De zachte krachten zullen zeker winnen in ‘t eind –

Henriëtte Roland Holst

Advertisements

12 elfjes uit 17

Er viel af en toe een groot gat in mijn elfenboekje afgelopen jaar. Maar het blijft fijn om werkelijkheid en dromen in elf woorden te vatten. Een selectie van twaalf, ongeveer een per maand:

We
do not
want your tiny
hands anywhere near our
underpants!

Dit
boek wel
en dit niet
meer. Opruimen in de
letteren.

Vijftien
mensen in
aandacht voor elkaar
en voor de stilte.
Cirkel.

Oef.
Het mechaniekje
van de cirkel
van het leven werkt
nog.

Draak
jaagt op
uiltje in de
wondere, onrustige hemel van
maart.

geknede,
gedraaide, gevormde
geaaide, gladgemaakte, gekleurde
verfijnde, geglazuurde, gebakken, afgekoelde
aarde

Ik 
sta voor 
een brug. Een 
boot glijdt voorbij: “Altijd
onvolmaakt”.

gedempt
en uitdovend
in zich gekeerd
soms een kleine fonkel
papa

De
kat legt
haar warme kop
tegen de mijne. We
spinnen.

Wat
heb ik
vannacht weer gedacht
en ontdacht, geschreven en
ontschreven?

Het 
begon met
vijf buizerds en
het eindigde met veel
Zoniënwoud.

De
beuk naast
de Vesder draagt
een donkeroranje feestjurk. Oude
adel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

– wandelschoenen –

Het zijn prachtconstructies van stevig leer, zodanig gevouwen en dicht te snoeren dat er geen water doorheen komt, oprijzend vanuit een drievoudig gelaagde zool. Het profiel geeft houvast op steen, op hellingen bezaaid met fijne dennenaalden, in ondiepe rivieren. Het lopen op deze schoenen is een vreugde: iedere gezette stap geeft ruim krediet voor de volgende, de voeten voelen zich recht gedaan en peinzen er niet over om blaren te ontwikkelen. Het aandoen van het loopgerei alleen al veroorzaakt een bescheiden innerlijke vreugde.

Anna Enquist

Een universele Frans-Vlaamse

Marguerite_Yourcenar-Bailleul-1982.10.04.Bernhard_De_Grendel_(11)30 jaar geleden stierf de Frans-Belgisch-Amerikaanse schrijfster Marguerite Yourcenar. Volgend jaar is het precies 50 jaar geleden dat haar meesterwerk “L’oeuvre au noir” verscheen, de roman die 30 jaar geleden werd verfilmd door André Delvaux.

Marguerite Cleenewerck de Crayencour (die laatste naam verhaspelde ze tot haar pseudoniem) werd in 1903 in Brussel geboren, maar woonde als kind “op de schreve”, in Sint-Jans-Cappel, in een kasteel op de Zwarteberg. In de Eerste Wereldoorlog werd het kasteel verwoest en in de jaren dertig kwam er een villa in normandische stijl voor in de plaats. Vandaag is het domein eigendom van de overheid en Villa Marguerite Yourcenar is een schrijversplek. In het dorp is een klein museum, gewijd aan haar leven en werk.

Hoewel ze Française was – volgens Luc Devoldere van Ons Erfdeel was haar enige vaderland de Franse taal – had ze een sterke band met Vlaanderen: “de streek  waar ik voor het eerst in mijn bestaan werd geconfronteerd met de zuiverheid en de kracht van de grote dingen: het water, de lucht en de aarde,” vertelde Yourcenar. In ’77 schreef ze haar herinneringen aan haar geboortestreek neer in “Les archives du Nord”.

Eind jaren ’30 ontmoette Marguerite Yourcenar Grace Frick, de vrouw met wie ze veertig jaar een relatie zou hebben. Net voor de Tweede Wereldoorlog emigreerde ze naar de Amerikaanse oostkust.

Daar schreef ze haar meesterwerken, eerst  “Les mémoires d’Hadrien” (1951), vertaald als “Hadrianus’ gedenkschriften”, een fictieve autobiografie van de Romeinse keizer. In 1968 verscheen “L’oeuvre au noir”, in het Nederlands vertaald als “Het hermetisch zwart”. Het levensverhaal van Zeno, een alchemist uit de 16de eeuw in Brugge, op de vlucht voor de inquisitie. De roman werd in 1988 verfilmd door André Delvaux.

“Immortelle”, maar geen Nobelprijs

Marguerite Yourcenar was de eerste vrouw die tot de zogenoemde “onsterfelijken”  van de Académie Française toetrad. Ze was ook de eerste levende auteur die werd opgenomen in de Pléiadereeks van uitgeverij Gallimard. Yourcenar rijgde de prijzen en eredoctoraten aaneen, maar de Nobelprijs viel haar nooit te beurt. Ze was hoe dan ook een belangrijke stem, en een imposante persoonlijkheid, waarvan men wel eens ironisch – en vanuit mannelijk perspectief-  zei: “Quel homme, cette femme!”.

Actuele thema’s

“Ze was een uiterst intelligent auteur, een van de grote schrijvers van de 20ste eeuw,” zegt Luc Devoldere van Ons Erfdeel. “Ja, haar stijl is rijk, klassiek, abstract soms, maar grote literatuur is van alle tijden en altijd op nieuwe actualiteit toepasbaar.” Yourcenar schreef over ecologisch bewustzijn, over onthechting, persoonlijke vrijheid én dienstbaarheid, over de verantwoordelijkheid van politici. Bijzonder actuele thema’s.

