een holte in ons beeldje, zodat het niet barst als het straks gebakken wordt. Wat tevoorschijn komt zijn prachtige mensjes (m/v/x). Ineengedoken figuurtjes zonder geslacht maar met een duidelijk zichtbare ruggengraat, klaar om weer recht te veren.

De vorm van alle 600.000 beeldjes is dezelfde, maar de afwerking verschilt. Ik strooi wat wit zand over mijn beeldje en fluister het wat vredevols in; iemand anders maakt van de ruggengraat een rechtopstaande rij vinnen als van een dinosauriër. Er wordt gekerfd en versierd, gladgemaakt, gekarteld en geschubd. Tot we tevreden zijn. Als alles klaar is leggen we de beeldjes in kratten. Het lijken wel prehistorische schedels.

In Vilvoorde zijn veel schoolklassen beeldjes komen maken; ik zie dat leerlingen hun naam (“Ayoub”, “Hannah”) in de klei hebben vereeuwigd. Iemand heeft er een vredesteken in gezet.

Ouders en kinderen

Het mobiele atelier in Vilvoorde is een van de maar liefst 150 workshops, in binnen- en buitenland, tussen 2014 en 2018 georganiseerd. Alles samen 180.000 mensen werken eraan mee. Ik maak één beeldje, sommige verenigingen een heleboel. Veel ouders kleien samen met hun kinderen. 180.000 mensen, gedurende vier jaar. Van 1.230.000 kilo gemengde klei uit Ieper en Duitsland hebben we 600.000 beeldjes gemaakt. Cijfers om van te duizelen.

Al die loodzware houten kratten uit alle hoeken van het land zijn daarna naar het bouwbedrijf Wienerberger in Kortemark gebracht, waar doorgaans bakstenen en dakpannen in de oven gaan. Nu draaien de ovens artistieke overuren.

In februari en maart zijn 4000 vrijwilligers aan de slag in het provinciaal domein De Palingbeek in Ieper, het niemandsland van een eeuw geleden. Ik volg hen via sociale media; het is bitter koud en vochtig, maar het veld vol beeldjes groeit gestaag als een oranje plas. Met engelengeduld schikken ze de beeldjes van gebakken klei, de ruggengraten netjes in dezelfde richting. In het midden komt een verhoog met een reusachtig oer-ei van Koen Vanmechelen, waar nog eens 47.000 kleinere beeldjes uitstromen.

 

Om heel stil van te worden

Op 30 maart opent de landartinstallatie en in de zeven maanden die volgen komen maar liefst 250.000 mensen op bezoek. In mei ga ik erheen, op een zonnige weekdag, met een vriendin, ook meter en maker van een beeldje. We lopen langs een pad dat uitzicht biedt vanuit de hoogte. Adembenemend. De roestbruine zee valt bij het naderen uiteen in aparte beeldjes, als de facetten van een groot oog. Hele zones lijken op elkaar, als seriewerk, maar er zijn ook echte karakters bij.

Ik zoek niet naar “mijn” ventje of vrouwtje. Hoe zou ik het ook herkennen? Ik weet en voel dat het hier ergens zit, schouder aan schouder met alle anderen. Misschien staat het ergens aan de rand van het veld? Stel dat het plotseling het hoofd heft, dan kijkt het recht het bos in.

Het is stil aan de Palingbeek in Zillebeke, deelgemeente van Ieper. We denken aan leven en dood, aan massa en individu, aan de grond waarop we staan met die 600.000 doden, weer tot leven gebracht in een “New Generation”. Altijd al een fan van landart geweest, maar dit is het indrukwekkendste collectief gemaakte project dat ik ooit zag.

DSCN0259

 

De Caterpillar

In de directe omgeving van de beeldjes luisteren we naar oorlogspoëzie. Dan is het tijd om alles weg te laten waaien. De Palingbeek, het grootste provinciedomein van West-Vlaanderen, is een uitgestrekt wandelgebied van 350 hectare. Hoe idyllisch ook, een eeuw geleden was het een bloederig slagveld. We komen handdoekgrote begraafplaatsjes tegen en de fameuze Hill 60, zo vaak van kant gewisseld en ondermijnd. Een chaotische molshoop, nog altijd “geaccidenteerd terrein”.

We stoppen abrupt aan de rand van een enorme krater, de Caterpillar. Alsof er een meteoriet is neergekwakt. De put is het resultaat van een mega-mijnontploffing. Op 7 juni 1917 brengen de geallieerden 32 ton dynamiet in tunnels tot ontploffing, om de Duitsers te verdrijven. Op 16 mei 2018 zien we libellen boven het vijvertje op de bodem van het buitenaards diepe gat.

