Ferrari 70

Enzo_Ferrari_-_Wheel_of_a_racing_car

Heel snel na de Tweede Wereldoorlog begonnen Enzo Ferrari en een klein team vrienden met de bouw van wat voor hen de “ideale sportwagen” moest zijn. Ze dachten daarbij vooral in functie van autosport. Het Designmuseum in Londen overloopt vanaf deze week die geschiedenis van innovatie, autoracerij en vernieuwend design. Ook de mensen achter het merk komen aan bod. In samenwerking met het Ferrari-museum in thuishaven Maranello toont het Designmuseum de eerste plannen en schetsen, alle historisch belangrijke race- en productiewagens, de Testarossa en 250 GTO onder meer, tot de Formule 1-wereldtitelbolides van Michael Schumacher en het allernieuwste hybride model, en ook parafernalia als helmen en pakken van beroemde piloten en van die dingen.

Het kan verbazing wekken dat Enzo Ferrari zo snel na de Tweede Wereldoorlog, die Italië had verwoest, aan een sportwagen dacht. In die tijd lagen de wegen in puin, de heropbouw moest nog beginnen. Italië, als bondgenoot van nazi-Duitsland, behoorde tot het verliezende kamp. Nergens ter wereld was de autosport al weer op gang gekomen.

Italiaanse politici en ondernemers wilden de Italianen weer mobiel krijgen met scooters – de Vespa en Lambretta zijn in die tijd van start gegaan. Het zou tot een eind in de jaren vijftig duren voor de Isetta, bij ons bekend als piepkleine driewielige BMW maar oorspronkelijk een Italiaans ontwerp, en de Fiatjes de Italianen weer in een auto kregen.

De man

Enzo Ferrari startte zijn carriere als racepiloot in 1919, heroïsche pionierstijden. Hij reed onder meer in modellen van Isotta-Fraschini en Alfa-Romeo. Tot 1939 was hij de officiële testpiloot van Alfa-Romeo. In datzelfde jaar startte hij een eigen bedrijfje in Modena. In 1945  – de echo van de explosies van de oorlog dreunde nog na –  werkte Enzo, toen 47 jaar oud, al aan zijn eerste eigen ontwerp, de 125S met een V12-motor, de typische krachtbronarchitectuur waar het merk altijd trouw aan zou blijven. De 125S was uiteraard rood. Op de tentoonstelling in Londen staat een replica uit 1987 van deze eerste wagen, die in 1947 eindelijk klaar was. 70 jaar geleden, de officiële geboortedatum van het automerk Ferrari.

Race-auto’s zijn mooi noch lelijk. Ze worden mooi als ze winnen.

Enzo Ferrari had maar één interesse: sportwagens. Hij bracht al zijn tijd in zijn atelier en aan het stuurwiel door. Vakantie bestond niet. Vooral van alleen knutselen in een verder lege werkplaats hield hij enorm. Enzo overleed in 1988, hij was 90, en had nog net de geboorte meegemaakt van de legendarische F40, toen de snelste auto op de markt.

De klanten

Vanaf  de vroege jaren vijftig verzilverde Ferrari het succes in de autosport met productiemodellen, die dus gewoon, nou ja, bij de dealer te koop stonden. Het woord “gewoon” klopt nog enigszins, de eerste Ferrari’s waren niet poepduur. Meteen schoven de celebrities aan. Ik noem alleen nog maar jazzlegende Miles Davis, acteurs Clint Eastwood, Sammy Davis, Brigitte Bardot en Peter Sellers. Dit jaar werd een Ferrari F430 van Donald Trump geveild voor 250.000 euro.

Ook Nick Mason van Pink Floyd en Mick Jagger hadden er een, en Fiatbaas Agnelli was een trouwe fan. Verschillende Fiatsportwagens zijn trouwens met een beetje hulp van Ferrari ontworpen, onder meer de wonderprachtige 2300 S coupé uit de jaren 60, de Dino’s tien jaar later en eind twintigste eeuw nog de Coupé en Barchetta. Uiteraard nemen Ferrari’s deel aan films en feuilletons. Ik denk alleen nog maar aan de 365 GT Daytona in “Miami Vice” en de gewone 365 in de handen van Tony Curtis in “De versierders”.

 

Ons koningshuis

Dat verschillende leden van het Belgische koningshuis autofreaks zijn, weet iedereen. In de jaren vijftig reden Boudewijn en Albert met een Ferrari, de broers hadden er één voor hen beiden. Een aanrijding met blikschade in de buurt van Leuven werd in der minne geregeld, maar kwam toch discreet in de pers. De Waalse romanschrijver Pierre Mertens heeft over dat ongeval mooie bladzijden in zijn meesterwerk “Koninklijke rust”. En ook Laurent was een tijdlang een Ferrari-addict. Niemand vergeet het beeld van Laurent die in zijn blauwe Ferrari de oprijlaan naar het paleis van Laken opstuift.

Andere Belgische Ferrari-adepten waren Tom Boonen, die een F430 in de prak reed, en Jean-Pierre van Rossem. De beelden van de corpulente beursgoeroe en Formule 1-renstal-eigenaar die zich in en uit een rode Ferrari hijst, zoals Gerard Depardieu op en van een scharminkelig paard in de film “Germinal”, blijven op het netvlies gebrand. Sinds Van Rossem weten we trouwens dat er een scherpe vete bestaat tussen Ferrari- en Lamborghini-rijders, vergelijkbaar met de hetze tussen eigenaars van Vespa’s en Lambretta’s.

Design

Voor de modale bezoeker die weinig boodschap heeft aan autosport, zal de sectie van de tentoonstelling in Londen die de ontwikkeling van het design toont een stuk interessanter zijn. Meteen na de beslissing om ook productiewagens te bouwen, koos Ferrari de toen bekendste en beste auto-ontwerper ter wereld Battista Pininfarina om de wagens te ontwerpen. Die samenwerking met het nog bestaande studiebureau duurt tot heden.

Op de tentoonstelling staan schaalmodellen, windtunnelprototypes en uiteraard echte auto’s, tussen tientallen schetsen, ideeën, foto’s, maquettes en films. De expositie licht ook een paar tippen van de sluiers van toekomstige modellen. Want het gaat goed met Ferrari, de productie en de winst lagen nooit hoger. Zeker bij kapitaalkrachtige Russen en Chinezen ligt Ferrari in de bovenste lade.