Evenementen

Vorige maand kende literatuurhuis Passa Porta in Brussel haar de “Nobele Prijs” toe, een knipoog naar die Nobelprijs die ze nooit heeft gekregen. Théâtre Poème in Brussel brengt deze herfst enkele van haar teksten op het podium. Op 19 december is er een studiedag in de Académie  royale de langue et de littérature françaises de Belgique.

Ons Erfdeel vzw en Septentrion, tijdschrift dat de cultuur van Vlaanderen en Nederland wil presenteren aan het Franstalige publiek, zetten ook de voorstelling “L’être que j’appelle moi” op het getouw. Die is deze herfst opgevoerd in Parijs, Kortrijk en Sint-Jans-Cappel.

U kunt de taal van Yourcenar ook al wandelend ontdekken: in Brussel is er de passage Marguerite Yourcenar aan het Egmontpark, waar veertien citaten uit haar werk in steen gebeiteld zijn.

Een huis van papier

(tekst voor het allerlaatste nummer van het kunsttijdschrift Vlaanderen, in 1952 mede opgericht door mijn vader Fernand, die eind september overleed)

Hoe begon dat eigenlijk, Vlaanderen? vraag ik aan mijn vader. Draai je eens om, antwoordt hij.  Achter het flessengroene glas van een voorouderlijke boekenkast zie ik rijen in leer gebonden kloeke volumes. Op de ruggen lees ik Vlaanderen, en linksboven ook een reeks West-Vlaanderen. Hij was erbij van in het begin, vertelt hij trots. In het eerste nummer heeft hij in potlood in de marge geschreven ‘passage toegevoegd zonder mijn instemming’. Ha! De redacteur versus de eindredacteur. Het potlood versus de gom. Er is niets nieuws onder de zon.

Mijn vader papiervreter/boekenwurm/inktsnuiver/coveraaier/pennenman/kunstliefhebber heeft een slordige acht decennia verzameld, geordend en bewaard. Die levensoogst zit in kasten vol mappen, netjes getiteld, gedateerd, alfabetisch gerangschikt. Dossiers over de uitgeverijen Desclee De Brouwer, Orbis, Orion, correspondentie met auteurs, documenten van verenigingen, over kunstenaars en tentoonstellingen. Manuscripten in vulpen, typoscripten in een waaier van fonts, op carbonpapier of verbeterd met correctielint. Ik hoor het nog: tikke-tik-rikke-tikke-tikke-TING. En de sigaret in de asbak ernaast.

Was ik een biograaf van het Engelse Bloomsburysoort, dan was elke snipper papier goud waard. Elk woord, geschreven of geschrapt, van kapitaal belang in het leven van de auteur of de bestemmeling van de brief. Hoe vermoeiend… Alsof het belangrijkste niet altijd tussen de regels staat. Ik bedenk dat mijn vader gelukkig nooit heeft ge-sms’t of gemaild.  Al die onzin waarbij je ‘in cc wordt gezet’: het is hem bespaard gebleven.  Die enkele mails die wél belang hebben, een lieve boodschap bevatten of een mooie zin, moeten we die ook niet in alfabetische mappen stoppen, en wel snel?

Het huis van mijn vader is een huis van papier. Classeurs met recensies, artikels, toespraken, brieven en in élke kamer – ja, ook de badkamer, tot verdriet van mijn moeder zaliger  – kasten vol catalogi, kunstboeken, een bergketen van poëziebundels. Dit is een hoogstpersoonlijke collectie herinneringen, die door niemand anders kan zijn bijeengebracht, een archief zoals er maar één van is. Nu de eigenaar overleden is, is de kans klein dat dit universum blijft bestaan. Misschien gaat er een stukje naar het Letterenhuis, of naar een ander publiek archief. De rest zal uit elkaar worden geplukt, deels bewaard, deels versnipperd. Ik kan de gedachte nog niet verdragen.

Er was eens een alleen levende man. Hij was gek op kamermuziek en had een uitgebreide verzameling vinylplaten verzameld, die hij zorgzaam met witte handschoenen vastpakte. Na zijn overlijden wou een verre neef de hele zwik naar het containerpark brengen; het was al volop de tijd van de cd. Gelukkig was er het lot, dat de elpees naar een jonge muziekliefhebber toe blies.

Het archief van een mensenleven mag me dan ontroeren, het is en blijft een stoffelijke neerslag. Het echte, niet te vatten mysterie zit in dromen, gedachten en gevoelens. Het wit tussen de regels, de blanco bladzijden in het dagboek, de dagen dat er niets op de kalender of in de agenda stond. Cees Nooteboom noemt dat in Brieven aan Poseidon ‘onzichtbaar, onhoorbaar geworden gedachten die ooit ergens gedacht zijn, die in een allertraagste optelling vorm hebben gekregen in een rimpel, een oogopslag, een houding, een stemgeluid, omdat niets terwijl het verdwijnt ooit helemaal verdwenen is.’

Ik kan niets meer lezen in de rimpels en de oogopslag van mijn vader. Bij mij thuis ligt nog steeds de geleende ingebonden eerste jaargang van West-Vlaanderen. Op het eind van zijn dagen vroeg mijn vader er vaak naar, terwijl hij wees naar de lege plek, het gat in de voorouderlijke boekenkast. Hij wilde zijn echte en geestelijke kinderen dicht bij zich hebben.

 

VRT-journaliste Kristien Bonneure is de dochter van Fernand Bonneure, mede-oprichter van het kunsttijdschrift Vlaanderen. Ze begon deze tekst toen haar vader nog leefde, en zette er een punt achter na zijn overlijden, op 26 september 2017. Fernand Bonneure werd 94 jaar.