Leonard Blanchard

Enkele maanden later. Ik krijg bericht dat mijn naam, als maker van een beeldje, gekoppeld is aan die van een oorlogsslachtoffer. Leonard Blanchard, een Britse “private” van 19, gesneuveld op 12 april 1918. Zijn lichaam is nooit gevonden. Zijn naam staat op het Ploegsteert Memorial. Daar wil ik heen.

Ondanks de droge, hete zomer is het groen intussen stevig opgeschoten tussen de 600.000 beeldjes. Voor de ene bezoeker de natuurlijke gang van zaken, de andere vindt het respectloos. Wat ware het mooi geweest als deze hele menagerie weer aan de natuur werd gegeven. Dat de gebakken klei zich zou vermengen met de Ieperse grond. Maar het mag niet zijn. De kunstinstallatie wordt ontmanteld en het natuurgebied is straks weer van de kamsalamanders.

Eentje uit velen

Midden november nu. Iedereen mag een beeldje komen halen, zelfs wie er geen zelf heeft gemaakt. “Iedereen wordt nu zijn eigen museum”, zegt Koen Vanmechelen. De 600.000 beeldjes zijn in alle windstreken gemaakt en hebben hier betekenisvolle tijd samen doorgebracht. Nu zwermen ze weer uit naar alle windstreken. Dat is niet minder betekenisvol; ze nemen het verhaal met zich mee.

DSCN1177

 

Ik loop een Britse familie tegen het lijf, die stomverbaasd is over dit project. Ze zijn hier voor de grote herdenkingen en om een bezoek te brengen aan het graf van een gesneuvelde oudoom.  Overal zie ik al mensen beeldjes oppakken en in zakken steken. Iemand loopt eroverheen en krijgt meteen luide commentaar.

Ploegsteert

Op naar Ploegsteert nu, waar de naam van Leonard Blanchard te vinden moet zijn. Plug Street zeiden de Britten. Aan de andere kant van de taalgrens. De onfortuinlijke wielrenner Frank Vandenbroucke ligt er begraven, vereeuwigd in het bekendste lied van “Het Zesde Metaal”. Vandenbroucke ligt er niet alleen; het wemelt van de Britse begraafplaatsen in Ploegsteert. Ik vind “Hyde Park Corner Cemetery” (wat een naam) met 80 graven en aan de overkant van de straat het “Berks Cemetery Extension” met 800 graven en het open paviljoen “Ploegsteert Memorial”, ter nagedachtenis van meer dan 11.000 gesneuvelden zonder graf. Een kleinere versie van de Menenpoort in Ieper. Ik loop met m’n vinger langs de panelen met namen en vind … Leonard Blanchard. Ik zet het beeldje dat ik meebracht uit Ieper bij zijn naam.

DSCN1189

Veel informatie over Blanchard heb ik niet gevonden. Hij is vermoedelijk in 1899 geboren in Sutton-on-Hull. Was bij het elfde bataljon van het East Yorkshire Regiment. Stamnummer 29766. Rang: private. Gesneuveld, “killed in action” op 12 april 1918. Als zijn geboortejaar klopt dan was hij 19 jaar, zo jong als mijn zoon.

Zoals zo vaak in de Westhoek gaan gesprekken aan begraafplaatsen zelden  over het weer. Een Ierse man staat te kijken hoe ik m’n beeldje een plek geef in Ploegsteert. Wanneer ik hem over het project “Coming World Remember Me” vertel is hij zo ontroerd dat hij afscheid neemt met een kus.

DSCN1192.JPG

Niet enkel Leonard Blanchard, àlle 600.000 namen staan ook op ijzeren “dogtags” in een glazen container aan de Palingbeek. Koen Vanmechelen heeft ze bovendien op een usb-stick, verzegeld en wel, in een van zijn kunstwerken gestopt: een plexi ei dat in een nest van bronzen klauwen ligt. Dat werk blijft staan in Ieper. Het grote oranje ei tussen de 600.000 beeldjes krijgt elders in het domein een stekje.

Ik heb nog een tweede beeldje meegenomen; het staat intussen op de kast thuis. Het beeldje dat ik zelf maakte staat misschien al bij iemand anders. Dank je, Koen Vanmechelen, Jan Moeyaert, mede-kleiers, vrijwilligers, bezoekers.

De Palingbeek is straks weer leeg. “Als ik vanzeleven weer eens in de Westhoek passeer” ga ik nog eens naar die andere sterke beelden kijken: de gebroken vader en moeder van Käthe Kollwitz op de Duitse begraafplaats in Vladslo.

