Liefde die God welgevallig is, maar niet de kerk

Lucas Vanclooster over het boek “Mijn vader was priester, mijn moeder non” van Koen Wauters

Nu zowat allen in mijn omgeving, inclusief mijzelve, dubbel gevaccineerd zijn, vond ik het uiteindelijk tijd om een van de belangrijkste invullingen van mijn pensioen waar te maken: bejaarde mensen bezoeken in West-Vlaanderen, vooral ooms en tantes die ik graag mocht, en zuster Suus. Soeur Michael heette ze nog in het schooljaar 1960-61 toen ik bij haar in de derde kleuterklas van de Heilige Familieschool in Roeselare zat. Suus was toen 30, een jonge gemotiveerde frisse zuster die de grote klas (de achterhoede van de babyboom) met liefde en geduld aanpakte. Ik kan mij niet herinneren dat iemand ooit een lijfstraf kreeg. Wel beloningen en cadeautjes.

De kap over de haag

Het was een fijn en hartelijk bezoek bij Suus, in het gebouw van de Zusters van Liefde, tegenover het sloopklare oude H.Hart-ziekenhuis. Uiteraard meanderde het gesprek op de duur naar het priesterschap voor vrouwen (Suus zou dat perfect hebben gedaan) en uitgetreden nonnen. Het waren er nogal wat, de meesten gingen er met een priester vandoor. Zelf ken ik zeker drie koppels van “weggelopen” zusters en priesters. Voor zover ik weet waren ze gelukkig samen. En wat ik nog zekerder weet: het ging om erg waardevolle krachten in de kerk, de kloosterorde, het onderwijs. Mensen die enorm hard werkten, die jongeren en twijfelaars binnen het geloof konden houden. Helaas… de religieuze overheden vonden dat er geen plaats was in het instituut voor verliefden. Die uitstekende herders, leerkrachten of predikanten gingen na hun huwelijk als bediende of studiemeester door het leven. Zuster Suus bleef en werkte na haar pensioen in een vluchthuis.  

Nu heb ik een vierde zuster-pater-koppel leren kennen: An Verbeke en Herman Wauters. Hun enige zoon Koen, VRT-journalist, bekend van zijn uitmuntende wetenschappelijke verslaggeving onder meer over corona, heeft hun verhaal te boek gesteld. De journalist mag je niet verwarren met zijn verre achterneef en naamgenoot Koen Wauters, de eeuwige puberzanger, van wie de vader ook Herman heet. Laat ik het maar meteen bekennen, ik vind “Mijn vader was priester, mijn moeder non” (uitgeverij Pelckmans, 245 bladzijden) een schitterend boek, noodzakelijk en revelerend, fijn geschreven, aangrijpend en ontroerend, revolterend, historisch belangrijk wegens een knappe schets van het maatschappelijke en religieuze leven van de jaren 50 tot 70, toen Europa “était couvert de prêtres”, zoals Jacques Brel zong. 

Wakken en Tongerlo

Herman Wauters (°1931) is de zoon van een houtsnijder die ooit in Hotel Métropole in Brussel werkte. In 1950 treedt Herman in bij de paters in Tongerlo, omdat hij denkt dat hij het celibaat beter zal aankunnen in een gemeenschap. Herman wordt norbertijn Goswin, maar heeft een hekel aan die naam. Vanaf 1956 ontpopt hij zich tot een geboren prediker, leider van bezinningsdagen en steunpilaar van novicen. Een paar keert vertelt hij op de televisie over nieuwe opvattingen binnen de kerk. Als hij 10 jaar later uittreedt om te trouwen, leidt dat bijna tot een breuk met zijn familie. Gelukkig heeft Herman een veel jongere zus, Roza, getrouwd met de toen veelbelovende radiojournalist Urbaan De Becker, die het dakloze schaap een bed en voedsel geeft. Altijd geweten dat Roza en Urbaan ingoede mensen zijn; helaas overleed Urbaan 6 jaar geleden. Ironisch detail: als knaap was Herman een tijd de brieven-gobetween tussen een onderpastoor en een onderwijzeres…

Helemaal anders gaat het er aan toe in het bijzonder kroostrijke landbouwersgezin Verbeke in Wakken bij Waregem. Vader is ook melkventer en levert aan het plaatselijke klooster. Hij weet hoe bits het er daar soms aan toe gaat. Tot ongenoegen van die man zijn door de overdreven ijver van een lokale ronselaar al twee dochters non geworden, en nu gaat An(nie) (°1938) ook in het klooster.

Om persoonlijke reden vind ik een scène ten huize Verbeke na het overlijden van een kindje in een absurd oorlogsongeval het meest ontroerend. Elke zondag, terwijl moeder Verbeke alleen thuis de geschilde aardappelen in de pot laat glijden, vallen ook haar tranen in het zoute kookwater. Ik beleefde net hetzelfde na het afscheid van onze zoon Frederik.

In 1960 treedt An in. Ze kiest als nieuwe naam Helena, naar haar favoriete zus. In 1964 komt ze terecht in een school in Oostende, waar ze een enthousiaste en geliefde godsdienstlerares wordt, een zuster Suus. In 1965 zijn er de “eeuwige geloften”. De zusters-leerkrachten staan hun loon integraal af en krijgen 20 frank zakgeld per week van de orde. Als zij anderhalf decennium later de kap aan de kapstok hangt, beschouwt haar vader dat als een fijne revanche. “Toch één gered”!

Una giornata particolare

Het stond in de sterren geschreven – of in de palm van Gods hand – dat de paden van deze twee bevlogen mensen elkaar zouden kruisen. Dat gebeurt als Herman preekt over oecumene en nieuwe liturgie in Oostende, met An in het publiek. Na de lezing vraagt ze Herman om een “retraite” te leiden voor haar oudste leerlingen. Wat ze toen zelf niet beseffen, heeft de lezer meteen door (en de leerlingen ook): al van bij de eerste aanblik vallen die twee2 voor elkaar. “Je hebt een mooie trui aan”, zegt Herman. (Uit de beschrijving van die deftige grijze gebreide rolkraagtrui blijkt dat helemaal niet het geval te zijn.)

Het doet mij denken aan de prachtige film “Una giornata particolare” van Ettore Scola uit 1978. Die speelt in een appartementsgebouw tijdens een bezoek van Mussolini en Hitler aan Rome. Marcello Mastroianni vertolkt een eenzame homo die het gebouw niet uit durft. Sofia Loren in haar beste rol als huissloor hangt op het dak de was op, decoratieve witte lakens waartussen je kan verdwalen. Als Marcello haar zegt dat ze een mooie naam heeft, begint Sofia te duizelen. Niemand heeft dat ooit gezegd.  

Koen Wauters (°1972) heeft zijn roman opgevat als een epistologie met inleidende hoofdstukjes, waarvoor hij zijn informatie rechtstreeks bij zijn bejaarde ouders haalde, onder meer in een aanzet tot memoires van zijn vader en van lange interviews met hen. Ter geruststelling: Herman en An zijn nog in leven, fit en wel. Het boek bestaat vooral uit een erg ruime selectie uit de 200 brieven die de twee elkaar vanaf april 1967 schreven.  De post werkte toen nog…  

Tientallen keren rijdt Herman van Tongerlo naar Oostende (165 kilometer) of nog verder en soms via omwegen in een Fiatje 600. Een Fiatje 600! Een bolleke met een motortje van 767 cc achterin, topsnelheid 105 kilometer, bergaf en wind in ’t gat. Herman beweert dat priesters van de hiërarchie de raad kregen om een Fiat te kopen, wegens de verbondenheid van de Italiaanse industrie met het Vaticaan. Ik ken geen enkele priester of non met een Fiat. Maar goed, Koen reed tot na 2000 met een Fiat tot zijn vrouw er genoeg van kreeg.

Misschien wordt eens de nood zo groot alle dijken breken -Paul van Ostaijen

De brieven zijn van een aandoenlijke, authentieke, poëtische en platonische schoonheid. Herman en An hebben  de gave van het gesproken en geschreven woord, ze houden van poëzie, kleinkunst, het Franse chanson, Maurice Béjart. Ze bidden voor vrede in Vietnam, steunen de leerlingen die betogen voor Leuven-Vlaams en staan wat betreft het conflict in “het Heilig land” vierkant achter de joden en Israël. Wat het meest ontroert: na tientallen epistels heen en weer lijken An en Herman nog altijd niet door te hebben dat ze smoorverliefd zijn. Hun omfloerste gevoelens doen altijd een omweg via God. Hun brieven zijn gebeden. Het is Zijn wonderlijke liefde die ze aan elkaar doorgeven, om hun religieuze leven te verrijken.

Als je even langs de zee wandelt, groet ze hartelijk, en kus ze, laat de baren langs je benen strelen en bid een onzevader. Weet dat ik voor jou op dezelfde dag aan een kleine tafel zal staan, in mijn kamer, om voor jou het brood te breken en de beker door te geven. Dit is communie!  

Voor de lezer is het spannend afwachten tot het verlangen zo onomkeerbaar wordt dat ze eindelijk durven toegeven dat ze zoals Sofia en Marcello tussen de lakens moeten belanden, zij het dan niet bovenop een flatgebouw. Er volgen lange weken van twijfel. Ze waren toch uitverkoren! Ze weten dat ze moeten kiezen tussen elkaar of  hun oprechte roeping, hun werk dat ze graag en goed doen (werk, leven en mens zijn één). Een tijd laten ze zich vertragen door hardnekkige geruchten dat de kerk het celibaat in 1970 zal afschaffen. Maar in 1969 wagen ze de eenzame sprong in het duister, onzeker, bang, in armoede, bijna zonder kleren. En zonder enige kennis van het leven als gewone, onbeschermde, zelfstandige mens in de maatschappij. Voor al die jaren idealisme krijgen ze bij het afscheid een aalmoes. En nog oefenen ze geduld, gaan ze niet meteen samen wonen, lossen ze hun laatste verplichtingen voor de school en de orde in… Symbolisch verbrandt Herman kilo’s preken.