Ferrari behoort tot de Fiat-Chryslergroep, via aan complexe constructie die wat lijkt op de verhouding Volkswagen-Porsche. Bedoeling is om de aandelen en de beurskoersen van Fiat en Ferrari gescheiden te houden, zodat de sportwagenbouwer exclusief aan zijn eigen imago en succes kan werken. Commercieel succes, ja: meer dan 7000 exemplaren per jaar, een omzet van drie miljard euro. Dat moet het al 10 jaar wachten op een wereldtitel in de sport goedmaken. Al is Ferrari wel het enige merk dat vanaf de jaren vijftig onafgebroken deelnam aan de Formule 1. En dat zal blijven doen.  En ja, naast de auto is er nog een heel gamma Ferrari-merchandising. Is een Ferrari-auto misschien te duur, een horloge kan er nog net van af.

De steigerende hengst

Het logo van Ferrari is een zwart steigerend paard op een gele achtergrond, met de letters SF. Waar komt dat vandaan? Uiteraard zijn er veel automerken die een krachtig (roof)dier als embleem gebruiken, denk aan Jaguar, zelfs Peugeot. Ook de Ford Mustang heeft een paard als kenteken, zij het dan een galopperende flink uit de kluiten gewassen pony. Het Ferrari-logo zou afkomstig zijn van hat cavalerie-regiment van een militaire piloot en oorlogsheld, Francesco Baracca. De moeder van Baracca schonk het zwart-wit wapenschildje dat het vliegtuig van haar verongelukte zoon sierde, aan Enzo, die ze al lang kende. Die koos een gele achtergrond, de kleur van Modena. SF betekent Scuderia of raceteam Ferrari.  Onnodig te vermelden dat de meeste Ferrari’s rood zijn.

Quanta costa?

Een Ferrari Portofino van nu krijg je in handen vanaf een goeie 200.000 euro. De andere modellen zijn 20 tot 100.000 euro duurder. Een maximumprijs is er niet, de lijst opties en gepersonaliseerde speciallekes is eindeloos. Een Ferrari is uiteraard een investering;, de waarde begint meteen na de aankoop te stijgen. In 2014 veranderde op een veiling een 250 GTO Berlinetta uit 1962 voor meer dan 30 miljoen euro van eigenaar, nog altijd het record. In de top 10 van duurste auto’s ooit geveild staan trouwens zeven Ferrari’s.

Een tweedehandse Ferrari kan je niet kopen op de vrije markt, laat staan op eBay. Bij aankoop tekent de koper van een nieuwe auto een contract met de clausule dat, als ze de kar beu zijn, Ferrari die weer opkoopt. Dat geldt ook voor vernielde modellen na een ongeval.

Mijn lievelingen

Ik hou het graag wat sober, dus zijn de allersnelste meest prestigieuze sportwagens niet mijn lievelingsvoertuigen. Integendeel, ik vind Ferrari’s en Lamborghini’s vaak nogal ridicuul. Het prottige geluid vooral. Maar in mijn destijdse verzameling van Jacques chocolade-prentjes uit 1962 zat de Ferrari 250 Gran Turismo, een 2500 cc V8 vierpersoons coupé die toen al 250 kilometer per uur haalde. Het was een vrij eenvoudige, herkenbare, strakke auto, en sinds mijn prille kindertijd mijn all time Ferrari-favorite. In het Autosalonnummer van de VAB-Autotoerist van 1968 dook de perfect gestroomlijnde Citroën SM-achtige Daytona op, mijn nummer twee. En van de latere Ferrari’s gaat mijn voorkeur altijd naar de minst spectaculaire modellen, die een eenvoudig mooi interieur hebben dat toch aan vier inzittenden plaats biedt. Een Ferrarigezinswagen, het kan.

Lucas Vanclooster. Lees deze test ook op vrt nws.be

Advertisements

Christo: “De wereld kan best zonder mijn ingepakte kunst”

a08b1972-b967-11e7-bbe7-02b7b76bf47fChristo stelt voor het eerst sinds tientallen jaren tentoon in ons land. “Urban projects” heet de expositie in ING Art Center, en ze was de aanleiding voor een bijzonder aardig interview met de 82-jarige kunstenaar die tot geen enkele stijl of school behoort, die gewoon samen met zijn vrouw en partner in crime Jeanne-Claude mooie dingen maakte, overal ter wereld. Een bedoeling, laat staan een politieke boodschap heeft hij daar niet mee. Schoonheid en unieke ervaringen beleven en delen zijn de drijfveren.

Van potlood tot reusachtig project

Hij wil niet aangesproken worden als “mister Christo”. Gewoon “Christo”, dat is zijn echte voornaam, sinds zijn geboorte in Bulgarije in 1935. Het werd ook zijn artiestennaam. Mijn eerste vraag gaat over het wonder dat al die soms gigantische projecten ooit, decennia voor de voltooiing, gestart zijn met een klein tekeningetje in potlood. Ja, het zijn ook geen gewone sculpturen, steekt Christo Vladimirov Javacheff van wal voor ik mijn vraag helemaal heb kunnen formuleren. “Vergeet niet dat ik onder meer architectuur heb gestudeerd. En de architect begint met een blad papier en een potlood.” Daarna maakt Christo fotomontages, er hangen er enkele aandoenlijke op de tentoonstelling, wat knullig gemonteerd of gefotoshopt, sommige met plastic of zeil over geplakt, bijna bas-reliefs.

Die tussenstadia vertalen de esthetische evolutie naar de uiteindelijke voltooiing van het hele project. “Het zou een totale leugen zijn als ik beweer dat ik in 1972 wist hoe de Reichtstag in Berlijn in 1995 zou uitdraaien”, zegt Christo. “Ik moest toen nog alles ontdekken, de psychologie van de Duitser onderzoeken, de administratieve problemen overwinnen, de fysieke aspecten van het werk ervaren, het licht, de wind. Daar hadden we in onze studio in Manhattan geen idee van”. Uiteindelijk kozen Christo en Jeanne-Claude voor zilverkeurig textiel, versterkt met strookjes aluminium.

Geen favoriet kind

Christo heeft de wereld verbaasd met heroïsche projecten. Heeft hij een favoriet werk? “Meneer, hoeveel kinderen heb je?”, reageert hij. “Wat is je lievelingskind? Dat kan je niet vragen.” Elk project was als een kind voor hen, benadrukt hij, dat helemaal bij een bepaalde periode van hun leven behoorde, en “daarom hielden we ervan”. (Christo en Jeanne-Claude hebben één zoon, Cyril Christo, die naam maakt in de wereld van design). In 1969, als jonge kunstenaars, pakten ze een woeste kuststrook in Australië in, met rotsen, de branding, er zwommen haaien. “It was madness!”, zegt Christo nu. “Maar het behoorde tot die periode van ons leven.”