DSCN0211.JPG

Lees deze tekst ook op vrtnws.be.

To end all wars?

bbd56376-e67b-11e8-abcc-02b7b76bf47fNa 11 november 1918 tekenden zich nieuwe breuklijnen af, zowel op de landkaart als in het leven van mensen. Dat wil de tentoonstelling “To end all wars?” in Ieper belichten. Coördinator Piet Chielens van het In Flanders Fields Museum maakt meteen een balans op van vier jaar intense oorlogsherdenking.

Van de futuristische auteur H.G. Wells komt de uitdrukking “een oorlog die alle andere oorlogen zal beëindigen”. Politici namen de zin over, maar het bleek een grove leugen: de Eerste Wereldoorlog was geenszins de laatste.

To end all wars? Helemaal niet. WO I heeft veel andere conflicten in gang gezet of bespoedigd

“De Wapenstilstand vieren is kijken door een West-Europese bril,” zegt Piet Chielens, coördinator van het In Flanders Fields Museum. Centraal- en Oost-Europa, de Sovjet-Unie, het Midden-Oosten: daar waren de conflicten helemaal niet opgelost. Zo veel elementen in die “nieuwe wereldorde” zullen leiden tot de Tweede Wereldoorlog, de Joegoslavië-oorlogen en de problemen tot vandaag in het Midden-Oosten. “Veel van de staten die in 1919 “bedacht” waren, bestaan niet meer!”

 

In de tentoonstelling ligt een exemplaar van het vredesverdrag van Versailles, van 28 juni 1919. Met niet mis te verstane bewoordingen: Duitsland is schuldig, draagt alle verantwoordelijkheid en zal alle schade vergoeden.

Vrede of wraak?

“Er was zo veel gevraagd van de bevolking en het was een eerlijke drijfveer om dat te kunnen compenseren. Daardoor werd  Duitsland verplicht om alle schade te vergoeden. Maar het was uiteindelijk een soort wraakoefening, die leidde tot economische instabiliteit in Duitsland. Het was gewoon onmogelijk om alles eisen in te willigen. De Britten vroegen zelfs om de pensioenen van de soldaten te betalen,” verduidelijkt Piet Chielens. De scherpe eisen van Versailles leidden tot economische chaos en grote politieke spanningen in Duitsland, tot de opkomst van de nazi’s in de jaren 30 en uiteindelijk tot een nieuwe oorlog.

“Risk”

“Alles werd afgewenteld op de schuldigen: het Duitse Rijk, Oostenrijk-Hongarije, het Ottomaanse Rijk. Wat de schuld was van de geallieerden voor de wereld vòòr WOI en hoe alles in elkaar werd gestoken erna: daar is geen antwoord op gegeven. Dus leek het eerder op een wraakoefening, dan op een echt zoeken naar bestendige vrede.”  Met hertekende grenzen.

De maat van oorlog moet altijd de mens zijn

De expo “To end all wars?” maakt dat heel aanschouwelijk met kaarten en met onderhandelingstafels die eruit zien als speeltafels waaraan een spelletje Risk wordt gewonnen of verloren. Maar zoals altijd zoekt het In Flanders Fields Museum ook de mens in de grote geopolitiek.

Een gescheiden familie

Het verhaal van de familie Baccarne-De Schepper in Langemark is exemplarisch. In oktober 1914 valt het front tussen twee boerderijen. “Wat daarna gebeurt heeft gevolgen tot vandaag,” verduidelijkt Piet Chielens. De familie aan de Duitse kant beleeft de oorlog heel zwaar. Nakomelingen dragen daar nog de sporen van. Iemand schrijft boeken over de oorlog, of is schoenlapper geworden, net als zijn vader, omdat die niets anders kon doen met zijn oorlogshandicap.

De andere kant van de familie vluchtte naar Frankrijk en is daar gebleven, omdat er in de Westhoek niets meer te verdienen viel.  “De familie heet nu De Cheppère en boert goed in Normandië.”

“Dat ene moment, die ene dag, bepaalde het leven voor altijd. Net zoals een streep op een kaart vaak getrokken werd zonder rekening te houden met de enorme impact  op mensen.”