Zuster José

“Mijn vader was priester, mijn moeder non” bevat een paar nevenverhalen. Tragisch is het relaas van José, een zus van An. Ook zij maakt een exemplarische carrière in een kloostergemeenschap,  geeft leiding, steunt en helpt, motiveert en moderniseert. Tot er opeens een nieuwe overste opdaagt, een mannelijke geestelijke, die de vooruitgang vooral op seksueel vlak ziet. Hij moedigt lesbische relaties tussen de zusters aan en ziet voor zichzelf een rol in hun seksuele ontplooiing. Het lijkt wat op bepaalde Amerikaanse sekten, zelfs op de vrouwenbende van Charles Manson. Als José vaststelt dat enkele zusters eraan onderdoor gaan, grijpt ze in. Het komt haar duur te staan. Ze wordt gestraft en verbannen wegens insubordinatie en gebrek aan collegialiteit, belandt langdurig op een zijspoor en wordt ten langen leste bibliothecaris in Krottegem, Roeselare. Niet ver van zuster Suus.

Maar wat wil het toeval? Ik ging als tiener uitgerekend naar die bibliotheek, omdat die ook open was op zondagmorgen en de zuster-bibliothecaris nooit moeilijk deed over wat ik ontleende. Als een boek er niet was, mocht ik zelfs met een cheque naar papierhandel Hernieuwen om het aan te kopen of te bestellen. Dank u, zuster José.

Een tweede nevenverhaal doet afbreuk aan de mooie thematiek. Herman is een knappe man die enkele vriendinnen heeft. De belangrijkste is een ongelukkige vrouw die troost zoekt bij die welbespraakte pater die zo goed kan luisteren en alles begrijpt. Die relatie is maar een zwakke schaduw van de alomvattende passie voor Ann. Waarom staat die dan in het boek? Dat priesters bepaalde vrouwen konden bekoren, is algemeen bekend. Waarom zou uitgerekend een talent als Herman de uitzondering zijn?

Een derde zijsprong is een vaag plan om aan ontwikkelingshulp te doen in Chili. Daar komt niets van terecht, heeft de lezer al meteen door. Het boek had dus een bladzijde of 15 korter gekund. In de inleidende paragrafen en de vele brieven heen en weer zitten toch overlappingen die  vertragen en vaart wegnemen.

Hoogmoed komt voor de val

Maar alles samen is dit een humaan boek en een subtiele ontmaskering van “het rijke Roomse leven”. Het is complementair aan het ook sterke “De Onderpastoor” van Louis Van Dievel (2019, Uitgeverij Vrijdag, 400 blzn.), over Gilbert Verhaeghen, een progressieve populaire priester in het Waasland eind jaren 60.

Hoewel deze herder niets had met een vrouw en alleen tot ongenoegen van hogere kerkelijke overheden de zaak wat wilde opfrissen en verjongen, werd hij jarenlang gepest en tenslotte door de reactionaire onbarmhartige Gentse bisschop Leonce Van Peteghem overgeplaatst naar een onprettige landelijke parochie waar hij wegkwijnde. En dat alles terwijl een dalend aantal roepingen zich geleidelijk aankondigde.

Hoe is het in Godsnaam, jawel, mogelijk dat de machtige kerk zo lang heeft gedacht dat ze incontournable en eeuwig was, dat ze voetvolk genoeg had, dat ze prachtige dienaren zo maar kon wegsturen om al met al strikt persoonlijke redenen die op geen enkele wijze de religieuze pastorale  functie benadeelden? Wat een eigenwaan, wat een hubris, wat een dramatische zelfdestructieve misrekening! Zoveel decennia later denkt de kerk er nog altijd niet aan om die blunders recht te trekken. Het is de verdienste van Koen Wauters en zijn ouders dat ze die historische tragedie aan de hand van een persoonlijk verhaal eerbiedig en helder hebben verteld.

Lucas Vanclooster

Mijn vader was priester, mijn moeder non” van Koen Wauters verschijnt op 8 september 2021 bij Pelckmans.

Aardrijkskunde

Hét beeld van deze zomer kwam voor mij uit een huis in Namen. In de badkamer, naast de wasmachine en de droogkast, braakte een wc bruin modderwater uit en zette in een mum van tijd het hele huis onder. Recht uit een griezelfilm van Steven Spielberg, waar alledaagse voorwerpen ineens een eigen leven leiden. Er waren zoveel andere beelden van de rampspoed: ingestorte huizen, hopen puin, mensen die op daken op hulp wachtten, niet in Bangladesh maar in Pepinster. Waarom was die wc zo verontrustend? Hij spoot mijn illusie van vanzelfsprekendheid aan flarden.

Wat hebben we de wereld comfortabel ingericht, met stenen huizen en waterdichte daken, met treinsporen, bruggen en verkeerswisselaars. Een draai aan de kraan en er is warm water, een druk op de knop en het licht brandt; brandweer en ambulance komen op afroep als er iets gebeurt. We zijn vergeten dat onder, boven en naast dat menselijke mierennest een levende natuur zit, die we denken te kunnen bedwingen. Terwijl we de aarde net aan het uitdagen zijn tot een point of no return waar we zelf het slachtoffer van worden. Wij, niet de blauwe planeet, want die zal nog wel een poos voortroteren zonder ons.

Ik zie hier en daar aan een afvoerput op straat een verzoek geschilderd: “Niets ingooien. Hier begint de zee”. Zo is het. Wakker worden! We hebben ons afgewend van de natuur, die – natuurlijk – niet verdwijnt als je haar onder de grond stopt, indamt, kanaliseert. Namen van rivieren zijn we na de schooljaren snel vergeten. De Vesder, de Berwijn, de Mehaigne, waar ontspringen ze en waar monden ze uit? Hoe zien ze eruit in zomer en winter? Ik herinner me de radioboodschappen voor de schippers, met waterstanden en schotbalken op de Neckar in Plochingen, de Moezel in Trier, de Maas in Hastière…  

We zijn vergeten hoe we het landschap kunnen lezen. Als de natuur uit onze aandacht verdwijnt, dan ook de woorden. Robert Macfarlane is wat mij betreft de beste schrijver over de natuurlijke geschiedenis, onder, boven, naast en voor de mens, met prachtboeken over oude wandelpaden, over bergen of over wat zich onder het aardoppervlak bevindt. Voor “Landmarks” sprokkelde hij woorden voor elk type landschap, van zee tot berg. Mooie, oude Engelse termen, vaak verschillend van dialect tot dialect. Hij sprak met oude mensen en kreeg karrenvrachten suggesties via sociale media – daar zijn die toch weer goed voor. Benoemen is respecteren. Waterloop, rivier, stroom, kanaal, beek, gracht, greppel, vaart, wetering, kreek, duinrel, singel, boezem, lei, rei, rui…

Deze zomer was ik op reportage bij zwaar getroffen vrienden in Fraipont. Drie meter water in huis, evacuatie, immens veel opruim- en afbraakwerk nu. Een rustig leven in de Ardennen volkomen door elkaar geschud. Guy vertelde dat hij na de vloed poolshoogte kwam nemen en zijn huis in een meer zag liggen. Het eerste wat hem opviel waren “de schoonheid van de natuur, de onwezenlijke stilte, de aangename geur”.  Daarna kwamen de kopzorgen.

Tertio, 1 september 2021

Vrede en alle goeds

Frans Piket ligt onder een kleine terp. De bloemstukken zijn verdroogd, maar bij alle strakke kruisen van cortenstaal op het kerkhof van het Emmaüsklooster in Velp , ook het zijne, is purperen ooievaarsbek geplant, die nu uitbundig bloeit. Frans Piket, minderbroeder kapucijn, werd 101 jaar, de oudste kapucijn ooit in Nederland. Zijn graf ligt in de tuin van het oudste kapucijnenklooster van Nederland, gesticht in 1645. Oud-ouder-oudst. Ik zie zijn foto op zijn gedachtenisprentje in de kloosterrefter. Een vollemaansgezicht als een kapitein Iglo omkranst met wit haar en baard. “Met kap en koord”, het “vakblad” van de kapucijnen dat ik in de refter aantref, publiceert zijn in memoriam.

Piket. Met zo’n naam zou je vakbondsdelegé moeten zijn. Pater Frans brak uit de kloostermuren en woonde 40 jaar in de Amsterdamse Pijp, “tussen 170 verschillende nationaliteiten”. Op zijn 94ste kwam hij in Tilburg terecht in het kloosterverzorgingstehuis van zijn orde, “waar hij zich een biertje liet smaken in het buurtcafé”. Frans Piket ligt begraven bij zijn broeders in Velp. De laatste rustplaats, recent strak vormgegeven, ligt vlak naast de moestuin, graven en kruisen slechts door een muurtje gescheiden van groene kool en pastinaak. Pacificus van Zeeland, Gregorius van Millingen, Dionysius van Klundert. Vroeger hadden de kapucijnen een plechtige naam, gevolgd door hun geboorteplek. Frans Piket was Frans Piket.

De dodenakker is letterlijk een vak in de tuin, die wonderlijk overzichtelijk is ingedeeld met groentebedden en fruitbomen, met dahlia’s, gouds- en zonnebloemen, fraaie hortensia’s, een kruidenperk met een grote laurierboom, nieuwe aardappelen, piepjonge sla en vooral veel bonen. Kapucijners! In een hoek is een echte tuinkamer met een mispel-, een vijgen- en een tulpenboom.

Met kap en koord zie je ze hier niet meer lopen. De kapucijnen sterven uit en het ene na het andere klooster gaat dicht. Ik lees over de kapucijnenkerk in Biezenmortel die nu een evenementenhal is, met zithoeken in de biechtstoelen en een bar in de sacristie. 

Velp leeft voort, maar zonder bruine pijen. Je kunt hier als gast verblijven, zoals ik nu al voor de tweede keer, voor een week van stilte, meditatie, yoga. Velp ligt ook op de route van pelgrims die de Walk of Wisdom lopen, 136 kilometer rond Nijmegen, van het ene klooster naar het andere. Bij de poort van Velp staat een tros wandelstokken, als bezemstelen in Zweinstein.

Een legertje vrijwilligers houdt de ziel er hier in. Oudere mannen komen ’s ochtends monter aangefietst om zich op de tuin te storten. Ze wieden onkruid, schoffelen en scharrelen, voeren de kippen, drinken koffie. Er is een Piet die hier al zestig (!) jaar vrijwillig moestuiniert.

Drie keer daags luidt de klok voor een stil moment in de kapel, de ruimte achter de kerk waar de kapucijnen de diensten via twee luikjes konden volgen. Tien, vijftien gewone stervelingen verzamelen nu voor een korte tekst, een vleug muziek en vooral veel stilte.