578871845_1280x720Twee weken, en afgelopen, voorbij

Na al dat werk en die enorme herculische arbeid, blijft het officiële project 14 tot 16 dagen staan. Dan verdwijnt het, en het komt nooit meer weer, jamais. “Dat komt overeen met het leven”, zegt Christo, “de meest authentieke ervaringen zijn kort en tijdsgebonden. Het echte leven heeft geen repeat-toets. Je moet houden van de unieke omstandigheden van hèt ogenblik. De eeuwigheid bestaat niet.”

Het eeuwige leven bestaat niet, alleen het nu en de herinnering

Trouwens, Christo vindt niet dat hij zo hard werkt, hij geniet van de inspanning, van het vinden van een geschikt terrein, overleggen en plannen en knutselen met zo veel mensen, het geleidelijk ontdekken wat het zal worden. Een belangrijk aspect in die voorbereiding is de totale controle over het project om elke commercialiteit te vermijden. Christo huurt het terrein, ook dat van de Reichstag in 1995, tot een halve kilometer rond de plek om  commerciële en publicitaire aspecten te weren. Dat kost miljoenen. Het werk moet volledig gratis bekeken kunnen worden, niemand mag er financieel belang bij hebben.

De ingepakte Reichstag in Berlijn oversteeg de politiek

Het enige politieke werk dat Christo maakte, was “The iron curtain” in 1961, een stapel olievaten die gedurende acht uur de Rue Visconti in Parijs afsloot, een verwijzing naar de toen pas gebouwde Berlijnse muur. De Reichstag in Berlijn, kort voor dat historische monument opnieuw het parlement van het verenigde Duitsland werd, had geen directe politieke bedoeling.

Ik hou van de real thing, wind, zon, regen, mensen. Niet van computers en telefoons.

De Reichtstag is een site, volgestouwd met geschiedenis. Bij het project ging het over tientallen kilometers kunststof en touw, echte wind, zonneschijn, regen…”Ik hou van the real things”, zegt Christo, “ik sta 14 uren per dag overeind, ik beweeg graag. Ik kan niet autorijden, ik haat telefoneren, ik sla nooit een computer open, omdat ik alleen van echte dingen hou.” Christo was daarom erg blij toen er sneeuw viel op ingepakte bomen en op 7.000 poortjes met oranje linnen doeken in Central Park in New York.  Het kunstwerk speelde met de echte wereld.

De kunst van Christo is nutteloos

“Wat zinledig is, voelt zich vrij”, zegt Christo. “Nuttige zaken zijn niet vrij. Mijn projecten zijn radicaal. De wereld kan zonder. Niemand heeft de ingepakte Reichstag nodig. Alleen de mens kan dergelijke zinledige dingen bereiken.” De Reichstag is een perfect voorbeeld. Het waren bergbeklimmers, ervaren alpinisten, die de kunststof en de kabels aanbrachten. Er stonden geen steigers met zeilen die het werk aan het oog onttrokken. Van achter een afsluiting kon het publiek dat bekijken. Toen het inpakken klaar was, mochten de toeschouwers vlakbij komen. Het was mooi om zien hoe ze alles ontdekten, het op de wind bewegende textiel durfden aanraken. Hebt u in Berlijn of Brussel ooit een mens een gebouw zien betasten?”

Jeanne-Claude Denat de Guillebon

Jeanne-Claude is net zoals Christo geboren op 13 juni 1935. Ze ontmoetten elkaar toen Christo portretten schilderde van haar ouders. Sindsdien waren ze onafscheidelijk. Ze was zijn strengste criticus en adviseur. Acht jaar geleden overleed Jeanne-Claude. Velen vreesden dat Christo geradbraakt zou zijn, dat er een einde zou komen aan een prachtig verhaal. Niets was minder waar. Dat komt omdat alle concepten waar hij nu aan werkt, nog mee door Jeanne-Claude zijn voorbereid. “We werken nog altijd samen.”

De toekomst

De 82-jarige kunstenaar is in topconditie. Hij eet alleen ‘s avonds. Het ontbijt bestaat uit yoghurt met look. Hij woont al een halve eeuw in hetzelfde 19e eeuwse industriële gebouw in Manhattan, zonder lift. De 90 traptreden rent hij verschillende keren per dag op en neer.  Nooit zit hij stil.

Christo werkt opnieuw aan verschillende projecten tegelijk. Het belangrijkste is de mastaba in Abu Dhabi, dat het grootste kunstwerk in de geschiedenis moet worden, de pyramide van Gizeh kan er helemaal in. Voor het eerst gaat het om een gesubsidieerd werk, de Verenigde Arabische Emiraten betalen, en om een structuur die uitzonderlijk zal blijven staan. Een mastaba is een oorspronkelijk Mesopotaams bouwwerk dat het midden houdt tussen een piramide en een ziggurat, met twee vlakke en twee schuine wanden. Christo grijpt voor het basismateriaal weer naar zijn begindagen: de mastaba zal bestaan uit 400.000 gestapelde vaten. Hij bedacht het project 40 jaar geleden…

Christo was al vaak in België en Nederland. In 1978 was er in het PSK een tentoonstelling over zijn kilometerslange afsluiting van een ravijn in de Verenigde Staten. Hij had echter nooit ideeën voor projecten in ons land.

“Christo & Jeanne-Claude urban projects” is tot en met 25 februari 2018 te zien in het ING Art Center in Brussel.

Lucas Vanclooster

Bekijk de videobeelden op VRT NWS.

christo_en_lucas

Stephen King 70: de horror van het alledaagse

day-29-stephen-kingStephen King is een van de allerpopulairste schrijvers ooit. Op zijn zeventigste denkt hij niet aan stoppen. 

Al zowat 45 jaar bestookt Stephen King de wereld met vaak dikke boeken. En die verkopen als gek, overal. Het moet zijn dat zijn unieke combinatie van traditionele vertelkunst, realisme, geloofwaardige psychologie, no-nonsensetaal en talent voor het oproepen van dreiging wereldwijd aanslaat. Veel van zijn werk leidde tot klassieke films van de allergrootste regisseurs.

 

Kings verhalen spelen zich vaak af in de Amerikaanse staat Maine, waar hij exact 70 jaar geleden het levenslicht zag in een niet evident gezin. Zijn vader ging er vandoor toen Stephen twee was, het traditionele “ik ga eens om sigaretten”-verhaal. Vaak was die vader sowieso niet thuis, want hij werkte in de koopvaardij. Een en ander betekende een kindertijd en jeugd in betrekkelijke armoede, en af en toe verhuizen.  Stephen King kreeg een religieuze opvoeding.

