De zachte krachten zullen zeker winnen in ‘t eind –

Henriëtte Roland Holst

Advertisements

Ferrari 70

Enzo_Ferrari_-_Wheel_of_a_racing_car

Heel snel na de Tweede Wereldoorlog begonnen Enzo Ferrari en een klein team vrienden met de bouw van wat voor hen de “ideale sportwagen” moest zijn. Ze dachten daarbij vooral in functie van autosport. Het Designmuseum in Londen overloopt vanaf deze week die geschiedenis van innovatie, autoracerij en vernieuwend design. Ook de mensen achter het merk komen aan bod. In samenwerking met het Ferrari-museum in thuishaven Maranello toont het Designmuseum de eerste plannen en schetsen, alle historisch belangrijke race- en productiewagens, de Testarossa en 250 GTO onder meer, tot de Formule 1-wereldtitelbolides van Michael Schumacher en het allernieuwste hybride model, en ook parafernalia als helmen en pakken van beroemde piloten en van die dingen.

Het kan verbazing wekken dat Enzo Ferrari zo snel na de Tweede Wereldoorlog, die Italië had verwoest, aan een sportwagen dacht. In die tijd lagen de wegen in puin, de heropbouw moest nog beginnen. Italië, als bondgenoot van nazi-Duitsland, behoorde tot het verliezende kamp. Nergens ter wereld was de autosport al weer op gang gekomen.

Italiaanse politici en ondernemers wilden de Italianen weer mobiel krijgen met scooters – de Vespa en Lambretta zijn in die tijd van start gegaan. Het zou tot een eind in de jaren vijftig duren voor de Isetta, bij ons bekend als piepkleine driewielige BMW maar oorspronkelijk een Italiaans ontwerp, en de Fiatjes de Italianen weer in een auto kregen.

De man

Enzo Ferrari startte zijn carriere als racepiloot in 1919, heroïsche pionierstijden. Hij reed onder meer in modellen van Isotta-Fraschini en Alfa-Romeo. Tot 1939 was hij de officiële testpiloot van Alfa-Romeo. In datzelfde jaar startte hij een eigen bedrijfje in Modena. In 1945  – de echo van de explosies van de oorlog dreunde nog na –  werkte Enzo, toen 47 jaar oud, al aan zijn eerste eigen ontwerp, de 125S met een V12-motor, de typische krachtbronarchitectuur waar het merk altijd trouw aan zou blijven. De 125S was uiteraard rood. Op de tentoonstelling in Londen staat een replica uit 1987 van deze eerste wagen, die in 1947 eindelijk klaar was. 70 jaar geleden, de officiële geboortedatum van het automerk Ferrari.

Race-auto’s zijn mooi noch lelijk. Ze worden mooi als ze winnen.

Enzo Ferrari had maar één interesse: sportwagens. Hij bracht al zijn tijd in zijn atelier en aan het stuurwiel door. Vakantie bestond niet. Vooral van alleen knutselen in een verder lege werkplaats hield hij enorm. Enzo overleed in 1988, hij was 90, en had nog net de geboorte meegemaakt van de legendarische F40, toen de snelste auto op de markt.

De klanten

Vanaf  de vroege jaren vijftig verzilverde Ferrari het succes in de autosport met productiemodellen, die dus gewoon, nou ja, bij de dealer te koop stonden. Het woord “gewoon” klopt nog enigszins, de eerste Ferrari’s waren niet poepduur. Meteen schoven de celebrities aan. Ik noem alleen nog maar jazzlegende Miles Davis, acteurs Clint Eastwood, Sammy Davis, Brigitte Bardot en Peter Sellers. Dit jaar werd een Ferrari F430 van Donald Trump geveild voor 250.000 euro.

Ook Nick Mason van Pink Floyd en Mick Jagger hadden er een, en Fiatbaas Agnelli was een trouwe fan. Verschillende Fiatsportwagens zijn trouwens met een beetje hulp van Ferrari ontworpen, onder meer de wonderprachtige 2300 S coupé uit de jaren 60, de Dino’s tien jaar later en eind twintigste eeuw nog de Coupé en Barchetta. Uiteraard nemen Ferrari’s deel aan films en feuilletons. Ik denk alleen nog maar aan de 365 GT Daytona in “Miami Vice” en de gewone 365 in de handen van Tony Curtis in “De versierders”.

 

Ons koningshuis

Dat verschillende leden van het Belgische koningshuis autofreaks zijn, weet iedereen. In de jaren vijftig reden Boudewijn en Albert met een Ferrari, de broers hadden er één voor hen beiden. Een aanrijding met blikschade in de buurt van Leuven werd in der minne geregeld, maar kwam toch discreet in de pers. De Waalse romanschrijver Pierre Mertens heeft over dat ongeval mooie bladzijden in zijn meesterwerk “Koninklijke rust”. En ook Laurent was een tijdlang een Ferrari-addict. Niemand vergeet het beeld van Laurent die in zijn blauwe Ferrari de oprijlaan naar het paleis van Laken opstuift.

Andere Belgische Ferrari-adepten waren Tom Boonen, die een F430 in de prak reed, en Jean-Pierre van Rossem. De beelden van de corpulente beursgoeroe en Formule 1-renstal-eigenaar die zich in en uit een rode Ferrari hijst, zoals Gerard Depardieu op en van een scharminkelig paard in de film “Germinal”, blijven op het netvlies gebrand. Sinds Van Rossem weten we trouwens dat er een scherpe vete bestaat tussen Ferrari- en Lamborghini-rijders, vergelijkbaar met de hetze tussen eigenaars van Vespa’s en Lambretta’s.

Design

Voor de modale bezoeker die weinig boodschap heeft aan autosport, zal de sectie van de tentoonstelling in Londen die de ontwikkeling van het design toont een stuk interessanter zijn. Meteen na de beslissing om ook productiewagens te bouwen, koos Ferrari de toen bekendste en beste auto-ontwerper ter wereld Battista Pininfarina om de wagens te ontwerpen. Die samenwerking met het nog bestaande studiebureau duurt tot heden.

Op de tentoonstelling staan schaalmodellen, windtunnelprototypes en uiteraard echte auto’s, tussen tientallen schetsen, ideeën, foto’s, maquettes en films. De expositie licht ook een paar tippen van de sluiers van toekomstige modellen. Want het gaat goed met Ferrari, de productie en de winst lagen nooit hoger. Zeker bij kapitaalkrachtige Russen en Chinezen ligt Ferrari in de bovenste lade.

Ferrari behoort tot de Fiat-Chryslergroep, via aan complexe constructie die wat lijkt op de verhouding Volkswagen-Porsche. Bedoeling is om de aandelen en de beurskoersen van Fiat en Ferrari gescheiden te houden, zodat de sportwagenbouwer exclusief aan zijn eigen imago en succes kan werken. Commercieel succes, ja: meer dan 7000 exemplaren per jaar, een omzet van drie miljard euro. Dat moet het al 10 jaar wachten op een wereldtitel in de sport goedmaken. Al is Ferrari wel het enige merk dat vanaf de jaren vijftig onafgebroken deelnam aan de Formule 1. En dat zal blijven doen.  En ja, naast de auto is er nog een heel gamma Ferrari-merchandising. Is een Ferrari-auto misschien te duur, een horloge kan er nog net van af.

