De zachte krachten zullen zeker winnen in ’t eind –

Henriëtte Roland Holst

Advertenties

Pieter Bruegel in Wenen: miraculeus, ontroerend, de tentoonstelling van het decennium

babel
Beweren dat Pieter Bruegel de Oude het straatbeeld van Wenen overheerst, is overdreven. Toch kan je niet naast de affiches en posters kijken. Wenen, hoofdstad van cultuur, speelt de Bruegel-tentoonstelling als troefkaart uit. En opvallend: de affiches tonen alle facetten van Bruegels werk, niet alleen de “Boerenbruiloften”. De tentoonstelling van curator Manfred Sellink zet Bruegel voor eens en altijd neer als een universeel en baanbrekend kunstenaar.

30 schilderijen, evenveel tekeningen en nog eens zoveel prenten en gravures. Verschillende nevensecties over het wetenschappelijk onderzoek ter voorbereiding van de tentoonstelling, en over de restauraties van de voorbije jaren, onder meer die van onze “Dulle Griet”, tonen Bruegel voor, tijdens en na. Van Pieter Bruegel de Oude (Breda ca 1520 – Brussel 1569) zijn 45 schilderijen bekend. Mogelijk ging er een aantal verloren. Opvallend is dat hij maar gedurende een korte tijd schilderde, van zowat 1550 in Antwerpen tot 1568 in Brussel. Toch zit er in die relatief korte periode een zichtbare groei naar meesterschap over zijn metier.

 

winterlente

Vijf van de zes seizoenen

De tentoonstelling opent meteen met een voltreffer: “De 6 Seizoenen”. Of beter gezegd, de vijf seizoenen, want “De Lente” is spoorloos. Bruegel vond vier jaargetijden niet genoeg. Hij hield vooral van de overgang van winter naar lente, en van zomer naar herfst.

Het verdwenen “De Lente” inspireerde in 1999 de Britse auteur Michael Frayn voor zijn spannende thriller “Pretmakers in een berglandschap” waarin iemand in een verwaarloosd landhuis het werk denkt te hebben gevonden. Frayn haalde er een nominatie voor de Bookerprijs mee.

De twee overgangsseizoenen sluiten mooi bij elkaar aan. De zwarte, winterse stormwolken die wegdrijven nadat ze verwoestende schade hebben aangericht,  zijn alweer in aantocht als de boeren hun koeien uit de bergweiden naar de stal brengen.

Typisch voor Bruegel zijn de hoge horizonten. Hij heeft nu eenmaal veel plaats nodig om alles te tonen. In “Hooien” zit een knap staaltje dynamiek, het is een momentopname, een minuut later zouden de jonge meisjes met hun harken en rieken en de vrouwen die hun manden met bloemen, aardbeien, bonen en kolen naar de markt brengen, al uit beeld verdwenen zijn.

De vrouwen dragen de manden op het hoofd. Correctie: de mand IS hun hoofd. Het jonge boerenmeisje dat verleidelijk naar de toeschouwer kijkt, trekt ons het landschap in. Wat zou je er niet voor over hebben om inderdaad mee te lopen met die uitdagende jonge dames?

Vlaamse dorpen in Italiaanse bergstreken

Bruegel reisde in zijn jonge jaren naar Italië, tot helemaal in het zuiden, en was enorm onder de indruk van de landschappen. Hij schetste schriftjes vol en werkte die in Antwerpen uit. “De baai van Napels” is een prachtig voorbeeld. De schepen die hij schildert, kloppen blijkbaar perfect met de historische werkelijkheid.

Bruegel mengde Vlaamse en Italiaanse landschappen. Hij laat zijn taferelen spelen in de buurt van duidelijk Vlaamse dorpen en velden, tegen een achtergrond van bergen, rotsen en riviermondingen uit Italië. Het effect is prachtig. Volgens curator Manfred Sellink is Bruegel op de allereerste plaats een schilder van landschappen. Hij verhoogde de dramatische kracht door bucolische of tragische verhalen toe te voegen.

Bijbelse figuren in de late Vlaamse middeleeuwen

Bruegel hield ook van anachronismen. De bekering van Saulus tot Paulus (zie afbeelding bovenaan dit artikel), een sleutelverhaal van het Nieuwe Testament, speelt overduidelijk in de Spaanse tijd. Bruegel gaat tot net aan de grens van wat mocht. De soldaten die lastpost Saulus hadden moeten arresteren zijn duidelijk herkenbaar Spanjaarden, maar de Spaanse heersers konden Bruegel niets maken want het thema is de trouwe uitwerking van een katholiek verhaal…

Helemaal gek wordt het als Jezus op weg naar Golgotha met het kruis ten val komt in een landschap met windmolens en Vlaamse kerkjes in de verte. Die kruisdraging is het enige werk dat zonder kader wordt getoond, in een vitrinekast waardoor je ook de achterkant kan bekijken, met de vakkundig aan elkaar gehechte eiken panelen, en de zijkant, waaruit blijkt dat de plankjes 5 à 12 millimeter dik zijn. De ingekaderde werken van Bruegel hebben in de loop der tijden een paar centimeter aan formaat ingeboet, waardoor details net verdwijnen.

kruisdraging

Terloopse gebeurtenissen

Een ander vrij grappig element is dat Bruegel het eigenlijke onderwerp van zijn schilderij achteloos en schijnbaar toevallig onopvallend laat gebeuren. Saulus valt ergens in het midden van het gekrioel van de menigte van zijn paard, als kijker moet je hem zoeken. De meesten van de ontelbaar vele aanwezigen hebben niets van het voorval gemerkt.

Ook de “Prediking van Johannes de Doper” gaat aan de buitenste rijen van het publiek voorbij. Die zijn met heel andere dingen bezig, onder meer zich ontlasten achter een struik. Het doet wat denken aan de Bergrede in “The Life of Brian” van Monty Python. En gewaagde historische verwijzing: de prediking door Johannes lijkt wel erg goed op een verboden protestantse hagenpreek…

Het waren nogal winters toen!

