Niemand verlaat zijn thuis tenzij thuis de bek van een haai is

De Somalisch-Britse “poëtische superster” Warsan Shire komt in Brussel haar werk voorstellen. Ze werd wereldberoemd met het gedicht “Home” in 2015, een aangrijpende en veel gedeelde tekst over vluchtelingen. Zangeres Beyoncé las verzen van Warsan Shire voor in “Lemonade”. Zanger Gregory Frateur van de groep Dez Mona “kreeg kippenvel” van haar gedichten en inspireerde zich erop voor zijn eigen plaat. Nu is er een eerste bundel van Warsan Shire vertaald in het Nederlands, “Zegen de dochter”. 

Warsan Shire werd in 1988 geboren in Kenia als kind van Somalische ouders. Toen ze één jaar oud was, kwam ze in aan in Groot-Brittannië. Ze studeerde creative writing aan de London Metropolitan University. Haar gedichten vonden eerst hun weg via sociale media als Tumblr en Twitter; daarna volgden kleinere publicaties. Ze werd de jongeren-stadsdichter van Londen en won verschillende internationale prijzen. Warsan Shire woont in Los Angeles met haar gezin.

Het gedicht “Home” van Warsan Shire raakte – en raakt- wereldwijd een gevoelige snaar; het is massaal gedeeld op sociale media en ook vaak in het openbaar voorgelezen. In de tekst geeft Shire een stem aan vluchtelingen. De directe inspiratie kwam van een bezoek aan een verlaten ambassadegebouw in Rome, waar een Somalische vluchteling van het dak was gesprongen.

Niemand verlaat zijn thuis tenzij thuis de bek van een haai is. Je
rent pas naar de grens als je de hele stad ook ziet rennen.
De jongen met wie je op school zat, die jou duizelig kuste achter de oude tinfabriek, draagt een geweer dat groter is dan zijn lichaam. Je verlaat thuis alleen als thuis je niet laat blijven.

Fragment uit “Thuis” van Warsan Shire, vertaling Radna Fabias

Warsan Shire schrijft over haar eigen ervaringen als migrant, over je huis kwijtraken en je nergens thuisvoelen, over oorlog. En over een (zwarte) vrouw zijn, met gedichten over seks, maagdelijkheid of genitale verminking. 

De bundel “Zegen de dochter” gaat over een meisje dat wordt opgevoed door de stemmen in haar hoofd, bij gebrek aan iemand die voor haar zorgt. Shire put uit haar eigen leven en dat van familie en vrienden, maar ook uit de popcultuur en de media, om de levens van vluchtelingen en migranten, moeders en dochters, zwarte vrouwen en tienermeisjes te vatten.

Het hart van de vluchteling heeft zes kamers.
In de eerste ligt je moeders onuitgepakte koffer.
In de tweede huilt je vader in zijn handen.
De derde kamer is een immigratiekantoor,
je afgehakte benen in de vierde,
in de vijfde een baarmoeder – de jouwe?
de zesde gaat open met de juiste papieren.

Fragment uit “Assimilatie” van Warsan Shire, vertaling Radna Fabias

In 2016 las zangeres Beyoncé verzen van Warsan Shire voor, tussen de nummers van haar album “Lemonade”, waar ook een film bijhoorde. Ook voor het visual album “Black is King” uit 2020 putte Beyoncé uit het werk van Warsan Shire.

Ook zanger Gregory Frateur van de groep Dez Mona is erg geraakt door de gedichten van Warsan Shire. LUCY, de laatste plaat van Dez Mona, samen met barokensemble B.O.X, gaat precies over de zoektocht naar een thuis. Voor het nummer “All out” kwam de inspiratie rechtstreeks van het gedicht “Home” van Shire. “Ik kreeg kippenvel toen ik het las,” zegt Frateur. “Geen enkel krantenartikel kan zo goed omschrijven wat er omgaat in een vluchteling.”  

Het engagement van Warsan Shire spreekt Gregory Frateur aan: “Het is sterk dat je met je kunst zo’n advocate, een pleitbezorger kunt zijn voor minderheden. En ook haar taal is bijzonder: “Het is krachtige poëzie, direct, begrijpbaar, in mensentaal. Niet te archaïsch, maar van deze tijd.” 

“Zegen de dochter” is de titel van de bundel van Warsan Shire in het Nederlands. De gedichten zijn vertaald door Radna Fabias. Die Nederlandse dichteres, geboren in Curaçao, kaapte in 2019 alle poëzieprijzen weg met haar debuutbundel “Habitus”. Het boek is intussen vertaald in het Frans, Spaans, Arabisch en Duits. Radna Fabias vertaalde niet enkel de gedichten van Warsan Shire, maar ook die van de Amerikaanse Louise Glück, die de Nobelprijs voor literatuur kreeg in 2020.

Warsan Shire is op zondag 25 september te gast bij Passa Porta in Brussel, in het kader van het Poetik Bazarfestival, samen met vertaalsters Radna Fabias en Sika Fakambi. 

Lees dit artikel ook op vrtnws.be.

Schatten in het museum

Brooduitdeling in het dorp – Frans Van Leemputten

Na 11 jaar heropent het culturele kroonjuweel van Vlaanderen, het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen, opnieuw de deuren. Soms leek de renovatie van dat KMSKA een processie van Echternach. Maar elf jaar en ruim 100 miljoen euro later is de metamorfose compleet. Tijd om het gebouw (oud én nieuw en 40 procent groter) en vooral de rijke collectie kunstwerken te (her)ontdekken, van Rubens tot Tuymans.

Over welk museum gaat het?

Het imposante gebouw van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten (KMSKA) op het Zuid in Antwerpen werd in 1890 geopend als museum. Er was toen zeven jaar aan gebouwd, korter dan de renovatie nu. Het zag – en ziet – er klassiek uit, met zuilen aan de voorkant en aan de achterkant een gevel in neorenaissancestijl. De originele plannen van architecten Frans van Dijk en Jean Jacques Winders zijn trouwens te bekijken bij Bernaerts, waar ze in oktober geveild worden. 

Waarom moest het museum verbouwd worden?

Er was te weinig expositieruimte; in hedendaagse musea krijgen werken veel meer “adem”. Nogal wat zalen hadden in de loop der jaren andere functies gekregen, als depot of als kantoor. De klimatisering deugde niet meer; het dak lekte. Voor de bezoeker van nu was het geheel te stoffig. In 2011 sloot het KMSKA de deuren voor het publiek; alle kunst werd uit de zalen verwijderd. De werken konden beginnen.

Wat gebeurde er in die elf jaar?

Kort samengevat: het museum is nu 40 procent groter. Het gebouw onderging een reusachtige gedaanteverwisseling, maar… dat zie je eigenlijk niet van de buitenkant. Het is geen uitbreiding, maar een inbreiding. Eigenlijk zijn het twee musea geworden, ingenieus in elkaar geschoven, een idee van het Nederlandse architectenbureau KAAN. Aan de binnenkant waar vroeger patio’s waren, is een volledig nieuw gebouw ingepast, vooral in de hoogte. Het is kraakwit en helder en huisvest de kunstwerken van na 1880. 

De oorspronkelijke zalen met oude meesters zijn tot in de puntjes hersteld, met muren in aardse kleuren, “Pompeïrood” of diep olijfgroen, en alle moderne techniek. De klimatisering voor de kwetsbare kunst is nu helemaal in orde; het parcours voor de bezoekers is hertekend, met hedendaagse multimediatoepassingen. Een atoomkelder uit de jaren 50 is omgevormd tot een depot. De museumtuin is heraangelegd.

Waarom heeft het zo lang geduurd?

Door allerlei onvoorziene omstandigheden, zoals zo vaak als je een oud gebouw begint te strippen. Er waren problemen met de stabiliteit; er moest asbest worden verwijderd. De werken waren ook “te klein” begonnen en het budget van de Vlaamse overheid moest fors worden opgetrokken om alles te betalen, inclusief de technologie, de kantoren, de toegankelijkheid… 

Zowel technisch als politiek (met vijf opeenvolgende ministers van cultuur) was de vernieuwing van het KMSKA een complex dossier, met vertragingen, verandering van plannen, personeelswissels. De heropening werd vaak achteruitgeschoven, maar een jaar geleden kwam de aankondiging: op 24 september 2022 is het zover.   

Hoeveel heeft dat gekost?