In de kloostergangen in de bekende vierkantsvorm hangt nog die universele kloosterlucht van oud eten. De reftermuren hebben een lambrizering van antieke ruitvormige wit-en-groene tegels. Er hangen reusachtige schilderijen van een gekruisigde of van het kruis afgenomen Christus, ook in wit en groenige tinten. Op de balken in het plafond staan stichtende citaten uit de Bijbel of van Sint Franciscus, de godfather van de kapucijnen. “De wetenschap is goed, maar het gebed is beter”.

Aan opgestoken vingers geen gebrek in het Emmaüsklooster. “Wel aan! Werk uit met alle vlijt O sterveling U zaligheid want gelijk een schaduw vlugt rasch voorbij de tijd”, zegt de ene zonnewijzer. En de andere: “Het gelukkigst waarlijk zal hij zijn die voor zijn God heeft willen leven hier beneden”.

Binnen in een van de gangen klinkt het onheilspellend:

Hoe zalt men mijn Ziele staen
Als ik nae d’eeuwigheid gaen?
’t Quaet en goet dat gij nu doet
voort oordeel Gods
met u gaen moet
daer ik nu ben daer
zult gij zijn
of eeuwig wel of in de pijn
men heeft daer naer
noch uer noch tijd
men rekent nauw
men schelt niet queijt
men sterft maer eens
de doot is naer
misschien is dit uw
laetste jaer

Aan de muren geschilderde portretten en hagiografische levensverhalen van bekende kapucijnen. Carolus van Brussel, die “sij selven van alle tijdelijcke macht en wereldse goedere ontbloot om den nackten Jesum volmaacktelijk naar te volgen”. Didacius van Bruggen heeft “oock besonderlijck uijtgeschenen in een diepe vernederinge van sijn eijgen selven, en tot het eijnde van sijn leven het cruijs van penitentie gedragen”.

Horrorverhalen zijn het. Pater Onesimus die “met groote iver heeft bijgestan de welcke met de Peste besmet waaren: onder andere heeft hij geopent het Lichaam van een Doode Moeder en het kindt nog Levende gedoopt”. Archangelus van Schotland “verlaetende de protestansche religie is gegaen tot den Paus” beleeft allerlei avonturen, nog eens gaende naar Engeland wordt “’t schip in stucken geslagen, maar hij is t perijckel ontkomen.”

Bij de voordeur prijkt een jubelende affiche voor de Nederlandse koning Willem II, de “hersteller van de kloosterlingen”.

“Vivat Willem II. Leev! O, geliefde vorst, toch langen tijd. In rust en vree en in welvarenheid. Oprechte dank betuigen wij u voor ’t gul besluit door uwe majesteit ten onzer gunst geuit.”

Napoleon “exturbavit” (hij dreef de kloosterlingen uit) in 1812
Wilhelmus I “toleravit” in 1814
en Wilhelmus II “legitimavit” in 1840.

Sinds 1645 zijn er kacupijnen in Velp; dit kloostergebouw dateert van begin 18de eeuw en ligt vlak naast de Hertogswetering, waar ik elke avond aan de waterkant zit te mijmeren en de speelse boerenzwaluwen observeer die boven het wateroppervlak insecten scoren. Het moet bijzondere grond zijn, want vlak in de buurt staat een nog veel ouder Sint-Vincentiuskerkje, dat de deuren enkel voor culturele evenementen opent. En op een steenworp afstand staat een 19de-eeuws monumentaal kloostercomplex van de zusters redemptoristinnen, de “rode nonnen”. Zeven van die “roo nunnen” kwamen in 1858 over uit de Katelijnestraat in Brugge. Wat het daar niet dat Guido Gezelle zijn laatste jaren sleet? Nee, ik vergis me, dat was in het Engels Klooster in Brugge. In Velp sloopten de rode nonnen een deel van een kasteel om er een groot slotklooster neer te poten. In 1990 vertrok de laatste non; nu is het een wooncomplex met een fraaie ommuurde tuin.

Op de wandelpaden rond de kloosters zie ik het symbool van een gevleugelde stapper. Die “Walk of Wisdom” wil ik wel eens uitproberen. De routebeschrijving klinkt als muziek: “Van hieruit loop je naar de bedevaartsplaats Bergharen en via Afferden naar de uiterwaarden van Beuningen, waar je voor een groot deel langs de zandstranden van de Waal kunt struinen.”

Maar nu maak ik een week pas op de plaats in het Emmaüsklooster van Velp, waar de stilte al eeuwen is ingesleten. Helemaal achter in de tuin staat een zeer oud pesthuisje, ooit voor zieken, later een kluis voor de kloosterlingen. Ik durf ze niet aan te raken, de letters gekerfd in een houten deur: “IaN GUYDTS DEN 16 FEBRU ANNO 1728”. Achter het pesthuisje begint het indrukwekkende bospark met majesteitelijke eiken en beuken van meer dan 200 jaar oud in rechte dreven. Hier plachten de paters te brevierwandelen.

Wij doen dat ook, loopmediteren, in een rijtje achter elkaar aan in uiterst trage ganzenpas. In het hart van het bos zitten we bij dageraad en in de schemering in een magische cirkel van boomstammen in volledige stilte. Wie een week zwijgt begint pas echt te horen. Fenomenaal hoe de geluiden geboren worden en sterven in stilte. Soms ritselt er helemaal niets. Soms hamert een specht lui in de bast van de boom vlak achter me. Merels proberen hun zanglijnen uit. In de verte laten koeien weten dat ze gemolken willen worden.

In de kerk steek ik een noveenkaars aan met een prentje van Sint-Franciscus, zijn hoofd omringd door vogels, zoals Walt Disney Sneeuwwitje tekende. Elke dag duw ik het hek van de begraafplaats in de tuin open en stap over de mooie wens, uitgehouwen in steen: “Vrede en alle goeds”.

Fraipont na de zondvloed, tussen miserie en veerkracht

In het rampgebied langs de Vesder kijken de mensen met doorweekte huizen zonder elektriciteit nu al bang naar de herfst en winter. “Gas? Dat zal voor januari zijn.” Het is ook maar de vraag of alle geëvacueerden terug zullen keren. “Klimaatvluchtelingen” worden ze genoemd door Yola Thienpont en Guy Saey. Het koppel kreeg zelf drie meter water binnen in hun huis in Fraipont en vond een onderkomen bij vrienden. Ze ervaren grote veerkracht in henzelf en in het hele dorp, waar bewoners van het plaatselijke asielcentrum volop in het getouw zijn om te helpen.

Fraipont. 700 zielen in een oksel van de rivier de Vesder. Klein kerkje, uren wandelplezier in de heuvels. In onbezorgde tijden tufte je boemeltje vanuit Luik-Guillemins door een fotogenieke tunnel “Fraipont 1841” binnen. Een paar honderd meter verder woont al vele jaren een Vlaams koppel, maatschappelijk werker Yola Thienpont (64) en kunstenaar Guy Saey (71).

Zo idyllisch Fraipont bij vorige bezoeken was, zo naargeestig is het nu, twee weken na de zondvloed. De stank van opdrogende modder en van diesel voor de stroomgeneratoren. De dreun van zware militaire voertuigen die maar rommel blijven afvoeren. Wat de Vesder heeft meegesleurd hangt in de bomen. Overal zijn mensen hun huis aan het strippen. De eerste golf kapotte huisraad is al weg; nu liggen opritten en bermen vol natte planken, gipsplaten, tapijten, gedemonteerde kasten. Ook bij Yola en Guy. 

Maar de solidariteit is tastbaar. “Bonjour!” klinkt het door de poort. Drie in rode hesjes gestoken jongeren zeulen met plastic bakken vol broodjes, peren en flessen water. Abdel Aadhim, Folad Mohebullah en Marwa Mohammad komen uit respectievelijk Algerije, Afghanistan en Somalië. In Fraipont is al jaren een open asielcentrum van het Rode Kruis, waar Yola vrijwilliger is. Het centrum ligt hoog op een berg en heeft geen waterschade. De bewoners engageren zich nu om de rest van het dorp te helpen. 

Wij zijn vluchtelingen en we worden door vluchtelingen geholpen

De rollen zijn omgekeerd en dat doet de jongeren zichtbaar deugd. Een van trots blinkende Abdel: “Ik ken nu elk hoekje van het dorp en de mensen kennen mij. We zijn allemaal mensen en we hebben elkaar nodig.” Guy Saey stelt vast: “Wij zijn nu de vluchtelingen en we worden door vluchtelingen geholpen.”

Ook tientallen Vlaamse vrijwilligers helpen opruimen of brengen spullen naar Fraipont. Het kleine Saint-Gilleskerkje stond eerst onder water maar is nu een opslagplaats. Een beeld van “Christus op de koude steen” kijkt uit over stapels kleren, schoenen, speelgoed. De kerk is tjokvol. Er kan niets meer bij: “Aucun dépôt, mais servez-vous” staat te lezen op een spandoek.  

Er zijn vier coördinatiepunten in de gemeente, met verdeelcentra voor spullen, met foodtrucks waar “les sinistrés” twee maaltijden per dag kunnen afhalen, met mobiele douches. Guillaume Pous, nota bene uit Corsica overgekomen, runt de “City Wash”. Elke dag tussen drie en acht kunnen mensen de modder van zich komen afspoelen in een truck met 16 douches. Water uit een tank wordt verwarmd met gasflessen; de stroom komt uit een generator. “De glimlach als mensen uit de douche stappen, daar doe ik het voor,” zegt Guillaume. Hilde Van Poucke uit het Pajottenland staat intussen paraat om in de cité, de sociale woonwijk, de maaltijden te verdelen. Het is haar eerste dag als Rodekruisvrijwilliger. 

Fraipont komt in zekere zin weer tot leven

“Er wordt soms wat naast elkaar gewerkt, er is wat meer sturing nodig,” geeft Yola Thienpont toe. “Maar hier borrelt iets. Fraipont komt in zekere zin weer tot leven.”  De noden zijn gigantisch en vooral van lange duur: dit is niet opgelost in enkele weken. “En het is te groot om enkel door vrijwilligers te worden gedragen.” Yola is politiek actief in de roodgroene gemeentelijke groep EcoVa, ze is OCMW-raadslid en goed op de hoogte van de initiatieven van het gemeentebestuur van Trooz, waar Fraipont deel van uitmaakt. “Als je ziet vanwaar we komen, staan we al ver. Het vraagt allemaal tijd en veel mensen en middelen”.