 

 

 

 

Ferrari 70

Enzo_Ferrari_-_Wheel_of_a_racing_car

Heel snel na de Tweede Wereldoorlog begonnen Enzo Ferrari en een klein team vrienden met de bouw van wat voor hen de “ideale sportwagen” moest zijn. Ze dachten daarbij vooral in functie van autosport. Het Designmuseum in Londen overloopt vanaf deze week die geschiedenis van innovatie, autoracerij en vernieuwend design. Ook de mensen achter het merk komen aan bod. In samenwerking met het Ferrari-museum in thuishaven Maranello toont het Designmuseum de eerste plannen en schetsen, alle historisch belangrijke race- en productiewagens, de Testarossa en 250 GTO onder meer, tot de Formule 1-wereldtitelbolides van Michael Schumacher en het allernieuwste hybride model, en ook parafernalia als helmen en pakken van beroemde piloten en van die dingen.

Het kan verbazing wekken dat Enzo Ferrari zo snel na de Tweede Wereldoorlog, die Italië had verwoest, aan een sportwagen dacht. In die tijd lagen de wegen in puin, de heropbouw moest nog beginnen. Italië, als bondgenoot van nazi-Duitsland, behoorde tot het verliezende kamp. Nergens ter wereld was de autosport al weer op gang gekomen.

Italiaanse politici en ondernemers wilden de Italianen weer mobiel krijgen met scooters – de Vespa en Lambretta zijn in die tijd van start gegaan. Het zou tot een eind in de jaren vijftig duren voor de Isetta, bij ons bekend als piepkleine driewielige BMW maar oorspronkelijk een Italiaans ontwerp, en de Fiatjes de Italianen weer in een auto kregen.

De man

Enzo Ferrari startte zijn carriere als racepiloot in 1919, heroïsche pionierstijden. Hij reed onder meer in modellen van Isotta-Fraschini en Alfa-Romeo. Tot 1939 was hij de officiële testpiloot van Alfa-Romeo. In datzelfde jaar startte hij een eigen bedrijfje in Modena. In 1945  – de echo van de explosies van de oorlog dreunde nog na –  werkte Enzo, toen 47 jaar oud, al aan zijn eerste eigen ontwerp, de 125S met een V12-motor, de typische krachtbronarchitectuur waar het merk altijd trouw aan zou blijven. De 125S was uiteraard rood. Op de tentoonstelling in Londen staat een replica uit 1987 van deze eerste wagen, die in 1947 eindelijk klaar was. 70 jaar geleden, de officiële geboortedatum van het automerk Ferrari.

Race-auto’s zijn mooi noch lelijk. Ze worden mooi als ze winnen.

Enzo Ferrari had maar één interesse: sportwagens. Hij bracht al zijn tijd in zijn atelier en aan het stuurwiel door. Vakantie bestond niet. Vooral van alleen knutselen in een verder lege werkplaats hield hij enorm. Enzo overleed in 1988, hij was 90, en had nog net de geboorte meegemaakt van de legendarische F40, toen de snelste auto op de markt.

De klanten

Vanaf  de vroege jaren vijftig verzilverde Ferrari het succes in de autosport met productiemodellen, die dus gewoon, nou ja, bij de dealer te koop stonden. Het woord “gewoon” klopt nog enigszins, de eerste Ferrari’s waren niet poepduur. Meteen schoven de celebrities aan. Ik noem alleen nog maar jazzlegende Miles Davis, acteurs Clint Eastwood, Sammy Davis, Brigitte Bardot en Peter Sellers. Dit jaar werd een Ferrari F430 van Donald Trump geveild voor 250.000 euro.

Ook Nick Mason van Pink Floyd en Mick Jagger hadden er een, en Fiatbaas Agnelli was een trouwe fan. Verschillende Fiatsportwagens zijn trouwens met een beetje hulp van Ferrari ontworpen, onder meer de wonderprachtige 2300 S coupé uit de jaren 60, de Dino’s tien jaar later en eind twintigste eeuw nog de Coupé en Barchetta. Uiteraard nemen Ferrari’s deel aan films en feuilletons. Ik denk alleen nog maar aan de 365 GT Daytona in “Miami Vice” en de gewone 365 in de handen van Tony Curtis in “De versierders”.

 

Ons koningshuis

Dat verschillende leden van het Belgische koningshuis autofreaks zijn, weet iedereen. In de jaren vijftig reden Boudewijn en Albert met een Ferrari, de broers hadden er één voor hen beiden. Een aanrijding met blikschade in de buurt van Leuven werd in der minne geregeld, maar kwam toch discreet in de pers. De Waalse romanschrijver Pierre Mertens heeft over dat ongeval mooie bladzijden in zijn meesterwerk “Koninklijke rust”. En ook Laurent was een tijdlang een Ferrari-addict. Niemand vergeet het beeld van Laurent die in zijn blauwe Ferrari de oprijlaan naar het paleis van Laken opstuift.

Andere Belgische Ferrari-adepten waren Tom Boonen, die een F430 in de prak reed, en Jean-Pierre van Rossem. De beelden van de corpulente beursgoeroe en Formule 1-renstal-eigenaar die zich in en uit een rode Ferrari hijst, zoals Gerard Depardieu op en van een scharminkelig paard in de film “Germinal”, blijven op het netvlies gebrand. Sinds Van Rossem weten we trouwens dat er een scherpe vete bestaat tussen Ferrari- en Lamborghini-rijders, vergelijkbaar met de hetze tussen eigenaars van Vespa’s en Lambretta’s.