De steigerende hengst

Het logo van Ferrari is een zwart steigerend paard op een gele achtergrond, met de letters SF. Waar komt dat vandaan? Uiteraard zijn er veel automerken die een krachtig (roof)dier als embleem gebruiken, denk aan Jaguar, zelfs Peugeot. Ook de Ford Mustang heeft een paard als kenteken, zij het dan een galopperende flink uit de kluiten gewassen pony. Het Ferrari-logo zou afkomstig zijn van hat cavalerie-regiment van een militaire piloot en oorlogsheld, Francesco Baracca. De moeder van Baracca schonk het zwart-wit wapenschildje dat het vliegtuig van haar verongelukte zoon sierde, aan Enzo, die ze al lang kende. Die koos een gele achtergrond, de kleur van Modena. SF betekent Scuderia of raceteam Ferrari.  Onnodig te vermelden dat de meeste Ferrari’s rood zijn.

Quanta costa?

Een Ferrari Portofino van nu krijg je in handen vanaf een goeie 200.000 euro. De andere modellen zijn 20 tot 100.000 euro duurder. Een maximumprijs is er niet, de lijst opties en gepersonaliseerde speciallekes is eindeloos. Een Ferrari is uiteraard een investering;, de waarde begint meteen na de aankoop te stijgen. In 2014 veranderde op een veiling een 250 GTO Berlinetta uit 1962 voor meer dan 30 miljoen euro van eigenaar, nog altijd het record. In de top 10 van duurste auto’s ooit geveild staan trouwens zeven Ferrari’s.

Een tweedehandse Ferrari kan je niet kopen op de vrije markt, laat staan op eBay. Bij aankoop tekent de koper van een nieuwe auto een contract met de clausule dat, als ze de kar beu zijn, Ferrari die weer opkoopt. Dat geldt ook voor vernielde modellen na een ongeval.

Mijn lievelingen

Ik hou het graag wat sober, dus zijn de allersnelste meest prestigieuze sportwagens niet mijn lievelingsvoertuigen. Integendeel, ik vind Ferrari’s en Lamborghini’s vaak nogal ridicuul. Het prottige geluid vooral. Maar in mijn destijdse verzameling van Jacques chocolade-prentjes uit 1962 zat de Ferrari 250 Gran Turismo, een 2500 cc V8 vierpersoons coupé die toen al 250 kilometer per uur haalde. Het was een vrij eenvoudige, herkenbare, strakke auto, en sinds mijn prille kindertijd mijn all time Ferrari-favorite. In het Autosalonnummer van de VAB-Autotoerist van 1968 dook de perfect gestroomlijnde Citroën SM-achtige Daytona op, mijn nummer twee. En van de latere Ferrari’s gaat mijn voorkeur altijd naar de minst spectaculaire modellen, die een eenvoudig mooi interieur hebben dat toch aan vier inzittenden plaats biedt. Een Ferrarigezinswagen, het kan.

Lucas Vanclooster. Lees deze test ook op vrt nws.be

Dona nobis pacem

britten

Naar aanleiding van Wapenstilstand brengt het Concertgebouw in Brugge het “War Requiem” van Benjamin Britten, werelderfgoed van vlammende en tegelijk ingetogen anti-oorlogsmuziek en –poëzie.

“War Requiem” zoek je tevergeefs in de jaarlijkse Klara top 100. En toch is dit werk één van de belangrijkste en interessantste composities uit de muziekgeschiedenis. Naar aanleiding van Wapenstilstand en in het kader van Gone West brengt het Concertgebouw Brugge twee uitvoeringen en een debat over oorlog en vrede.

Coventry Cathedral

Benjamin Britten werd begin jaren ’60 uitgenodigd om muziek te schrijven voor de heropening van Saint Michael’s Cathedral van Coventry in Engeland. Dat gebouw was tot een ruïne herleid in de Tweede Wereldoorlog. De brokstukken bleven symbolisch staan, en ernaast verrees een modern gebouw. Het was de opdracht waarop componist Britten al een tijdje op zat te wachten: een magnum opus schrijven, doordesemd van zijn pacifisme en humanisme.

Koude oorlog

“War Requiem” ging in première op 30 mei 1962.  Het waren spannende tijden; de Cubaanse rakettencrisis zou later dat jaar de wereld tot aan de rand van een atoomoorlog brengen. Hoe ironisch dat een universeel pacifistisch werk zelf het slachtoffer was van koude-oorlogsgedoe: voor de première mocht de Russische sopraan Galina Visjnevskaja de Sovjetunie niet verlaten. Ze werd vervangen door een Britse zangeres, maar zong een jaar later wel voor de beroemde eerste plaatopname.

De twee andere solisten waren de Britse tenor Peter Pears, levenspartner en muze van Britten en de Duitse bariton Dietrich Fischer-Dieskau, die zo overweldigd was door zijn emoties dat hij na afloop van het podium moest worden geholpen. Er was geen applaus, om de intense atmosfeer na de laatste noot niet kapot te maken.

Anti-oorlogspoëzie

Britten bracht artiesten uit voormalige vijandelijke staten samen in Coventry Cathedral, maar hij waagde zich muzikaal aan nog een groter experiment. “War Requiem” bestaat uit de delen van een traditionele Latijnse dodenmis (Sanctus, Dies irae…) maar die worden doorsneden met anti-oorlogsgedichten van war poet Wilfred Owen, die vlak voor Wapenstilstand 1918 alsnog sneuvelde aan het front in Noord-Frankrijk.

 

Geen heroïek in de verzen van Owen, maar wel een bittere aanklacht, en ook mededogen. Van hem zijn de wijze woorden dat het een leugen is om zoet en eervol te sterven voor het vaderland: “the old lie: dulce et decorum est pro patria mori”. Op het einde van het “War Requiem” zingt de stervende soldaat: “I am the enemy you killed, my friend”. De teksten grijpen dramatisch op elkaar in. De bazuinen van het laatste oordeel uit de Latijnse ritus plakt Benjamin Britten -tsjakka- aan de versregels van Owen over het klaroengeschal aan het front.

Niet voor niets schreef de componist deze verzen van Owen op het titelblad van de partituur:

My subject is War, and the pity of War. The Poetry is in the pity … All a poet can do today is warn.

“De duivel in de muziek”

Ook muzikaal is het “War Requiem” een waagstuk. Britten gebruikt een tritonus als rode draad in het werk, een interval van hele noten dat sinds de Middeleeuwen als des duivels werd bestempeld – niet toevallig maken ook onze vrienden van de heavy metal vaak gebruik van deze klankenconstellatie.

Wat de bezetting betreft, trekt Britten alle registers open. Een groot symfonisch orkest én een kamerorkest, een koor én een jongenskoor én vocale solisten. Soms komen er zelfs twee dirigenten aan te pas. Het “War Requiem” is reusachtig luid en dreigend, de mokerslagen volgen elkaar op. Maar daar tegenover staan zeer ingehouden, ijle, bijna etherische passages die elke wervel in je ruggengraat beroeren.

Het “War Requiem” was meteen een schot in de roos. Van de plaat werden de eerste vijf maanden 200.000 exemplaren verkocht. Du jamais vu voor hedendaagse klassieke muziek. Live-uitvoeringen blijven populair, zeker op bijzondere locaties.