Het oorspronkelijke budget bedroeg 44 miljoen; uiteindelijk is het meer dan 100 miljoen geworden. “Voor 21.000 vierkante meter museum is dat schappelijk, als je internationaal gaat vergelijken,” zegt algemeen directeur Carmen Willems. Met het gloednieuwe kunsthuis is nog niet alles verteld; een museum moet ook draaiend worden gehouden. Naast werkingsmiddelen van de overheid zoekt het KMSKA ook geld in de privésector. Je kunt als kunstliefhebber ook een digitaal aandeel kopen in een schilderij van James Ensor. 

Waar bleven de kunstwerken al die tijd?

In maart van dit jaar werd de eerste reusachtige Rubens uit het depot gelift naar de zaal. In de vroegere atoomkelder zijn meer dan 1.000 werken opgeslagen; er was ook een extern depot in het havengebied. Tijdens de lange renovatie waren er tentoonstellingen op andere locaties en werden meer dan 4.000 werken uitgeleend aan andere musea. Van de sluiting is ook gebruik gemaakt om meer dan 100 werken te restaureren; het resultaat hangt nu te blinken in het nieuwe KMSKA. 

Hoe ziet het museum er nu uit?

Je betreedt eigenlijk twee werelden in één museum. Het nieuwe deel met kunst van na 1880 is een “white space”, helder verlicht door 198 dakkoepels. Alles in de ruimte is wit, zelfs de glanzende vloer. Een smalle “stairway to heaven” leidt je in 100 treden naar boven. De tussenverdieping met kwetsbare kunst op papier heeft een nachtblauwe kleur gekregen. 

In het oude deel valt de monumentale traphal op, met opgefriste schilderijen van Nicaise De Keyser, ja, die van de De Keyserlei aan het station. De klassieke museumzalen zijn in hun volle glorie te zien, met wanden in warme kleuren, fraai parket en gouden versieringen in de kroonlijsten. Je kan overal rustig zitten op fluwelen banken; de zalen met negentiende-eeuwse kunst zijn echte salons waar het prettig verpozen is. 

En vooral, welke kunst krijg je te zien?

Het KMSKA heeft zo’n 6.500 kunstwerken; zowat een tiende daarvan is te zien in een nieuwe, luchtige opstelling met veel ruimte om elk schilderij of beeldhouwwerk tot zijn recht te laten komen. Grote nieuwigheid: de werken zijn gegroepeerd rond thema’s. Voor de oude kunst is dat bijvoorbeeld landschap of portret; voor de moderne kunst vorm, licht en kleur. Thematisch in plaats van chronologisch: dat moet het museum toegankelijker maken en bezoekers de kunst echt laten beleven. 

Als de chronologie wordt verlaten, dan kom je geheid verrassingen tegen. Een Salvador Dalí tussen 16e-eeuwse werken; een sculptuur van Berlinde De Bruyckere tussen de Vlaamse primitieven. Of schilderijen van nu, van Luc Tuymans en Marlene Dumas, die de ruimte delen met de beroemde Madonna omringd door serafijnen en cherubijnen van Jean Fouquet, uit het midden van de 15e eeuw. 

Die Madonna-met-kind, bijna buitenaards wit met rode en blauwe engelen, moet de “Mona Lisa” van het KMSKA worden. Naast de topstukken van Rubens of Ensor. Oostendenaar James Ensor, van wie het KMSKA de grootste verzameling heeft, krijgt een museum-in-het-museum. Maar er zijn ook veel schilderijen en beeldhouwwerken van Rik Wouters te zien. En beeldhouwwerk van Minne en Meunier. En fascinerende werken van Modigliani, Grosz, Schmalzigaug, Permeke, Smits, Alechinsky. Of prachtige Vlaamse primitieven: Van Eyck, Memling, Van der Weyden… 

Je komt dus ogen te kort in de 50 zalen van het KMSKA. 37 daarvan huisvesten de vaste collectie; 13 zijn bestemd voor tijdelijke expo’s. De eerste tijdelijke tentoonstelling gaat over de ingrijpende verbouwing. Er is ook een foto-expo van Karin Borghouts, die meer dan tien jaar nauwgezet alles heeft vastgelegd.

En voor kinderen?

Het jonge grut kan op verkenning doorheen de zalen, aan de hand van geestige interventies van hoedenontwerper en decorbouwer Christophe Coppens. Die heeft details uit de schilderijen uitvergroot. Levensgrote dromedarissen, een rotsblok, een reusachtige hand, een Ensorneus waaruit een snottenbel bengelt. Speuren dus waar dat fragment vandaan komt en aandachtig leren kijken.

Hoe ga je op bezoek en hoeveel kost het?

300.000 bezoekers verwacht het KMSKA per jaar. Online reserveren is aanbevolen. Een kaartje kost 20 euro; wie tussen 18 en 25 is betaalt 10 euro, onder de 18 jaar is de toegang gratis. Er zijn ook allerlei kortingen. Het museum is enorm groot; veel kans dat je nog een keer wil terugkomen om alles te kunnen bekijken. Dan biedt de Museumpas een oplossing: 59 euro voor een heel jaar toegang in het KMSKA en meer dan 200 andere musea in België. 

En de toekomst?

De verf van het KMSKA is amper droog, of daar is alweer een nieuwe politieke discussie: moet het museum fuseren met M HKA (Museum voor Hedendaagse Kunst Antwerpen, dat over enkele jaren een nieuw gebouw krijgt op de plek van het Hof van Beroep) en met Mu.ZEE in Oostende? Daar wordt binnenkort overleg over opgestart binnen de Vlaamse regering. 

Bij de betrokken instellingen lijkt er weinig animo voor te zijn. Antwerpse galeries en kunstenaars, zoals Luc Tuymans, zijn een petitie gestart tegen een eventuele fusie.  

Op Canvas loopt de driedelige reeks “Een nacht in het museum“. Thomas Vanderveken kijkt aandachtig én in het holst van de nacht naar drie topwerken van het KSMKA, samen met Wim Willaert, Sarah Vandeursen en Jaouad Alloul.  

Dit artikel is ook te lezen op vrtnws.be.

Water

Een jongeman uit Brussel verdrinkt in een steengroeve nabij Charleroi, een peuter in het zwembad van de buren in Hasselt, twee Poolse vrienden in de golven tussen Zeebrugge en Blankenberge. Op de Gentse feesten wordt Hakim moedwillig in het water gegooid. In de Middellandse Zee en in het Kanaal vergaan bootjes met migranten. Aan elk bericht over een verdrinking blijven mijn ogen haken, als had ik een zesde zintuig om dit nieuws te filteren uit de zee van gebeurtenissen. Sinds onze zoon Frederik in een kanaal viel.

Een kleine eeuw geleden bleef het al spoken in het hoofd van dichter Ed Hoornik.

Te Middelharnis is een kind verdronken.
Sober berichtje in het avondblad.

(…)

kranten waaien weg en zijn verouderd,
de dagen korten, nachten worden kouder,
maar over ‘t water komt zijn kleine stem.

Ik ben op mijn hoede voor water, had altijd al schrik van kopje-onder gaan. Echt goed zwemmen heb ik nooit geleerd. Desalniettemin trekt water mij aan, het uitzicht over een plas, de zee, een lome bocht in een rivier. Ik had deze zomer het geluk om zowel de Maas, de Rijn, de Elbe, de Trave en de Warnow te zien stromen richting zee. En vlakbij huis de Zenne, niet te vergeten.

Sitting on the dock of the bay, het gadeslaan van komende en gaande boten, geeft me een wijds en rustgevend gevoel. Maar er komt gelijk ook een afgrondelijke schrik van de boordsteen opzetten. Kinderen willen wegtrekken die te dicht bij de rand staan, liever in de verte kijken dan recht naar beneden, naar de naad waar land en water elkaar voorlopig nog in toom houden. Ook de waterspiegel draagt dubbelzinnigheid in zich. Erop of eronder? Gelukkig de wezens die met deze grens kunnen spelen, gelukkig de duikende aalscholvers, de springende vissen, de goede mensenzwemmers.

De kunsten zijn doorweekt van water, van marines op doek tot ontelbare liedjes down by the watersite. In de Kunsthalle van Hamburg bekijk ik de Tropfsteinmaschine van Bogomir Ecker. De kunstenaar laat de komende 500 jaar elke 20 seconden een druppel water neervallen, in de hoop dat er een stalactiet groeit. In de Sint-Jacobskerk van Lübeck luister ik naar een heerlijk concert op drie verschillende orgels. Bij het buitengaan zie ik een achterste kapel waarin een boot is gestrand. De kapel is gewijd aan alle verdronkenen.

In deze uitgedroogde zomer wordt duidelijk hoe waardevol en kostbaar water is. We proberen er zo zuinig mogelijk mee om te springen. Een tip: zet een teiltje in de gootsteen, vang het spoelwater van groenten- en handenwassen op. Je staat versteld hoeveel dat op het eind van de dag oplevert om dorstige planten te begieten.