Bruegel is weergaloos in zijn barre winterse landschappen. Op een van de twee aanbiddingen van de drie wijzen, dat dringend aan restauratie toe is, valt de sneeuw in bijna tastbare vlokken neer. Op een ander werk keren jagers met bijzonder weinig buit en uitgemergelde honden vanop een heuvel weer naar hun dorp, dat qua perspectief en ruimtelijkheid meesterlijk in de diepte is afgebeeld. Je voelt de kou die de onfortuinlijke jagers ervaren in dit witte bevroren landschap.

Ook “Winterlandschap met vogelval” is huiveringwekkend koud. Al amuseren de dorpsbewoners zich hier wel, enkelen spelen een voorloper van curling.

De Torens van Babel

Twee keer schildert Bruegel de Toren van Babel, in hetzelfde jaar. Ook hier ontbreken de Vlaamse elementen in de achtergrond niet. Op het kleinste werk is de toren opgetrokken uit stenen. Op het grootste schilderij wordt de toren voor een deel uitgehouwen uit een rots, waarop een menigte metselaars verder bouwt. Hoewel we de negatieve afloop van het verhaal kennen, spreekt er iets verrassend optimistisch uit de complexe scène, waar net ook de koning op “werkbezoek” komt.

Mededogen en uitzichtloze gruwel

Voor curator Manfred Sellink was Bruegel een man met een grote liefde voor de gewone mens. Hij heeft nooit portretten van heersers of machtigen gemaakt. Uit zijn tekeningen en olieverven spreken mededogen en begrip. Dat onderscheidt hem van Jeroen Bosch. Toch zijn in Wenen twee totaal negatieve gruwelwerken te zien.

In “De Zelfmoord van Saul”, een merkwaardig klein overbevolkt paneel,  beneemt de joodse koning Saul zich in 1100 voor onze tijdrekening van het leven nadat hij vernam dat zijn drie zonen waren gesneuveld in een uitzichtloze militaire campagne tegen de Filistijnen, de Palestijnen dus, ja, die waren er toen ook al. Onnodig te zeggen dat de zelfdoding ergens opzij in de luwte gebeurt, en dat er verdraaid toch weer Vlaamse kerkjes opduiken zeker.

Nog uitzichtlozer is “De Triomf van de Dood”, een orgie van hopeloos bloedvergieten, zinloos geweld, terreur, moorden, wurgen, verdrinken, afslachten, zonder ook maar enige kans op het hiernamaals, op redding, zonder sprankje licht of medelijden. Salvador Dali heeft zeker goed gekeken naar de uitgerekte skeletten die dood en verderf zaaien.

Het lijkt alsof je naar een vernietigingskamp kijkt, er is geen weg uit, en dat roept vragen op, want het is erg uitzonderlijk in zijn oeuvre
Manfred Sellink

De Wildeman

Jeroen Olyslaegers werkt aan een roman die zich in de 16de eeuw afspeelt en die als hoofdpersonage een van de figuurtjes van “De Strijd tussen Carnaval en Vasten” heeft, de “Wildeman”, een acteur die een rituele pantomime uitvoert, gehuld in een berenhuid, met een knots op de schouder. Met veel lawaai verjagen enkele dorpsbewoners de “Wildeman”, symbool van het ongebreidelde leven in de lente.

Bruegel maakte van een detail uit datzelfde schilderij een zelfstandig werk: “Vijf bedelaars”. Het is een schrijnend tafereel. Vijf zwaar misvormde sukkelaars verdienen de kost met een kreupele krukkendans, die ze zelf begeleiden met gezang. Opvallend is dat de ongelukkige drommels parafernalia dragen van hoogwaardigheidsbekleders: een kroon, mijter, rechterskap, namaaknerts, triestige vossenstaarten.

Onderzoek en restauratie

 

Bij prestigieuze tentoonstellingen als deze hoort altijd onderzoek. Merkwaardig hier is dat het onderzoek de beslissing om een expositie te maken jaren voorafging. Dat onderzoek wordt getoond in een paar nevensecties. Die bevatten alle soorten penselen en borstels, mesjes en takjes om hier of daar te arceren, weg te krabben, reliëf te geven.

De nieuwste wetenschappelijke methodes maken zichtbaar hoe Bruegel werkte, vanaf de eerste lijnen op het paneel, via de volledige invulling, tot de allerlaatste schrapping of toevoeging van een personage dat de kijker het werk binnentrekt. Zijn tekeningen zijn dus geen voorbereidende schetsen!

Een andere sectie toont de restauratie van “De zelfmoord van Saul”. Zelfs alle wattenstaafjes om vernis weg te vegen liggen hier, de verfjes van de restaurateurs, de verschillende stadia van hergeboorte van het werk. En de resultaten zijn er ook, onder meer “De Dulle Griet”.

Didactisch ook een goed idee is het om enkele voorwerpen uit de schilderijen, schoenen, keukengereedschap en wapens te tonen. Dat gebeurt in Bruegeljaar 2019 nog in samenwerking met Bokrijk.

Prentjes en zotjes

Bij zoveel kleurrijk schilderijengeweld zouden de tekeningen wel eens verloren kunnen gaan. Neen dus. De autonome inkttekeningen met pen en veer zijn grandioos, vaak grappig en grimmig, en knap qua compositie.

Als Bruegel nu geleefd zou hebben, dan zou hij een van de grootste en meest geniale filmmakers van onze tijd zijn
Manfred Sellink
imkers

Mijn favoriete tekening is “Imkers”, een pennevrucht die net zo goed uit de 21ste eeuw had kunnen komen. We zien enkele figuren, verpakt in beschermkledij met enorme kappen, als aliens of spookverschijningen bezig met bijenkorven. Zijn ze echt imkers? Of honigdieven? Zou kunnen, in de achtergrond klimt een vogelnestendief in een boom. Het enigmatische is ook af en toe Bruegels kracht.