Je ziet mensen rechtveren

Neem nu de twee basisscholen van Fraipont, allebei zwaar gehavend door het water. Met man en macht wordt er gewerkt om ze tegen 1 september klaar te krijgen. Via sociale media probeert de lokale overheid de hulpvragen op te vangen – van een taxirit tot een financieel voorschot voor wie niet verzekerd is, van psychologische hulp tot internet – en te waarschuwen: “Pas op voor CO-vergiftiging, gebruik uw generator niet binnenskamers”.   

Yola Thienpont: Je ziet dat er weer een bewustzijn is, een besef dat het hier een gemeenschap is. Je ziet mensen opstaan en rechtveren. Er gebeuren enorm mooie dingen.”

Ons huis was 36 uur een aquarium

Het stationnetje van Fraipont ligt er verlaten bij; wellicht nog de hele maand rijdt er geen enkele trein. In een wachthokje op het perron zijn hulpgoederen opgestapeld. In de wegen zitten hier en daar grote gaten. Een stuk asfalt is door het water opgetild en drie meter verder in de wei terechtgekomen. De infrastructuur van het dorp heeft zwaar afgezien. In elk getroffen huis wordt intussen de schade na twee weken pas echt zichtbaar. Ook bij Yola en Guy. Ze blikken terug op die vermaledijde 14e, 15e en 16e juli. “Het is vreemd om datgene te beleven wat je tientallen keren hebt gezien op het journaal, ver van je bed,” zegt Guy. 

Op woensdagnamiddag stroomde de Vesder uit haar bedding. Yola: “Ik heb de angst echt gevoeld op het moment dat ik het water zag komen, op het einde van de straat. Ik was van plan om naar de “place de village” te gaan kijken om te zien of daar kelders waren ondergelopen, maar toen zag ik een stroom water op me afkomen. Op dat moment was ik in paniek. Ik kwam weer binnen en dacht, ho, het is verloren.”

Yola en Guy konden hun huis langs de achterkant verlaten, via een deurtje op de eerste verdieping en een bospad. Pas op vrijdag konden ze de schade komen opmeten. “Ons huis heeft zich als een soort aquarium gevuld met water. 36 uur lang stond er zo’n drie meter water, tot aan de eerste verdieping. De spoorweg heeft ons wel beschermd tegen de kracht van de stroming van de Vesder. Hier is de schade nog te overzien. Als je 100 meter verder gaat, zie je dat ook de muren zijn weggeslagen.”

Het huis moet helemaal gestript

Sinds 14 juli logeren Guy en Yola bij vrienden in de buurt. De eerste dagen is hun huis met de hulp van vrienden en familie leeggemaakt. Wat onherroepelijk kapot is, is intussen weggehaald met de tractor van de boer. Nu komt de echte schade aan het licht, zegt Guy: “Alle muren die bekleed zijn met gyproc of spaanplaat zijn volledig doordrenkt. Het huis moet compleet gestript worden tot een casco. Er is geen andere mogelijkheid. Je kan het vocht in de muren niet laten zitten; op nieuwe muren zou er weer schimmel komen. Het moet eruit, niets aan te doen.”

De wc doet het nog. Maar je moet met een zaklamp je weg zoeken in het aardedonker en vooral niet uitglijden op de klamme vloer. Het zal lang duren voor alles opdroogt. Hier weer komen wonen is onmogelijk, ook niet op de bovenverdieping, want ook daar komt de waterschade nu tot uiting. En vooral: er is stroom noch gas. 

“De mensen van Fluvius zijn hier net geweest om de “compteur” te verzegelen. Ze vertelden me dat ze 12.000 meters moeten af- en aansluiten en 50 kilometer gasleiding moeten herstellen in de buurt. Dat gaat zes maanden duren,” verzucht Guy. Net als veel anderen blikt het koppel al bang vooruit naar de herfst en de winter. “Zelfs voor ons, die ons huis nog hebben, wordt het een uitdaging. Hoe gaan we hier in december kunnen wonen?” 

Ik heb eerst mijn penselen uit de modder gevist

Guy Saey is kunstenaar en neemt ons mee naar zijn atelier. In de dubbele beglazing schommelt nog een laagje vies water. Aan de muur enkele kunstwerken die hij niet kon redden. Nagenoeg alle materiaal is verloren gegaan. “Het eerste wat ik gedaan heb is mijn penselen uit de modder gevist. Aan elk penseel zit een verhaal vast.” Guy is geëmotioneerd: “Dit is de ruimte waar ik mij goed voel. Hier is heel veel in stilte gewerkt.” Het water druppelt uit de rotswol in het plafond. Maar er staat alweer een bokaal met penselen klaar.

On tient le coup

Antwerpse brandweerlieden die de straten kwamen schoonspuiten. Vrijwilligster Véronique die zich heeft ontfermd over twee alleenstaande buurvrouwen met verwoeste woningen. Ingrid uit Steenokkerzeel die een nog warme quiche op tafel zette, buiten op het terras, waar ondanks alle ellende toch samen wordt gegeten met al wie komt helpen.

“Het is die solidariteit die bij mij de waterlanders laat stromen,” zegt Guy Saey, “meer dan het verdriet over het verlies.” Twee woorden die opvallend vaak vallen: dankbaarheid en veerkracht. De voorbije twee weken waren een rollercoaster van emoties, getuigt Yola. “Maar nu hebben we al wat uitzicht op wat komt. Het zal veel inzet, werk en geduld vragen. Maar de veerkracht is een drive. Als je voor zo’n zware uitdaging komt te staan, dan wordt die veerkracht geactiveerd.” Guy: “On tient le coup zoals we hier zeggen. On tient le coup. We houden stand.”

Durven Yola en Guy al wat verder in de toekomst kijken? “Wij blijven zeker hier,” zegt Yola stellig. De papierwinkel voor de verzekeringen en de zoektocht naar aannemers zijn al begonnen. Over het dorp als geheel rijzen er wel vragen. 

“Wij mogen ons gelukkig prijzen,” zegt Yola Thienpont. “Wij hebben nog een dak boven ons hoofd. We krijgen veel hulp, we hebben een breed netwerk, er is de gastvrijheid waar we logeren. De uitdaging voor veel andere mensen is ontzettend veel groter.” Fraipont is geen rijk dorp. Yola, die vaak met mensen in armoede werkt, begrijpt het ongeduld en de frustratie van sommigen heel goed. “Er zijn mensen die altijd al nauwelijks rondkomen, die geen euro over hebben, die niet verzekerd zijn, die niet met een computer overweg kunnen.”

Opletten dat dit geen spookstad word

Zowat de helft van de 8.800 inwoners van Trooz, waartoe Fraipont behoort, is getroffen. Voor honderden mensen moet opnieuw een woonplaats worden gevonden. “Wat me persoonlijk treft is dat de wet van vraag en aanbod alweer speelt en dat de huurprijzen de hoogte in gaan. En er zijn al zo weinig woningen. Dat is géén solidariteit, dat is “de een zijn dood is de ander zijn brood”, klinkt het bezorgd bij Guy.  Er zou een stop moeten komen op die huurprijzen, want “als je niet oplet krijg je een halve spookstad.” Yola: “Daar is men bang voor. Wat als alle gezinnen met kinderen wegtrekken? Wat met de scholen? De volgende generatie?”  

De geëvacueerden zijn klimaatvluchtelingen

Veel mensen hebben schrik voor een nieuwe natuurramp. “Gaat dit scenario zich herhalen? Bij ons weten is het hier nog niet zo vaak overstroomd. De klimaatverandering wordt ineens heel concreet voor ons,” zegt Yola. Uit de cité van Fraipont, een sociale woonwijk, zijn veel mensen vertrokken uit hun onbewoonbare huizen. Een pak inwoners verblijft nu in het katholieke bedevaartsoord Banneux, vijf kilometer verderop. “Dat zijn klimaatvluchtelingen”, besluit Yola Thienpont.

Ça va recommencer

Op het dorpsplein van Fraipont zitten wat mannen onder een boom. Slager Denooz die zijn atelier in de Vesder zag verdwijnen. Joviale Jean-Claude Patureau, die zijn solide huis laat zien. “Gebouwd tegen de “crue” (de vloed, red.) maar niet bestand tegen een “crue” van deze omvang. Patureau – met grijs haar in een knotje en een hoofdlamp op – was ooit burgemeester van Fraipont voor de fusie met Trooz. Hier geboren en getogen. Zijn vader sneuvelde als “maquisard”, verzetsman, in de Tweede Wereldoorlog. Er is een mooie dreef naar hem vernoemd, die ook helemaal onder water liep. 

“Ça va recommencer,” blijft Jean-Claude maar herhalen. Hij heeft zelf jarenlang gewerkt in de waterzuivering. Er zijn waterwerken nodig voor enkele kleinere rivieren in de omgeving, zegt hij. Hij fronst de wenkbrauwen over de dammen in Eupen en Gileppe, waar volgens hem “zulke grote fouten zijn gebeurd”. Met catastrofale gevolgen voor zijn dorp, voor zijn huis, zijn gezin. 

Zijn vrouw Jacqueline zit op het trapje voor hun huis in een grote teil bemodderd servies af te wassen, voor de zoveelste keer. “Sorry, ik ben van Tienen, maar ik ben mijn Nederlands vergeten. En ik zie er niet uit!” lacht ze. Jean-Claude aait haar over de bol. “Op 1 juli waren wij 60 jaar een koppel, dat hebben we gevierd.”

Lees dit artikel, met video’s van Marieke Dermul, ook op vrtnws.be

Nieuw Belgisch werelderfgoed (2): Wortel-Kolonie

Niet genoeg geld op zak voor een brood? Dat volstond vroeger soms om je als landloper naar “Wortel” te sturen. Samen met drie andere “Koloniën van Weldadigheid” in Nederland is Wortel-Kolonie in Hoogstraten voortaan werelderfgoed. Zaterdag viel de Waalse stad Spa al dezelfde eer te beurt.  Wortel-Kolonie is het eerste door mensen aangelegde “cultuurlandschap” in ons land dat erkend is door de Unesco. “We mogen trots zijn om naast de Grand Canyon of de Chinese Muur te staan,” zegt Philippe De Backer van Kempens Landschap.