Het water zet ons een neus, schudt ons door elkaar met tekort en teveel, en dat maken we met z’n allen alleen maar erger. De Vesder, één zomer geleden een kolkende rivier die zoveel leed berokkende, is nu een ondiepe modderpoel.   Net als in de andere natuurelementen zit in water een scherpe tegenstelling vervat. Leven gevend, leven nemend water.

Kristien Bonneure – Tertio 31 augustus 2022

foto Jorge Vasconez – Unsplash  

40 jaar “Ik ben eeuwig jong”

In 1982 verscheen “Ik ben eeuwig jong“, de debuutroman van Johny Van Tegenbos, pseudoniem van Lucas Vanclooster. Daarna zouden nog drie romans volgen: “Een opvoeder” in 1984, “De bochtenrijder van de opera” in 1989 en “Funyu” in 1991. Alle vier uitgegeven bij Manteau. In de verhalenbundel “Mooie jonge goden” van 1985 werd “Kelvinator” opgenomen.

Men heeft altijd tegen mij gezegd: je bent een journalistiek schrijver. Toen ik journalist werd op de VRT zei men: je bent een literaire journalist. Ik ben mezelf gebleven dus.

Een gesprek met de ex-schrijver aan de tuintafel. Voor ons liggen twee exemplaren van “Ik ben eeuwig jong”, en ook een typoscript en een handgeschreven versie.

Lucas: Dat manuscript is onvolledig, ik begrijp niet waar de rest naar toe is. Het is al de zoveelste versie, want het is heel netjes. Ik schreef het over en nog eens over.

Kristien: Zonder marge, de volledige bladzijde volgeschreven?

Met pen. Daarna liet ik het uittikken door iemand, aan twintig frank per bladzijde. Ik kon en kan niet goed typen.

Hoeveel keer heb je “Ik ben eeuwig jong” herlezen in die 40 jaar?

Ik herlees het om de tien jaar. Dit jaar dus, en ook in 2012, 2002, 1992. In 1982 heb ik het natuurlijk verschillende keren gelezen, dat spreekt vanzelf. Ik zal het wel al tien keer gelezen hebben.

En wordt het beter?

Neen, het wordt niet beter. De goeie dingen springen eruit en zijn wel knap, maar de fouten vallen ook almaar meer op; het zwakke verhaal van de beëindiging van de relatie, dat is echt heel slecht. Er zijn ook dingen die twee, drie keer weerkeren. Ik vraag me af waarom de uitgever dat niet gezegd heeft, dan zou het boek evenwichtiger zijn.

Het is een boek over een jongen in een tehuis, die de instelling verlaat en er niet in slaagt om een normaal leven te leiden. Maar dat tweede deel is bijna even lang als het eerste. De gulden snede – twee derde en een derde – dat zou veel beter zijn.

Wanneer ben je aan deze roman beginnen te schrijven?

Heel lang daarvoor, in 1976 denk ik. Het boek heeft eerst een prijs gewonnen in 1978, samen met “De veranderingen” van Pol Hoste  en die prijs was: publicatie in 1979. Noch Hoste noch ikzelf hebben die prijs gekregen. We hebben allebei tijd verloren, dus. Ik maar liefst drie jaar. Dat gaf me wel de kans om eraan te werken en het beter, leesbaarder, chronologischer te maken. Maar het had drie jaar eerder kunnen verschijnen. Dat was beter geweest, want het is een echt seventiesboek. Het is verschenen in 1982. In 1979 was het actueler.

Het verscheen bij Manteau, maar er was eerst een andere uitgever?

Ik kreeg dus een prijs, de PEP-prijs, dat was 25.000 frank. Ik heb daar de helft van gekregen, Pol Hoste zelfs niets, hebben we later uitgezocht. Dat was een prijs van uitgeverij Pink Editions, van de Pink Poets, zoals Luc Appermont ooit letterlijk fonetisch zei: de pink poets… De uitgever was een adellijke loodgieter die als hobby kunst en literatuur had. Hij had een prijs bedacht om jonge schrijvers een kans te geven, maar deel twee is er nooit gekomen. Dat was natuurlijk heel vervelend, want je wil publiceren. Je bent jong, je zit op hete kolen! Je wil als jonge schrijver debuteren, niet als 27-jarige zoals het uiteindelijk geworden is. Dit is een boek van een erg jonge schrijver, niet van een bijna-dertiger. Het was een heel zenuwachtige periode.

Gelukkig was er Georges Adé die ook met die Pink Editions te maken had. Hij kende Julien Weverbergh van Manteau en heeft het boek daar naar binnen geschoven. Ik moest het nog wel officieel vragen, maar het is gelukkig aanvaard.

Wie was die adellijke loodgieter?

Robert Lowet de Wotrange. Er was even een onaangename briefwisseling tussen ons, hij dreigde zelfs met een proces.

Omdat je naar een andere uitgever liep?

Ja, waarna Pol Hoste zei: draai het maar om, doe jij hem maar een proces aan, want hij heeft jouw carrière en de mijne drie jaar vertraagd. Nadat er daarover ook nog een artikel was verschenen in De Zwijger, is het gewoon opgelost en heb ik nooit meer van die Lowet gehoord. Ook Weverbergh zei: trek je dat niet aan.  

Het boek valt uiteen in twee delen. Het start in een instelling voor jongens: “Kleuters van Kristus” en voor oudere jongens “Jongens voor Jezus”. Waar kwam je inspiratie vandaan?

Wel, ik wilde al lang een boek schrijven over de volledige menselijke impotentie om iets te doen, om contact te hebben met anderen, om zinvol te leven. Maar ik had geen kader, geen kapstok. Toen werd ik opvoeder, in 1975, en na enkele maanden had ik door: dit is het!

Er woonden daar alleen maar jongens – en het was een volledig mannelijk team, alleen in de keuken werkten vrouwen en als een vrouw uit de keuken wat te veel contact had met de jongens, vloog ze buiten, zo ging dat.

Ik dacht: hier worden die jongens voorbereid op een impotent leven. Alle kansen om normaal om te gaan met mensen en om liefde te geven worden hier gefnuikt. Ik zal die problematiek van impotentie tot leven, tot relaties, in de schoenen schuiven van een jongen uit een tehuis, een jongen die er wel een beetje uitspringt. Ik ben zelf een jaar opvoeder gebleven en er waren genoeg anekdotes om te gebruiken; het waren er zelfs te veel. In een tweede boek “Een opvoeder” kon ik nog meer anekdotes kwijt.

Ik had altijd al een zekere fascinatie voor die jongens. Zij woonden ook in Roeselare, en soms kwamen ze naar de vakantiespeelpleinwerking, die net als het tehuis door de Bank van Roeselare en West-Vlaanderen werd gefinancierd. En ook in mijn school doken ze soms op. Het waren rare jongens, met wie je moeilijk contact kon krijgen. In het eerste middelbaar zat ik lang naast zo’n gast, die beweerde dat zijn moeder stripteaseuse was…

Wat was er aan de hand met die jongens?

Er was thuis iets mis. Ze waren geplaatst door de jeugdrechter, niet omdat ze zelf iets mispeuterd hadden, maar omwille van hun ouders. Vechtscheidingen, dronkenschap, criminaliteit. Soms waren de ouders verdwenen. En het ging soms over hele families, zes broers die geplaatst moesten worden omdat de ouders uit hun ouderlijk gezag waren ontzet. De jongens zaten soms redelijk ver van huis. Bij ons in midden-West-Vlaanderen kwamen de gasten uit Gent. Er waren er soms wel die met de fiets naar huis gingen. Naar Gent of Tiegem of Waregem.

Kon je in dat jaar dat je er werkte iets veranderen? Of was het daar “One flew over the cuckoo’s nest”?

Dat heb ik natuurlijk geprobeerd (lacht). Het begon met toneelspelen. We hebben één stuk opgevoerd, een eigentijdse versie van “Waar de sterre bleef stille staan” van Felix Timmermans. Er was wel een traditie van zingen en toneelspelen. Het kinderkoor heeft bij voorbeeld lang bestaan. De oudere jongens konden toneelspelen. Dat heb ik overgenomen en daar iets eigentijdser van gemaakt.

Ik probeerde ook een soort radendemocratie in te voeren. De jongens zouden het gezag krijgen en wij, opvoeders, zouden als een regering uitvoeren wat het parlement van de jongens had beslist. Nu, dat werd natuurlijk tegengewerkt. Ik probeerde ook wat vriendelijker te zijn en wat avontuurlijker dingen te doen. Maar dat is niet gelukt en na één jaar hebben ze mij de deur gewezen.