Britten in Ieper

In 1967 was er een live-uitvoering in Ieper, een halve eeuw na de slag bij Passendale. Benjamin Britten dirigeerde zelf; koning Boudewijn en koningin Fabiola waren erbij en al wie daar toen bij betrokken was, herinnert zich dat als de dag van gisteren. Met één van hen mocht ik ooit eens de partituur inkijken, een jaw-dropping ervaring zoals dat zo mooi in het Engels heet. Toen onlangs een nieuwe compositie van Piet Swerts in première ging in Ieper, vergeleken sommige zangers dat met de ervaring uit hun kindertijd, als lid van het knapenkoor vijftig jaar geleden.

Geef ons vrede

Mijn favoriete passage is het bizarre “Benedictus” waarvan de mystieke ingetogenheid plots wordt aan flarden wordt gescheurd door slagwerk als kanonnengebulder. De oosters aandoende tonen van “dona nobis pacem” klimmen op hun ladder ook recht naar de hemel, weg uit de oorlogshel. Geef ons vrede. Vlammende anti-oorlogsmuziek, daar kunnen we vandaag de dag nog wel wat mee. Denk aan die muzikanten in Mosoel die “Imagine” speelden.

Hoe moeten we ons verhouden tot kunst die over oorlog en vrede gaat? Is dit een sublimatie, die het allemaal minder erg maakt? De kunstenaar die toch iets moois heeft gecreërd uit al dat bloed en die modder? Zeker. Britten heeft het verhevene van de Latijnse gezangen over engelen en hemelse vrede verknoopt met het aardse van de dichter in de loopgraaf. Maar tegelijk luister ik straks naar het “War Requiem” met onrust en kwaadheid. Omdat de menselijke soort nog altijd niet heeft begrepen dat er zo al genoeg lijden in de wereld is. Dat we er niet nog een portie aan moeten toevoegen.

 

“War Requiem” in het Concertgebouw in Brugge:

op woensdag 8 november een debat met o. a. de ambassadeur van Duitsland en de rector van het Europacollege over de naweeën van WOI

op vrijdag 10 en zaterdag 11 november:  uitvoering “War Requiem” door Bochumer Symphoniker, Rotterdam Symphony Chorus, Octopus Symfonisch Koor, Kinderkoor Opera Vlaanderen, dirigent Steven Sloane, sopraan Sarah-Jane Brandon, tenor Ben Johnson, bas Thomas Bauer.

Online is het “War Requiem” integraal te beluisteren, met uitgebreid commentaar via www.warrequiem.org.

Lees deze tekst ook op vrtnws.be. En dit is ook een helder filmpje van Klara.

“Laten we een stille revolutie ontketenen”

“Ma cure de silence” van de Franse Kankyo Tannier is net vertaald in het Nederlands met als titel “De kracht van de stilte”. Kristien Bonneure had een gesprek met haar.

Tannier Auteursfoto

“Mijn leven? Ik loop, ik eet, ik slaap, ik kijk naar de lucht, ik adem, ik aai mijn katten, ik mediteer, ik zing…” Het antwoord typeert Kankyo Tannier, een zonnige verschijning met heldere blik, een klaterende lach, kaalgeschoren hoofd en lange pij. Ze is zenboeddhistische non, zangtherapeute, paardenverzorgster. Ze studeerde af in de rechten, werkte als journaliste en na enkele bezoeken aan zenkloosters streek ze uiteindelijk neer in de Elzas, in het klooster Ryumonji bij meester Olivier Reigen Wang-Genh, waar ze 16 jaar verbleef. Nu woont ze in een cabane in het bos, vlakbij het klooster. Daar heeft ze tijd om zich aan het schrijven te wijden.

Tannier noemt zichzelf een non 2.0 want ze deelt haar ideeën via sociale media. www.dailyzen.fr vat goed samen waar ze mee bezig is: een dagelijkse ervaring delen, geworteld in huiselijkheid, maar met de blik op verte. Haar eerste boek “De kracht van de stilte” is een diepzinnig maar tegelijk lichtvoetig boek, met Franse schwung, humor en zelfrelativering geschreven. Veel inzichten en suggesties zijn ook al elders geopperd, maar Kankyo Tannier pakt het verfrissend aan.

Die mensen die de radio uitzetten als ze in de auto stappen… ze zijn vermoedelijk de heiligen van de eenentwintigste eeuw!

Eén van de belangrijkste adviezen die Kankyo Tannier geeft is die van de digitale retraite: voor kortere of langere tijd alle schermen uit, geen radio, geen tv, geen telefoon, geen computer. Over de weldadige effecten daarvan is ook een ander recent boekje uiterst interessant: “Kleine filosofie van de digitale onthouding” van de Nederlandse filosoof Hans Schnitzler. Het is de (zeer wijsgerige) evaluatie van een experiment met zijn studenten om een week lang te “ontkoppelen”. Afgezien van die ene studente die een feestje liet schieten, omdat ze niet wist wie er zouden zijn en wanneer het begon, waren alle digitale geheelonthouders lovend. “Ik heb het gevoel dat ik meer leef, ik bepaal nu echt zelf wat ik wil doen”.  Een andere kreeg meer overzicht over de structuur van de dag en zijn eigen verantwoordelijkheid daarin. “Ik voelde mezelf slimmer, kon beter nadenken”.

“In het hart van de vulkaan gaan staan”

Terug naar Kankyo Tannier. De leegte boezemt angst in, geeft ze toe; mensen vullen dat gapende gat het liefst op. Terwijl het zo belangrijk is om alleen te leren zijn.

Een zelfgekozen eenzaamheid, een comfortabele halve draai naar binnen, waaraan je je kunt laven voordat je de wereld weer ingaat.

Wat Tannier over meditatie schrijft, doet sterk denken aan “Leer ons stil te zitten” van Tim Parks. Parks oefende veel geduld; Tannier reikt manieren aan om actief in te grijpen in de menselijke geest. Niet eenvoudig…

In het hart van de vulkaan gaan staan en daar onze angsten te laten smelten. Dat is de weg van de ridder die moed en vastberadenheid vereist. Maar het is ook de weg van de verzoening, van de wapenstilstand, van de acceptatie van alles wat ons vormt, zowel het ‘goede’ als het ‘kwade’.

En wat kan ze fraai formuleren:

Tussen woorden, tussen bekende beelden, tussen vertrouwde gevoelens bestaat een parallel universum, een absolute en weldadige kalmte, waarvan de toegang angstvallig wordt bewaakt door de schildwachten van de concentratie en het volle bewustzijn.

“De stilte hervinden, dat is proeven van verveling”

En toen ontmoetten we elkaar, tussen de duizenden boeken in de Franstalige Brusselse boekhandel Filigranes. We spraken over Silence for Peace en over onze overleden vaders. Een neerslag van het gesprek:

Ik zal de vraag nog maar eens stellen, mevrouw Tannier: wat doet u in het leven?

Ha! Die vraag stellen mensen me vaak, en ik geef er graag een “geometrisch-variabel” antwoord op! Ik doe verschillende dingen. In de eerste plaats verspreid en promoot ik de zenboeddhistische meditatietechniek – en veel stilte-  maar ik ben ook zanglerares en hypnotherapeute. Maar wat ik écht doe in het leven? Ik wandel, ‘je goûte l’air du temps’, ik streel mijn katten, ik luister naar de geluiden van het bos.

Maar u houdt wel van praten?

Ja, ik ben een babbelaar. Als ik in gezelschap ben, hou ik van praten – ook van luisteren- maar ik ben ook vaak alleen, in de stad of in de natuur. Ik wandel graag in m’n eentje. Ik hou van het alleen zijn.

Laten we maar de koe bij de horens vatten en de moeilijkste vraag stellen. Wat is stilte? Er zijn zoveel definities, wat is de uwe?