België valt dezer dagen in de Unesco-prijzen, en hoe. Eerst was er de erkenning van Spa als werelderfgoed, samen met tien andere Europese kuuroorden, en nu komt ook Wortel-Kolonie op de prestigieuze Unesco-lijst, tegelijk met drie Nederlandse “Koloniën van Weldadigheid”: Veenhuizen, Willemsoord en Wilhelmina-oord in de provincie Drenthe.  

De “Koloniën” waren sociale landbouwprojecten voor armen, maar ook landlopers werden er gedwongen tewerkgesteld. De Unesco heeft ze nu erkend als getuigen van een uitzonderlijk, ingrijpend en grootschalig sociaal experiment van armoedebestrijding, door binnenlandse landbouwkoloniën in te richten in afgelegen gebieden.

Door mensen gemaakt landschap

Na de Europa Nostra Grand Prix Award in 2014, de “Sustainable Tourisme Award” in 2018, de European Landscape Award Alliance in 2019 en het Europees Erfgoedlabel in 2020, schiet Wortel-Kolonie nu de hoofdvogel af: een plekje op de werelderfgoedlijst van de Unesco. Vlaams minister van onroerend erfgoed Matthias Diependaele (N-VA) is verheugd: “Samenwerkingen en een gedeelde visie hebben gezorgd voor een prachtig stuk erfgoed dat voortaan ook wereldwijd erkenning geniet.” 

Het Unesco-werelderfgoedlabel is prestigieus, maar er hangt geen geld aan vast. Minister Diependaele: “Er is natuurlijk de grote uitstraling, net als ons ander werelderfgoed zoals Brugge, de begijnhoven of de belforten. Daar kan je mee uitpakken, dat genereert toerisme en dus ook economie.” 

Matthias Diependaele noemt Wortel-Kolonie “een toonbeeld van de integratie tussen natuur en cultuur.” Het is inderdaad het eerste “cultuurlandschap” in België dat erkend is door de Unesco.  Een geometrische mozaïek van lange, strakke dreven, afgewisseld met landbouwgebied en vennen, allemaal aangelegd en onderhouden door de vroegere inwoners. 

De “Koloniën van Weldadigheid” vertellen een merkwaardig stukje geschiedenis uit de tijd dat onze contreien deel uitmaakten van Nederland, tussen 1815 en de Belgische onafhankelijkheid in 1830. De Nederlandse generaal Johannes van den Bosch wilde na zijn terugkeer uit Nederlands-Indië ook in eigen land “koloniseren”. Hij startte een idealistisch maatschappelijk experiment om de armoede te bestrijden, maar tegelijk ook om mensen aan de rand van de samenleving, zoals landlopers of bedelaars, “in de pas te laten lopen”.

Vanaf 1818 werden op enorme stukken arme grond zeven “Koloniën van Weldadigheid” gesticht: vijf in Nederland, twee in de Antwerpse Kempen: Wortel-Kolonie en Merksplas. De inwoners moesten het land bewerken om voor de eigen boterham te zorgen. Ze kregen een onderkomen in kleine boerderijtjes.

Wortel-Kolonie was eerst zo’n “vrije kolonie”, tot de Belgische staat het geheel in 1870 opkocht en er een “onvrije kolonie” van maakte. Landlopers en bedelaars – enkel mannen – werden er vanaf dan gedwongen aan het werk gezet. Wie genoeg geld had verdiend kon weer vertrekken. Maar voor velen werd Wortel een permanent verblijf. Pas in 1993 werd de landloperij in België afgeschaft.

Zorg dat je genoeg geld op zak hebt voor een brood

In Wortel is er ook een begraafplaats voor vroegere bewoners: eenvoudige witte kruisen in een open plek in het bos, soms met een naam, soms anoniem. 

“Er hangt ook een zekere tristesse hier,” zegt Philippe De Backer van Kempens Landschap. “Mensen werden opgepakt omdat ze arm waren en naar hier gestuurd om te moeten werken. Mijn moeder zei altijd: Philippe, zorg dat je genoeg geld op zak hebt voor een brood. Want dat was de norm voor armoede. “

De kaarsrechte dreven en het perspectief in het landschap zijn ook historisch te verklaren: de helderheid zou de landlopers rust in het hoofd bieden, maar op die manier konden hun bewakers hen ook te allen tijde in de gaten houden

Wortel-Kolonie is de 15e Belgische inschrijving op de Unesco-lijst.  Enkele jaren geleden was al een poging ondernomen om alle zeven  “Koloniën” samen te laten erkennen, maar dat mislukte toen. Het dossier werd ingekrompen tot vier plekken waar de geschiedenis het best leesbaar is, waaronder dus Wortel. 

Drie andere “Koloniën”, Merksplas in België en Frederiksoord en Ommerschans in Nederland, zijn er nu niet bij.  Maar voor Merksplas, dat vlak naast Wortel-Kolonie ligt, en waar ook een gevangenis is gevestigd,  zou de deur wel op een kier staan om ooit ook werelderfgoed te worden.  

Anno 2021 is Wortel-Kolonie een groene long van meer dan 500 hectare groot, een magneet voor wandelaars en fietsers. Het is ook één van de tien officiële stiltegebieden van het Vlaamse Gewest. Wie in de geschiedenis wil duiken kan terecht in het bezoekerscentrum.

Voor herder Willy en zijn 150 Kempische heideschapen die in alle rust de dreven van Wortel-Kolonie afgrazen mag het “nog 200 jaar zo blijven”. 

Lees dit artikel ook op vrtnws.be

Welke andere Belgische “werelderfgoederen” zijn er?

  • 13 Vlaamse begijnhoven: Hoogstraten, Lier, Groot Begijnhof in Mechelen, Turnhout, Sint-Truiden, Tongeren, Dendermonde, Klein Begijnhof in Gent, Sint-Amandsberg, Groot Begijnhof in Leuven, Diest, Brugge en Kortrijk  (sinds 1998)
  • de Grote Markt in Brussel (1998)
  • vier scheepsliften op het Canal du Centre (1998)
  • 56 belforten in België en Frankrijk (1999 en uitgebreid in 2005)
  • het historische centrum van Brugge (2000)
  • de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Doornik (2000)
  • vier art-nouveauhuizen van architect Victor Horta in Brussel: Hotel Tassel, Hotel van Eetvelde, Hotel Solvay en het Hortahuis en -atelier (2000)
  • de neolithische silex- of vuursteenmijnen in Spiennes bij Bergen (2000)
  • de drukkerij en het museum Plantin-Moretus in Antwerpen (2005)
  • oude en voorhistorische beukenbossen van de Karpaten en andere regio’s van Europa , verspreid over 12 landen. In België zijn dat drie stukken bosreservaat in het Zoniënwoud (2007 en uitgebreid in 2011 en 2017)
  • art-decohuis Palais Stoclet in Brussel, van architect Josef Hoffman (2009)
  •  4 grote steenkoolmijnsites in Wallonië: Grand-Hornu, Bois-du-Luc, Bois du Cazier en Blegny-Mine (2012)
  •  huis Guiette in Antwerpen, van architect Le Corbusier, als onderdeel van al zijn verwezenlijkingen in verschillende landen (2016)
  • Spa, samen met 10 andere “Great Spas of Europe”, kuuroorden in Tsjechië, Duitsland, Oostenrijk, Italië, Frankrijk en Groot-Brittannië (2021)
  • Wortel-Kolonie, samen met drie Nederlandse “Koloniën van Weldadigheid” (2021)

Immaterieel erfgoed

Behalve materieel erfgoed is er sinds 2003 ook een Internationale Representatieve Lijst van Immaterieel Erfgoed van de Mensheid van de Unesco. Immaterieel erfgoed, dat dat zijn sociale gewoonten, voorstellingen, rituelen, tradities, uitdrukkingen, overgedragen van generatie op generatie en belangrijk voor een gemeenschappelijke identiteit. 

In Vlaanderen gaat het onder meer over de Heilig Bloedprocessie in Brugge of de biercultuur. De lijst vind je hier. Het carnaval van Aalst kwam in 2010 op de lijst met immaterieel erfgoed, maar werd daar in 2019 weer van geschrapt, nadat er karikaturale Joodse figuren opdoken in de carnavalsstoet.

Lees dit artikel ook op vrtnws.be

Nieuw Belgisch werelderfgoed: Spa

De Waalse stad Spa, het Engelse Bath, het Franse Vichy en een rist andere historische kuuroorden in Europa komen op de Unesco-lijst van werelderfgoed. Nu ademen ze misschien wat vergane glorie uit, maar de plaatsen waren ooit pioniers van het moderne toerisme met behalve watertherapie ook een druk en sjiek sociaal leven. De Habsburgse keizer Jozef II noemde Spa niet voor niets “het café van Europa”.

Spa is de 14e Belgische inschrijving op de Unesco-lijst van werelderfgoed. De beslissing is genomen op de Unesco-vergadering in Fuzhou, in China. De burgemeester van Spa, Sophie Delettre (MR), reageerde verheugd. Maar wegens de watersnood en uit respect voor de slachtoffers zijn er geen feestelijkheden in Spa; die worden uitgesteld tot Open Monumentendag in september.

Spa staat niet alleen; alles samen zijn elf Europese kuuroorden, gebouwd rond historische waterbronnen, voortaan Unesco-werelderfgoed. Dit zijn de elf “Great Spas of Europe” in zeven verschillende landen:

  • België: Spa  
  • Oostenrijk: Baden bij Wenen
  • Tsjechië: Karlovy Vary (Carlsbad), Františkovy Lázně (Franzensbad) en Mariánské Lázně (Marienbad)
  • Frankrijk: Vichy
  • Duitsland: Bad Ems, Baden-Baden en Bad Kissingen
  • Italië: Montecatini Terme
  • Groot-Brittannië: Bath

De elf kuuroorden liggen allemaal bij een of meerdere mineraalwaterbronnen en ontwikkelden zich sterk tussen 1700 en het begin van de 20e eeuw. Er ontstonden medische en therapeutische inrichtingen, maar ook een druk sociaal, zeg maar mondain leven, met hotels, culturele en sportinfrastructuur, waar bezoekers uit heel Europa naartoe kwamen. 

Spa is het café van Europa

Op die manier waren de badsteden pioniers van het moderne toerisme. De Habsburgse keizer Jozef II noemde Spa na zijn bezoek in 1781 “het café van Europa”. In Spa verrees ook het eerste casino. Giacomo Casanova sprak van “het gat genaamd Spa waar men onder het mom van “water drinken” eigenlijk samentroept voor zaken, intriges, spelletjes, voor de liefde of om te spioneren.”