De hoofdopvoeder was een pater, die net weer thuis was uit Congo. Het tehuis werd gefinancierd door de staat, maar die bank van Roeselare en West-Vlaanderen betaalde ook veel, de gebouwen en zo. Dat gaf een enorme PR, iedereen wist dat.

Het tehuis was ooit gesticht door een legendarische ongetrouwde vrouw die dat lange tijd in haar eentje deed en bij mensen ging bedelen. Vandaar dat de kinderen allemaal dezelfde kleren hadden. Grijs, grauw en triestig. In mijn tijd kregen ze nog altijd kleren van het tehuis, maar bijna niemand droeg ze. De meesten trokken een jeans aan; de echte sukkelaars moesten de kleren van het tehuis dragen.

Die ervaringen heb je verwerkt in het boek. Maar je hebt in het midden gelaten of jij zelf het hoofdpersonage bent. Toen het boek verscheen, dachten mensen dat je zelf in een instelling had gezeten. En je hebt gefoefeld met je leeftijd!

Ik wilde die drie jaar inhalen door me drie jaar jonger te maken.
En voor Julien Weverbergh was het publicitair interessant om van mij een tehuisjongen te maken. Ik heb dat niet kunnen vermijden. Ik had gezegd dat ik niet zelf in een instelling heb gezeten. Ik ken het milieu wel door de speelpleinwerking (eerst als kind en later als monitor), omdat de jongens bij mij op school zaten en door mijn werk als opvoeder maar ik zat daar zelf NIET.

Weverbergh heeft een flaptekst geschreven die ik niet heb goedgekeurd: “De door hem beschreven situaties ondervond hij aan den lijve”. In zijn contacten met de pers of in de voorjaarsbrochure heeft hij ook gedaan alsof ik in een instelling had gezeten. Dat zal allemaal wel in orde komen, zei hij.   

En daar smulde de pers van?

Weverbergh was eigenlijk een soort maffiabaas (lacht); hij zag er ook wel een beetje zo uit. Hij leeft gelukkig nog, de goede man. Ik kon daar eigenlijk niet tegenop. Ik zat in een maalstroom, dat boek moest rap verschijnen, er waren een paar interviews en die flaptekst wilden ze niet meer veranderen. Nog maar tien jaar geleden is er nog een brochure verschenen bij de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers en daar sta ik opnieuw in als tehuisjongen! Zelfs Lionel Deflo die dat schreef, had foute informatie. Ik was het dus NIET! Ik was een bevoorrechte en empathische toeschouwer en medewerker, dat wel.

Hoewel je je natuurlijk wel kunt afvragen of er toch niet meer was dan alleen maar empathie, want ik heb zelf geen leuke kindertijd en jeugd gehad. Je kunt je afvragen of ik me niet vereenzelvigd heb met Christian, de ik-persoon. Misschien zat ik wel dichter bij hem dan ik vermoedde. Overigens, mijn ouders hebben maar twee jaar later geweten dat ik boeken schreef, toen in De Krant van West-Vlaanderen verscheen dat ik een provinciale medaille kreeg voor “Een opvoeder”.

“Ik ben eeuwig jong” kwam dus op de markt via de grote poort van uitgeverij Manteau. Hoe is dat boek ontvangen?

Ik mag daar niet over klagen. De verkoop was relatief goed. Er zijn er 2.500 gedrukt, daarvan zijn er 1.800 verkocht en daarna nog enkele honderden via De Slegte.

Eén druk?

Ja, ik heb nooit herdrukken gekend. En de pers? De Morgen was redelijk positief, zelfs André Demets in De Standaard noemde mij een nieuwe stem, waarvan hij nog veel verwachtte (lacht). Er verscheen iets in bijna alle kranten en in het toen gezaghebbende weekblad De Nieuwe. Ik had natuurlijk gehoopt op Knack en Humo, maar daar kwam er niets. Een interview in Spectator en in “Wie schrijft die blijft” op de BRT, dat wel.

Ik heb vier romans geschreven en drie daarvan zijn eigenlijk goed ontvangen door de pers. De laatste, “Funyu”, werd unaniem gekraakt en verkocht niets. Waarna ik met weinig verdriet afscheid genomen heb van de literatuur. Ik had intussen uitzicht op een job bij de VRT.

Behalve de anekdotes uit het tehuis, zitten er nog meer autobiografische elementen in “Ik ben eeuwig jong”? Het kijken naar auto’s vanuit het raam van je grootmoeder?

Als je bepaalde dingen cadeau krijgt, moet je ze gebruiken. Het huis van de grootmoeder, de overleden grootvader-metselaar, dat is 100 procent autobiografisch. Of naar de kapper gaan. Of je met die jongens naar de kapper ging, of met een norse vader die je haar liet knippen zoals je het zelf helemaal niet wou, dat is hetzelfde. Kapsalon Gerard uit mijn kindertijd. De avonturen in het zwembad zijn ook authentiek.

Op zeker moment verlaat je de setting van het tehuis en gaat het vooral over Christian die vermoedt dat hij een piemelprobleem heeft en allerlei dokters opzoekt.

Als ik dat nu lees, is dat heel lang. Eén doktersbezoek zou volstaan hebben.

Maar het is wel belangrijk voor het verhaal, omdat hij eerst dat probleem wil oplossen voor hij een relatie aanknoopt met een meisje?

Eén doktersbezoek was toch genoeg in plaats van drie. Ik wilde beschrijven welke lijdensweg, welke calvarie het was. Eén doktersbezoek, dat ik zoals in het boek helemaal uitschreef in toneelvorm bijna, zou vijf bladzijden winst betekend hebben.

En het bleek ook helemaal niet nodig…

Toch wel! Want hij heeft uiteindelijk nooit de liefde bedreven in het boek.

Maar er was toch niets mis met zijn piemel?

Hoe weet je dat? (lacht).

Oei, spoiler… Hoe snel zijn de andere boeken gekomen, na “Ik ben eeuwig jong”?

Twee jaar later was er al “Een opvoeder”. Dat was eigenlijk al bijna klaar toen “Ik ben eeuwig jong” uitkwam. Manteau vond het goed dat er een tweede boek zou verschijnen over hetzelfde thema, maar dan vanuit de andere hoek bekeken, die van de opvoeder. Het is als boek beter dan het eerste; het lijkt er qua structuur wat op, met een deel dat zich in de instelling afspeelt en een deel erna. Maar meer verbonden. De opvoeder is homoseksueel en heeft later een relatie met een jongen uit het tehuis. De band met het eerste deel was daar sterker.

In “Ik ben eeuwig jong” is dat niet zo; daar heeft het tweede deel bijna niets te maken met het eerste. Alleen die impotentie en dat onvermogen tot communicatie zit er nog altijd in. In het begin is er het meisje Vivi, dat de jongens zien in het zwembad. Ik had hààr later weer moeten opvoeren, en niet een totaal ander meisje dat na 100 bladzijden uit de lucht komt vallen. De echte Vivi is trouwens onlangs overleden…

We spreken over 1982 en 1984; de derde roman kwam er veel later?

Ja, daar zitten vijf dode jaren tussen. Eerst was er nog de bundel “Mooie jonge goden”, waarin k een afsluitend verhaal heb geschreven over een zeer eenzame, eigenzinnige jongen in een tehuis, die op het eind zelfmoord pleegt. Hij is dol op koelkasten, vandaar de titel “Kelvinator” en hij pleegt zelfmoord door zich in de koelinstallatie van de slager waar hij werkt te laten opsluiten…

Toen was het afgerond en moest ik een nieuw thema zoeken. Het was vergelijkbaar: ik was beroepshalve opvoeder en daarna beroepshalve chauffeur van de opera De Munt in Brussel. Dat was ook een cadeau. Ik had een pak culturele ideeën, die dicht lagen bij die van directeur Gerard Mortier, maar ik vond dat die in een roman toegankelijker konden zijn voor een groot publiek. Met een gewone jongen die chauffeur is en vertelt wat hij allemaal ervaart.

Vóór “De bochtenrijder van de opera” zaten er nog wel enkele pogingen tot roman, die nooit iets geworden zijn. Eén boek is geweigerd en één zou een grote familieroman worden, een soort eigen Buddenbrooks, maar die heb ik nooit echt goed in mekaar gekregen (lacht).

Na “De bochtenrijder van de opera” in 1989 kwam er “Funyu” in 1991?