Design

Voor de modale bezoeker die weinig boodschap heeft aan autosport, zal de sectie van de tentoonstelling in Londen die de ontwikkeling van het design toont een stuk interessanter zijn. Meteen na de beslissing om ook productiewagens te bouwen, koos Ferrari de toen bekendste en beste auto-ontwerper ter wereld Battista Pininfarina om de wagens te ontwerpen. Die samenwerking met het nog bestaande studiebureau duurt tot heden.

Op de tentoonstelling staan schaalmodellen, windtunnelprototypes en uiteraard echte auto’s, tussen tientallen schetsen, ideeën, foto’s, maquettes en films. De expositie licht ook een paar tippen van de sluiers van toekomstige modellen. Want het gaat goed met Ferrari, de productie en de winst lagen nooit hoger. Zeker bij kapitaalkrachtige Russen en Chinezen ligt Ferrari in de bovenste lade.

Ferrari behoort tot de Fiat-Chryslergroep, via aan complexe constructie die wat lijkt op de verhouding Volkswagen-Porsche. Bedoeling is om de aandelen en de beurskoersen van Fiat en Ferrari gescheiden te houden, zodat de sportwagenbouwer exclusief aan zijn eigen imago en succes kan werken. Commercieel succes, ja: meer dan 7000 exemplaren per jaar, een omzet van drie miljard euro. Dat moet het al 10 jaar wachten op een wereldtitel in de sport goedmaken. Al is Ferrari wel het enige merk dat vanaf de jaren vijftig onafgebroken deelnam aan de Formule 1. En dat zal blijven doen.  En ja, naast de auto is er nog een heel gamma Ferrari-merchandising. Is een Ferrari-auto misschien te duur, een horloge kan er nog net van af.

De steigerende hengst

Het logo van Ferrari is een zwart steigerend paard op een gele achtergrond, met de letters SF. Waar komt dat vandaan? Uiteraard zijn er veel automerken die een krachtig (roof)dier als embleem gebruiken, denk aan Jaguar, zelfs Peugeot. Ook de Ford Mustang heeft een paard als kenteken, zij het dan een galopperende flink uit de kluiten gewassen pony. Het Ferrari-logo zou afkomstig zijn van hat cavalerie-regiment van een militaire piloot en oorlogsheld, Francesco Baracca. De moeder van Baracca schonk het zwart-wit wapenschildje dat het vliegtuig van haar verongelukte zoon sierde, aan Enzo, die ze al lang kende. Die koos een gele achtergrond, de kleur van Modena. SF betekent Scuderia of raceteam Ferrari.  Onnodig te vermelden dat de meeste Ferrari’s rood zijn.

Quanta costa?

Een Ferrari Portofino van nu krijg je in handen vanaf een goeie 200.000 euro. De andere modellen zijn 20 tot 100.000 euro duurder. Een maximumprijs is er niet, de lijst opties en gepersonaliseerde speciallekes is eindeloos. Een Ferrari is uiteraard een investering;, de waarde begint meteen na de aankoop te stijgen. In 2014 veranderde op een veiling een 250 GTO Berlinetta uit 1962 voor meer dan 30 miljoen euro van eigenaar, nog altijd het record. In de top 10 van duurste auto’s ooit geveild staan trouwens zeven Ferrari’s.

Een tweedehandse Ferrari kan je niet kopen op de vrije markt, laat staan op eBay. Bij aankoop tekent de koper van een nieuwe auto een contract met de clausule dat, als ze de kar beu zijn, Ferrari die weer opkoopt. Dat geldt ook voor vernielde modellen na een ongeval.

Mijn lievelingen

Ik hou het graag wat sober, dus zijn de allersnelste meest prestigieuze sportwagens niet mijn lievelingsvoertuigen. Integendeel, ik vind Ferrari’s en Lamborghini’s vaak nogal ridicuul. Het prottige geluid vooral. Maar in mijn destijdse verzameling van Jacques chocolade-prentjes uit 1962 zat de Ferrari 250 Gran Turismo, een 2500 cc V8 vierpersoons coupé die toen al 250 kilometer per uur haalde. Het was een vrij eenvoudige, herkenbare, strakke auto, en sinds mijn prille kindertijd mijn all time Ferrari-favorite. In het Autosalonnummer van de VAB-Autotoerist van 1968 dook de perfect gestroomlijnde Citroën SM-achtige Daytona op, mijn nummer twee. En van de latere Ferrari’s gaat mijn voorkeur altijd naar de minst spectaculaire modellen, die een eenvoudig mooi interieur hebben dat toch aan vier inzittenden plaats biedt. Een Ferrarigezinswagen, het kan.

Lucas Vanclooster. Lees deze test ook op vrt nws.be

Dona nobis pacem

britten

Naar aanleiding van Wapenstilstand brengt het Concertgebouw in Brugge het “War Requiem” van Benjamin Britten, werelderfgoed van vlammende en tegelijk ingetogen anti-oorlogsmuziek en –poëzie.

“War Requiem” zoek je tevergeefs in de jaarlijkse Klara top 100. En toch is dit werk één van de belangrijkste en interessantste composities uit de muziekgeschiedenis. Naar aanleiding van Wapenstilstand en in het kader van Gone West brengt het Concertgebouw Brugge twee uitvoeringen en een debat over oorlog en vrede.

Coventry Cathedral

Benjamin Britten werd begin jaren ’60 uitgenodigd om muziek te schrijven voor de heropening van Saint Michael’s Cathedral van Coventry in Engeland. Dat gebouw was tot een ruïne herleid in de Tweede Wereldoorlog. De brokstukken bleven symbolisch staan, en ernaast verrees een modern gebouw. Het was de opdracht waarop componist Britten al een tijdje op zat te wachten: een magnum opus schrijven, doordesemd van zijn pacifisme en humanisme.