Ok, dit is de mijne: de stilte is die stille, poëtische, magische ruimte die we allemaal in onszelf hebben, die we kunnen bereiken als we stilstaan en als we leren om de gedachten te laten voorbijgaan. Achter dat lawaai van de gedachten, van de wereld, is er …  die waarlijk heerlijke ruimte.

Het heeft dus niets te maken met het lawaai rond ons, met de decibels van de stad?

Nee, want de stilte zit achter het geluid, ze komt voort uit liefhebben. We hebben het vaak over meditatie, die een waarheid zoekt voordat er woorden zijn; precies zo kun je de stilte zoeken voor er geluiden zijn. Het kan best luid zijn rond ons, maar daarachter, of liever ervoor is er iets anders.

Dus hebt u geen fysieke stilte nodig?

Nee, het idee is om je innerlijke stilte te herontdekken. Dat is de sleutel.

Het woordenboek zegt: stilte is de afwezigheid van geluid. Dat vindt u te beperkt?

Ja, en bovendien: als je de uiterlijke stilte zoekt als voorwaarde voor je welbevinden, dan zoek je de heilige graal! Natuurlijk is het prettiger om ergens te zijn waar je de wind in de bomen hoort en de vogels, maar zelfs in de stad zijn er plaatsen die relatief stil zijn. Als je echt leert luisteren, dan hoor je dat er tussen de geluiden ruimte zit, die ons toelaat om ons te verbinden met een ‘andere’ stilte.

Mensen schrikken terug voor stilte, hoe verklaart u dat?

Een groot probleem en een belangrijke kwestie! Ik denk dat we onze kinderen niet aanleren om zichzelf te leren kennen op emotioneel vlak. Als je dan plotseling de stilte ingaat, is het eerste wat je tegenkomt jezelf! Met alle “geslaagde” emoties, maar ook met allerlei moeilijkheden. Wat de westerse maatschappij ons leert, is dan meteen weg te vluchten van onszelf, weg te vluchten in activiteit en lawaai. De omgekeerde beweging maken vergt een zekere emotionele opvoeding.

Hoe vullen we de leegte dan op?

Consumeren en verstrooien: in dat soort samenleving leven we nu, denk ik. Alsof mensen kinderen zijn, die je altijd maar moet verstrooien, met nieuwe spelletjes en bezigheden. Opdat ze zich zeker niet zouden vervelen. De stilte hervinden, dat is net proeven van verveling! Laat de tijd rustig voorbijglijden. Daar leeft een mens langer van (lacht).

De stille vreugde van uit het raam kijken, zoals u schrijft in uw boek.

Dat heb ik ervaren in India, tijdens een lange, spirituele retraite, wekenlang, met enkel dat raam om naar buiten te kijken. Maar het kan ook veel korter. Gewoon stoppen. De tijd nemen om te stoppen en te proeven van de stilte.

Uw boek heet in het Frans “Ma cure de silence”, letterlijk “Mijn stiltekuur”. Curer, dat is genezen. Van welke ziekte moet de stilte ons genezen?

Met “kuur” wilde ik gewoon een zekere duur suggereren. De ziekte, dat is de verstrooiing, de afleiding waar ik het net over had. De energie die ons altijd weer uit onszelf haalt. Met een stiltekuur van een weekend, of zelfs een dag kunnen we opnieuw leren om … de telefoon uit te schakelen. Grote ‘challenge’, hé?

Die digitale detox, alle schermen uitschakelen, dat lijkt me steeds moeilijker te worden?

Ik vind het vreemd. De voorbije dagen was ik in Spanje en Catalonië en praatte ik met veel journalisten. Tien jaar geleden bestonden de sociale media niet. Twintig jaar geleden was er geen internet. En nu zijn we verslaafd aan zaken die de macht hebben om onze aandacht vast te houden! Het is een echte uitdaging om daar niet van afhankelijk te worden; om er gebruik van te maken als we ze nodig hebben – of zin-  maar ook om ze te kunnen uitschakelen. Dat kan geleidelijk gebeuren. In de spiritualiteit zijn die inspanningen lonend die we lang kunnen volhouden. Jezelf forceren is jezelf geweld aandoen. Ik raad iedereen aan om je digitale toestellen een paar keer per dag uit te zetten. Om te kunnen ademen. Om niet met allerlei draadjes aan andere plekken vast te hangen.

En dat dan op te drijven, van minuten naar uren, naar dagen, naar een week?

Ja, of er slim mee omgaan. Mijn telefoon staat aan, maar ik kijk niet alle vijf minuten. We moeten  al die toestellen anders gebruiken. Op een bewuste manier. Sociale media en internet maken deel uit van ons leven, dat is allemaal interessant, maar we moeten een nieuwe manier vinden om er mee om te gaan.

Maar u schrijft toch blogs op het internet?

Jawel, ik gebruik het internet, ik zit op Facebook en euh … zelfs een beetje op Twitter (lacht). Maar als ik iets post, dan ga ik niet de hele dag zitten kijken hoeveel likes en commentaren er zijn. Ik gebruik de nieuwe media als kanalen om informatie te verspreiden. En als ik vrede heb met mijn emoties, heb ik geen behoefte aan het zoeken naar antwoorden. Ik blijf bij mezelf, in mijn lichaam.

Rustig bij jezelf blijven, dat is moeilijk. U schrijft vele bladzijden over die innerlijke monoloog, dat inwendige stemmetje dat niet ophoudt met praten…

Dàt is de grote vraag. Het kan een stemmetje zijn, of beelden, of gedachten, fysieke gewaarwordingen, emoties. De belangrijkste techniek is om je ervan bewust te worden. Helaas leven de meeste mensen meestal als robots, gehypnotiseerd door de wereld en de dingen. De gedachten komen op, mensen volgen gewoon wat er opkomt in hun hoofd. Dat is toch eigenlijk verrassend en verontrustend!  Alle oefeningen in meditatie en spiritualiteit zeggen hetzelfde: wees je opnieuw bewust van je gedachten, en beslis daarna of je die wil volgen of niet. Dat vergt veel oefening. Complex is het niet, maar het vergt training, geregelde inspanning. Inspanning… Een woord dat uit de mode is…

Oefenen, herhalen, je concentreren, rituelen uitvoeren, helpt dat?

Het idee is dat je echt anders wil gaan leven, niet meer als een robot zoals ik zei. En om de oude denkpatronen te veranderen heb je inderdaad rituelen nodig, veel nieuwe rituelen. Dat is trouwens gemakkelijker in groep. Ik geef mensen vaak de raad aan om aan te sluiten bij een meditatiegroep, om te oefenen.

U legt vaak de nadruk op het lichaam, het fysieke, de oren, de ogen ook. Waarom is dat belangrijk als we over stilte praten?

Het lichaam, dat is het huidige moment. Daar staat een gelijkheidsteken tussen. Maar meestal zijn we met ons lichaam ergens op een plek, terwijl onze geest elders is: aan het voorspellen wat er gaat komen, aan het herinneren, aan het verzinnen. Onze geest zit buiten het lichaam, en het is belangrijk om te leren die geest weer naar binnen te krijgen. En meteen in het moment te stappen.

Dat is ook iets wat dieren u leren? U schrijft liefdevol over paarden, over katten.