De erfenis van vader

Vader Pollock-King liet het eerste deel van zijn naam vallen, en vergat iets kostbaars in zijn huis toen hij vertrok: een krat boeken, vooral SF, thrillers en horror. Stephen verslond alles. Door enkele dramatische ongelukken met vriendjes en familieleden legde hij de link van werkelijkheid naar fictieve gruwel.

 

King studeerde Engels aan de universiteit van Maine,  deed een heel gamma van bescheiden baantjes en was kortstondig ook leraar, in Hamden. Intussen schreef hij al, en af en toe verscheen een verhaal in een lokaal blad of in een studententijdschrift dat hij zelf had gesticht. Een aantal van die eerste probeersels verscheen veel later in de bundel “Night Shift”. Hij trouwde met Tabitha; het koppel woonde lang in een camper. Tabitha schreef zelf negen boeken. Twee van hun drie kinderen schrijven ook.

Verslaving

De moeilijke leef- en werkomstandigheden dreven Stephen naar alcohol, cocaïne, geneesmiddelen en andere ongezonde dingen. In 1989 gooiden familieleden een collectie van alles waar hij verslaafd aan was op het tapijt. Stephen kickte af … van dan af hield hij het bij drie sigaretten per dag.

 

King schreef vaak in compleet bezopen toestand, of stoned als een garnaal. “Carrie” kwam deels zo tot stand. In nuchtere toestand gooide hij het resultaat van dat geïntoxiceerde geschrijf weg. Maar zijn vrouw redde een omvangrijk manuscript uit de vuilnisbak en ze kon haar man overhalen om er verder aan te werken. Dat werd “Carrie”, Kings eerste succesroman in 1974. Kort daarop werd het verhaal over een wraakzuchtig, miskend, gepest meisje met paranormale krachten verfilmd.

“Ik ben altijd bang geweest om zelf gek te worden”. Dat zei Stephen King aan Martin Coenen, toen hij de schrijver in 1989 bij hem thuis in Maine opzocht voor een lang interview in “Wie schrijft die blijft“.

The shining

Aangemoedigd door het succes stortte King zich helemaal op schrijven. Het ging zo snel dat zijn uitgever niet kon volgen, en de marketingafdeling van het literaire bedrijf nog minder. Onder de schuilnamen Richard Bachman en John Swithen pende hij ook nog tien weliswaar kortere romans en verhalen bij elkaar.  In 1977 verscheen “The Shining“, vooral bekend van de verfilming door Stanley Kubrick, met Jack Nicholson in de hoofdrol. King was er niet zo voor dat Nicholson de rol van psychopatische sneeuwhotelbewaker op zich nam.

 

Intussen zitten we aan 54 titels en 350 miljoen verkochte exemplaren, in een breed gamma van genres – fantasy, SF, thrillers en horror- die nooit omslaan in gruwelijke bloederigheid. Een geloofwaardige psychologisering staat centraal. Veel van zijn (anti-) helden zijn gewone, onvoorbereide enkelingen die geleidelijk geconfronteerd worden met een groeiende onomkoombare dreiging. Dàt is de horror van het alledaagse, in die typische Amerikaanse voorsteden. Omgekeerd verglijden andere personages na frustrerende ervaringen in misdaad en meedogenloze wreedheid.

Cars delivered by Plymouth

Twee keer speelt een auto van het nu verdwenen merk Plymouth een prominente rol in een (verfilmde) roman. In “Duel“, het debuut van Spielberg, wordt een argeloze man die met zijn bescheiden Plymouth Valiant een trucker hinderde, kilometerslang achtervolgd door diezelfde woeste tankvrachtwagen.

In “Christine” (1983) vindt een onbegrepen geïsoleerde jongen een bondgenoot in een kwaadaardige Plymouth Fury. Helaas moesten voor die film 35 exemplaren van die klassieker voor de bijl.

In “Mr. Mercedes” is het uiteraard een zware Duitse bak die belangrijk is in de plot. In die recente roman plant een extreemrechtse zielepoot een aanslag op een concertzaal tijdens het optreden van een tienerband.  King schreef dit enkele jaren voor de aanslag in Manchester…

Lee Harvey Oswald ontwapend

22-11-1963” (2012) gaat natuurlijk over de moord op John Kennedy. In dit meeslepende boek raakt de hoofdpersoon via een magische deur in het verleden, dat hij kan beïnvloeden. Hij besluit om de moord op Kennedy te verhinderen. Het trucje van de deur tussen twee werkelijkheden gebruikte King eerder in “The Dark Tower 2: The Drawing of the Three”. Ook Murakami gebruikte dat procedé van de parallelle universa in “1Q84”.  In “22-11-1963” krijgen we een Kennedy die twee termijnen volmaakt, maar dat brengt een vredevollere wereld niet dichterbij.

Het boek is beter

De populairste roman van King is “It” uit 1986, met de griezelige horrorclown. Een miljoen exemplaren ging over de toonbanken.  In de jaren 90 werd er een miniserie voor tv van gemaakt. De nieuwe verfilming door Andy Muschietti is op dit ogenblik te zien in de bioscoop.

 

Een bijzonder knappe verfilming die King sterk ontroerde is “Stand by me“, van Rob Reiner, naar “The body“. Daarin gaat een groepje puberjongens op zoek naar het lichaam van een vermoorde man. Die queeste groet uit tot een bedevaart van initiatie en zelfontdekking.  Met de jonge River Phoenix, John Cusack en Kiefer Sutherland.

Ook “Misery” is een knappe verfilming. In die claustrofobe thriller houdt een fan haar lievelingsauteur, die net voor haar huis een auto-ongeval had en daardoor immobiel is, op nogal drastische wijze gegijzeld, tot hij belooft ‘n vervolg te breien aan de succesreeks “Misery”. Voorts vermeld ik de topfilm”The Shawshank Redemption“.

Het is wachten of ook Kings laatste titel, “Sleeping Beauties” uit 2017, een film wordt. Het zou best kunnen, want dit verhaal in een vrouwengevangenis is erg verfilmbaar.

Salami en Big Mac

In 1999 was King betrokken in een ongeval dat enigszins leek op wat hij in “Misery” bleek te hebben voorspeld. Een bestelwagen reed hem langs achter aan toen hij met zijn hond wandelde. Zwaar toegetakeld kwam King in het ziekenhuis terecht. Hij verwerkte de ervaring in “De Donkere Toren” en “Kingdom Hospital”. Na de milleniumwissel deed King het wat rustiger.  Maar hij schrijft nog altijd zes pagina’s of meer per dag.