Koude oorlog

“War Requiem” ging in première op 30 mei 1962.  Het waren spannende tijden; de Cubaanse rakettencrisis zou later dat jaar de wereld tot aan de rand van een atoomoorlog brengen. Hoe ironisch dat een universeel pacifistisch werk zelf het slachtoffer was van koude-oorlogsgedoe: voor de première mocht de Russische sopraan Galina Visjnevskaja de Sovjetunie niet verlaten. Ze werd vervangen door een Britse zangeres, maar zong een jaar later wel voor de beroemde eerste plaatopname.

De twee andere solisten waren de Britse tenor Peter Pears, levenspartner en muze van Britten en de Duitse bariton Dietrich Fischer-Dieskau, die zo overweldigd was door zijn emoties dat hij na afloop van het podium moest worden geholpen. Er was geen applaus, om de intense atmosfeer na de laatste noot niet kapot te maken.

Anti-oorlogspoëzie

Britten bracht artiesten uit voormalige vijandelijke staten samen in Coventry Cathedral, maar hij waagde zich muzikaal aan nog een groter experiment. “War Requiem” bestaat uit de delen van een traditionele Latijnse dodenmis (Sanctus, Dies irae…) maar die worden doorsneden met anti-oorlogsgedichten van war poet Wilfred Owen, die vlak voor Wapenstilstand 1918 alsnog sneuvelde aan het front in Noord-Frankrijk.

 

Geen heroïek in de verzen van Owen, maar wel een bittere aanklacht, en ook mededogen. Van hem zijn de wijze woorden dat het een leugen is om zoet en eervol te sterven voor het vaderland: “the old lie: dulce et decorum est pro patria mori”. Op het einde van het “War Requiem” zingt de stervende soldaat: “I am the enemy you killed, my friend”. De teksten grijpen dramatisch op elkaar in. De bazuinen van het laatste oordeel uit de Latijnse ritus plakt Benjamin Britten -tsjakka- aan de versregels van Owen over het klaroengeschal aan het front.

Niet voor niets schreef de componist deze verzen van Owen op het titelblad van de partituur:

My subject is War, and the pity of War. The Poetry is in the pity … All a poet can do today is warn.

“De duivel in de muziek”

Ook muzikaal is het “War Requiem” een waagstuk. Britten gebruikt een tritonus als rode draad in het werk, een interval van hele noten dat sinds de Middeleeuwen als des duivels werd bestempeld – niet toevallig maken ook onze vrienden van de heavy metal vaak gebruik van deze klankenconstellatie.

Wat de bezetting betreft, trekt Britten alle registers open. Een groot symfonisch orkest én een kamerorkest, een koor én een jongenskoor én vocale solisten. Soms komen er zelfs twee dirigenten aan te pas. Het “War Requiem” is reusachtig luid en dreigend, de mokerslagen volgen elkaar op. Maar daar tegenover staan zeer ingehouden, ijle, bijna etherische passages die elke wervel in je ruggengraat beroeren.

Het “War Requiem” was meteen een schot in de roos. Van de plaat werden de eerste vijf maanden 200.000 exemplaren verkocht. Du jamais vu voor hedendaagse klassieke muziek. Live-uitvoeringen blijven populair, zeker op bijzondere locaties.

Britten in Ieper

In 1967 was er een live-uitvoering in Ieper, een halve eeuw na de slag bij Passendale. Benjamin Britten dirigeerde zelf; koning Boudewijn en koningin Fabiola waren erbij en al wie daar toen bij betrokken was, herinnert zich dat als de dag van gisteren. Met één van hen mocht ik ooit eens de partituur inkijken, een jaw-dropping ervaring zoals dat zo mooi in het Engels heet. Toen onlangs een nieuwe compositie van Piet Swerts in première ging in Ieper, vergeleken sommige zangers dat met de ervaring uit hun kindertijd, als lid van het knapenkoor vijftig jaar geleden.

Geef ons vrede

Mijn favoriete passage is het bizarre “Benedictus” waarvan de mystieke ingetogenheid plots wordt aan flarden wordt gescheurd door slagwerk als kanonnengebulder. De oosters aandoende tonen van “dona nobis pacem” klimmen op hun ladder ook recht naar de hemel, weg uit de oorlogshel. Geef ons vrede. Vlammende anti-oorlogsmuziek, daar kunnen we vandaag de dag nog wel wat mee. Denk aan die muzikanten in Mosoel die “Imagine” speelden.

Hoe moeten we ons verhouden tot kunst die over oorlog en vrede gaat? Is dit een sublimatie, die het allemaal minder erg maakt? De kunstenaar die toch iets moois heeft gecreërd uit al dat bloed en die modder? Zeker. Britten heeft het verhevene van de Latijnse gezangen over engelen en hemelse vrede verknoopt met het aardse van de dichter in de loopgraaf. Maar tegelijk luister ik straks naar het “War Requiem” met onrust en kwaadheid. Omdat de menselijke soort nog altijd niet heeft begrepen dat er zo al genoeg lijden in de wereld is. Dat we er niet nog een portie aan moeten toevoegen.

 

“War Requiem” in het Concertgebouw in Brugge:

op woensdag 8 november een debat met o. a. de ambassadeur van Duitsland en de rector van het Europacollege over de naweeën van WOI

op vrijdag 10 en zaterdag 11 november:  uitvoering “War Requiem” door Bochumer Symphoniker, Rotterdam Symphony Chorus, Octopus Symfonisch Koor, Kinderkoor Opera Vlaanderen, dirigent Steven Sloane, sopraan Sarah-Jane Brandon, tenor Ben Johnson, bas Thomas Bauer.

Online is het “War Requiem” integraal te beluisteren, met uitgebreid commentaar via www.warrequiem.org.