Ja, ik heb grote spirituele meesters vlakbij me. Ik heb het geluk naast het klooster en vlak bij een bos te wonen. Met paarden, katten, kraaien, en al die kleine insectjes. Ik houd ervan om doodstil te zitten en hen te observeren. En van hen op te steken hoe je spontaan en instinctief kunt zijn. Verbonden te zijn met het weer, de wind, de maan. Dieren zijn grote leermeesters.

Is uw zoektocht naar stilte iets puur persoonlijks, of zit daar ook een maatschappelijke kant aan?

Voor mij gaat het veel verder dan persoonlijk welbevinden! Als je innerlijke stilte vindt, en die daarna meeneemt naar andere plaatsen, dan maak je de wereld vredevoller, dan verbind je je met alles, met de bomen en alle andere dingen en mensen. Het doel is echt een innerlijke revolutie, een revolutie van de stilte.

Is er zo’n stille beweging aan de gang, met veel mensen samen?

Dat denk ik wel. Ik voel het, ik heb de indruk – zeker met het internet, als ik dat allemaal observeer- dat er een soort bewustwording aan de gang is, dat er iets moet veranderen aan de manier van leven zoals we die kennen sinds pakweg ’45. Het hyperconsumentisme, al die afleidingen… Mensen verlangen naar iets anders. Iets eenvoudigers. Terug naar de natuur. Dat zal nog toenemen. Ik ben daar nogal optimistisch over.

We zitten hier tussen de vele boeken over persoonlijke ontwikkeling, geestelijk welbevinden, noem maar op… Dreigt het gevaar niet dat stilte ook commercie wordt? Dure retraites voor de rijken enzo?

Ja en nee. Als de commercie er op springt, dan zal ze er wel brood in zien, zeker. Maar het stoort me niet echt, als de goede boodschap maar verspreid raakt… Kijk naar het veganisme. Ik ben veganist, en dat is blijkbaar in de mode. Dat maakt me blij, want het is goed voor de dieren.  Waarom niet?

Uw boek wordt vertaald in twaalf talen, Spaans, Italiaans, Engels, Duits, Nederlands, Portugees… u hebt een gevoelige snaar geraakt?

Ja, ik was echt verwonderd. En heel tevreden. Ik denk dat het grote publiek zin heeft om de spiritualiteit te ontdekken. En mijn boek is nogal humoristisch en vreugdevol geschreven. Het is  spiritualiteit voor het dagelijks leven, niet streng of zwaarwichtig. Ik denk dat dat de lezer aanspreekt.

Het is ook erg toepasbaar in het dagelijks leven. Wat zijn uw belangrijkste tips?

Ik heb veel praktische oefeningen in het boek opgenomen. Neem nu je oren. Je kunt naar de stilte luisteren. (….) Misschien is dit niet erg radiofonisch, maar je kunt je verbinden met de geluiden die er nu zijn (…) verre geluiden, dichte geluiden (…), diepe geluiden, hoge geluiden, (… gsm rinkelt… ), een beltoon (lacht). Dat allemaal beluisteren is een manier om je opnieuw te ‘centeren’ in je lichaam. Voilà, een snelle methode die je doorheen de dag kunt toepassen.

U schrijft ook over een andere manier van kijken. Wat hebben ogen te maken met stilte?

De ogen werken vaak instinctief, een restant van toen we dieren waren. Ogen zijn naar buiten gericht, bespieden wat er rondom gebeurt. Maar de beweging van de ogen creëert gedachten, en dat resulteert soms in een hyperactief brein. Wat je kunt doen als je af en toe door de stad loopt, is je ogen en je geest kalmeren door een paar minuten als stappend naar beneden, naar de grond  te kijken. Een bel creëren rond jezelf, jezelf ‘centeren’ alweer. Op die manier kun je je weer aanwezig voelen, in het moment, in je lichaam.

En proberen niet te vallen!

Welnee, er ontwikkelt zich een ander gevoel, je zal niet zo snel tegen anderen aanlopen (lacht)!

 

Kankyo Tannier, “De kracht van stilte” is uitgegeven bij Xander, 2017, 222 p.

Hans Schnitzler, “Kleine filosofie van de digitale onthouding” is uitgegeven bij De Bezige Bij, 2017, 128 p.

 

Lees deze tekst ook op www.waerbeke.be

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Christo: “De wereld kan best zonder mijn ingepakte kunst”

a08b1972-b967-11e7-bbe7-02b7b76bf47fChristo stelt voor het eerst sinds tientallen jaren tentoon in ons land. “Urban projects” heet de expositie in ING Art Center, en ze was de aanleiding voor een bijzonder aardig interview met de 82-jarige kunstenaar die tot geen enkele stijl of school behoort, die gewoon samen met zijn vrouw en partner in crime Jeanne-Claude mooie dingen maakte, overal ter wereld. Een bedoeling, laat staan een politieke boodschap heeft hij daar niet mee. Schoonheid en unieke ervaringen beleven en delen zijn de drijfveren.

Van potlood tot reusachtig project

Hij wil niet aangesproken worden als “mister Christo”. Gewoon “Christo”, dat is zijn echte voornaam, sinds zijn geboorte in Bulgarije in 1935. Het werd ook zijn artiestennaam. Mijn eerste vraag gaat over het wonder dat al die soms gigantische projecten ooit, decennia voor de voltooiing, gestart zijn met een klein tekeningetje in potlood. Ja, het zijn ook geen gewone sculpturen, steekt Christo Vladimirov Javacheff van wal voor ik mijn vraag helemaal heb kunnen formuleren. “Vergeet niet dat ik onder meer architectuur heb gestudeerd. En de architect begint met een blad papier en een potlood.” Daarna maakt Christo fotomontages, er hangen er enkele aandoenlijke op de tentoonstelling, wat knullig gemonteerd of gefotoshopt, sommige met plastic of zeil over geplakt, bijna bas-reliefs.

Die tussenstadia vertalen de esthetische evolutie naar de uiteindelijke voltooiing van het hele project. “Het zou een totale leugen zijn als ik beweer dat ik in 1972 wist hoe de Reichtstag in Berlijn in 1995 zou uitdraaien”, zegt Christo. “Ik moest toen nog alles ontdekken, de psychologie van de Duitser onderzoeken, de administratieve problemen overwinnen, de fysieke aspecten van het werk ervaren, het licht, de wind. Daar hadden we in onze studio in Manhattan geen idee van”. Uiteindelijk kozen Christo en Jeanne-Claude voor zilverkeurig textiel, versterkt met strookjes aluminium.

Geen favoriet kind

Christo heeft de wereld verbaasd met heroïsche projecten. Heeft hij een favoriet werk? “Meneer, hoeveel kinderen heb je?”, reageert hij. “Wat is je lievelingskind? Dat kan je niet vragen.” Elk project was als een kind voor hen, benadrukt hij, dat helemaal bij een bepaalde periode van hun leven behoorde, en “daarom hielden we ervan”. (Christo en Jeanne-Claude hebben één zoon, Cyril Christo, die naam maakt in de wereld van design). In 1969, als jonge kunstenaars, pakten ze een woeste kuststrook in Australië in, met rotsen, de branding, er zwommen haaien. “It was madness!”, zegt Christo nu. “Maar het behoorde tot die periode van ons leven.”

578871845_1280x720Twee weken, en afgelopen, voorbij

Na al dat werk en die enorme herculische arbeid, blijft het officiële project 14 tot 16 dagen staan. Dan verdwijnt het, en het komt nooit meer weer, jamais. “Dat komt overeen met het leven”, zegt Christo, “de meest authentieke ervaringen zijn kort en tijdsgebonden. Het echte leven heeft geen repeat-toets. Je moet houden van de unieke omstandigheden van hèt ogenblik. De eeuwigheid bestaat niet.”