Samensteller Manfred Sellink geeft ootmoedig toe dat hij ook niet alles begrijpt op bij voorbeeld “Kinderspelen”, waarop 230 kinderen en een paar volwassenen 90 spelletjes demonstreren. Daar zijn enkele gemene pesterijen bij. Voor wie niet alles heeft gezien op het schilderij, travelt in de openingshal een camera op 3 reuzenschermen over uitvergrote details. Altijd merk je iets nieuws!

Zigzag mee door Bruegels werk

Al uit de opbouw van de landschappen blijkt het psychologisch inzicht van Bruegel. Een weg of een rivier snijdt diagonaal en bochtig door het schilderij, om soms in een paar richtingen te meanderen. Als dat niet volstaat, plaatst Bruegel een figuur op de rug gezien op een strategische plek. Die sleept ons letterlijk mee. Op andere werken is er soms één iemand die de toeschouwer rechtstreeks aankijkt.

Bruegel is veruit de beste schilder van mensen en dieren gezien op de rug
Manfred Sellink

Emotioneel en ontroerend

Normaal ben ik een nogal snelle en gretige bezoeker van tentoonstellingen maar bij Bruegel bleef ik maar liefst zes uur. Dat heeft niet alleen te maken met het overvloedige dat er op die bijna 100 werken te zien valt. Neen, deze tentoonstelling bewijst dat Bruegel echt van ons is, Vlaams, Nederlands, Belgisch, en toch Europees, universeel, tijdloos. Een kunstenaar voor de hele wereld en vele tijden, een Erasmusiaanse humanist, een ironische criticus, een wijze humorist, een slimme vernieuwer.

Dit is een emotionele, aangrijpende, pakkende tentoonstelling over een man waar we alleen maar megatrots op kunnen zijn. Het overkomt mij niet zo vaak op een expositie, maar ik was echt ontroerd. En toen ik weg ging, heb ik van de meeste schilderijen en van een paar prenten nog eens persoonlijk afscheid genomen. Tot ziens, hoop ik, dank Bruegel, dank Manfred Sellink, dank KHM Wenen.

Tot 19 januari in het Kunsthistorisches Museum in Wenen. In elk geval: reserveren! Ook als u maar over een paar maand naar Wenen reist.  Informatie over de tentoonstelling vindt u hier, over het onderzoeksproject daar.

Lucas Vanclooster. Ook te lezen op vrtnws.be.

Pieter Bruegel de Oude, van Pier den Drol tot universeel kunstenaar en stamvader van vier generaties artiesten

dullegrietEven de puntjes op de i: de enige officiële internationaal erkende schrijfwijze van de naam van de schilder is: “Bruegel”. Zoals dat in zijn tijd en die van zijn (klein-) kinderen nog gewoon was, schreven de Bruegels hun naam op allerlei wijzen: Breugel, Brueghel, en zo nog wat varianten. Dat gaf aanleiding om te geloven dat de familie afkomstig was uit Breugel in Nederland, of Brogel en zelfs Bree in Vlaams-Limburg.

Nu wordt algemeen aangenomen dat Pieter Bruegel de Oude het levenslicht zag in Breda tussen 1525 en 1530. Zeker is dat hij tijdens zijn laatste levensjaren in Brussel woonde, en daar in de Kapellekerk begraven ligt, waar vlakbij zijn standbeeld staat. Hij overleed in de herfst van 1569, volgend jaar 450 jaar geleden. Genoeg om van 2019 een Bruegeljaar te maken. De tentoonstelling in Wenen is een spectaculaire proloog.

Tussen Jeroen Bosch en Rubens

Bruegel werd zowat 75 jaar na Jeroen Bosch geboren, bij wie hij in zijn beginfase zeker inspiratie vond. Rubens is een halve eeuw jonger. Een paar afstammelingen van Bruegel werkten nauw met Rubens samen.

De 16de eeuw was een tijd van onrust en godsdienstoorlogen, van onderdrukking door de Spanjaarden, en onafhankelijkheidsstreven in Nederland. Dat valt te merken in het werk van Bruegel. Hij staat zeker niet aan de kant van het katholieke Spanje, maar kiest ook niet onvoorwaardelijk voor de protestantse opstandelingen. Het liedje “Pieter Bruegel in Brussel” van Wannes Van de Velde – zie onderaan dit artikel – wijst wel op het verband dat nogal wat mensen leggen tussen Bruegel en de geuzen.

Heel wat schilderijen tonen een bedekte kritiek op het Spaanse religieuze terreurbewind. Al heeft hij een van zijn meest uitgesproken politieke schilderijen, “De Kindermoord te Betlehem” later her en der overschilderd om het minder hard te maken.

In de 16de eeuw begonnen kunstenaars naar Italië te reizen om kennis te maken met de grote kunst, en Bruegel deed daar graag aan mee. Van 1552 tot ’54 was hij op tocht tussen Rome en Reggio di Calabria. Hij zoog er de spectaculaire Italiaanse berglandschappen in zich op. Bruegel trouwde vrij laat met Maryken, de dochter van zijn leermeester in Antwerpen Peter Coecke van Aalst. Zijn zonen, Pieter de Jonge en Jan de Oudere hebben hun vader nauwelijks gekend. Het laatste bekende werk van Bruegel is gedateerd 1568.
Van Bruegel zijn 45 schilderijen en 65 tekeningen bewaard. Hoeveel er verloren gingen is gissen. Zijn werk raakte snel verspreid over Europa.

Dat zoveel werk in Wenen belandde heeft te maken met de Habsburgers, die een residentie in Brussel hadden, het Paleis op de Koudenberg aan het huidige Koningsplein. Met name Oostenrijkse aartshertogen en gouverneurs hielden van  Bruegel en namen zijn schilderijen mee naar Wenen. Daarom bezit die stad de grootse collectie Bruegel: 12 schilderijen die de kern vormen van deze tentoonstelling, die dus nergens elders plaats kon vinden.