Lees deze tekst ook op vrtnws.be. En dit is ook een helder filmpje van Klara.

“Laten we een stille revolutie ontketenen”

“Ma cure de silence” van de Franse Kankyo Tannier is net vertaald in het Nederlands met als titel “De kracht van de stilte”. Kristien Bonneure had een gesprek met haar.

Tannier Auteursfoto

“Mijn leven? Ik loop, ik eet, ik slaap, ik kijk naar de lucht, ik adem, ik aai mijn katten, ik mediteer, ik zing…” Het antwoord typeert Kankyo Tannier, een zonnige verschijning met heldere blik, een klaterende lach, kaalgeschoren hoofd en lange pij. Ze is zenboeddhistische non, zangtherapeute, paardenverzorgster. Ze studeerde af in de rechten, werkte als journaliste en na enkele bezoeken aan zenkloosters streek ze uiteindelijk neer in de Elzas, in het klooster Ryumonji bij meester Olivier Reigen Wang-Genh, waar ze 16 jaar verbleef. Nu woont ze in een cabane in het bos, vlakbij het klooster. Daar heeft ze tijd om zich aan het schrijven te wijden.

Tannier noemt zichzelf een non 2.0 want ze deelt haar ideeën via sociale media. www.dailyzen.fr vat goed samen waar ze mee bezig is: een dagelijkse ervaring delen, geworteld in huiselijkheid, maar met de blik op verte. Haar eerste boek “De kracht van de stilte” is een diepzinnig maar tegelijk lichtvoetig boek, met Franse schwung, humor en zelfrelativering geschreven. Veel inzichten en suggesties zijn ook al elders geopperd, maar Kankyo Tannier pakt het verfrissend aan.

Die mensen die de radio uitzetten als ze in de auto stappen… ze zijn vermoedelijk de heiligen van de eenentwintigste eeuw!

Eén van de belangrijkste adviezen die Kankyo Tannier geeft is die van de digitale retraite: voor kortere of langere tijd alle schermen uit, geen radio, geen tv, geen telefoon, geen computer. Over de weldadige effecten daarvan is ook een ander recent boekje uiterst interessant: “Kleine filosofie van de digitale onthouding” van de Nederlandse filosoof Hans Schnitzler. Het is de (zeer wijsgerige) evaluatie van een experiment met zijn studenten om een week lang te “ontkoppelen”. Afgezien van die ene studente die een feestje liet schieten, omdat ze niet wist wie er zouden zijn en wanneer het begon, waren alle digitale geheelonthouders lovend. “Ik heb het gevoel dat ik meer leef, ik bepaal nu echt zelf wat ik wil doen”.  Een andere kreeg meer overzicht over de structuur van de dag en zijn eigen verantwoordelijkheid daarin. “Ik voelde mezelf slimmer, kon beter nadenken”.

“In het hart van de vulkaan gaan staan”

Terug naar Kankyo Tannier. De leegte boezemt angst in, geeft ze toe; mensen vullen dat gapende gat het liefst op. Terwijl het zo belangrijk is om alleen te leren zijn.

Een zelfgekozen eenzaamheid, een comfortabele halve draai naar binnen, waaraan je je kunt laven voordat je de wereld weer ingaat.

Wat Tannier over meditatie schrijft, doet sterk denken aan “Leer ons stil te zitten” van Tim Parks. Parks oefende veel geduld; Tannier reikt manieren aan om actief in te grijpen in de menselijke geest. Niet eenvoudig…

In het hart van de vulkaan gaan staan en daar onze angsten te laten smelten. Dat is de weg van de ridder die moed en vastberadenheid vereist. Maar het is ook de weg van de verzoening, van de wapenstilstand, van de acceptatie van alles wat ons vormt, zowel het ‘goede’ als het ‘kwade’.

En wat kan ze fraai formuleren:

Tussen woorden, tussen bekende beelden, tussen vertrouwde gevoelens bestaat een parallel universum, een absolute en weldadige kalmte, waarvan de toegang angstvallig wordt bewaakt door de schildwachten van de concentratie en het volle bewustzijn.

“De stilte hervinden, dat is proeven van verveling”

En toen ontmoetten we elkaar, tussen de duizenden boeken in de Franstalige Brusselse boekhandel Filigranes. We spraken over Silence for Peace en over onze overleden vaders. Een neerslag van het gesprek:

Ik zal de vraag nog maar eens stellen, mevrouw Tannier: wat doet u in het leven?

Ha! Die vraag stellen mensen me vaak, en ik geef er graag een “geometrisch-variabel” antwoord op! Ik doe verschillende dingen. In de eerste plaats verspreid en promoot ik de zenboeddhistische meditatietechniek – en veel stilte-  maar ik ben ook zanglerares en hypnotherapeute. Maar wat ik écht doe in het leven? Ik wandel, ‘je goûte l’air du temps’, ik streel mijn katten, ik luister naar de geluiden van het bos.

Maar u houdt wel van praten?

Ja, ik ben een babbelaar. Als ik in gezelschap ben, hou ik van praten – ook van luisteren- maar ik ben ook vaak alleen, in de stad of in de natuur. Ik wandel graag in m’n eentje. Ik hou van het alleen zijn.

Laten we maar de koe bij de horens vatten en de moeilijkste vraag stellen. Wat is stilte? Er zijn zoveel definities, wat is de uwe?

Ok, dit is de mijne: de stilte is die stille, poëtische, magische ruimte die we allemaal in onszelf hebben, die we kunnen bereiken als we stilstaan en als we leren om de gedachten te laten voorbijgaan. Achter dat lawaai van de gedachten, van de wereld, is er …  die waarlijk heerlijke ruimte.