Het eeuwige leven bestaat niet, alleen het nu en de herinnering

Trouwens, Christo vindt niet dat hij zo hard werkt, hij geniet van de inspanning, van het vinden van een geschikt terrein, overleggen en plannen en knutselen met zo veel mensen, het geleidelijk ontdekken wat het zal worden. Een belangrijk aspect in die voorbereiding is de totale controle over het project om elke commercialiteit te vermijden. Christo huurt het terrein, ook dat van de Reichstag in 1995, tot een halve kilometer rond de plek om  commerciële en publicitaire aspecten te weren. Dat kost miljoenen. Het werk moet volledig gratis bekeken kunnen worden, niemand mag er financieel belang bij hebben.

De ingepakte Reichstag in Berlijn oversteeg de politiek

Het enige politieke werk dat Christo maakte, was “The iron curtain” in 1961, een stapel olievaten die gedurende acht uur de Rue Visconti in Parijs afsloot, een verwijzing naar de toen pas gebouwde Berlijnse muur. De Reichstag in Berlijn, kort voor dat historische monument opnieuw het parlement van het verenigde Duitsland werd, had geen directe politieke bedoeling.

Ik hou van de real thing, wind, zon, regen, mensen. Niet van computers en telefoons.

De Reichtstag is een site, volgestouwd met geschiedenis. Bij het project ging het over tientallen kilometers kunststof en touw, echte wind, zonneschijn, regen…”Ik hou van the real things”, zegt Christo, “ik sta 14 uren per dag overeind, ik beweeg graag. Ik kan niet autorijden, ik haat telefoneren, ik sla nooit een computer open, omdat ik alleen van echte dingen hou.” Christo was daarom erg blij toen er sneeuw viel op ingepakte bomen en op 7.000 poortjes met oranje linnen doeken in Central Park in New York.  Het kunstwerk speelde met de echte wereld.

De kunst van Christo is nutteloos

“Wat zinledig is, voelt zich vrij”, zegt Christo. “Nuttige zaken zijn niet vrij. Mijn projecten zijn radicaal. De wereld kan zonder. Niemand heeft de ingepakte Reichstag nodig. Alleen de mens kan dergelijke zinledige dingen bereiken.” De Reichstag is een perfect voorbeeld. Het waren bergbeklimmers, ervaren alpinisten, die de kunststof en de kabels aanbrachten. Er stonden geen steigers met zeilen die het werk aan het oog onttrokken. Van achter een afsluiting kon het publiek dat bekijken. Toen het inpakken klaar was, mochten de toeschouwers vlakbij komen. Het was mooi om zien hoe ze alles ontdekten, het op de wind bewegende textiel durfden aanraken. Hebt u in Berlijn of Brussel ooit een mens een gebouw zien betasten?”

Jeanne-Claude Denat de Guillebon

Jeanne-Claude is net zoals Christo geboren op 13 juni 1935. Ze ontmoetten elkaar toen Christo portretten schilderde van haar ouders. Sindsdien waren ze onafscheidelijk. Ze was zijn strengste criticus en adviseur. Acht jaar geleden overleed Jeanne-Claude. Velen vreesden dat Christo geradbraakt zou zijn, dat er een einde zou komen aan een prachtig verhaal. Niets was minder waar. Dat komt omdat alle concepten waar hij nu aan werkt, nog mee door Jeanne-Claude zijn voorbereid. “We werken nog altijd samen.”

De toekomst

De 82-jarige kunstenaar is in topconditie. Hij eet alleen ‘s avonds. Het ontbijt bestaat uit yoghurt met look. Hij woont al een halve eeuw in hetzelfde 19e eeuwse industriële gebouw in Manhattan, zonder lift. De 90 traptreden rent hij verschillende keren per dag op en neer.  Nooit zit hij stil.

Christo werkt opnieuw aan verschillende projecten tegelijk. Het belangrijkste is de mastaba in Abu Dhabi, dat het grootste kunstwerk in de geschiedenis moet worden, de pyramide van Gizeh kan er helemaal in. Voor het eerst gaat het om een gesubsidieerd werk, de Verenigde Arabische Emiraten betalen, en om een structuur die uitzonderlijk zal blijven staan. Een mastaba is een oorspronkelijk Mesopotaams bouwwerk dat het midden houdt tussen een piramide en een ziggurat, met twee vlakke en twee schuine wanden. Christo grijpt voor het basismateriaal weer naar zijn begindagen: de mastaba zal bestaan uit 400.000 gestapelde vaten. Hij bedacht het project 40 jaar geleden…

Christo was al vaak in België en Nederland. In 1978 was er in het PSK een tentoonstelling over zijn kilometerslange afsluiting van een ravijn in de Verenigde Staten. Hij had echter nooit ideeën voor projecten in ons land.

“Christo & Jeanne-Claude urban projects” is tot en met 25 februari 2018 te zien in het ING Art Center in Brussel.

Lucas Vanclooster

Bekijk de videobeelden op VRT NWS.

Oorlogskunst die naar de keel grijpt

Verwundeter (Herbst 1916, Bapaume). Batt 6 aus: "Der Krieg"In Mechelen  is de tentoonstelling “The Art of War” geopend, met grafiek over de Eerste Wereldoorlog. Tegelijk legt de expo de link met nu.

Kazerne Dossin, het museum over de holocaust en de mensenrechten, verkent voor deze tentoonstelling de periode net voor de Tweede Wereldoorlog. In dat interbellum gingen veel kunstenaars aan de slag met de horror die ze vaak zelf hadden meegemaakt in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog.

De expo gaat van start met een fiere “Ridder met lans” van Max Beckmann uit 1915. De patriottische trots verwatert snel. Wat volgt is de totale ontmenselijking in de eerste oorlog op industriële schaal.

De expressionist Otto Dix had zichzelf gemeld voor actieve dienst; hij maakte de slag aan de Somme mee. Na 1918 ging hij op onderzoek in de hospitalen die vol gewonden lagen. Daaruit groeide zijn bloedstollende reeks van 50 etsen “Der Krieg”. Half weggeschoten gezichten, mislukte operaties, doodsangst in de ogen, tronies met gasmaskers, landschappen vol kraters en verhakkelde lijken. “Gewondentransport in de bossen van Houthulst” is zo’n aangrijpend beeld van een man in een geïmproviseerde brancard. De soldaten die hem dragen moeten zichzelf behelpen met wandelstokken. Laarzen, helmen, afgebroken boomstammen, modder en regen, veel regen. Dix is ook de man van de groezelige taferelen in bordelen, met dronken soldaten. Korte tijd later zouden de nazi’s hem catalogeren als een ontaarde kunstenaar.

b7455aa6-5cf7-4564-b727-6b9bc3d72859-2060x1632

Van George Grosz zijn sarcastische, bijna karikaturale etsen te zien van hoge piefen in het leger, altijd met snor en epauletten. Een veelzeggende titel: “Maul halten und weiter dienen”. Ook dikdoenerige oorlogsprofiteurs kan Grosz als geen ander portretteren.