“Spa” is niet enkel de naam van de Waalse stad en van het bekende water met rood of blauw etiket, maar het woord “spa” zelf is een soortnaam voor “kuuroord” of “welnesscentrum” in het Engels. Opvallend is dat de namen van de kuuroorden direct verwijzen naar het water en de bronnen, zoals “Baden-Baden” of “Bath”.

Spa Reine

In Spa  kwam de beau monde langs, om “te zien en gezien te worden”. In 1717 zakte de Russische tsaar Peter de Grote af naar de Ardennen. De tweede Koningin der Belgen Marie-Henriette, gemalin van Leopold II, bracht haar zeven laatste levensjaren door in Spa. Ze werd “de Koningin van Spa” genoemd , “Spa Reine” dus. “Source de la reine” en “Source de Marie-Henriette” zijn namen van waterbronnen in en rond Spa die naar haar verwijzen. In het logo van stad en watermerk staat nog altijd een kroontje.

Spa was al in de 16e eeuw bekend om zijn bronwater, dat ook al snel werd geëxporteerd. De stad profiteerde volop van zijn natuurlijke rijkdom, het “blauwe goud” dat uit vele bronnen, “pouhons”, te drinken is.

De rijke geschiedenis weerspiegelt zich in de architectuur in Spa. In 1886 verrees het Thermenpaleis van architect Leon Suys – die ook de Beurs in Brussel ontwierp –  met bronwater van de “source de la reine” en maar liefst 54 koperen badkuipen.  In 2005 verhuisden de thermen van Spa naar een andere plek op een heuvel. Voorts zijn er het casino “La Redoute” uit 1763, het oudste van de wereld, hotels en vele villa’s.  Na de Tweede Wereldoorlog kwam ook het sociaal toerisme naar Spa op gang.

Spa is de 14e Belgische inschrijving op de Unesco-werelderfgoedlijst.

Lees dit artikel ook op vrtnws.be

De week van de gierzwaluw, de Senegalese elektricien, de vaxitaxi, de analoge foto en de IS-kinderen

Lucas Vancloosters Middagjournaal voor Nieuwe feiten, Radio 1, 9-12 juni 2021

Maandag 7 juni

Vandaag is het de internationale dag van de gierzwaluw, International Swift Day. Die dag is belangrijk voor mij sinds de salangaan de totem bij de scouts werd van onze betreurde zoon. De salangaan is de Aziatische gierzwaluw, dat maakt weinig verschil. Mijn zoon de salangaan was trouwens van het principe “’t zal wel gaan”.

Nu zitten er uiteraard geen gierzwaluwen in mijn tuin, ze vliegen er hoog boven, erg talrijk van eind april tot half juli, met soms eens een acrobatische scheervlucht net boven onze hoofden. Ze schonken Guido Gezelle inspiratie voor een van zijn mooiste natuurgedichten met veel klanknabootsing. De gierzwaluw vliegt tot de avondschemering, en laat zich aflossen door de vleermuis, die een stuk lager fladdert.  

Onze woning en tuin zijn binnenkort 100 jaar oud, het laatste bebouwde deel van de licht bochtige straat, die al op middeleeuwse kaarten voorkomt. Vandaar dat onze woning en de tuin een vreemd formaat hebben, het moest er nog tussen passen. In die eeuw zijn tuin en huis niet echt van aanschijn veranderd.

Onlangs kregen we een foto in handen waarop de eerste vrouw des huizes zichzelve elegant en verleidelijk aan het kleine vijvertje van rare constructivistische vorm had gedrapeerd. Nogal wat mensen vinden dat mijn vrouw of dochter die foto zouden moeten herhalen. Maar dat kan niet, rond het vijvertje is alles intussen groen begroeid en veelkleurig bebloemd.

Zeer lang geleden stond op een eilandje met waterlelies zelfs een fonteintje, zoals in de villa in Mon Oncle van Jacques Tati. Het wonder nu is dat het water altijd schoon blijft, het zuivert zichzelf. En het bruist er, zeker in de lente, van leven. Toen we hier 21 jaar geleden aankwamen, zwommen er zowat 15 goudvissen in. Die werden allemaal slachtoffer van een reiger. Een keer zagen we ‘n reiger klapwiekend opstijgen met in zijn opengesperde bek een ongeloofwaardig grote zwarte vis, die we nooit eerder hadden opgemerkt.

Ik vrees dat het fabeltje van Puut kruupt uut hier onlangs gebeurde. Ik leerde het van mijn grootmoeder, en stelde al met vreugde vast dat mijn kinderen het doorvertellen.

Puut kruupt uut, zei de kraai. Gie zoudt mi pakken, zei de puut. Jakkendoe, zei de kraai. En de puut kroop uut. Stek, zei de kraai. ‘k had gepeisd, dacht de puut.

Op dit ogenblik wriemelen er zoals elk jaar tientallen dikkopjes. Die zullen weer opeens mysterieus verdwenen zijn. Voorts trekt het water bijen, libellen en waterjuffers aan en drinkende en spattende vogels. Er zitten veel mussen in het nogal wilde struikgewas omheen de tuin. Hoog in de berk was er een eksternest. Tragisch waren de merels die hun twee jongen, kwetsbaar op de grond, moedig verdedigden tegen onze rosse vervaarlijke transmigrantkater Chapo. Helaas, het hele gebroed van die arme vogels is opgepeuzeld. Meer succes hadden de pimpelmezen in het nestkastje. Heerlijk om de evolutie te volgen vanaf controleren van het huisje, het volproppen met veertjes en pluisjes, via broeden en voederen tot uitvliegen van de kroost. Onze lievelingsvogel in de tuin is een zwartkopje, die luidkeels zingt. En laag bij de grond evolueren twee koddige schuwe egels.  

Ah, de vogelen des hemels, zij zaaien en maaien niet en gaan toch niet verloren, zoals Christus al zei. Gelegen in een krakkemikkige tuinstoel dommel ik in bij het “zie! Zie! Zie!” van de. Tot morgen, waarde luisteraar.

Herbeluister op Radio 1.

Dinsdag 8 juni

Waarde luisteraar. Sinds ik met pensioen ging, ben ik coronavrijwilliger en vaxitaxichauffeur. Gemiddeld eens per week – er zijn echt wel vrijwilligers genoeg – rijd ik minder mobiele oudere mensen naar het vaccinatiebolwerk. In een vorig leven was ik drie jaar directiechauffeur van de Munt, de nationale opera. Ik krijg de indruk dat ik een van mijn vele vorige jobs weer opgenomen heb. Trouwens, ik heb er net nu een ritje naar het centrum opzitten, met een dame die ik drie maanden geleden naar haar eerste Astra Zenica-vaccin bracht.

Het is een heel aangename taak. Zeker drie op de vier vervoerde mensen in mijn woonplaats blijken afkomstig uit mijn geboorteprovincie West-Vlaanderen, het gevolg nog van de na-oorlogse trek van bakkers en slagers naar Brussel en omgeving. En die mensen zijn altijd zo blij en dankbaar. Verscheidene dames nodigden mij uit om na corona een streekbier of trappist te komen drinken en soms moet ik resoluut een fooi afslaan, met het argument dat ze via de belastingen al betaald hebben voor mijn riante ambtenarenpensioen.

Zoals overal is ook ons vaccinatiebolwerk uitstekend georganiseerd. Iedereen is er behulpzaam en supervriendelijk. En dat allemaal gratis, ik herhaal: helemaal VOOR NIETS!! Dank federale overheid, sociale zekerheid en steengoede Belgische Volksgezondheidszorg!

Wat heb ik genoeg van die lawaaierige minderheid van klagers en zeurkousen en zageventen uit allerlei sectoren, die antivaxers en corona-twijfelaars, de verwende Boumers 1, 2 en 3, de agressieve gevaarlijke anti-Viroloog twitterhelden die dan ook nog de media halen.

Als ik die grote tevredenheid bij gewone echte mensen vaststel, vraag ik mij af hoe het kan dat blijkens de laatste opiniepeilingen er schijnbaar toch wel enkele Vlamingen overwegen te stemmen voor partijen die tegenover corona op zijn minst een erg wankelmoedige dubbelzinnige houding vertonen.

Soms ga ik wandelen met niet meer goed te been zijnde dames. De eerste had het in het leven niet makkelijk, vooral na een zwaar auto-ongeval. Ze was jonger dan ik, leefde alleen, had geen computer. We deden een paar administratieve boodschappen, ik haalde een fors park frieten met een ragouzi en joppiesaus.  

De tweede dame, geboren voor de Tweede Wereldoorlog, wilde graag op de begraafplaats het graf van haar jong gestorven kleinkind groeten. Zo kon ik haar de laatste rustplek van mijn zoon tonen. Drie generaties verenigd in verdriet en herinneringen.

Morgen zijn er allerlei versoepelingen, hoera. Binnenkort zoek ik mijn nieuwe vriendinnen op om ergens binnen of buiten die West-Vleteren of Orval uiteindelijk te nuttigen.

Herbeluister op Radio1.

Woensdag 9 juni

Voor mij mag het vandaag, morgen of overmorgen al gebeuren, in het grootste geheim: de landing  op Zaventem of  Melsbroek van een vliegtuig uit het Koerdische gebied in Syrië met aan boord 30 zogenoemde IS-kinderen, en hun 13 moeders, IS-weduwen. Zo discreet als dat maar kan, reizen de kinderen, allen jonger dan 12, verder naar een veilige gezellige plek, terwijl de moeders in verzekerde bewaring worden genomen voor een grondig onderzoek en diepgravende gesprekken. De kinderen vinden daarna hopelijk gezond en wel onderdak bij hun grootmoeders, die met IS en de radicale islam niets te maken hebben. De familie en omgeving van de vaders en alle dubieuze predikers en ronselaars mogen nooit te weten komen waar de kinderen wonen.

En dan begint de lange maar mooie weg naar een positieve toekomst, naar volwaardig burgerschap in onze maatschappij. Dank u regering voor die moedige stap in zo’n pijnlijk dossier over kinderen. Daar moet’ in de politiek om gaan: de organisatie van een humane rechtvaardige maatschappij.  