Geen boerenschilder

Breugel is een moderne kunstenaar, een action artist, dit gaat over het leven zelf
Manfred Sellink, curator

Als er iets is wat de tentoonstelling in Wenen onderuit wil halen is het het beeld van Bruegel als schilder van het primitieve boerenleven. Uit tellingen blijkt dat Bruegel meer soldaten dan boeren heeft geschilderd. En een derde van zijn werken behandelt een bijbels thema. Goed, hij heeft nogal wat “Breugeliaanse” taferelen in Vlaamse dorpen neergezet, maar heel vaak schetst hij de landbouwers waardig en met liefde, een zeldzame keer als brallende Bourgondische zatlappen en smulpapen.

In zijn agrarische doeken is Bruegel universeel: ook boeren in India begrijpen “De Oogst” en “Hooien”. Overal waar arme bedelaars nog op aalmoezen zijn aangewezen snappen ze “De Parabel der Blinden”. En veel van de spelletjes uit “Kinderspelen” zijn nu nog populair in Afrika en Zuid-Amerika. Geen enkele andere Vlaamse schilder heeft zo’n wereldwijde impact.

Het is Felix Timmermans die aan de basis ligt van het begrip “boeren-Bruegel”. In zijn roman uit 1927 noemde hij Bruegel “Pier den Drol”. In 1965 baseerde Jef Nys zich op die erg vrije interpretatie van Bruegels biografie voor zijn strip “De wonderbare Jeugd van Pieter Bruegel” in de Ohee-reeks van Het Volk. De brede verspreiding van dit tekenverhaal, met de jonge Bruegel als olijke grapjas die karikaturen tekent, bevestigde het heel eenzijdige beeld van Timmermans.

Gevolg is dat vooral de boerentaferelen bij ons beroemd raakten. In Verschuerens geïllustreerd woordenboek kregen de “Kinderspelen” en “Spreekwoorden” encyclopedische aandacht. In het buitenland intussen lag de faam van Bruegel bij zijn adembenemende landschappen en allegorische werken. De tentoonstelling in Wenen moet voor eens en altijd – en vooral bij ons – een juist beeld van Bruegel introduceren. Diezelfde Timmermans is trouwens ook verantwoordelijk voor het foute beeld van Adriaen Brouwer als schilder van zatlappen en kroeglopers.

Nog een interessant weetje: tot een eeuw geleden werd Bruegel bij de Vlaamse Primitieven gerekend. Na de Eerste Wereldoorlog stelden nieuwe kunsthistorici vast dat Bruegel toch wel een stuk later komt dan Van Eyck, en helemaal anders schildert.

Bruegel heeft de 2 kwaliteiten van grote schilders: een losse penseeltoets en tegelijk een grote precisie. Los en gedetailleerd tegelijk. Het plezier spat ervan af
Manfred Sellink, curator

Het Kunsthistorisches Museum in Wenen toont dus ruim 30 van de 45 bekende schilderijen van Bruegel, naast tientallen tekeningen en prenten. Bedoeling is het creatieve werkproces van de kunstenaar tonen, van idee tot uitvoering. Hoe deed hij het op het vlak van concept, techniek, vorm, stijl?

Bruegel schilderde niet op doek maar op eikenhouten panelen, een erg fragiele drager. Hij gebruikte 2 tot 5 vertikale eiken planken per paneel. De tentoonstelling onderzoekt ook de psychologische trucs van Bruegel om de kijker in de compositie te trekken. Dat gebeurde vaak via een, soms later bijgeschilderd, personage dat van op een hoog standpunt het adembenemend diepe verre landschap inkijkt of binnenwandelt.

Een nevensectie van de tentoonstelling behandelt het actuele onderzoek van Bruegel, dat met de modernste technieken het ontstaansproces doorlicht. Zo zien we de eerste strepen op het paneel, de opbouw, de weglatingen, de bijschilderingen, tot de finishing touch.

Bruegel is uiteraard ook razend interessant voor wie geïnteresseerd is in het leven van gewone mensen in de 16de eeuw. Op zijn schilderijen staan honderden voorwerpen, meubels, wapens, bestek, speelgoed… In samenwerking met Bokrijk is ook dit aspect bestudeerd.

Afstammelingen

Tussen de schilderijen door verwekte Bruegel 2 zonen, en die kregen een stel verdere nakomelingen. Die worden wel eens verward met hun roemruchte (groot-) vader omdat ze veel van zijn werk kopiëerden en reproduceerden, tientallen keren zelfs.

Pieter Bruegel de Jonge (1564-1638), woonde en werkte in Mechelen en werd ook de “Helse Bruegel” genoemd, wegens zijn voorkeur voor angstaanjagende taferelen die nog een late invloed van Bosch verraden.

Van alle telgen is Jan Breugel de Oudere (1568-1638) de belangrijkste. In het voetspoor van zijn vader trok hij naar Italië. Hij kwam tot aan het hof van de aartshertogen Albrecht en Isabella, en werd populair als schilder van landschappen, bloemen en allegorieën. Er zijn 450 werken bekend van Jan, de “Fluwelen Bruegel”. Hij was een onmisbare medewerker van Rubens.

Twee zonen van Jan namen ook het penseel ter hand. Ambrosius Bruegel (1617-1675) werkte in Antwerpen en Italië. Hij kopieerde de landschappen en allegorieën van zijn vader. Jan Bruegel de Jonge (1601-1678) was een stuk beter dan zijn broer. Hij werkte in het atelier van Rubens in Antwerpen, en in Italië, Sicilië en Malta. Zijn ding waren landschappen met antieke en christelijke fabels. Een aardje naar zijn vaartje dus. Maar zijn grootste verdienste was de introductie van dieren in de kunst. Het Musée de Flandre in Cassel ontdekte 2 jaar geleden dat Vlaamse kunstenaars de allereersten waren die dierenportretten maakten. Jan Bruegel de Jonge was een voortrekker op dat vlak.