Slachtoffer van een grenshertekening

Nog een pakkend Belgisch voorbeeld uit de tentoonstelling: een brief van Antoinette Overbergh uit Heule, weduwe van Heinrich Lieutenant. De man woonde in de Oostkantons en had vòòr de Eerste Wereldoorlog de Duitse nationaliteit. Daarna werd het gebied van Duitsland afgescheurd en bij België gevoegd. Heinrich werd Belg. Tot de nazi’s het gebied weer inpikten en de man soldaat moest spelen in de Tweede Wereldoorlog, die hij niet overleefde. Zijn weduwe is er niet in geslaagd om van welke overheid ook enige compensatie te krijgen…

Het nooit gebouwde monument

In Flanders Fields Museum probeert burgerslachtoffers een naam en een gezicht te geven. Voor Ieper en omliggende gemeenten werden 2065 slachtoffers geteld, militairen en burgers. Op de monumenten op de vele pleinen staan er maar 430. Vanwaar dat grote verschil?

Piet Chielens: “Men heeft de burgerslachtoffers bijna nooit een plaats gegeven. We ontdekken nu pas dat we zoveel mensen vergeten zijn.”  Het museum in Ieper neemt zich voor om de namenlijst verder aan te vullen. Een titanenwerk. “Als we extrapoleren naar heel België denken we dat 35% van de (600.000) slachtoffers  burgers waren.”

“Het monument dat nooit werd gebouwd” noemt Chielens de namenlijst. De namen uit Ieper staan op tere zuilen van papier in het museum.

Fragiel geluk

Met de persoonlijke verhalen over slachtoffers, maar ook over vluchtelingen kun je mensen vandaag direct aanspreken, zegt Piet Chielens.  “Die verhalen zijn lange tijd niet doorverteld, omdat het over slechte tijden ging. Dat moeten we nu doen voor jongere generaties, opdat ze beseffen hoe fragiel geluk en goede tijden zijn. Er is nog onderzoekswerk voor vele jaren.”

Wat valt er nu nog te herdenken?

De voorbije vier jaar stonden in het teken van de herdenking – van dag tot dag – van de Grote Oorlog. Wat nu, Piet Chielens?

“We zullen de media-aandacht wat verliezen en misschien ook minder bezoekers krijgen. Maar we hebben een nieuwe generatie bereikt, die openstaat voor de geschiedenis. Misschien is het goed dat de officiële herdenkingen achter de rug zijn en dat mensen zelf – van onderuit – aan hun eigen geschiedenis verder kunnen schrijven. Dat is heel betekenisvol. Ik geloof heilig in de geschiedenis als inspiratiebron voor wie we zijn en wat we vandaag doen. Daarnaast hebben we de komende jaren ook oog voor de vérstrekkende gevolgen die de wereldbrand heeft gehad.” Zo komt er in 2022 een tentoonstelling over de Eerste Wereldoorlog in het Midden-Oosten.

Oorlog, vrede en godsdienst

46dd498a-e2b7-11e8-abcc-02b7b76bf47f
Samuel de Vriendt 1930

100 jaar na Wapenstilstand onderzoekt museum Parcum in Leuven de innige band tussen godsdienst, oorlog én vrede. Vroeger en nu, van de kruistochten tot IS. Op 11 november 2018 wordt de nieuwe Vredesbeiaard van de Abdij van Park ingeluid, een initiatief van Leuven en Neuss, twee steden die een eeuw geleden in vijandelijke kampen zaten. Bij die gelegenheid presenteert museum Parcum de tentoonstelling “Religie-Helend-Verdelend”.

“Gott mit uns”, “Allahu akbar”: er is en wordt nog steeds slag geleverd met God als bondgenoot, drijfveer of excuus. De tentoonstelling opent met een Duitse pinhelm en een Engelse pet uit de Eerste Wereldoorlog. “Dieu et mon droit” was de slogan aan Engelse kant, “Mit Gott für König und Vaterland” moest de Duitse soldaten een hart onder de riem steken.

De Eerste Wereldoorlog was nochtans geen godsdienstconflict. Het is wel het vertrekpunt van deze tentoonstelling, met bijvoorbeeld de gewijde sfeer van de korte kerstbestanden aan het front. Of met artefacten uit de loopgraven: van een draagbaar altaar over gelukspoppetjes tot een obus waarin een soldaat – veel te ver van huis – een moskee kerfde.

Moeilijke vragen

De kern van nagenoeg alle religies is vrede, maar toch worden ontelbare oorlogen gevoerd in naam van God. Religies verdelen én verzoenen. De discussie of geweld inherent is aan godsdienst laait geregeld op en is geenszins beslecht.