Volgens King moet een auteur vier tot zes uur per dag met schrijven en lezen bezig zijn. Zelf hanteert hij een Waterman-vulpen en hij noemt die de beste wordprocessor ter wereld. Meestal begint hij met de gouden vraag “wat als…?”. Hij bekent dat hij beïnvloed werd door Bram Stoker van Dracula.

Zijn stijl is ontspannen, zijn dialogen grandioos en hij kan domheid, angst en wreedheid genadeloos ontleden. Zijn horrorstories tonen een strijd tussen het normale en abnormale. Bij dat alles blijft King bescheiden, hij noemt zichzelf een salami- en Big Mac-auteur. Salami en Big Mac stellen niet veel voor – ze vallen buiten de nieuwe voedseldriehoek –  maar er is toch vakmanschap en talent nodig om er goeie te maken.

Rock-‘n-roll en politiek

Stephen King speelde gitaar in de Rock Bottom Remainders. Hij is een onvoorwaardelijke fan van The Ramones, die hij enkele keren vermeldt in een roman. Hij houdt voorts van AC/DC, Metallica en andere heavymetalbands. Hij deed enkele kleine cameorolletjes in films en series. En hij is dol op Harry Potter en de televisie-serie “Lost.”

Hoewel King een overtuigd democraat is, staat hij niet achter het gematigde abortusstandpunt van de partij. Barack Obama kon altijd op zijn steun rekenen. Hij behoorde tot de groep welstellenden die opriep om meer belastingen te betalen, en zelf het voorbeeld gaf. Hij sprak zich vaak uit voor strengere wapenwetten.

Een schone mens

Samen met zijn vrouw beheert King de STK-liefdadigheidsorganisatie, voluit “Stephen and Tabitha King-foundation”. Die charity helpt de armen in Maine op allerlei vlakken, met gezondheidszorg, huur en onderwijs onder meer. Hun ideeën verspreiden ze via drie eigen radiostations.

Van grote mediabelangstelling en openbare massa-optredens houdt Stephen King allerminst. Handtekeningen deelt hij niet uit. Uiteraard moet zo’n man weinig hebben van The Donald. In 2016 noemde hij Trump een racistische bleekscheet met het temperament van een driejarige. Trump blokkeerde prompt zijn Twitteraccount. En King strafte Trump meteen door hem te verbieden naar nieuwe verfilmingen van “It” en “Mr. Mercedes” te gaan kijken, twee films waarin criminele clowns een beslissende rol spelen … Happy birthday and thanks a lot, Stephen King!

De Zuiderburen van de Hollanders in Den Haag

Dertig portretten uit de periode 1450 tot bijna 1700, meer hangen er vanaf donderdag 7 september 2017 niet in het Mauritshuis. Maar wat een verrukkelijke en gevarieerde wereld gaat er open! Karaktervolle koppen van machtige heersers en vrome burgers, de tronie van een sjofele loser, de facies van wereldwijze kinderen… En allen in hun erg verschillende biotoop.

Portretten van 500 jaar geleden, kunnen die de bewoner van de 21ste eeuw nog boeien? En of. Het Mauritshuis, pal in het politieke en culturele centrum van Den Haag, vlakbij het Binnenhof en het Torentje, bewijst het met verve. Vooral de snelle evolutie en de verregaande verscheidenheid van het genre laten de toeschouwer versteld staan.

Emilie Gordenker van het Mauritshuis en Manfred Sellink van het al jaren wegens verbouwing gesloten KMSK in Antwerpen hebben gekozen voor een intieme en overzichtelijke aanpak. Als je iets kan bewijzen met een zorgvuldige selectie van 30 werken, hoef je er geen 300 op te hangen. Het KMSKA zet dus zijn gelukkige politiek van maximale uitleningen verder. Werken die we al acht jaar of langer niet meer konden zien, krijgen in een andere constellatie een verrassend nieuw leven.

“Wat een enorme evolutie ook in de kunst van die 250 jaar”, zegt Emilie Gordenker.  Het oudste werk dateert uit 1460, een veelzeggend maar toch sober portret van de ambitieuze, opportunistische, vrome politicus en diplomaat Phillippe de Croy door Rogier van der Weyden. De parafernalia blijven beperkt tot wapenschild en paternoster. Hans Memling kiest voor zijn portret van Bernardo Bembo niet voor religieuze maar voor wereldlijke symbolen. Hij voegt een aardig en gedetailleerd landschap toe in de achtergrond.

 
Trukendoos
Het jongste werk is “Zelfportret in een spiegel” van de minder bekende Antonie van Steenwinckel. Hij toont zichzelf in een spiegel, vastgehouden door een jongere versie van hemzelf, met op de voorgrond een al gevorderde zandloper, en een schedel. Helemaal onderaan het werk is een open, lege lade te zien. Die geeft een enorme dieptedimensie aan het werk.
Hetzelfde trucje bij het aandoenlijk gelukkige koppel in “Zelfportet met echtgenoot” van de anonieme Meester van Frankfurt. Brood, wijn en kersen, lekker… Een meesmullende vlieg is te groot maar een vergeten korst die onderaan op de rand van het tafelblad balanceert, creëert een trompe l’oeilachtig driedimensioneel perspectief.

5096

Bizarre borst

 

Het meest primitieve en wat onbeholpen werk is ook anoniem. Het is een diptiek. Links zie je een Maria die een nogal rare borst in de richting van haar kind Jezus wringt. Je vraagt je af waar die borst vandaan komt. Het kindje zelf is een blote minivolwassene. Maar het rechtse luik is veel mooier: daar bekijkt een koppel – mogelijk de onbekende artiest met zijn vrouw- eerbiedig het tafereel.

Andere boezems zijn er niet. Uit onderzoek is gebleken dat Clara Fourment oorspronkelijk een voluptueus décolleté had, maar helaas – Rubens overschilderde dat, op verzoek van het onderwerp.  Nu ja, haar man, Peter Van Hecke, hangt naast haar. Dat portret is zo actueel en fris dat het vorig jaar geschilderd lijkt.

Rubens en Van Dijck

 

De topwerken zijn onvermijdelijk van het absolute specialistenduo Rubens en Van Dijck. Van sir Anthony hangen er drie sublieme portretten, die de sterke karakters van het onderwerp moeiteloos onthullen. Heel interessant is een sober maar indrukwekkend bijbels tafereel van Rubens, voorstellende drie apostelen die verbaasd naar de verrezen en blijkbaar kerngezonde Jezus kijken, elk met andere emoties. De  buitenste luiken van de triptiek zijn portetten van de machtige Nicolaas Rockox en zijn vrouw Adriana Perez. Lichtinval en compositie zijn weergaloos.