Ook Jan de Jonge had een schilderende zoon: Abraham Bruegel (1631-1690). In Antwerpen en Napels blonk hij uit in Italiaanse taferelen, fruit en stillevens.

De laatste Bruegels heten Teniers

Dochter Anna van Jan Bruegel de Oude trouwde met David Teniers 2, zoon van David Teniers 1. Hun zoon en kleinzoon heetten ook David Teniers, nummer 3 en 4. David Teniers 4 (1672-1731) sloeg de brug tussen de oude kunst van zijn voorvaderen met de nieuwe stromingen van de 18de eeuw. En met hem stopt ook de complexe stamboom van de Bruegels, ruim 200 jaar of 4 generaties na de geboorte van good old Pieter.

Meer informatie over de tentoonstelling vindt u hier, en over het onderzoeksproject daar.

Lucas Vanclooster. Lees ook op vrtnws.be

sesshin

IMG_5194.jpg

het waait van
windboom tot
zwaaizwaluw
het beweegt
weegt weinig
ruist en ritselt
koert en tsjilpt
het leeft
vlerkt en zoemt

het barst uit
de bodem
ontploft uit
de knop

het stroomt traag
in het kaarsrechte kanaal
gracht sloot beek poel
de waterhoek
staat droog
het is stoffig en heiig
er is al gehooid

het druppelt
genadig
eindelijk water
de haas kiest het pad
de kikker een bij
en daarboven hangt al de reiger
toverframbozen
wolk van vlinders
kies maar uit
zonnebloem of zonnehoed
goudsbloem of kamille

met mijn polderkont op
voormoederlijke grond
zit ik in het hart van
het universum
moerkerke
arcadië

vouw me open
tot een wijde kom
waar alles in past
kom
gekuifde kippen kom
korenbloemen klaver
zelfs de vogelschrik
zeker de vogelschrik
muggen gelieve zich te onthouden

gene zever
de werkloze bullshitsensor
het verlangen naar niets
tenzij een braaf lijf
zitten is lijden
lijden is zitten
stappen is schaatsen
in een oeroud ritueel

de stille
kracht van elf
beweegt
weegt weinig
is veel
is wat het is
deel van het geheel
het bladje is het water
het water is het bladje

in het raam
een bewegend schilderij
als bij harry potter
haha de merel zingt
een ringtone
in de stiltehoeve
’s avonds een langoor
langdurig lankmoedig

ik vlecht van biezen
bloemenkransen
we zitten als herders op
een brugje

ik slaap
bij franciscus
de dieren komen naar
me toe
kikkers katten kapucijntjes
in de paartijd
de verre hondenblaf
de ronk van de tractor
alles in overvloed
ruimte
stille
vredige
tijd

 

 

kristien bonneure
sesshin 10-15 juli, stiltehoeve metanoia, damme
foto lieve juchtmans

 

 

Hoe de Praagse lente de nek werd omgewrongen – in beeld

koudelka

Josef Koudelka, de legendarische fotograaf van de onderdrukking van de Praagse lente in 1968, stelt zijn historische foto’s voor in Brussel. Dramatiek in zwart-wit die aan “De ondraaglijke lichtheid van het bestaan” doet denken. Koudelka portretteert de echte “children of the revolution”. De foto’s grijpen na vijftig jaar nog altijd naar de keel.

 

In de nacht van 20 op 21 augustus 1968 maken Sovjettanks in de straten van Praag korte metten met het communisme-met-een-menselijk-gelaat van de Praagse lente. Josef Koudelka is dan 30 jaar. Hij is net terug van een fotoreportage over de Roma-zigeuners in Roemenië. Midden in de nacht wordt op zijn deur geklopt: “De Russen zijn daar!” Koudelka trekt de straat op met zijn camera. Tevoren heeft hij nooit nieuwsfoto’s gemaakt. Gedurende enkele dagen schiet hij beelden die zonder meer historisch, krachtig, menselijk zijn. Het worden universele symbolen van verzet tegen onderdrukking.

De foto’s worden Tsjechoslovakije uitgesmokkeld en komen terecht bij het Magnum-fotoagentschap in Londen. Ze worden anoniem afgedrukt, onder de initialen P.P. (Prague Photographer), om het leven van Koudelka en zijn familie niet in gevaar te brengen. Pas in de jaren 80 raakt zijn naam bekend en na de Fluwelen Revolutie van 1989 en het einde van het communisme worden zijn foto’s in Tsjechoslovakije zelf gepubliceerd.

Koudelka zelf vlucht naar Groot-Brittannië in 1970. Hij wordt lid van het beroemde Magnum en reist de wereld rond. Hij maakt vaak reportages over Roma, nomaden, vluchtelingen en ook vele keren over Israël en Palestina. Zijn werk is internationaal bekroond en tentoongesteld in de grootste musea, zoals het MoMa in New York. Onlangs is Koudelka 80 geworden. In zijn recentste werk is de mens nagenoeg verdwenen in het landschap.

Het jaar 8

50 jaar na de Praagse lente en de onderdrukking lopen er retrospectieve fototentoonstellingen in Praag en nu ook in de Botanique in Brussel. Jitka Pánek Jurková, directeur van het Tsjechische Cultuurcentrum in Brussel, wijst erop dat jaartallen met een 8 erg belangrijk zijn voor haar land. In 1918 werd de staat Tsjechoslovakije gesticht, in 1938 lijfden de nazi’s die in, in ’48 namen de communisten de macht, in ’58 won het land de prijs voor het mooiste paviljoen op de Expo in Brussel en in 1968 kwam er brutaal een eind aan de Praagse lente. Josef Koudelka is verweven met die hele geschiedenis, hij is een stuk Tsjechisch erfgoed, zegt Jurkova.