Parcum noemt zich een “dialoogmuseum” en gaat op zoek naar overeenkomsten. “Daarbij roepen we vragen op, maar we geven geen sluitende antwoorden,” zegt curator Liesbet Kusters. Het is namelijk de bedoeling dat de vragen doorwerken en de bezoekers aan het denken zetten. Parcum heeft wel lef als klein museum om dit mega-thema – zij het in vogelvlucht – aan te snijden, met artistieke voorbeelden van vroeger en nu.

Kruis

Godsdienstoorlogen waren geliefde onderwerpen in de kunst. Neem nu het precieuze 16e-eeuwse retabel uit Zoutleeuw met daarop een Romeinse veldslag. Keizer Constantijn kreeg een visioen van een kruis en zijn soldaten schilderden dat op hun schilden of vlaggen. Het werkte: ze wonnen. Een van de vroegste voorbeelden van het gebruik van religie als oorlogswapen.

Interessant ook om te zien hoe andersgelovigen steevast als losers worden afgebeeld. Op een 16e-eeuws paneel uit het Begijnhof van Gent staan “Mahomet” en Luther in een kraampje: “Comt al by. En Coopt my”. De afvalligen komen helaas niet in aanmerking om een slokje mee te drinken van het bloed van Christus uit de Fontein van het Leven.

Beeldenstormers

Niet enkel het creëren, ook het vernietigen van kunst is soms door religieuze motieven ingegeven. Het erfgoed van de vijand kapotmaken is een beproefd recept om die vijand in de ziel te treffen. Het jaar 1566 bij ons – de beeldenstorm door de protestanten – ligt in de vorm van brokstukken van heiligenbeelden in Leuven. Van heel recente datum is de vreselijke destructie van antiek erfgoed door Islamitische Staat in Syrië of Irak. Met pneumatische hamers godbetert.

De Iraaks-Amerikaanse kunstenaar Michael Rakowitz reconstrueert vernielde beelden, en hij gebruikt daar afvalmateriaal voor, wat weer verwijst naar vluchtelingen. In Leuven toont hij een zittende mannelijke figuur, gemaakt van kranten uit het Midden-Oosten. Rakowitz heeft onlangs ook een monumentaal beeld geïnstalleerd op de beroemde “vierde sokkel” op Trafalgar Square in Londen: een Perzische stier, gemaakt uit verpakkingen van dadels.

MR_TheInvisibleEnemyShouldNotExist_ArtBasel2018_IMG_0411_bearbeit.jpgEr is nog meer hedendaagse kunst te zien in Parcum, in de vorm van video-installaties. De Israëlische Yael Bartana toont een videowand met projectie aan twee kanten: enerzijds een zionistische propagandafilm uit de jaren 30 en anderzijds beelden van het heropbouwen van Palestijnse woningen in door Israël bezet gebied. Dezelfde beelden van bouwwerven, de ene kant zwart-wit, de andere in kleur. De klank van beide films loopt door elkaar heen. Bartana’s films gaan over identiteit, nationaal bewustzijn, geheugen.

De kruistochten uit het standpunt van “de slechterik”

Op de zolder van Parcum loopt een film van de Egyptenaar Wael Shawky, waarin hij de Arabische kant van de kruistochten vertelt, duidelijk geïnspireerd op het verhelderende boek “Rovers, christenhonden, vrouwenschenners” van de Libanese schrijver Amin Maalouf. Wael Shawky gebruikt hiervoor stokoude marionetten. Dat je de touwtjes ziet, doet uiteraard nadenken over wie er bij dergelijke godsdienstconflicten aan die touwtjes trekt.

Een zeldzaam voorbeeld van verdraagzaamheid, precies ten tijde van de kruistochten, zit in een houten zuiltje, fijn gesculpteerd rond het jaar 1700. Er staan scènes uit het leven van Franciscus van Assisi op. Niet alleen met de dieren wist deze man zich goed te verstaan, maar hij hield ook een open dialoog met sultan al-Kamil in Egypte, te midden van de “botsing der beschavingen”. “Geen van hen beide vond het nodig de andere een kopje kleiner te maken,” merkt religiekenner Jonas Slaats fijntjes op. Ze waren “mannen van vrede” tussen een hoop “mannen van oorlog”.

Nog dit: hebt u op de schoorsteenmantel nog zo’n oud, gipsen Jezusbeeld met een stralend hart staan? De devotie vlamde op in de Eerste Wereldoorlog, op aansturen van kardinaal Mercier. Na de Wapenstilstand werden vele duizenden van die “Heilige Harten” gemaakt.

 

Religie – Helend – Verdelend” loopt tot en met 10 maart in Parcum, Abdij van Park, Leuven. Lees dit artikel ook op vrtnws.be.