“Kijk naar mij…”

In de tijd van Van Eyck kregen de opdrachtgevers van grote taferelen ergens een bescheiden plaats op het doek. Dat was zo op het Lam Gods.  Maar belangrijke en leidende figuren wilden  snel meer, portretten met een heel programma. Pieter Bourbus schildert Olivier Nieulant kort voor hij gaat trouwen. Een fors litteken boven zijn neus en zijn dolk zijn prominent zichtbaar. Met die kerel valt niet te spotten.

 

“… en naar mijn kinderen”

 

Jan Fijt portretteert een jongen van vijf die klaar staat voor de jacht, twee jachthonden en een valk op zijn hand inbegrepen. Het kikvorsperspectief en de contouren van Antwerpen in de verte maken de hoge verwachtingen van de ouders duidelijk.

De enige vrouwelijke kunstenaar, de wonderlijke Michaelina Wautier, borstelt haar vermoedelijke nichtjes op verzoek van de vrome ouders als timide heiligen. Er is ook een heel gezin van een kunsthandelaar te zien in hun zogenoemde kunstkamer, een typisch Vlaams of beter Antwerps verschijnsel. Een combinatie van rijkdom, goede smaak en kindervreugd.

Om te lachen

Tegenover zoveel ernst is er gelukkig ook genoeg vrijblijvende humor. Cornelius de Vos heeft allicht plezier beleefd aan zijn speciaal voor deze expositie piekfijn gerestaureerd portret van het heerlijk lelijke mombakkes van Abraham Grapheus, een gerateerde schilder die dan maar cateraar van een kunstenaarsgilde werd.
Gonzales Coques heeft kleine charmante originele uitbeeldingen van de vijf zintuigen. De geur komt uit een tabaksblad, het gevoel van een messnede in de hand, de smaak van een al bijna lege grote beker wijn, het gehoor van luitmuziek. En het zicht? Dat is deze tentoonstelling: een feest voor de ogen. Tot begin volgend jaar in het Mauritshuis in het zo dichtbije Den Haag.

Pierre Henry +

In Parijs is componist Pierre Henry overleden, de man die niet aarzelde om een forse elektrische zaagmachine of een heus klokkenspel doorheen zijn muziek te jagen.

Henry was een bruggenbouwer tussen moderne klassieke muziek en progrock, en een van de vaders van het gebruik van computers en synthesizers, een voorloper van Pink Floyd, Mike Oldfield en Air of Daft Punk. Zijn werk doet mij ook aan de Brusselaar André Brasseur denken, die net als Henry van een simpel instrumentaal thema een swingend en muzikaal vol nummer kon maken.

Als gevolg van die gedurfde open aanpak was Henry’s muziek erg toegankelijk, eenvoudig en vaak ronduit leuk, geschikt voor Klara en Studio Brussel, maar ook voor radio 1 en 2 en MNM. Zijn meeste composities zijn trouwens qua lengte ideaal voor een jukebox. Korte composities jawel, maar ze horen wel tot een groter geheel, een concept als het ware, wat de Beatles met Sergeant Pepper’s en The Who met Tommy en Quadrophenia ook toepasten, een paar jaar later.

Concrete muziek

Bij ons raakte Pierre Henry vooral bekend dankzij de balletten van choreograaf Maurice Béjart in de Muntschouwburg in Brussel. Na zijn grensverleggende interpretaties van Stravinsky, snakte de nog jonge Béjart naar iets nieuws, en hij vond dat bij zijn landgenoot Henry, die toen al naam had gemaakt als pionier van de concrete muziek, een onderdeel van de elektro-akoestische toondichterij.

“Messe pour le temps present”, gecreëerd in 1967 in Avignon, gaf de dansers van Béjart de kans om eens goed uit te freaken. Duizenden enthousiaste toeschouwers, ook veel niet-ballet-liefhebbers, namen de ervaring mee naar huis, en begonnen vrije expressie te beoefenen op het aanstekelijke Psyche Rock, zowat het meest bekende thema van Henry. Ook George Balanchine en Merce Cunningham werkten met Pierre Henry.

Composities

Jean-Michel Jarre en Stockhausen bewonderden hem. Hij was een student van Olivier Messiaen, de reus van de Franse klassieke muziek van de 20ste eeuw. In 1950 debuteerde hij met “Symphonie pour un homme seul”. De geprepareerde piano stond daarbij centraal, dat wil zeggen dat er allerlei geluidmakende objecten tussen de snaren staken. Hij was nog maar 15 toen hij het lawaai en kabaal van alledaagse voorwerpen en toestellen gebruikte in zijn allereerste primitieve compositietjes. Hij deed dat eigenlijk levenslang.

Fragmenten van Henry zijn vaak gebruikt en gesampeld in reclameclips en als kenwijsje, voor films…Fatboy Slim, Daft Punk, Air en Saint-Germain remixten enkele flarden van hem. Kortom, als Pierre Henry al niet allerlei grenzen overschreed en muren sloopte, dan deden zijn jongere fans het wel. De grootvader van de techno was 89.

Lucas Vanclooster. Lees deze tekst ook op deredactie.be

Na dit artikel gooit u uw smartphone weg en stapt u over op de telegraaf

De iPhone vierde zijn tiende verjaardag. Cultuurjournalist Lucas Vanclooster,“een onversneden melancholicus”, doet het al tien jaar zonder en is daar niet rouwig om.  

 

Het gebeurde in de tijd dat nog maar weinigen een smartphone hadden. Ik zat op de tram, volgestouwd met scholieren, het was woensdagmiddag. Ik vroeg mij af waarom ik toch altijd op woensdagmiddag in een voertuig van de MIVB terechtkwam. Gelukkig had ik een zitplaats gevonden. Mijn blik dwaalde af naar de jonge vrouw naast mij. Ze had een nieuwsoortig object in de handen, een scherm zonder knoppen of toetsen. “Je dois faire pipi”, las ik op het scherm.

Het deed mij denken aan heel lang geleden. Ik wandelde door een avondlijke laat-middeleeuwse stad. Mijn aandacht werd getrokken door een aanhoudend gedruis en geronk boven mij. Het was een vliegtuigje, dat een hele lichtshow met zich meezeulde, een soort digitale banier. Met wat moeite kon ik de lichtgevende gekleurde letters ontcijferen: “Koop vis bij Pieters”. Ergens in de stad hing er nog een vooroorlogse vergeten muurschildering: “Koopt al uw visch alleenlijk bij Pieters”.