En daarna heb ik nog een verhalenbundel aangeboden. Die werd eerst afgekeurd. Daarna heb ik die wat herwerkt, maar opnieuw werd hij afgewezen. Intussen werkte ik bij de VRT en kon het me niet zoveel meer schelen. En als ik sommige van die verhalen nu lees, dan is het misschien niet slecht dat het boek niet verschenen is.

In de verhalenbundel “Mooie jonge goden” uit 1985 was je in goed gezelschap?

Alleen mannen! Kristien Hemmerechts heeft daar toen een heel goed artikel over geschreven, een van de beste dingen die ze ooit geschreven heeft. Er waren Tom Lanoye, Herman Brusselmans, Stefan Hertmans met een heel goed verhaal. (En voorts Frank Albers, Frans Denissen, Joris Denoo, Rudi Hermans, Guido van Heulendonck, Bob van Laerhoven, Jan Lampo, Marc Mijlemans en Wim Neetens.)

Er waren toch wel enkele critici die mijn verhaal “Kelvinator” over die tehuisjongen het beste vonden… Sommigen zeggen dat dit verhaal van 12 bladzijden meer zegt over die tehuizen dan de twee romans die ik geschreven heb. Het heeft wel wat dezelfde structuur, een deel in de instelling, een deel erbuiten, waar de tehuisjongen in een slagerij moet werken, wat hij verschrikkelijk vindt, want hij houdt niet van vlees. Hij eet geen vlees, eet niets.

De twee operaboeken bleven altijd binnen het decor van de opera.

Na de slechte ontvangst van “Funyu” kwam je werken op de VRT, ook een leuk milieu om een roman aan te wijden toch?

Daar heb ik nooit aan gedacht, want dan zou ik een heel zinvolle, analytische roman over de media moeten schrijven en ik denk niet dat ik het talent heb om dat te doen. Ik heb wel meningen, losse flodders, ergernissen… maar een echte analyse van wat er verkeerd loopt in de berichtgeving – het veel te vaak aan het woord laten van extreemrechts, hoe de openbare omroep geleidelijk aan een commerciële wordt… dan zou zoveel werk zijn. Als ik vrijgezel was gebleven, had het misschien gekund (lacht).

Ik was tevreden met mijn job op de VRT-radionieuwsdienst, omdat ik daar ook schreef! Het was de tijd van stukken-met-eigen-stem voor Actueel, opstelletjes van vier minuten eigenlijk. Men heeft altijd tegen mij gezegd: je bent ‘n journalistiek schrijver. Toen ik journalist werd op de VRT zei men: je bent een literaire journalist. Ik ben mezelf gebleven dus (lacht). Ik doe hetzelfde in een ander medium, in kortere spurten. Ik ben altijd blijven schrijven, her en der verscheen er wel eens iets. Tot op de dag van vandaag kan ik kleine Vilvoordse stukken kwijt.

Je mist het niet, het in elkaar passen van een roman?

Nee, ik had door dat ik nooit tot de top van de Vlaamse, laat staan de internationale literatuur zou behoren, wat natuurlijk oorspronkelijk de bedoeling was (lacht).

Echt? Dacht je dat?

Mijn ambitie was om een belangrijk schrijver te zijn die zijn tijd zou uitleggen aan de lezers.

Uit ijdelheid of uit idealisme?

Uit idealisme, denk ik. Ik was heel geëngageerd, links, kritisch. Ik dacht: dit zijn vingeroefeningen, maar ooit zal ik het boek schrijven dat het allemaal uitlegt en ontmaskert (lacht)!

In mijn tweede boek “Een opvoeder” is het tehuis een echte maatschappij op zich, met verkiezingen, met al een paar jongens van buitenlandse oorsprong, de terreur kwam op… ik kon wel een aantal maatschappelijke gebeurtenissen laten binnensluipen in het tehuis. Een kleine versie van wat er in het groot aan het gebeuren was.

“Ik ben eeuwig jong” heeft een motto van Gerard Reve: “Een gezond, geestelijk weerbaar en evenwichtig kind zoekt de warmte waar die is, en gaat zich niet dag in dag uit en jaar op jaar voor een lege kachel staan warmen”. Was Reve je grote held toen?

Niet een grote held, maar ik las hem heel graag. Vanaf “De avonden” en zijn verhalen uit de jaren 50 tot “Een circusjongen” in de jaren 70 vond ik hem een heel goede, authentieke schrijver. Daarna begint hij zich te herhalen en wordt het “techniek” en sentimenteel en speelt hij een rol.

En wie waren je andere literaire voorbeelden?

Jan Wolkers, Harry Mulisch, Hugo Claus en ook Fernand Auwera. Die heeft ook een boek over impotentie als symbool van een groter gebrek aan talent om met mensen om te gaan. Ik denk dat het heet: “We beginnen de dag opgeruimd en lopen rond de tafel”. Ik heb ook vrij vroeg Heinrich Böll gelezen. Vanaf mijn 14, 15 jaar was ik een verwoed lezer. Ernest Claes, Stijn Streuvels Marnix Gijsen, Hubert Lampo… Geen vrouwen, nu ik er zo over nadenk…

En tot slot, wat betekent de titel van je debuutroman “Ik ben eeuwig jong”?

Het lijkt positief. Het boek begint met het woord “jong” en eindigt er ook mee.

Jong zien ze er met hun geknipte varkenskopjes niet uit.

Hij nadert de glazen deur waarachter voorlopig niets te bespeuren valt. Hij hoort de oude geluiden: iemand aan de knoppen van de Televic, een tuitelige platenspeler, gedempt geschreeuw, gerinkel van lepels en messen. Het grind knerpt onder zijn schoenen. De zon schijnt uitbundig, zomer. Hij voelt zenuwen in de maagstreek en duizeligheid. Op het ogenblik dat hij links in het grote raam van het bureau, als in slow-motion, zijn soepel hollen en zijn mooie, deinende, lange haren ziet, weet hij: ik ben eeuwig jong.

Maar de titel is eigenlijk negatief. In het begin zijn het inderdaad jonge kinderen, maar op het eind betekent “Ik ben eeuwig jong”: ik ben eeuwig onvolwassen, ik zal nooit de stap naar het echte leven zetten. Ik kom weer waar ik vandaan kwam en ik zal er in zekere zin altijd blijven.

Een sprekende titel wel?

Ja, “Forever young” van Bob Dylan, toen hield ik van hem. Ik dacht zelfs een plaatje bij de roman te steken, een Nederlandse versie, en dat ik die zou zingen. Dom dat ik dat niet heb voorgesteld; misschien zouden ze erop ingegaan zijn. Ik heb lange tijd gedacht om de zin op mijn graf te laten zetten, maar dat zal ik dus niet meer doen.

“Watou vindt zichzelf opnieuw uit”: speels Kunstenfestival op en over de grens

Er waait een nieuwe wind door het Kunstenfestival Watou, met kunstenaars en dichters die ter plekke inspiratie vonden en nu hun werk tonen, de hele zomer lang. VRT NWS ging al eens voorproeven “aan de schreve”, op en ook over de grens tussen Frankrijk en België.  

Het Kunstenfestival Watou, intussen 41 jaar jong, is een kat met veel levens. Dit jaar tonen vaak jonge kunstenaars en dichters werk dat ze ter plekke hebben bedacht. Mentor Koen Vanmechelen lanceerde een oproep en organiseerde vorige zomer een tentenkamp voor artiesten in Watou. Uit dat Patchwork-project werden allerlei frisse ideeën geboren, zo blijkt uit de oogst van een jaartje later. 

Koen Vanmechelen: “Dit is een Watou dat zich bevraagt, dat zich opnieuw wil uitvinden. In een expo als Watou moet er ook nieuw talent gevonden worden. Dat houdt een risico in.” Maar Vanmechelen ziet veel interessants in het thema “Sense of Place”:  “Het is kunst die hier ontstaan is, maar niet noodzakelijk hier moet blijven. We praten over universeel werk. Daarom zijn het ook kunstenaars! Ik ben zelf actief met Labiomista in Zwartberg – of all places – maar ook vandaaruit kun je communiceren met de wereld. Zolang het werk maar een innerlijke kracht heeft en universele thema’s aanraakt.” De wereld is het dorp en het dorp is de wereld.

Watou als broedplek voor nieuw talent: dat neemt Koen Vanmechelen letterlijk. Het was in Watou dat hij meer dan 20 jaar geleden zijn “Cosmopolitan Chicken Project” begon, de kruising van rassen op zoek naar de universele kip. Intussen is de kunstenaar wereldwijd actief. Hij stelt dit jaar opnieuw zelf tentoon in Watou, onder meer in de kerk, waar een haan en een nar elkaar in de hoogte omhelzen,  een “tableau vivant met het tabernakel”.