De lente van ’68  in Praag was een seizoen van vrijheidsdrang, net als in Parijs. Het verschil was dat de Praagse lente in bloed werd gesmoord.

Praag is deel van het grote verhaal van protest in het jaar 1968

Het uur U

De zwart-witfoto’s in de Botanique zijn zonder meer een uitzonderlijk tijdsdocument, dicht op het vel van het straatprotest. Je ziet vertwijfelde oudjes, woedende jongeren, tanks die zich vastrijden in de straten van Praag, angstige Sovjetsoldaten, kranten en vlugschriften, affiches en vlaggen. Misschien wel het pakkendste beeld is dat van een arm met een polshorloge, en in de achtergrond het lege Wenceslasplein. Het uur van de geschiedenis had geslagen, op 21 augustus 1968.

 

Invasion Prague 68” van Josef Koudelka in de Botanique in Brussel, nog tot 12 augustus. De expo past in de Summer of Photography van Brussel, die in het teken staat van protest. Eind juni opent ook “Resist”, een grote expo in Bozar.

Barock ’n roll in Antwerpen

Met “Antwerpen Barok 2018 Rubens inspireert” speelt de havenstad haar culturele en toeristische troeven optimaal uit. 8 tentoonstellingen, 10 andere projecten met beeldende kunst, 22 muzikale initiatieven, 12 theaterproducties, wandelingen, lezingen, festivals, culinaire barokervaringen en een reuzenspringkasteel in Middelheim moeten Rubens, zijn tijd en invloed definitief verankeren in Antwerpen. Het aanbod is overweldigend.

rubens_andreas_martelaar_grt

De restauratie van het Rubenshuis, de woning en het atelier van de meester, is nog niet klaar. De aanpak van het portiek en het tuinpaviljoen is millimeterwerk. Maar de bezoeker mag wel, met een bouwvakkershelm op het hoofd, erg dicht naar de delicate werkzaamheden klimmen. En een simulatie-app toont de geschiedenis van het Rubenshuis van 1640 tot morgen.

Met enkele fantastische bruiklenen speelt het Rubenshuis een centrale rol in Barok 2018. Het gaat om werken van tijdgenoten van Rubens, maar vooral om zijn  eigen “De Marteldood van Sint-Andreas” uit Madrid. Zeer opmerkelijk bij dit schilderij is de zware indrukwekkende lijst, die erg duidelijk deel uitmaakt van de compositie. Een staaltje van ambachtelijk vakmanschap uit de 17e eeuw.

Het werk zelf stelt Sint-Andreas voor, enkele ogenblikken voor hij sterft en de engeltjes hem ten hemel geleiden. Onderaan is een aangrijpende  dialoog te zien tussen Andreas’ moeder en de consul die hem ter dood veroordeelde. Zij smeekt hem om haar zoon te sparen, hoewel de martelaar dat zelf intussen al niet meer wil. De consul blijft onverbiddellijk. Een late en prachtige Rubens die de titel van de expositie, “De meester leeft”, helemaal waarmaakt.

Weinig kunstenaars zijn zo veelzijdig, onuitputtelijk en gelaagd als Rubens.  Hij heeft het beeld van Antwerpen en de Nederlanden in de 17de eeuw bepaald, niemand was meer doordesemd van de Europese artistieke tradities.
Ben Van Beneden, directeur Rubenshuis

Sanguine/Bloedrood

Barok is meer dan Rubens. Voor Luc Tuymans gaat het vooral om de intense gevoelens, het grote emotionele gebaar, meer dan om de overladen weelderigheid. Dat toont Tuymans in M HKA met “Sanguine/Bloedrood”. Hij confronteert oude en nieuwe meesters, en daar is hijzelf niet bij, wel Caravaggio, twee maal, Francisco de Zurbaràn, Van Dyck, Adriaen Brouwer, Jacob Jordaens en aan de andere kant Michaël Borremans, Fred Bervoets, Thierry De Cordier en Berlinde De Bruyckere.

Aan de gedempte Zuiderdokken staat het aangrijpende environment “Five car stud” van Edward Kienholz, dat voor het eerst sinds lang weer te zien is. Het stelt de nachtelijke castratie van ’n zwarte man door enkele blanke racisten voor, midden een cirkel, een arena, van auto’s met de koplampen aan.

Michaelina Wautier, de ontdekking van de eeuw

Misschien wel de interessantste tentoonstelling van Barok 2018 is die over Michaelina en haar broer Charles Wautier in het MAS. Nog maar 30 jaar geleden ontdekte Katlijne Van der Stighelen het onbekende werk “Bacchusstoet in Wenen”. Toen ze vernam dat het van de hand van een vergeten vrouw was, begon ze een intense zoektocht die drie decennia later naar “Michaelina, leading lady van de barok” leidde.

Michaelina was te goed om door de kunstgeschiedenis te worden opgemerkt. Ze speelt met licht als Caravaggio. Ze maakt publiekslievelingen als Vermeer. Ze staat dicht bij de mensen, ze ontroert, overstijgt de barok

 

Katlijne Van der Stighelen, curator

Een kleine 40 werken geven een mooi overzicht van het uitzonderlijke talent van Michaelina (Bergen 1604- Brussel 1689). In tegenstelling tot de zeldzame andere vrouwen tijdens de barok, schilderde Michaelina geen stillevens en bloemstukken, maar sterke menselijke portretten en grote taferelen. Precies omdat ze zo goed was, verdween ze in de plooien van de geschiedenis, ze paste in geen enkel plaatje.

Michaelina was veelzijdig, virtuoos, origineel en stoutmoedig. Dat ze in een periode van contrareformatie zichzelf afbeeldde rechts boven op de ontuchtige doorzopen “Bacchusstoet”, half naakt, belaagd door een ouwe geilaard, getuigt van moed. Enkele werken zullen snel publiekslievelingen worden. Ze had de dochter van Rubens kunnen zijn. We zullen Michaelina nooit meer vergeten.