Het heeft dus niets te maken met het lawaai rond ons, met de decibels van de stad?

Nee, want de stilte zit achter het geluid, ze komt voort uit liefhebben. We hebben het vaak over meditatie, die een waarheid zoekt voordat er woorden zijn; precies zo kun je de stilte zoeken voor er geluiden zijn. Het kan best luid zijn rond ons, maar daarachter, of liever ervoor is er iets anders.

Dus hebt u geen fysieke stilte nodig?

Nee, het idee is om je innerlijke stilte te herontdekken. Dat is de sleutel.

Het woordenboek zegt: stilte is de afwezigheid van geluid. Dat vindt u te beperkt?

Ja, en bovendien: als je de uiterlijke stilte zoekt als voorwaarde voor je welbevinden, dan zoek je de heilige graal! Natuurlijk is het prettiger om ergens te zijn waar je de wind in de bomen hoort en de vogels, maar zelfs in de stad zijn er plaatsen die relatief stil zijn. Als je echt leert luisteren, dan hoor je dat er tussen de geluiden ruimte zit, die ons toelaat om ons te verbinden met een ‘andere’ stilte.

Mensen schrikken terug voor stilte, hoe verklaart u dat?

Een groot probleem en een belangrijke kwestie! Ik denk dat we onze kinderen niet aanleren om zichzelf te leren kennen op emotioneel vlak. Als je dan plotseling de stilte ingaat, is het eerste wat je tegenkomt jezelf! Met alle “geslaagde” emoties, maar ook met allerlei moeilijkheden. Wat de westerse maatschappij ons leert, is dan meteen weg te vluchten van onszelf, weg te vluchten in activiteit en lawaai. De omgekeerde beweging maken vergt een zekere emotionele opvoeding.

Hoe vullen we de leegte dan op?

Consumeren en verstrooien: in dat soort samenleving leven we nu, denk ik. Alsof mensen kinderen zijn, die je altijd maar moet verstrooien, met nieuwe spelletjes en bezigheden. Opdat ze zich zeker niet zouden vervelen. De stilte hervinden, dat is net proeven van verveling! Laat de tijd rustig voorbijglijden. Daar leeft een mens langer van (lacht).

De stille vreugde van uit het raam kijken, zoals u schrijft in uw boek.

Dat heb ik ervaren in India, tijdens een lange, spirituele retraite, wekenlang, met enkel dat raam om naar buiten te kijken. Maar het kan ook veel korter. Gewoon stoppen. De tijd nemen om te stoppen en te proeven van de stilte.

Uw boek heet in het Frans “Ma cure de silence”, letterlijk “Mijn stiltekuur”. Curer, dat is genezen. Van welke ziekte moet de stilte ons genezen?

Met “kuur” wilde ik gewoon een zekere duur suggereren. De ziekte, dat is de verstrooiing, de afleiding waar ik het net over had. De energie die ons altijd weer uit onszelf haalt. Met een stiltekuur van een weekend, of zelfs een dag kunnen we opnieuw leren om … de telefoon uit te schakelen. Grote ‘challenge’, hé?

Die digitale detox, alle schermen uitschakelen, dat lijkt me steeds moeilijker te worden?

Ik vind het vreemd. De voorbije dagen was ik in Spanje en Catalonië en praatte ik met veel journalisten. Tien jaar geleden bestonden de sociale media niet. Twintig jaar geleden was er geen internet. En nu zijn we verslaafd aan zaken die de macht hebben om onze aandacht vast te houden! Het is een echte uitdaging om daar niet van afhankelijk te worden; om er gebruik van te maken als we ze nodig hebben – of zin-  maar ook om ze te kunnen uitschakelen. Dat kan geleidelijk gebeuren. In de spiritualiteit zijn die inspanningen lonend die we lang kunnen volhouden. Jezelf forceren is jezelf geweld aandoen. Ik raad iedereen aan om je digitale toestellen een paar keer per dag uit te zetten. Om te kunnen ademen. Om niet met allerlei draadjes aan andere plekken vast te hangen.

En dat dan op te drijven, van minuten naar uren, naar dagen, naar een week?

Ja, of er slim mee omgaan. Mijn telefoon staat aan, maar ik kijk niet alle vijf minuten. We moeten  al die toestellen anders gebruiken. Op een bewuste manier. Sociale media en internet maken deel uit van ons leven, dat is allemaal interessant, maar we moeten een nieuwe manier vinden om er mee om te gaan.

Maar u schrijft toch blogs op het internet?

Jawel, ik gebruik het internet, ik zit op Facebook en euh … zelfs een beetje op Twitter (lacht). Maar als ik iets post, dan ga ik niet de hele dag zitten kijken hoeveel likes en commentaren er zijn. Ik gebruik de nieuwe media als kanalen om informatie te verspreiden. En als ik vrede heb met mijn emoties, heb ik geen behoefte aan het zoeken naar antwoorden. Ik blijf bij mezelf, in mijn lichaam.

Rustig bij jezelf blijven, dat is moeilijk. U schrijft vele bladzijden over die innerlijke monoloog, dat inwendige stemmetje dat niet ophoudt met praten…

Dàt is de grote vraag. Het kan een stemmetje zijn, of beelden, of gedachten, fysieke gewaarwordingen, emoties. De belangrijkste techniek is om je ervan bewust te worden. Helaas leven de meeste mensen meestal als robots, gehypnotiseerd door de wereld en de dingen. De gedachten komen op, mensen volgen gewoon wat er opkomt in hun hoofd. Dat is toch eigenlijk verrassend en verontrustend!  Alle oefeningen in meditatie en spiritualiteit zeggen hetzelfde: wees je opnieuw bewust van je gedachten, en beslis daarna of je die wil volgen of niet. Dat vergt veel oefening. Complex is het niet, maar het vergt training, geregelde inspanning. Inspanning… Een woord dat uit de mode is…

Oefenen, herhalen, je concentreren, rituelen uitvoeren, helpt dat?