 

Oude wijn in plastic zakken

Als ik het goed heb, zijn er nog twee andere mensen op de redactie zonder smartphone. Ik behoor tot de oudsten. Het is niet zo dat ik dat echt heb beslist uit een soort neo-ludditische afkeer van moderne technologie.

Of dat ik in een omgekeerd snobistische beweging de nieuwe media verguis. Het gebeurde gewoon. Niemand heeft mij hier ooit een I-device opgedrongen, laat staan een toestel à point aangeboden met opleiding voor dummies.

Enkele jaren geleden was er een algemene introductie, met slideshow. Slechts enkelen in de zaal hadden al zo’n toestel in de hand. Na een paar slides haakten sommigen af. Ik als eerste. Sindsdien gebruik ik nog altijd, quasi probleemloos, mijn oude Nokia.

Die is eens van twee etages hoog op de keien gevallen. Toen ik ‘m opraapte, werkte hij nog perfect. Mijn 94-jarige schoonvader heeft een bejaarden-gsm. Ik snak naar mijn pensioen onder meer om zo’n ding te mogen gebruiken. Misschien bestaan er tegen dan smartphones voor bejaarden.

De oude man en zijn kinderen

Voor mijn part doet iedereen wat hij of zij niet laten kan. Ik indoctrineer mijn kinderen niet, noch ideologisch, cultureel of qua communicatietechnologie. Ze zijn 19 en 16 jaar, en gebruiken een gamma toestellen waarvan ik niet eens weet wat het is. Soms roepen ze van beneden naar boven, waar ik in mijn papieren archief rommel: “Hé, oude man, kijk eens of mijn iPod op mijn bed ligt. Ik weet niet welk van de 6 of 7 toestellen ze bedoelen. Welke kleur heeft dat?”, vraag ik dan.

 

Eerlijk, ik ben erg gelukkig dat zij goed overweg kunnen met wat dit tijdsgewricht technologisch te bieden heeft. Toen mijn zoon als 12-jarige een gsm kreeg van zijn meter, dacht ik: “Ai ai ai, nu moet ik uitleggen hoe dat werkt, dat is mijn verantwoordelijkheid als vader.”

Niets van, hij leerde alles bliksemsnel aan zichzelf, en kon mij een paar dagen later al helpen als mijn gsm even niet meteen gehoorzaamde. Hij heeft mij ook leren sms’en (tot rond 2010 stond ik bekend als de man die lege sms’en als antwoord stuurde) en gps’en. Daar ongeveer eindigde mijn bevattingsvermogen.

Technologische indigestie

Bladert u wel eens in een tijdschrift uit de jaren 80? Moet u eens doen, en let vooral op de reclame voor toen nieuwe computersystemen. Van al die hypermoderne systeempjes, en de bijbehorende woordenschat, is weinig overgebleven. Een voordeel van niet elke trend achterna hollen, is dat je veel onnodige vaardigheden niet aanleert en niet hoeft te deleten.

Wat een systemen er in de journalistiek al niet weer verdwenen zijn….blackberry, mojo, glensound. Gelukkig heb ik dat allemaal nooit geleerd. Maar als ik achterom kijk, hoef ik mij als technologische half-analfabeet niet te schamen om wat ik mij wel allemaal eigen heb gemaakt.

 

Ik zou die duimschuivers met bijna vergroeide iPhone eens een wiel van een hydropneumatische auto willen zien vervangen, of in de weer zijn met Nagra-bandopnemers, 16mm-camera’s en projectoren, Barco-televisies, reportofonen, VHS en super 8-apparatuur en van die relieken. Kijk mensen, mijn technologische kwabben zitten vol. OK?

 

Genetisch bepaald

Zoals alles heeft het uiteraard te maken met de kindertijd. Sinterklaas bracht mij nooit een gereedschapskistje. Ik was 10 toen de eerste televisie in mijn leven verscheen. Alleen vader mocht die manipuleren. Hetzelfde gebeurde enkele jaren later met de eerste cassetterecorder en platenspeler. Trouwens, als ik aan die toestellen zat, ging er altijd iets stuk. Ik kreeg de indruk dat het noodlot allerlei apparaten gebruikte om mij hoogstpersoonlijk te kwellen. Ik gaf mij over.

Het is maar hier op de redactie, 23 jaar geleden, dat de legendarische schoolmeesterachtige (in de goede betekenis van het woord) Herman Henderickx mij inwijdde in de wereld van de computer en de gsm. Zijn pedagogische truc was om zijn leerlingen alleen aan te bieden wat ze nodig hadden.

Mondriaan

Daarom, als ik een iPhone zou aanvaarden, dan moet het er zo een van het Mondriaan-principe zijn, met lego-blokjes per toepassing. Geen apps op het scherm, maar een helder en overzichtelijk opbouwsysteem. Moet kunnen in dit Mondriaan-jaar.

Waarom trouwens zijn die smartphones, en nog erger, tablets, zo banaal qua design, zo plat en glad en grijs en vederlicht. En om dat saaie te compenseren dan een onnozel fluo-hoesje errond. Komaan zeg. Steek alles toch eens in het kleurrijke-vlakjespatroon van de Nederlandse grootmeester!

Dimmen Bill Gates

Ik roep de pioniers van de moderne technologie op om nu eens een jaar te stoppen met die voortdurende innovaties, het volstaat nu voor een tijd. Werk eerst aan betrouwbare gebruiksvriendelijke toestellen. Doe een inhaalbeweging die voor iedereen toegankelijk is.

Na de welvaartskloof kwam er een informatie-ravijn. Bewerkstellig dat iedereen mee is, ook de inwoners van Afrika en Bangladesh, de onhandigen en bejaarden. Er bestaat een menstruatie-cyclus-app, vernam ik onlangs. Wel, maak die ook toegankelijk voor alle meisjes en vrouwen in Venezuela en Birma. En zoek daarna nieuwe snufjes en appjes.

Het schijnt overigens dat een smartphone na een paar jaar hopeloos defect of totaal verouderd is. Denkt u wel eens aan de ouderwetse voetafdruk van al die verspilling?

Vooruit dan maar, wat heb ik ertegen?

Aargh die vuile schermen vol vettige vingers. Gaan er nooit meer af. Bij een tablet is dat nog erger. De bacteriën verkneukelen zich zichtbaar. En die dwaze scroll-bewegingen. Mijn vingers, geërfd van mijn grootvader die zelfstandig metselaar was, zijn overigens te dik, al die spullen lijken wel bedoeld voor een nieuw type in de menselijke evolutie, de uomo smartophonicus met slanke secretaressevingertjes.