Al Roj en Al Hol, de namen alleen al. We kennen die verschrikkelijke plekken, Rudi Vranckx is er heen gereisd in het gezelschap van Heidi De Pauw van Child Focus en kinderpsycholoog Gerrit Loots van de VUB. Tussen haakjes, een paar van die moeders zijn witte Vlaamse meisjes die zich om een of andere reden bekeerden tot de islam.

Terecht maken we ons grote zorgen om het lot van tienerprostituees  die door loverboys verleid werden om uiteindelijk in de seksindustrie te verzeilen. Justitie doet alles om die meisjes te zoeken, te bevrijden en te begeleiden, en de ronselaars voor de rechter te brengen.  

Welnu, die IS-weduwen zijn ook als tiener ten prooi gevallen aan een wel heel perfide soort loverboy. De islamistische variant. Maar met dezelfde strategie. Het gaat altijd om zwakke en kwetsbare meisjes, uit moeilijke gezinssituaties, vaak wonend in of weggelopen uit een tehuis. Het is erg dat mannen die het slecht menen hun slachtoffers zo gemakkelijk vinden en kunnen overtuigen. In het geval hier het fata morgana van een nieuw zinvol avontuurlijk leven in een religieuze heilsstaat, waar ze zullen trouwen met een knappe martelaar en lieve kindjes krijgen. In werkelijkheid verschilt hun lot in de woestijn uiteindelijk weinig van dat van hun leeftijdsgenoten in de Belgische prostitutie, ze worden onder meer ook seksslavinnen, alleen is het decor nog mistroostiger.

Als we die kinderen en hun nog jonge moeders op een beschaafde wijze opvangen, kunnen we hen een nieuwe kans geven. Tonen wat onze waarden echt zijn. En wat de veiligheid betreft: iedereen die daar iets over weet, zal u zeggen dat het allergevaarlijkste is kinderen en moeders ginder te houden, waar ze vroeg of laat van de radar verdwijnen.

Ik wil dat de radar van onze politici gericht is op: wat is in alle gevallen de meest menselijke oplossing?

Herbeluister op Radio1.be.

Donderdag 10 juni

Waarde luisteraar van Brussel-Vlaams. Rond deze tijd beëindigt een multicultureel leger vaklui allerlei werkzaamheden in onze woning. Die sleepten nogal aan omdat verscheidene stukken ontbraken bij levering. Het excuus van al die firma’s dezer dagen: het zit op de Ever Given, dat reusachtig containerschip dat eerst het Suez-kanaal blokkeerde en nu aan de ketting ligt. Ik krijg de indruk dat er voor al die uitblijvende onderdelen al twee mammoetschepen nodig zijn.

Maar weet u wat de moed er bij ons inhoudt? Het goede humeur en het talent van die vaklui. De loodgieter is een old school Vlaming van bijna mijn leeftijd. Soms geneer ik mij dat ik hier gepensioneerd rondhang, terwijl hij zijn wervels van zijn ruggengraat sleurt. De sloper van de afgedankte keuken en de vervoerders van de nieuwe waren drie stevige Limburgers, die traag praatten en snel werkten. Een familie Oekraïeners behandelde vloeren en muren. Vader, zoon en zwager en altijd duikt er nog wel een neef of oom op, bekwaam in speciale tegellijmtechnieken. De elektricien is een halve Marokkaan met een Vietnamese naam, gekregen van een een bootvluchteling die hem als zoon erkende, de tijdelijke echtgenoot van zijn Vlaamse moeder.

Op zijn werkdocument zag ik dat hij niet geaarde stopcontacten, maar aardige stopcontacten had geschreven.

Zijn personeelsleden zijn een slanke prins uit Senegal en drie Portugezen. Bij de keukenbouwers zit een keurig Nederlands sprekende man uit de Dominicaanse republiek. Ik tel dus 5 orthodoxe christenen, 3 katholieken, 2 moslims en enkele ongelovigen. Met al hun talen en dialecten schieten die mensen wonderwel met elkaar op. De oudste Portugees vertelt over zijn verleden als vrachtwagenchauffeur en wijnbouwer, en dat hij eens een fles Dao of Vinho Verde zal meebrengen. Soms hoor ik een flard van een exotisch lied, een schaterlach, een vloek, obrigado, shoukran, dobredan, djakuje, gracias en asalaam aleikum. En die mannen zijn zo proper, borstel en vuilblik vinden ze niet beneden hun waardigheid.

Wat een geluk dat al die mensen hier in België en in mijn huis zijn aanbeland. Zonder hen zaten we hier nog de vaat te doen in een zinken teil onder een koudwaterpompzwengel, verschoonden we na gedane zaken ons achterste met verknipt krantenpapier boven een opening in een plank en wasten we ons allen tegelijk in een zitbad waarover Johan Anthierens schreef “het onderlijf baadt, het bovenlijf, droog, kijkt toe”.

Herbeluister op Radio1.be.

Vrijdag 11 juni

Trouwe luisteraar van BRT1. Nu ik hier toch in de buurt ben, ga ik straks voor de laatste maal naar de fotograaf aan de Rogierlaan vlakbij het Meiserplein, La Place Misère. De zaak heet Pages et Images.

Als ik ooit een onderneming start, noem ik die: Teksten en Prentjes.

De aardige vrouw van de zaak komt uit Menen, de bruisende groezelige grensgemeente zo’n 20 kilometer van waar ik geboren ben. Haar man is een Brusselaar die mij steevast meneer De Coster noemt.  

Na vele jaren arbeid in de mooie sector van het beeld gaan die mensen verdiend met pensioen en verhuizen ze naar het uiterste zuiden van België. Dat betekent dat mijn fotocarrière er op zit. Met dat laatste analoge filmpje van 36 foto’s, dat ik begin dit jaar aanvatte. Winterse foto’s op een zomerdag. Hoe fijn ook dat je twee weken moet wachten op ontwikkeling van je kiekjes.

Nog maar 20 jaar geleden waren er in mijn provinciestad drie fotowinkels. Een na een schakelden ze over op de lucratieve verkoop van gsm’s. Toen ontdekte ik die fijne Pages et Images in Schaarbeek. En ja, ik blijf analoog. Echte filmpjes, van Kodak, en glanzende papieren fotoafdrukken. Niet dat ik tegen de moderne tijd ben. Ik heb zelfs de selfie uitgevonden, ik kan u dat tonen.

Het eerste foto-toestel in mijn leven was de Gevabox van mijn vader. Je moest dat voor je buik houden en er van boven in een soort spiegellens in kijken. Binnenopnames konden niet wegens geen flits, en kleur was onmogelijk.  De dag dat mijn zus een toestelletje kocht, fietsten we naar een parkeerterrein waar ze verleidelijk poseerde bij een verlaten Studebaker Hawk. Ik mocht het apparaatje lenen om mee te nemen op schoolreis. In de jaren 80 kocht ik een halfautomatisch onding waar ik toch altijd wel iets aan moest regelen en bijstellen, zodat veel kiekjes letterlijk de mist in gingen.  “Wat een lullig apparaat”, zei een vriend eens. Tijdens een reis in Frankrijk ging het definitief stuk, al die prachtige foto’s die ik had geschoten waren zwart. De volgende camera kreeg ik van mijn broer, die avondschool fotografie volgde, een eervolle vermelding had behaald in een wedstrijd en vreemd genoeg als prijs een rood Oost-Duits toestelletje won van het merk Nova Spectrum. Ik beleefde er plezier aan tot ver na het bestaan van de DDR. Het ging stuk nadat ik er uitgerekend in Weimar op was gaan zitten.

Op de eerste persconferenties die ik een kwart eeuw geleden volgde, waren fotografen nog druk in de weer met het bliksemsnel vervangen van filmpjes. Mijn dochter beëindigde gisteren haar tweede jaar fotografie aan Luca in Brussel. In die twee jaar was ze vooral bezig met analoge foto’s, zelfs met de zogenoemde technische camera, waar je nog lichtgevoelige platen in en uit moet schuiven, en als fotograaf onder een doek kruipen. Het is nu aan haar. Ik stop mijn fototoestel in de vitrinekast van mijn eigen museum.  Dank voor de aandacht, dames en heren.   

Ode aan de bloembak

Geranium, prachtige bloem
die niet mooi is, wijn
van de kruidenier, kip
tussen de vogels, sieraad
van alles wat arm en goedkoop is.


Dichter Hans Vlek had maar schampere verzen veil voor de geranium. Maar als de bescheiden bloem hem helemaal koud zou laten, schreef hij er natuurlijk geen gedicht over. Paul Snoek van zijn kant onderhield een existentialistische conversatie met wat aan zijn venster groeide:


Wij weten bloemen
dat er in de droefheid
vreugde en wat kleur bestaat
en daarom bloemen
zijn wij soms gelukkig
gij en ik.


Het nabije en het kleine vaker opmerken en hopelijk ook meer waarderen, dat zou toch de niet-geringe winst moeten zijn van corona. Een notenbalk die uit een raam kringelt. Een wolkje parfum dat over een muur kruipt. Je ruikt de seringen maar je ziet ze niet. Je vermoedt sardines op een vuurtje ergens onzichtbaar. Knip je zintuigen aan en de dag wordt interessanter.


Een bloeiende bloembak op de vensterbank van een rijhuis in een gewone straat is dus in staat om mijn humeur met tien graden op te warmen. Soms is er één, vaak steken ze elkaar huisnummer na huisnummer met een botanisch virus aan. Paars-en-gele penseetjes, rode geraniums, oranje afrikaantjes of wit-en-purpergestreepte petunia’s als strandparasollen. Een schildershand die kleurtoetsen zet op een canvas met doorgaans meer dan vijftig tinten grijs.
Plantjes kosten bijna niets – elk jaar minder, lijkt het wel, wat verdienen die kwekers er eigenlijk nog aan, vraag ik me af – en toch zijn ze waardevol. Ze hebben je water en je liefde nodig. Soms ook je buren, als je met vakantie bent, om ervoor te zorgen.


Een bloembak is een statement: je doet het niet enkel voor jezelf, maar vooral voor wie langs je gevel wandelt. Tot nut van ’t algemeen, ter verfraaiing van de werkplaats genaamd samenleving. Er zijn al steden die bloembakken of plantjes subsidiëren. Waarom niet? Een trottoirtuintje kan ook, één tegel uit de stoep wippen en er ontspringt een weelderige wisteria, zag ik in hartje Brussel. Een bonte stokroos. Of straks een paar pronte zonnebloemen. Nog mooier als je voor bloemen kiest die bijen lekker vinden.