81397_1_gallerydetail_maul-halten-und-weiter-dienen-hat-george-grosz-1893-1959-diese-zeichnung-betitelt-foto-kunstmuseum-solingen

Paul Joostens brengt op vernieuwende, versplinterende wijze de bommen op Antwerpen en Reims in beeld. Er zijn ook houtsneden van Frans Masereel in de tijdschriften  “La Feuille” en “Les tablettes” te zien. En “Bezette stad” van Paul Van Ostaijen.

Uit 1937 dateert “De droom en de leugen van Franco” van Pablo Picasso, waarin je heel wat elementen ziet die ook in zijn meesterwerk “Guernica” opduiken.  Even krachtig is de reeks “De verschrikkingen van de oorlog” van Francisco Goya, een eeuw vroeger.

Vrede is nooit vanzelfsprekend

 

Stuk voor stuk zijn het schreeuwende aanklachten tegen geweld. Kazerne Dossin koppelt daar gezaghebbende stemmen-van-nu aan. Opinionleaders die de link leggen met toen. Conflictjournalist Rudi Vranckx ziet in de “Heimatlose” van Ludwig Meidner vluchtelingen van àlle tijden en oorlogen. Vrouwenrechtenactiviste Darya Safai herkent in de “Wenende vrouw” van Max Beckmann haar eigen moeder in Iran.  Op de opening van “The Art of War” liet Luc De Vos, emeritus hoogleraar, een waarschuwing horen: “Vrede is nooit vanzelfsprekend; het kan verkeerd lopen als we elkaar gaan diaboliseren”. Hij verwees expliciet naar Catalonië en Spanje.

Zelf meer de dialoog aangaan, meer luisteren.

Conservator Veerle Vanden Daelen hoopt dat de expo de bezoeker aan het denken zet, dat die als het ware veranderd buiten komt, “niet met grootse idealen maar wel met een idee wat je zelf kan doen, opdat een conflict opgelost kan worden met woorden, en niet met geweld. ”

“The Art of War. Door de oorlog getekend” in Kazerne Dossin in Mechelen loopt tot 1 juli 2018.

Wouter Torfs: “Stilte is de taal van de liefde”

De ondernemer roept op om deel te nemen aan “Silence for Peace” in Antwerpen, een sit-in voor meer verbondenheid.

Vorig jaar streek Silence for Peace drie dagen en drie nachten neer op het Muntplein in Brussel, waar mensen van allerlei rangen en standen samen zaten in stilte. Een vredesinitiatief om tot meer samenhorigheid te komen in tijden van conflict. Na Brussel en ook Leuven is nu Antwerpen aan de beurt, een dag en een nacht, van vrijdag 17 uur tot zaterdag 17 uur op de Handschoenmarkt, vlak bij de kathedraal.

Wouter Torfs doet mee en roept anderen op om zijn voorbeeld te volgen. “Stilte is de taal van de liefde”, zegt de ondernemer. “Samen in stilte zitten brengt verbinding, terwijl woorden toch vooral dienen om te overtuigen en te scheiden.”

Walk with me

Tegelijk is op veel plaatsen in Vlaanderen “Walk with me” te zien, een rustgevende documentaire over de Vietnamese boeddhistische monnik Thich Nhat Hanh en zijn beweging voor mindfulness en wereldvrede.

 

Thich Nhat Hanh is wereldberoemd door zijn boeken. Er zijn miljoenen exemplaren van verkocht in tientallen talen. De bescheiden boeddhist leeft al sinds de jaren 60 in Frankrijk. In Frankrijk stichtte hij een kloostergemeenschap, “Plum Village”. Daar wonen monniken en zusters, maar er komen ook veel leken op retraite.

Regisseurs Marc J. Francis en Max Pugh werkten drie jaar aan de documentaire.

De film zelf is een meditatie, en zo wordt de bioscoop een meditatiezaal

Het is een intuïtieve film, waarin de camera registreert wat er in het klooster gebeurt, en ook op verplaatsing. De boeddhistische monniken reisden ook naar New York, om er te werken in de gevangenis. Ontroerend is ook het weerzien met familieleden.

“Walk with me” is geen portret van Thich Nhat Hanh zelf; dat wilde hij niet. De man is intussen 90 en na de film kreeg hij een beroerte.

Thich Nhat Hanh, genomineerd voor de Nobelprijs voor de Vrede, wordt gezien als de grondlegger van de mindfulness in het westen, de psychische training om rustiger en stabieler in het leven te staan, gebaseerd op boeddhistische meditatie en ademhalingstechniek.

De film krijgt extra diepgang door wondermooie natuurbeelden en door de stem van Benedict Cumberbatch. De Britse steracteur leest fragmenten uit het dagboek van Thich Nhat Hanh.

 

Op woensdag 27 september komt “Walk with me” in de zalen. Dit weekend zijn er speciale vertoningen in Brugge (Lumière), Brussel (Cinema Aventure en Vendôme), Gent (Sphinx) en Antwerpen (Cartoon’s).

Stephen King 70: de horror van het alledaagse

day-29-stephen-kingStephen King is een van de allerpopulairste schrijvers ooit. Op zijn zeventigste denkt hij niet aan stoppen. 

Al zowat 45 jaar bestookt Stephen King de wereld met vaak dikke boeken. En die verkopen als gek, overal. Het moet zijn dat zijn unieke combinatie van traditionele vertelkunst, realisme, geloofwaardige psychologie, no-nonsensetaal en talent voor het oproepen van dreiging wereldwijd aanslaat. Veel van zijn werk leidde tot klassieke films van de allergrootste regisseurs.

 

Kings verhalen spelen zich vaak af in de Amerikaanse staat Maine, waar hij exact 70 jaar geleden het levenslicht zag in een niet evident gezin. Zijn vader ging er vandoor toen Stephen twee was, het traditionele “ik ga eens om sigaretten”-verhaal. Vaak was die vader sowieso niet thuis, want hij werkte in de koopvaardij. Een en ander betekende een kindertijd en jeugd in betrekkelijke armoede, en af en toe verhuizen.  Stephen King kreeg een religieuze opvoeding.

De erfenis van vader

Vader Pollock-King liet het eerste deel van zijn naam vallen, en vergat iets kostbaars in zijn huis toen hij vertrok: een krat boeken, vooral SF, thrillers en horror. Stephen verslond alles. Door enkele dramatische ongelukken met vriendjes en familieleden legde hij de link van werkelijkheid naar fictieve gruwel.

 

King studeerde Engels aan de universiteit van Maine,  deed een heel gamma van bescheiden baantjes en was kortstondig ook leraar, in Hamden. Intussen schreef hij al, en af en toe verscheen een verhaal in een lokaal blad of in een studententijdschrift dat hij zelf had gesticht. Een aantal van die eerste probeersels verscheen veel later in de bundel “Night Shift”. Hij trouwde met Tabitha; het koppel woonde lang in een camper. Tabitha schreef zelf negen boeken. Twee van hun drie kinderen schrijven ook.

Verslaving

De moeilijke leef- en werkomstandigheden dreven Stephen naar alcohol, cocaïne, geneesmiddelen en andere ongezonde dingen. In 1989 gooiden familieleden een collectie van alles waar hij verslaafd aan was op het tapijt. Stephen kickte af … van dan af hield hij het bij drie sigaretten per dag.

 

King schreef vaak in compleet bezopen toestand, of stoned als een garnaal. “Carrie” kwam deels zo tot stand. In nuchtere toestand gooide hij het resultaat van dat geïntoxiceerde geschrijf weg. Maar zijn vrouw redde een omvangrijk manuscript uit de vuilnisbak en ze kon haar man overhalen om er verder aan te werken. Dat werd “Carrie”, Kings eerste succesroman in 1974. Kort daarop werd het verhaal over een wraakzuchtig, miskend, gepest meisje met paranormale krachten verfilmd.