Barok und kein ende

Ook Middelheim laat oude en nieuwe beelden dialogeren, in de bewust verwarrende opstelling “Experience Traps”. In het park staat er ook een reusachtig barok springkasteel, een van de vele initiatieven voor kinderen. Voor AMUZ in de vroegere Sint-Augustinuskerk heeft Jan Fabre ingegrepen met drie altaarstukken.

Her en der in Antwerpen heeft Yvon Tordoir grote muurschilderingen en graffiti aangebracht die verwijzen naar een of ander aspect van de barok. Er zijn wandelingen en concerten, kerkbezoeken en theater- en dansproducties.

Koen Theys in de kathedraal

“Diasporalia” is een opvallende installatie in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal, een van de hoogtepunten van gotiek en barok in de architectuur. Koen Theys heeft er een aantal bronzen bedden voor vluchtelingen neergezet, een verrassend actuele ingreep.  Wie dat wil, kan in de kathedraal een nacht doorbrengen op zo’n bed, in slaap gesust door passende muziek van Max Richter.

Lucas Vanclooster. Lees ook op vrt nws.be

 

– israël 70

vlag

Amos Oz, uit “Een verhaal van liefde en duisternis” (2004):
(de memoires van Amos Oz)

En tegen de ochtend, op een tijd waarop het een kind nog nooit toegestaan was geweest om niet allang diep in slaap te zijn, misschien om drie of vier uur, kroop ik met mijn kleren aan in het donker onder de deken. En even later tilde papa’s hand mijn deken op in het donker, niet om boos op me te worden dat ik met mijn gewone kleren aan in bed lag, maar om naast me te komen liggen, hij ook in zijn gewone kleren, die doordrenkt waren van het zweet van het gedrang van de menigte, net als mijn kleren (terwijl we een ijzeren wet hadden: je mocht nooit, maar dan ook nooit met je kleren aan tussen de lakens gaan liggen). Mijn vader lag zo een paar minuten naast me en zweeg, hoewel hij in het algemeen elke stilte haatte en die zo snel mogelijk verdreef. Maar ditmaal raakte hij de stilte die tussen ons heerste helemaal niet aan, hij nam er deel aan en alleen zijn hand streelde zachtjes mijn hoofd. Alsof mijn vader in het donker in mijn moeder veranderd was.

Daarna vertelde hij mij fluisterend, zonder me ook maar eenmaal zijne hoogheid of edelachtbare te noemen, wat straatjongens in Odessa hem en zijn broer David hadden aangedaan en wat niet-Joodse jongens op het Poolse gymnasium in Wilna hem hadden aangedaan, en ook de meisjes hadden meegedaan, en de volgende dag, toen zijn vader, opa Alexander, naar school was gekomen om zijn beklag te doen, hadden de pestkoppen niet alleen zijn gescheurde broek niet teruggegeven, maar hadden voor zijn ogen ook zijn vader aangevallen, opa, en hem hard op de tegels gegooid en zijn broek ook uitgetrokken, midden op het schoolplein, en de meisjes hadden gelachen en obscene dingen gezegd, dat de Joden allemaal zus en zo waren, en de leraren keken zwijgend toe of lachten misschien ook mee.

En nog steeds met een stem van duisternis, terwijl zijn hand nog steeds verdwaalde in mijn haar (want hij was niet gewend te strelen), zei mijn vader tegen me onder mijn deken tegen de ochtend, in de vroege uurtjes van 30 november 1947: ‘Jij zult vast ook nog weleens gepest worden op straat of op school. Misschien juist omdat je weleens een beetje op mij zou kunnen lijken. Maar van nu af, vanaf het moment dat we een staat hebben, van nu af zullen ze je nooit meer pesten alleen maar omdat je een Jood bent en omdat Joden zus en zo zijn. Dat niet. Nooit meer. Vanaf vannacht is dat hier afgelopen. Voorgoed afgelopen.’

Ik stak mijn slaperige hand uit om zijn gezicht aan te raken, iets onder zijn hoge voorhoofd, en plotseling kwamen mijn vingers in plaats van zijn bril tranen tegen. Nooit in mijn leven, niet voor die nacht en niet daarna, zelfs niet bij de dood van mijn moeder, heb ik mijn vader zien huilen. En zelfs die nacht heb ik het niet gezien: het was donker in de kamer. Alleen mijn linkerhand heeft het gezien.

S. Yizhar, uit “Het verhaal van Chirbet Chiz’a” (1949), in het Nederlands vertaald in 2013:
(het relaas van een soldaat uit een Israëlisch peloton dat bij de stichting van Israël de bewoners van een Arabisch dorp verjaagt)

Toen zagen we een vrouw voorbijlopen in een groepje van drie of vier andere vrouwen. Ze had een jongetje van een jaar of zeven aan haar hand. Er was iets bijzonders aan haar. Ze leek vastberaden en beheerst haar rug recht te houden in haar verdriet. Over haar wangen rolden tranen die niet de hare schenen. En ook het kind snikte met de lippen stijf op elkaar een soort ‘wat hebben jullie ons hier aangedaan?’ Plotseling leek zij de enige die wist wat hier precies gaande was. Zozeer dat ik me tegenover haar beschaamd voelde en mijn ogen neersloeg. Het was alsof uit hun manier van lopen een kreet sprak, een of andere van haat vervulde vervloeking. We zagen ook ook ze te trots was om ons met een blik te verwaardigen. We begrepen dat ze een leeuwin met jong was en we zagen dat haar gelaatstrekken werden verhard door rimpels van zelfbeheersing en de wil haar lot heldhaftig te te dragen, en hoe ze, nu haar wereld was vergaan, weigerde voor onze ogen in te storten. In hun pijn en verdriet verheven boven ons bestaan – ons kwaadaardige bestaan- gingen ze huns weegs, en we zagen nog hoe in het hart van het kind iets gebeurde wat in zijn volwassenheid niets anders kon worden dan een giftige slang, hetzelfde wat nu het gesnik van een machteloos jongetje was.