Wat valt er op in het Kunstenfestival Watou dit jaar? Dat veel kunstenaars niet zomaar met hun creaties zijn neergestreken in het dorp, maar lange tijd aanwezig waren én met de inwoners hebben samengewerkt. Zoals de jongste van de bende, de 23-jarige Helena Cnockaert, zelf van de streek. Ze stelt in Watou haar masterproef textielkunst voor. “Ik heb hier twee zomers gewerkt als jobstudent, als suppoost. Ik zat altijd voor de deur te borduren. Bezoekers zeiden wel eens: wie weet sta je hier zelf ooit als kunstenaar.”

Helena Cnockaert belde bij de Watounaren aan en vroeg hen naar een betekenisvol voorwerp in hun leven. Dat bracht de meest persoonlijke verhalen over lief en leed naar boven, die de artieste transformeerde tot textielkunst. Het resultaat  – geweven, geborduurd, gedrukt – is  fragiel en intiem. “Ik wilde een brug zijn tussen de inwoners en de kunst. Ze zeiden dikwijls: kjér mo eké were, kom nog maar eens terug. Dat is dan ook de titel van mijn project.”

Ook het werk van Tom Bogaert is verankerd in Watou. De kunstenaar is deze zomer ook actief in het mekka van de hedendaagse kunst, Documenta in Kassel, maar hij stelt tegelijk tentoon in de Westhoek. Op de staande wip van de schuttersgilde Sint-Sebastiaan heeft hij een grote kop van kunststof bevestigd, gemaakt door een reuzenbouwer in Frans-Vlaanderen. Een “universele Watou-kop” die tot 30 meter hoogte wordt opgehesen.

Bogaert zocht meer dan 400 foto’s van Watoubezoekers op het internet en maakte daar één amalgaam van. Die foto stond model voor de reuzenkop.  ”De Watounaren hebben hier dus onvrijwillig aan geparticipeerd,” zegt Bogaert. “We doen het allemaal, we zetten foto’s op Facebook, Instagram, zonder de kleine lettertjes te lezen.”

Anne ten Ham werkte samen met de bewoners van De Lovie, een instelling voor mensen met een verstandelijke handicap. Vorige herfst verzamelden ze een massa herfstbladeren die ze zorgvuldig bewaarden tot nu. Een balzaal in kasteel De Lovie is ermee gevuld; je kunt er lekker doorheen struinen. Ten Ham: “De Westhoek is een wat ingeslapen streek, in de herfst van haar bestaan, met veel leegstand ook. Maar het is niet enkel treurigheid. Het ritselt en leeft in deze blaadjes, er zit ook voedsel in voor volgend jaar.”  

Three billboards outside Watou

Watou ligt op de grens met Frankrijk en veel kunstenaars spelen een spel met die onzichtbare lijn. Naast het café “A la frontière belge” is een wisselkantoortje opgetrokken, waar je euro’s kan wisselen voor de lokale munt, “de schreve”. Aan de Franse kant van de grens staan billboards met gedichten, die je vanuit België enkel met een verrekijker kan ontcijferen. 

Het speelse en lichtvoetige zit ook in de installaties van De Reuringdienst, een enthousiast collectief van sociale designers uit Eindhoven. Vorige zomer zetten ze een houten douanewachthuisje in Watou en wachtten tot mensen er nieuwsgierig naar kwamen kijken. Dat gebeurde zeker, herinnert Watounaar Guido Doolaeghe zich; mensen kwamen met verhalen van vroeger over “smokkelen of blauwen, zoals ze hier zeggen”. Guido heeft het “kommiezenkot” intussen geadopteerd; het staat in zijn landbouwloods.

Een zomer later heeft De Reuringsdienst op drie plekken in Watou prachtige, luchtige tunnels gebouwd (zie foto bovenaan dit artikel), van textiel of open rasterwerk, als een uitgerokken en verdampte vorm van het houten douanehuisje. Je loopt erdoorheen, ervaart bij het omkeren een ander uitzicht. En intussen luister je naar dichters die zich hebben geïnspireerd op de Watouse verhalen. Zoals rapper en beatmaker Benjamin Hertoghs: “Ik heb rondgewandeld en geluiden opgenomen. Ik heb de streek en de mensen van Watou gesampled.” Resultaat: een aanstekelijk nummer. “Tijd zat, maar Watoudermee? Grond zat, maar Watoudermee?”  

En zo komen we bij de poëzie, die opnieuw een prominente plaats krijgt in het Kunstenfestival Watou. Niet enkel kunstenaars hebben nieuw werk gemaakt, op maat van Watou, maar ook dichters hebben nieuwe verzen geschreven, in dialoog met de kunst. De gedichten zijn te horen onderweg of te lezen op ramen en muren. Je kunt er zelfs eentje uit een machine trekken in de installatie “The Watou Read Thru”. Te herkennen aan de grote W in het park, een omgekeerde M van McDonalds. 

De oprichter van Watou, Gwij Mandelinck, wordt geëerd met een fietsparcours langsheen zijn gedichten; er is een ode aan de overleden Bernard Dewulf en in de Gasthuiskapel in Poperinge stellen dichter Max Temmerman en fotograaf Diego Franssens hun versies van het vaderland voor in “Koninklijk Circus.”

Een nieuwe adem dus voor het Kunstenfestival Watou, ook met buitenlandse kunstwerken die de Britse curator James Putnam heeft gekozen. Maar de financiële toestand van het festival blijft al jaren precair. Het is de stad Poperinge die met 300.000 euro diep in de portemonnee tast om het uitgebreide kunstenparcours mogelijk te maken.  

Van Vlaamse kant is er wel 160.000 euro subsidiëring voor het project “Patchwork”, de oproep aan kunstenaars om ter plekke te komen broeden op werk en het vervolgens ook uit te voeren. Maar dat budget is nog niet gegarandeerd voor volgend jaar.  Poperinge zoekt dus nieuwe middelen, want het is “alle hens aan dek”, zegt eerste schepen Loes Vandromme (CD&V). 

Kunstenfestival Watou 2022 tot 4 september 2022. Lees dit artikel met audio en video ook op vrtnws.be.

Vredesapostelen

Studio 4 van Flagey. Eeuwen geleden mocht ik hier met een groepje van de muziekschool een kleine radio-opname maken. Ik was nog een tiener, onder de indruk van dat gele gebouw als een gestrand schip in de stad. De droge, stoffige geur van het podium.

Nu veeg ik de herinneringen uit en zit weer eens in het publiek. Ik kijk naar het orkest, naar de dirigent die met zijn baton heel even de wijzers van de klok tegenhoudt. Tussen het stemmen van de cello en de eerste noten van het stuk bevinden we ons met zijn allen in een strakgeblazen ballon van verwachtingsvolle stilte.

Dat was de halve finale. Intussen is de finale van de Koningin Elisabethwedstrijd voor cello aangebroken en is het actieterrein verlegd naar de Henry Le Boeufzaal van Bozar. Nog zo’n mythische plek met een wondermooie akoestiek, waar de twaalf finalisten nog tot zaterdag hemelse muziek maken. 

In de zaal klinkt het natuurlijk anders dan op tv. Maar het oog wil ook wat; op het scherm ben je getuige van de kleinste details. Soepele vingers en gepatineerd hout van eeuwenoude instrumenten. Non-verbale communicatie op het podium, blikken van verstandhouding, het knikje om samen in te zetten, de brede glimlach na afloop.

Is er iets mooiers dan een muzikant die in volle concentratie aan het zingen of spelen is? Ik zou hem of haar willen vragen: waar ben je nu? Waarheen brengt je die muzikale vervoering? Hoe voelt dat? Het is een voorrecht om daar getuige van te zijn en soms ook bijna een voyeur. Ten slotte is muziek spelen iets intiems en fysieks.

De “sportkant” van zo’n competitie laat me redelijk koud. Het maakt me geen ene fa-sleutel uit wie er eerste dan wel vierde wordt. Ik geniet van enkele weken intens luisteren en kijken, leer nieuwe muziek kennen of verbaas me er over hoe dezelfde Haydn zo verschillend kan klinken. Dank u, openbare omroepen van ons land, voor klank, beeld en vinnige commentaar.

De Koningin Elisabethwedstrijd is dus voor de tweede keer gewijd aan de cello, het instrument waarvan de klank naar verluidt het dichtst de menselijke stem benadert. Wellicht raakt de cello daarom een gevoelige snaar in ons. Hij klinkt tegelijk warm en weemoedig. En staat symbool voor de vrede.