Het idee is dat je echt anders wil gaan leven, niet meer als een robot zoals ik zei. En om de oude denkpatronen te veranderen heb je inderdaad rituelen nodig, veel nieuwe rituelen. Dat is trouwens gemakkelijker in groep. Ik geef mensen vaak de raad aan om aan te sluiten bij een meditatiegroep, om te oefenen.

U legt vaak de nadruk op het lichaam, het fysieke, de oren, de ogen ook. Waarom is dat belangrijk als we over stilte praten?

Het lichaam, dat is het huidige moment. Daar staat een gelijkheidsteken tussen. Maar meestal zijn we met ons lichaam ergens op een plek, terwijl onze geest elders is: aan het voorspellen wat er gaat komen, aan het herinneren, aan het verzinnen. Onze geest zit buiten het lichaam, en het is belangrijk om te leren die geest weer naar binnen te krijgen. En meteen in het moment te stappen.

Dat is ook iets wat dieren u leren? U schrijft liefdevol over paarden, over katten.

Ja, ik heb grote spirituele meesters vlakbij me. Ik heb het geluk naast het klooster en vlak bij een bos te wonen. Met paarden, katten, kraaien, en al die kleine insectjes. Ik houd ervan om doodstil te zitten en hen te observeren. En van hen op te steken hoe je spontaan en instinctief kunt zijn. Verbonden te zijn met het weer, de wind, de maan. Dieren zijn grote leermeesters.

Is uw zoektocht naar stilte iets puur persoonlijks, of zit daar ook een maatschappelijke kant aan?

Voor mij gaat het veel verder dan persoonlijk welbevinden! Als je innerlijke stilte vindt, en die daarna meeneemt naar andere plaatsen, dan maak je de wereld vredevoller, dan verbind je je met alles, met de bomen en alle andere dingen en mensen. Het doel is echt een innerlijke revolutie, een revolutie van de stilte.

Is er zo’n stille beweging aan de gang, met veel mensen samen?

Dat denk ik wel. Ik voel het, ik heb de indruk – zeker met het internet, als ik dat allemaal observeer- dat er een soort bewustwording aan de gang is, dat er iets moet veranderen aan de manier van leven zoals we die kennen sinds pakweg ’45. Het hyperconsumentisme, al die afleidingen… Mensen verlangen naar iets anders. Iets eenvoudigers. Terug naar de natuur. Dat zal nog toenemen. Ik ben daar nogal optimistisch over.

We zitten hier tussen de vele boeken over persoonlijke ontwikkeling, geestelijk welbevinden, noem maar op… Dreigt het gevaar niet dat stilte ook commercie wordt? Dure retraites voor de rijken enzo?

Ja en nee. Als de commercie er op springt, dan zal ze er wel brood in zien, zeker. Maar het stoort me niet echt, als de goede boodschap maar verspreid raakt… Kijk naar het veganisme. Ik ben veganist, en dat is blijkbaar in de mode. Dat maakt me blij, want het is goed voor de dieren.  Waarom niet?

Uw boek wordt vertaald in twaalf talen, Spaans, Italiaans, Engels, Duits, Nederlands, Portugees… u hebt een gevoelige snaar geraakt?

Ja, ik was echt verwonderd. En heel tevreden. Ik denk dat het grote publiek zin heeft om de spiritualiteit te ontdekken. En mijn boek is nogal humoristisch en vreugdevol geschreven. Het is  spiritualiteit voor het dagelijks leven, niet streng of zwaarwichtig. Ik denk dat dat de lezer aanspreekt.

Het is ook erg toepasbaar in het dagelijks leven. Wat zijn uw belangrijkste tips?

Ik heb veel praktische oefeningen in het boek opgenomen. Neem nu je oren. Je kunt naar de stilte luisteren. (….) Misschien is dit niet erg radiofonisch, maar je kunt je verbinden met de geluiden die er nu zijn (…) verre geluiden, dichte geluiden (…), diepe geluiden, hoge geluiden, (… gsm rinkelt… ), een beltoon (lacht). Dat allemaal beluisteren is een manier om je opnieuw te ‘centeren’ in je lichaam. Voilà, een snelle methode die je doorheen de dag kunt toepassen.

U schrijft ook over een andere manier van kijken. Wat hebben ogen te maken met stilte?

De ogen werken vaak instinctief, een restant van toen we dieren waren. Ogen zijn naar buiten gericht, bespieden wat er rondom gebeurt. Maar de beweging van de ogen creëert gedachten, en dat resulteert soms in een hyperactief brein. Wat je kunt doen als je af en toe door de stad loopt, is je ogen en je geest kalmeren door een paar minuten als stappend naar beneden, naar de grond  te kijken. Een bel creëren rond jezelf, jezelf ‘centeren’ alweer. Op die manier kun je je weer aanwezig voelen, in het moment, in je lichaam.

En proberen niet te vallen!

Welnee, er ontwikkelt zich een ander gevoel, je zal niet zo snel tegen anderen aanlopen (lacht)!

 

Kankyo Tannier, “De kracht van stilte” is uitgegeven bij Xander, 2017, 222 p.

Hans Schnitzler, “Kleine filosofie van de digitale onthouding” is uitgegeven bij De Bezige Bij, 2017, 128 p.

 

Lees deze tekst ook op www.waerbeke.be