“Ik ben altijd bang geweest om zelf gek te worden”. Dat zei Stephen King aan Martin Coenen, toen hij de schrijver in 1989 bij hem thuis in Maine opzocht voor een lang interview in “Wie schrijft die blijft“.

The shining

Aangemoedigd door het succes stortte King zich helemaal op schrijven. Het ging zo snel dat zijn uitgever niet kon volgen, en de marketingafdeling van het literaire bedrijf nog minder. Onder de schuilnamen Richard Bachman en John Swithen pende hij ook nog tien weliswaar kortere romans en verhalen bij elkaar.  In 1977 verscheen “The Shining“, vooral bekend van de verfilming door Stanley Kubrick, met Jack Nicholson in de hoofdrol. King was er niet zo voor dat Nicholson de rol van psychopatische sneeuwhotelbewaker op zich nam.

 

Intussen zitten we aan 54 titels en 350 miljoen verkochte exemplaren, in een breed gamma van genres – fantasy, SF, thrillers en horror- die nooit omslaan in gruwelijke bloederigheid. Een geloofwaardige psychologisering staat centraal. Veel van zijn (anti-) helden zijn gewone, onvoorbereide enkelingen die geleidelijk geconfronteerd worden met een groeiende onomkoombare dreiging. Dàt is de horror van het alledaagse, in die typische Amerikaanse voorsteden. Omgekeerd verglijden andere personages na frustrerende ervaringen in misdaad en meedogenloze wreedheid.

Cars delivered by Plymouth

Twee keer speelt een auto van het nu verdwenen merk Plymouth een prominente rol in een (verfilmde) roman. In “Duel“, het debuut van Spielberg, wordt een argeloze man die met zijn bescheiden Plymouth Valiant een trucker hinderde, kilometerslang achtervolgd door diezelfde woeste tankvrachtwagen.

In “Christine” (1983) vindt een onbegrepen geïsoleerde jongen een bondgenoot in een kwaadaardige Plymouth Fury. Helaas moesten voor die film 35 exemplaren van die klassieker voor de bijl.

In “Mr. Mercedes” is het uiteraard een zware Duitse bak die belangrijk is in de plot. In die recente roman plant een extreemrechtse zielepoot een aanslag op een concertzaal tijdens het optreden van een tienerband.  King schreef dit enkele jaren voor de aanslag in Manchester…

Lee Harvey Oswald ontwapend

22-11-1963” (2012) gaat natuurlijk over de moord op John Kennedy. In dit meeslepende boek raakt de hoofdpersoon via een magische deur in het verleden, dat hij kan beïnvloeden. Hij besluit om de moord op Kennedy te verhinderen. Het trucje van de deur tussen twee werkelijkheden gebruikte King eerder in “The Dark Tower 2: The Drawing of the Three”. Ook Murakami gebruikte dat procedé van de parallelle universa in “1Q84”.  In “22-11-1963” krijgen we een Kennedy die twee termijnen volmaakt, maar dat brengt een vredevollere wereld niet dichterbij.

Het boek is beter

De populairste roman van King is “It” uit 1986, met de griezelige horrorclown. Een miljoen exemplaren ging over de toonbanken.  In de jaren 90 werd er een miniserie voor tv van gemaakt. De nieuwe verfilming door Andy Muschietti is op dit ogenblik te zien in de bioscoop.

 

Een bijzonder knappe verfilming die King sterk ontroerde is “Stand by me“, van Rob Reiner, naar “The body“. Daarin gaat een groepje puberjongens op zoek naar het lichaam van een vermoorde man. Die queeste groet uit tot een bedevaart van initiatie en zelfontdekking.  Met de jonge River Phoenix, John Cusack en Kiefer Sutherland.

Ook “Misery” is een knappe verfilming. In die claustrofobe thriller houdt een fan haar lievelingsauteur, die net voor haar huis een auto-ongeval had en daardoor immobiel is, op nogal drastische wijze gegijzeld, tot hij belooft ‘n vervolg te breien aan de succesreeks “Misery”. Voorts vermeld ik de topfilm”The Shawshank Redemption“.

Het is wachten of ook Kings laatste titel, “Sleeping Beauties” uit 2017, een film wordt. Het zou best kunnen, want dit verhaal in een vrouwengevangenis is erg verfilmbaar.

Salami en Big Mac

In 1999 was King betrokken in een ongeval dat enigszins leek op wat hij in “Misery” bleek te hebben voorspeld. Een bestelwagen reed hem langs achter aan toen hij met zijn hond wandelde. Zwaar toegetakeld kwam King in het ziekenhuis terecht. Hij verwerkte de ervaring in “De Donkere Toren” en “Kingdom Hospital”. Na de milleniumwissel deed King het wat rustiger.  Maar hij schrijft nog altijd zes pagina’s of meer per dag.

Volgens King moet een auteur vier tot zes uur per dag met schrijven en lezen bezig zijn. Zelf hanteert hij een Waterman-vulpen en hij noemt die de beste wordprocessor ter wereld. Meestal begint hij met de gouden vraag “wat als…?”. Hij bekent dat hij beïnvloed werd door Bram Stoker van Dracula.

Zijn stijl is ontspannen, zijn dialogen grandioos en hij kan domheid, angst en wreedheid genadeloos ontleden. Zijn horrorstories tonen een strijd tussen het normale en abnormale. Bij dat alles blijft King bescheiden, hij noemt zichzelf een salami- en Big Mac-auteur. Salami en Big Mac stellen niet veel voor – ze vallen buiten de nieuwe voedseldriehoek –  maar er is toch vakmanschap en talent nodig om er goeie te maken.

Rock-‘n-roll en politiek

Stephen King speelde gitaar in de Rock Bottom Remainders. Hij is een onvoorwaardelijke fan van The Ramones, die hij enkele keren vermeldt in een roman. Hij houdt voorts van AC/DC, Metallica en andere heavymetalbands. Hij deed enkele kleine cameorolletjes in films en series. En hij is dol op Harry Potter en de televisie-serie “Lost.”

Hoewel King een overtuigd democraat is, staat hij niet achter het gematigde abortusstandpunt van de partij. Barack Obama kon altijd op zijn steun rekenen. Hij behoorde tot de groep welstellenden die opriep om meer belastingen te betalen, en zelf het voorbeeld gaf. Hij sprak zich vaak uit voor strengere wapenwetten.

Een schone mens

Samen met zijn vrouw beheert King de STK-liefdadigheidsorganisatie, voluit “Stephen and Tabitha King-foundation”. Die charity helpt de armen in Maine op allerlei vlakken, met gezondheidszorg, huur en onderwijs onder meer. Hun ideeën verspreiden ze via drie eigen radiostations.

Van grote mediabelangstelling en openbare massa-optredens houdt Stephen King allerminst. Handtekeningen deelt hij niet uit. Uiteraard moet zo’n man weinig hebben van The Donald. In 2016 noemde hij Trump een racistische bleekscheet met het temperament van een driejarige. Trump blokkeerde prompt zijn Twitteraccount. En King strafte Trump meteen door hem te verbieden naar nieuwe verfilmingen van “It” en “Mr. Mercedes” te gaan kijken, twee films waarin criminele clowns een beslissende rol spelen … Happy birthday and thanks a lot, Stephen King!