Ineens ging me een licht op, als een bliksemflits. Alles leek op slag een andere betekenis te krijgen, of beter gezegd: die van ballingschap. Dit was ballingschap. Zo dus was ballingschap. Zo zag ballingschap eruit. Wij zonden hen in ballingschap.

Vijf keer in het water vallen op de Triënnale van Brugge

“Vloeibare Stad” is de tweede Triënnale in Brugge in de 21e eeuw. De organisatoren willen de bewoners van de stad, en de vele honderdduizenden bezoekers deze zomer naar en in het water duwen. Brugge is een verstarde stenen museumstad maar ook een plek met overal water. Het “Venetië van het Noorden” heeft dat aspect verloren laten gaan.  En toch, water is de toekomst, de oplossing voor onze enorme ecologische uitdagingen. Als we tenminste eerbiedig met water omspringen. Vijf voorbeelden.

1. Acheron I van Renato Nicolodi

TR1

Iwan Baan

 

Op de Lange Rei drijft een schijnbaar betonnen structuur. Het gaat om piepschuim dat de textuur van beton perfect imiteert. “Acheron I” van de jonge Limburger Renato Nicolodi stelt een trap naar het “onderwaterse” voor. Inspiratie haalde Nicolodi bij de mythologische maar echt bestaande rivier Acheron in het noordwesten van Griekenland. Die vloeit voor een groot deel ondergronds wat voedsel gaf aan mythologische inspiratie. Zo werd Acheron de rivier van het leed, de brug tussen boven en onder, de oversteekplaats naar het hiernamaals. Het grote object van Nicolodi is een morbide haven, een ongrijpbare aanlegplaats voor reizigers tussen verleden en toekomst.

2. Minne Floating School van Nlé Kunlé Adeyemi

TR2Iwan Baan

 

In Afrika en Azië wonen miljoenen stadsmensen nu al op het water, in boten, op vlotten en in drijvende krotten. Wat een noodgreep lijkt, zou wel eens de oplossing kunnen zijn. Adeyemi is afkomstig uit de havenstad Lagos, Nigeria. Zijn “Minne Floating School” maakte 4 jaar geleden al veel indruk aan het Arsenale op de Biënnale van Venetië; nu ligt het aangemeerd aan de oever van het Minnewater, een van dé symbolen van Brugge. Het is een heuse school, in mei en juni zullen verschillende klassen hier les volgen. Of examens afleggen, die unieke plek kan alleen maar positief zijn voor de resultaten. Het is een mooie flexibele houten structuur van twee etages die stormen en overstromingen trotseert. De vorm doet wat denken aan een piramide of een berghut.

3. Infiniti23 van Peter Van Driessche

TR3

Iwan Baan

 

Verwant aan de Floating School is de woon- en werktoren van architect en stedenbouwkundige Peter van Driessche en Atelier 4. Zijn toren op schaal één derde niet ver van de Bakkersrei en Oud Sint-Jan beantwoordt een paar pertinente vragen. Wat als de zeespiegel door de opwarming van de aarde inderdaad 7 meter stijgt? Wat als de bevolkingsexplosie aanhoudt en miljarden mensen extra naar de steden trekken? De oplossing is utopisch, poëtisch en prikkelend: drijvende paalwoningtorens en kantoren, die kunnen blijven groeien naargelang de behoefte. De torens en woon- en werkeenheden zijn in duurzaam hout, voor Van Driessche de bouwstof van de toekomst. In drie ook drijvende paviljoenen tonen Van Driessche en zijn studenten maquettes van de interieurs van die woningen. Die zijn uiteraard klein en sober, met schattige bad- en slaapkamers, stapelkastjes en andere vindingrijke ecologische oplossingen.

Je kan de aandacht voor zorg in het laat middeleeuwse Brugge combineren met de toekomst. Wat denk je van een drijvend rusthuis? Brugge is geen West-Vlaams neogotisch Bokrijk!

  • Till-Holger Borchert, directeur Brugse musea

4. Selgascano-paviljoen

TR4Iwan Baan

 

Een van de meest kleurrijke en verrassende projecten drijft op de Coupure. De fel stralende oranje installatie van het Spaanse architectenbureau Selgascano is een doorzichtige organische bochtige constructie waar je doorheen kan wandelen en waar je in het weekend vanaf mag duiken in het water. De installatie kleurt de hele omgeving in een warme gloed.

Op de Lange Rei drijft een gelijkaardig project, niet om in het sop te duiken, maar om boven het water te rusten of te schommelen in een hangmat of tegen elastische witte touwen. Dat “Floating Island” is een ontwerp van het Koreaanse architectenbureau OBBA.

5. Lanchals, John Powers

TR5.jpgIwan Baan

 

De witte zwanen zijn zo typisch Brugs dat onverlaten de eieren roven. De aanwezigheid van de kitscherige watervogels zit geworteld in een dramatisch verleden, de legende van Pieter “what’s in a name” Lanchals, de vermoorde raadsheer van de Oostenrijkse aartshertog. Na een Oostenrijkse strafexpeditie moest de stad Brugge altijd 52 “langhalzen” op zijn wateren houden. De constructie van de Amerikaanse kunstenaar John Powers is een naar de hemel gestrekte zwanenhals, opgebouwd uit modules in Cortenstaal. Je mag er ook een ruggengraat of een tornado in zien. Het kunstwerk staat op het mooie en nauwelijks bekende Minnebopleintje aan de Sint-Annarei.

Vloeibare Stad nodigt uit tot nieuwe ontmoetingen, aan een kunstwerk, op een drijvend paviljoen.

  • Michel Dewilde stadscurator

Lucas Vanclooster. Alle informatie over “Liquid City-Vloeibare Stad” vindt u hier.