Alles kan dienen om bloemen in te planten, van de klomp aan de muur tot de witgeschilderde autoband. Misschien werd er vroeger op neergekeken, maar de tijden zijn veranderd. Zelfs het eerbiedwaardige, aanstekelijke BBC-programma Gardeners’ World dat al 60 jaar bestaat heeft het niet enkel meer over royale kasteeltuinen, exotische variëteiten en gazons als biljartlakens, maar ook over huis-, tuin- en keukenbloemen, gezaaid en gekoesterd in potjes en pannetjes op stadsbalkons, koertjes of zelfs het dek van een woonboot. Wel alles goed vastmaken. Ooit zijn mijn terracotta bakken eens van twee hoog op de stoep in scherven gevallen. Niemand gewond, gelukkig, behalve de rode geraniums.


J. C. Bloem – what’s in a name – dichtte: “Alles is veel voor wie niet veel verwacht.” Meer bloem op straat dus! Wie weet worden we “domweg gelukkig in de Dapperstraat”.

(Tertio, 2 juni 2020)

KÄTHE KOLLWITZ

Salon van Sisyphus

Saatfrüchte sollen nicht vermahlen werden

Door Kristien Bonneure

Museum De Reede in Antwerpen toont grafiek en beeldhouwwerk van de Duitse expressioniste Käthe Kollwitz. Haar werk handelt over het lijden, is evenwel nooit miserabilistisch en spreekt van hart tot hart. Kollwitz’ schreeuw om vrede heeft een eeuw later niets aan waarde en relevantie ingeboet.

Als jevanzelevenin de westhoek verdwaalt … dan beland je vroeg of laat in Vladslo, deelgemeente van Diksmuide. Een paar kilometer verder te lande ligt de Duitse militaire begraafplaats bij het Praatbos. Bij het vredesbospad hangen verzen van Lies Van Gasse:

“Dit gaat over verdriet maar ik zeg het anders, als een snelle veelvoetige wind, koud over lanen, als een haastige, zinloze gedachte. Dit gaat over pijn, maar het klinkt als het gefladder van bladeren.”

Tegels met telkens de namen van 20 dode Duitse jongens. Bomen en gras, een haag. Een paar bescheiden kruisen en voorin…

View original post 1.507 woorden meer

Triënnale Brugge: de achterkant van de postkaart

Aan de eerste Triënnales eind jaren 60 en begin jaren 70 bewaar ik enkele heel vroege herinneringen, aan de hand van vader en moeder. De zwanen van Raveel op de reien, de grappig-naïeve schilderijen van Joseph Willaert: leuk voor kinderen. De draad is sinds enkele jaren weer opgepikt met buitenkunst, nog leuker voor kinderen. De derde editie van de Triënnale neemt je mee naar verborgen hoeken van Brugge. Met nu eens spectaculaire en kleurrijke kunstzinnige interventies en dan weer ingetogen, mysterieus en zelfs griezelig werk. En Brugge blijft Brugge: het eerste kantwerkje in de vorm van een coronavirus is gesignaleerd.

Het driejaarlijkse kunstevenement Triënnale in Brugge vaart in 2021 onder de vlag “TraumA”, een woord dat zowel “droom”, “ruimte” of ook echt “trauma” kan omvatten. Curator Till-Holger Borchert: “We kozen dit thema lang voor corona, maar de realiteit haalt ons in.”

13 kunstenaars en architecten uit binnen- en buitenland gingen met het thema aan de slag. Hun vaak opvallende en spectaculaire werk is gratis te bekijken op bijzondere locaties en vaak verborgen, minder bekende plekken. Till Holger-Borchert: “Het is een herontdekkingstocht. We spelen met het bekende imago van Brugge.” Zijn collega-curator Michel Dewilde valt hem bij: “We willen achter het picture-perfect, Zwitserse-Alpen-plaatje van Brugge kijken.  Onder de waterlijn, onder het rimpelloze. Want deze stad heeft zoveel geschiedenissen. En wat dan bovenkomt zijn wonderlijke maar ook bedreigende verhalen.” 

De kunstwerken vertellen over dromen en nachtmerries, of gaan over wat zichtbaar en wat verborgen is, met een hint naar het bekendste boek over Brugge, “Bruges-la-morte” van Georges Rodenbach. 

Voor de feestelijke kleurrijke droom zorgt de Amerikaanse textielkunstenares Amanda Browder. Met honderden vrijwilligers naait ze stukken stof aan elkaar om straks gebouwen mee te bekleden. Dat is wegens corona wat vertraagd; nu ligt er wel al een digitale print over het water aan de Verversdijk, de plek waar in de middeleeuwen laken werd gekleurd. “Ik wil de naaisters, de wevers, iedereen die met textiel werkt opwaarderen,” zegt Browder, “denk maar aan de wol of de kant die voor Brugge zo belangrijk waren. Vaak vrouwenwerk dat onterecht niet werd opgemerkt.” 

Amanda Browder vroeg en kreeg van de Bruggelingen stapels stofrestjes en zette een naaiatelier op. “Openbare kunst brengt mensen samen. Om stof te spelden, te leren naaien. Later als het werk er hangt kunnen inwoners zeggen: kijk, dat stukje is van mij, of dat patroon doet me aan iets denken.” Het creatieproces is het belangrijkste, stipt Browder aan. Haar werk “Happy coincidences” is een bij uitstek sociaal project. In de loop van de zomer zullen er drie enorme “quilts” in Brugge hangen; een reusachtig geprint voorproefje is alvast over het water gespannen aan de Verversdijk:

Nog meer textiel van de Amerikaanse Laura Splan, die op het snijvlak van kunst, design en wetenschap werkt. Ze is gefascineerd door de vorm van virussen. En zo kreeg het eerste kantwerkje met de typische coronastekels vorm. Het hangt, naast een videoinstallatie van Splan, zeer toepasselijk in het museum Onze-Lieve-Vrouw ter Potterie, waar lang geleden pestlijders werden verzorgd.

Hermetisch zwart

Voor de nachtmerrie van de Brugse Triënnale moet je in de kerk van het Grootseminarie zijn. De Duitser Gregor Schneider bouwde daar een hermetisch labyrint van zwart fluweel. Je stapt de kerkpoort binnen, wordt opgeslokt door de nacht en al na enkele ogenblikken voel je je volstrekt verloren. Er zit niets anders op dan voorzichtig en op de tast verder te schuifelen, tot er letterlijk zwak licht komt aan het einde van de tunnel. Niet voor claustrofoben. De installatie heet “Black Lightning” en doet denken aan “Het hermetisch zwart”, een roman van Marguerite Yourcenar, die zich afspeelt in het middeleeuwse Brugge. 

Henrique Oliveira

Rond en boven de bomen

Voor mensen zonder hoogtevrees is er “Strangler” in de schitterende tuin van het Gezellehuis (zie foto boven dit artikel). De Mexicaanse kunstenaar Héctor Zamora bouwde een fluorode stelling en spiraalvormige trap rond een enorme den. Als een slingerplant die de boom bedreigt. Zamora: “Ik wil de spanning laten zien tussen het organische en de menselijke structuren. De boom is natuurlijk een universeel symbool. Bij openbare kunst als deze moet je een open taal spreken.” Wie zich tot boven waagt heeft op 30 meter hoogte een mooi panorama over een relatief onbekende hoek van Brugge. Op de begane grond slaat het borstbeeld van Gezelle, omringd door fluostellingen, alles gade.

Natasja van het Begijnhof

De Poolse kunstenaars Joanna Malinowska en C.T. Jasper brachten een kopie van een oud communistisch standbeeld naar Brugge. Het was ooit een “cadeau” van de Polen aan de Sovjet- “bevrijders” en werd door de bevolking “Natasja” genoemd. Anno 2021 draagt Natasja de symbolen van de feministische strijd in Polen, tegen de beperking van het recht op abortus en andere vrouwenrechten. “In dat opzicht waren we beter af in de Sovjetjaren dan nu,” zegt Joanna Malinowska. Dat het beeld in het Begijnhof staat, tussen de huisjes waar devote, maar tegelijk zeer zelfstandige vrouwen woonden, is geen toeval.

In de schaduw van de bomen op de Burg, waar ooit de Sint-Donaaskerk stond, heeft de Tunesisch-Oekraïens-Duitse Nadia Kaabi-Linke een ronde zitbank neergepoot, bekleed met ijzeren stekels als om duiven weg te jagen. Het werk “Inner circle” heeft veel betekenissen, licht ze toe. Het gaat over gesloten cirkels en clubs, waar je bijhoort of net niet. Over de menselijke drang om alle natuur te controleren: “Duiven wegjagen met ijzeren pinnen? Die vogels die symbool staan voor vrijheid en vrede?” Maar ook over (on)gastvrijheid tegenover migranten en vluchtelingen. Of over de vraag hoe toegankelijk de publieke ruimte nog is. Zitten kun je niet op de ronde bank, maar de eerste snoodaard heeft er al wel een appel op gemikt. 

Ook de “Colonnade” op de Komvest, aan de noordrand van Brugge, speelt met “in” en “uit”, binnen en buiten. Het bouwwerk van Gijs Van Vaerenbergh lijkt wel een omgevallen bos of een Griekse tempel na een aardbeving, met dikke zuilen van roestkleurig metaal. Het architectenduo Gijs Van Vaerenbergh is bekend van hun stalen doorkijkkerkje in Borgloon en van een al even roestkleurig labyrint in C-mine. 

Gijs Van Vaerenbergh is een van de drie Belgische deelnemers aan de Brugse Triënnale, naast Nadia Naveau, die kleurige maskers en linten laat weerspiegelen in het water van de stille Augustijnenrei, en Hans Op de Beeck, voor wiens werk we nog wat geduld moeten oefenen. Wegens corona zal zijn “Danse macabre”, een stilstaande carroussel op ware grootte, pas op 10 juni klaar zijn. Het wordt een mysterieuze, versteende, grijsgekleurde draaimolen naast de barokke Walburgakerk. 

De Triënnale van Brugge loopt van 8 mei tot 24 oktober en is gratis. Bijna alle buitenwerken zijn 24/7 te bekijken. Voor de groepsexpo “De poreuze stad” in de Poortersloge en voor enkele andere locaties moet je wel reserveren. Alle info over de Triënnale vind je hier.

Lees dit artikel met video en audio op vrtnws.be.

Nadia Naveau
Nnenna Okore