Enkele bekende cellisten van vroeger en nu zijn tot vredesapostelen van de Verenigde Naties uitgeroepen: Pablo Casals, Mstislav Rostropovitsj of Yo Yo Ma. Die laatste speelde recent nog bij de Russische ambassade in Washington, uit protest tegen de oorlog in Oekraïne. Rostropovitsj musiceerde in 1989 bij de eerste bres in de Berlijnse Muur. Vedran Smailovic was de cellist van het belegerde Sarajevo. Dertig jaar later een soortgelijk beeld: Denis Karachevtsev met zijn cello op straat in de Oekraïense stad Kharkov, tussen de beschietingen door.

Kharkov, de geboortestad van Oleksiy Shadrin, een van de finalisten van deze Koningin Elisabethwedstrijd. Hij zou er op 24 februari een concert spelen. Maar die nacht vielen de eerste bommen. De cellist vluchtte het land uit, met niet meer dan zijn instrument en zijn paspoort. In Brussel speelt hij deze week Russische muziek van Sergej Prokofief.         

Tertio, 1 juni 2022

TWEESTROMENLAND

Salon van Sisyphus

Door Lucas Vanclooster

“De geschiedenis is cyclisch, schrijft Anne Applebaum in Twilight of Democracy. We zijn aanbeland waar politici vinden dat nostalgie niet alleen reflectief maar restauratief moet zijn. Het is een soort nostalgie naar een idyllische samenleving die nooit heeft bestaan. Zemmour, Baudet, Le Pen, Trump, de AfD, Orban en vele anderen verwerpen de democratie omdat een democratisch bestel onder meer de diversiteit en de scheiding van kerk en staat in stand houdt”.( Joseph Pearce in een commentaar op zijn nieuwe non-fictie-roman,Tussen Oder en Zenne, die op 6 april verschijnt.)

Joseph Pearce

De Vilvoords-Antwerpse auteur Joseph Pearce (°1951) schreef 10 boeken, met een breed scala aan onderwerpen. Twee thema’s steken er boven uit: zijnjoodse familie aan vaderskant, en het leven in Vilvoorde, de biotoop van zijn moeder. Het eerste kwam aan bod in 1999 in zijn verrassend sterke debuut “Het Land van Belofte: een familiekroniek” waarin hij…

View original post 1.329 woorden meer

Flower power

foto Meriç Tuna – Unsplash

“Iconisch”. Ik weet het, het woord wordt tegenwoordig te pas en te onpas gebruikt, maar het past wel bij een bekende foto uit de jaren zestig. Tijdens een mars op het Pentagon tegen de Vietnamoorlog steekt een jongeman een anjer in de loop van het M14-geweer van een militair. Vele betogers volgen zijn voorbeeld. Dichter Allen Ginsberg had al in 1965 opgeroepen om agenten, politici en journalisten te overladen met een massa bloemen. Bernie Bostons historische foto van 21 oktober 1967 is getiteld “Flower Power”.

Op de eerste dag van de Russische invasie in Oekraïne gaat een vrouw in het havenstadje Henichesk voor een Russische militair staan. Ze scheldt hem de huid vol en biedt hem een handje zonnebloemzaden aan. “Stop ze in je zak, dan zullen er tenminste zonnebloemen groeien wanneer jullie allemaal gesneuveld zijn.”

De soniashnik is de nationale bloem van Oekraïne. Niet toevallig werden er in 1996 symbolisch zonnebloemen geplant op de basis van Pervomaisk, waar voorheen Sovjetkernraketten hadden gestaan. Het land is bezaaid met velden vol helianthus annuus. Het is dan ook een reusachtige bron van inkomsten. Na Rusland is Oekraïne de grootste teler en zonnebloemolie is een belangrijk exportproduct. Er dreigt nu schaarste; zelfs de Belgische friet is in gevaar.

Het geel van een met-de-zon-meedraaiende bloem en het staalblauw van de hemel, dat zijn natuurlijk ook de kleuren van de Oekraïense vlag. De zonnebloem is intussen in de halve wereld uitgezaaid, in betogingen, op sociale media, op T-shirts en buttons, allemaal aangereikt uit solidariteit met Oekraïne.

Revolutie en verzet hebben symbolen nodig. De zachte kracht van bloemen. In 1974 steken betogers tegen de dictatuur in Portugal rode anjers in de knoopsgaten en de geweren van de oproerpolitie. In 2003 is er de Rozenrevolutie in Georgië, naar verluidt geïnspireerd door de oproep van een vroegere president om rozen in plaats van kogels te sturen naar de vijand. Kirgizië kent een Tulpenrevolutie in 2005, Tunesië een Jasmijnrevolutie in 2011, en in Wit-Rusland komen de voorbije jaren vrouwen in witte kleren en met witte bloemen op straat. Op gevaar van eigen leven.

Bloemen in geweerlopen duwen? Hoe naïef. We dachten het te kunnen redden met soft power. Maar daar zijn ze weer, de sabelslijpers, de vacuümbommen, de clustermunitie, de fallische raketten, de kepies.

Lies Van Gasse, een van de nieuwe Antwerpse stadsdichters, schreef:

Vroeger dacht ik, zonnebloem, er is altijd een hand
die je voor je uit kan steken om nee te zeggen.
Nee, van ga niet verder,
maar mijn blaadjes hangen en ik weet beter.
Het is de nee van wij kunnen niet meer terug.

De lente is begonnen. Het mooiste televisieprogramma, Gardeners’ World op de BBC, ok. Iets ontroerends noemen we ontwapenend. Was het maar waar dat bloemen ontwapenen. “In Ukraine’s fields the sunflowers blow. Between the crosses row on row.”

(Tertio, 23 maart 2022)

Moeten vrouwen naakt zijn om in het museum te hangen?

“Zomerdag” – Berthe Morisot (1879)

Vrouwelijke kunstenaars waren heel lang onzichtbaar, onbekend en dus onbemind. Daar komt gelukkig verandering in, blijkt uit een boek van kunsthistorica Christiane Struyven. Ze stelt 50 artiestes voor van 1850 tot nu. Bekende kunstenaressen zoals Frida Kahlo of Camille Claudel, maar ook veel nog te ontdekken namen. Ook twee Belgische internationale talenten: Berlinde De Bruyckere en Ann Veronica Janssens.

Ere wie ere toekomt: de provocerende titel van het boek “Moeten vrouwen naakt zijn om in het museum te hangen?” komt niet van kunsthistorica Christiane Struyven zelf: “Die eer komt toe aan de Guerilla Girls, een New-Yorkse coöperatieve van anonieme vrouwelijke kunstenaars. In 1989 stelden ze de vraag of ze naakt moesten zijn om in het Metropolitan Museum of Art in New York te komen.” 

Het bleek namelijk dat “85 procent van alle naakten op schilderijen of als beeldhouwwerk een vrouw was, terwijl amper 5 procent van alle kunstwerken door een vrouw was gemaakt.” Het was dus zowel een protest tegen de seksistische aankooppolitiek van musea, als een aanklacht tegen vrouwelijk naakt als lustobject. De Guerilla Girls zijn nog altijd actief.

Onbekend en onbemind

Christiane Struyven belicht 50 kunstenaressen van 1850 tot nu, in tekst en beeld. Er zijn bekende namen bij, zoals Frida Kahlo, Käthe Kollwitz of Camille Claudel. Maar andere vrouwelijke kunstenaars doen niet meteen een belletje rinkelen. Dat is geen toeval. “Vergeten” of “miskend” zijn woorden die heel vaak opduiken in dit boek. Heel vaak mochten meisjes niet aan een academie studeren of niet tentoonstellen. Ze werkten in de schaduw, en onbekend bleef onbemind.

De Franse Berthe Morisot is zo iemand, “een spilfiguur van de Franse impressionisten.” En toch raakte ze pas een eeuw na haar dood echt bekend. De verdienste van Amerikaanse feministen, vindt Christiane Struyven. “Vanaf de jaren 70 ontploft het feminisme in de Verenigde Staten; er komen veel vrouwelijke kunsthistorici die die onbekende vrouwelijke kunstenaars gaan opzoeken, analyseren, catalogiseren en publiceren. Bijvoorbeeld Berthe Morisot. Ineens was daar een ‘nieuwe’ schilder. Vandaag vinden velen dat ze thuishoort in dezelfde rij als Manet, Monet, Degas en Renoir.”  

Vrouwelijke thema’s mochten niet getoond worden

Nog een voorbeeld: Louise Bourgeois. Een Française die in 1937 naar New York verhuisde. “Ze was jaren actief als beeldhouwster en tekenares, maar in stilte, geïsoleerd. Haar kunst werd niet begrepen,” zegt Struyven. Pas op haar 72e kreeg ze een allereerste expo in het MoMA in New York; ze was de 80 voorbij toen ze internationaal doorbrak via de Biënnale van Venetië. “Haar vrouwelijke thema’s – seksualiteit, bevallen, de relatie moeder-kind, jaloezie  – konden en mochten tot dan niet getoond worden; men had er geen belangstelling voor.” Dat is nu wel anders. In 2006 was bijvoorbeeld haar grote bronzen spin “Maman” te zien boven het graf van James Ensor in Oostende tijdens Beaufort.

In het overzicht van het leven en het werk van 50 vrouwelijke kunstenaars zitten twee belangrijke internationale artiesten uit ons land: Ann Veronica Janssens die vooral kunst maakt met licht en Berlinde De Bruyckere met “een thema dat mannen niet zo vaak aankaarten, namelijk het menselijk lijden”.

Soms ging een mannelijke kunstenaar schaamteloos met het werk van een vrouwelijke collega aan de haal. Marcel Duchamp deed alsof hij met zijn “Urinoir” de conceptuele kunst uitvond, de kunst als idee; in werkelijkheid was het werk hoogstwaarschijnlijk van de Duitse Elsa von Freytag-Loringhoven.

Berthe Morisot werd pas een eeuw na haar dood erkend; Louise Bourgeois op hoge leeftijd, maar bij de jongere generaties gaat het tegenwoordig toch sneller. “Hedendaagse kunstenaressen kregen vanaf de jaren 90 eindelijk veel kansen om getoond te worden op de vele internationale kunstevenementen zoals de Biënnales, Triënnales of Documenta in het Duitse Kassel,” zegt Christiane Struyven. 

Galeristen zijn nog altijd niet happig om kunst van vrouwen te verkopen

“De moeilijkheid is wel dat de kunstmarkt slecht volgt. Galeristen zijn nog altijd niet happig om werk van vrouwen te verkopen, omdat daar minder geld mee te verdienen valt.” Maar de balans is op dit moment gunstig: “Het gaat de goede kant uit. Op dit moment zijn 30 tot 40 procent van de nieuwe kunstenaars vrouwen. Ze komen met andere thema’s, zoals globalisering, verstedelijking, identiteit, ontheemding of multiculturalisme,” besluit Christiane Struyven.

Moeten vrouwen naakt zijn om in het museum te hangen” van Christiane Struyven is uitgegeven bij Lannoo.

Lees dit artikel met video en audio erbij op vrtnws.

De kleine prins

Op de Heizel in Brussel opent een tentoonstelling in het teken van “De kleine prins” en zijn geestelijke vader Antoine de Saint-Exupéry. Het boek verscheen tijdens WO II, een jaar voor de auteur en piloot sneuvelde, en is volgens zijn achterneef Olivier d’Agay “een ambassadeur voor de vrede”. “80 jaar later zijn we opnieuw in oorlog tegen barbarij, dictatuur en totalitarisme.” 

Antoine de Saint-Exupéry. De kleine prins tussen de mensen”: zo heet de tentoonstelling die vandaag op de Heizel in Brussel opent over leven en werk van de Franse schrijver met interessant archiefmateriaal, maar ook met veel klank, kleur en beeld om kopje onder te gaan in de poëtische wereld van zijn beroemde verhaal “De kleine prins”. Saint-Exupéry werd met zijn vliegtuig neergeschoten in de Tweede Wereldoorlog. Zijn boodschap van hoop en menselijkheid is meer dan ooit relevant, nu er weer oorlog is in Europa.

Het is maar een dun boekje, “De kleine prins”, maar het heeft sinds de Tweede Wereldoorlog de wereld veroverd. Met 498 vertalingen is het het vaakst vertaalde boek na de Bijbel. Olivier d’Agay, achterneef van schrijver Antoine de Saint-Exupéry, kwam de expo in Brussel openen: “De kleine prins” is een universeel icoon, een ambassadeur van de vrede, het milieu, de kindertijd. Hij heeft zeer zeker een rol te spelen in de wereld van vandaag.” 

Je kan alleen goed zien met je hart. Waar het echt om gaat, kan je niet zien met je ogen

“De kleine prins” is een sprookje. Een kleine prins verschijnt in de woestijn aan een neergestorte piloot en begint te vertellen: van welke asteroïde hij komt, welke dwaze volwassenen hij heeft ontmoet op allerlei andere planeten. In die kleine verhalen zitten allerlei levenswijsheden. Zoals het vosje dat tegen de kleine prins zegt: “Je kan alleen goed zien met je hart. Waar het echt om gaat, kan je niet zien met je ogen.” 

Antoine de Saint-Exupéry was een klokkenluider

Achterneef Olivier d’Agay: “Saint-Exupéry was een klokkenluider over het milieu of de politiek. Zijn boodschappen en thema’s zijn heel hedendaags. Jonge mensen zouden die moeten herontdekken.” Wat is die visie dan? “Het gaat over ecologie, humanisme, samenhorigheid, vriendschap. Waarden die vandaag heel belangrijk zijn. Het is des te betekenisvoller om dit soort tentoonstellingen te maken in de tijd waarin we nu leven,” zegt Emilie Derom van organisator Tempora. 

Op het eind van de expo is er bijvoorbeeld het “Atelier van de Kleine Prins”, waar allerlei thema’s en stellingen aan bod komen in kleine scenes, gespeeld door acteurs. Hier mikt de tentoonstelling op scholen: je kan luisteren, oordelen en zelfs meestemmen, bijvoorbeeld over de voor- of nadelen van sociale media. “Het is de bedoeling om mensen te laten nadenken.”

Eens te meer zijn we in oorlog tegen barbarij. 80 jaar na Saint-Exupéry herbegint het weer

Dat deze tentoonstelling over een filosofisch sprookje nu opengaat, net nu Rusland Oekraïne is binnengevallen, raakt Olivier d’Agay, achterneef van Antoine de Saint-Exupéry, diep. “Ik ben geschokt, hier in Brussel, in het hart van Europa. We zijn eens te meer in oorlog tegen barbarij, dictatuur, totalitarisme. 80 jaar na Saint-Exupéry herbegint het weer. Zijn boodschap van hoop blijft zo belangrijk. Dit is niet het einde van de geschiedenis. Saint-Exupéry is dan toch niet zo oud, quoi.”

“Missing in action”

Antoine de Saint-Exupéry overleed op zijn  44e; hij sneuvelde tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zijn lichaam werd nooit gevonden. Hij voerde voor het Amerikaanse leger vanuit Corsica geheime verkennings­vluchten uit. Zijn laatste vlucht was in de avond van 31 juli 1944; daarna werd niets meer van hem vernomen, hij was “missing in action”. 

Pas in 2004 werd het wrak van zijn jachtvliegtuig van de zeebodem getild voor de kust van Marseille. Op de expo is een stuk van het landingsgestel van die Lockheed P-38 Lightning te zien, net als de armband van de schrijver, met zijn naam erin gegraveerd. Die was in 1998 toevallig door een visser bovengehaald.

Saint-Exupéry is de kleine prins en de kleine prins is Saint-Exupéry

“Saint-Exupéry was een fascinerende man, een romanpersonage met veel facetten. Schrijver, luchtvaartpionier, verzetsman…” somt Emilie Derom op. Dat veelzijdige leven toont de tentoonstelling met veel originele documenten, foto’s en voorwerpen. “Saint-Ex”, een telg uit een adellijke Franse familie, was een speelvogel die van kaarttrucs en schaken hield. 

Over zijn pionierswerk in de luchtvaart schreef hij in 1930 de roman “Vol de nuit”, die later verfilmd werd én in 1933 zijn naam gaf aan een parfum van Guerlain, dat nog altijd bestaat. Saint-Exupéry crashte verschillende keren met allerlei vliegtuigen, ook in de woestijn, zoals de piloot in “De kleine prins”. 

“Saint-Exupéry is “De kleine prins” en omgekeerd,” besluit Emilie Derom.  Hij schreef en illustreerde zijn bekendste boek in New York. Het verscheen in 1943, pal in de Tweede Wereldoorlog dus, een jaar voor zijn dood. In Brussel zijn originele tekeningen te zien van de evolutie van het prinsje. Het hele manuscript wordt bewaard in de Morgan Library & Museum in de Verenigde Staten, maar is nu voor het eerst ook te bewonderen in Parijs, in het Musée des Arts Décoratifs.

De tentoonstelling “Antoine de Saint-Exupéry. De kleine prins tussen de mensen” is te bezoeken in Paleis 2 op de Heizel, tot en met 30 juni  2022.