Als ik zo iemand zie lopen met in de ene hand een opengeslagen laptop, en met de andere scrollend, hoop ik altijd op een theatrale valpartij of botsing onder soortgenoten. Met alleen blikschade uiteraard.

Die toestellen zijn ook helemaal niet nodig om steeds bereikbaar te wezen, voor zover dat een wenselijke evolutie zou zijn. Mijn gsm heb ik voortdurend op zak.

Thuis en op het werk staat de computer meestal op, ik beschik op beide plekken ook over een klassieke telefoon. Als reserve hebben we thuis een toestel met draaischijf. Om 797 204 te vormen.

Want je wordt gecontroleerd

Opmerkelijk hoe visionair de Vlaamse punk en cold- en dark wavegroepen uit mijn jonge jaren waren. “Je wordt gecontroleerd”, schreeuwden de Brassers. De Antwerpse Kommeniste hadden een nummer dat Telefoon heette, “wonder van techniek”.

En “Art of Conversation”, een meesterwerk van Red Zebra, ging over “new communication” die het normale contact tussen mensen verstoorde. Waar hadden zij het over? Over de iPhone die nog een kwart eeuw op zich zou laten wachten! Profetische kerels waren ze, Peter Slabbynck in het bijzonder.

Niemand kan mij van mijn geloof afbrengen dat smartphone en tutti quanti bedoeld zijn om mensen weg te houden van waar het echt om gaat. Mijn kinderen lezen niet, klaagde ik eens bij mijn eminente ex-collega Johan Janssens. “Het is teken dat ze iets beters te doen hebben”, zei die begrijpende, verstandige man.

Maar nu denk ik dat hij toch fout zat: Het is teken dat ze iets makkelijkers te doen hebben. Met de smartphone verdwijnt het laatste restje inspanning uit het leven. Smartphone in de klas? Ga weg zeg. Leer de kinderen toch eens wat ze nog niet weten, open deuren en ramen!

Zelfrijdende smartphone

De zelfrijdende auto is het ultieme bewijs. Het zijn niet de autoconstructeurs die streven naar die nieuwe mobiliteit. Voor een groot deel is dat uiteraard omdat die sector aartsconservatief is. Juist, maar toch. De pioniers van de zelfrijdende wagen zijn Google, Apple, Facebook, batterijenfabrikant Tesla en anderen in Silicon Valley. Waarom? Omdat het hen goed uitkomt dat we te allen tijde overal connected zijn. Ook op weg, aan wat in het verre verleden “het stuurwiel” was.

En zo worden we onafgebroken bestookt met gepersonaliseerde reclame, weet iedereen, ook de overheid en het bedrijfsleven, altijd waar we wat uitvreten. En met wie! Leuk hé?

Verzet u!!

Geachte lezer, relativeer aub eens de smartphone. Vraag u af wat daar achter zit, wat de bedoeling is, wie er rijk van wordt. Laat u niet gek maken door de commerciële bakerpraatjes van de geradicaliseerde onliners als zou iedereen nu informatie betrekken via smartphone en tablet.

Uit onafhankelijk ernstig academisch onderzoek blijkt dat een overgrote meerderheid van alvast de Vlaamse bevolking informatie verwerft langs de traditionele kanalen, en dat daar niet veel beweging in zit. Daar is niks mis mee. En wie de indrukwekkende nadelen van online-shoppen nu nog niet inziet, is ter kwader trouw. Of heet Zalando Vanderbolpuntcom.

Nog een belangrijk voordeel voor de iPhone-lozen: u blijft helemaal in het ongewisse over die verachtelijke hoop bagger die de nieuwe media overspoelt, en de ellendige beledigingen van allerlei tuig bereiken u niet.

“Ik hoor geen geluidje”, zei Guus Flater glimlachend met forse oorverwarmers op zijn hoofd terwijl Kwabbernoot en Demesmaeker tegen hem stonden te schreeuwen. Tenslotte, dierbare landgenoten, relativeer uzelve. Wat hebt u in godsnaam de hele tijd te communiceren? Que tu dois faire pipi?

Lucas Vanclooster. Lees deze tekst ook op deredactie.be

Zorg aub voor deze beer, dank u

Paddington_Bear_Statue_in_new_location_at_Paddington_Station

(Beertje Paddington in metrostation Paddington in Londen)

Michael Bond, de Britse auteur die het bij kinderen geliefde figuurtje Beertje Paddington in het leven riep, is op 91-jarige leeftijd overleden. Een afgeleide animatiereeks was van 1977 tot 1981 ook op de BRT te zien. Een aflevering duurde vijf minuten. De eerste designer die een licentie verwierf om een driedimensionele Paddington te ontwerpen, was Shirley Clarkson. Zo was haar zoontje, Jeremy Clarkson (van Top Gear), de allereerste die een echte beer Paddington, in de armen kon houden. En knuffelen of verwoesten. In 2014 werd het verhaal nog eens stemmig een aangrijpend verfilmd door Paul King.

Het leven van Michael Bond leest als een roman. Hij schreef verhalen vanaf 1945, toen hij voor het Britse leger dienst deed in Kaïro. In de vroege jaren ’40, toen hij in Reading woonde, en als kantoorbediende werkte, knutselde hij allerlei radio-versterkers en elektrische apparaten in elkaar, en die kwamen via via bij mensen van de BBC terecht.Dat hij ooit voor de omroep zou werken, was toen al een vaststaand feit. In 1950 werd hij inderdaad cameraman. Maar het scheelde geen haar of daar was niets van terecht gekomen. Hij was de enige overlevende van een gebouw dat door de Duitse Luftwaffe werd gebombardeerd. 45 andere mensen kwamen om. Het is een van de redenen waarom Bond per se bij het leger wou, bij voorkeur bij de RAF, maar dat ging niet door omdat hij altijd luchtziek werd aan boord van een vliegtuig. Hij deed dan maar nuttig verbindingswerk in Noord-Afrika, op de begane grond.

Toen Bond eind 1956 kerstgeschenken zocht, vond hij in een speelgoedwinkel een verwaarloosde beer. Hij kocht die, hield hem en verzon een verhaal, hoewel hij de beer feitelijk had bedoeld als tochthond en/of kousenvuller. Michael Bond had twee jaar nodig om de figuur te bedenken en uit te werken, en “A Bear Called Paddington” te schrijven, het eerste van 25 boeken. Hij tekende de beer niet zelf, dat deden verschillende illustratoren.

Naast de eenzame speelgoedbeer waren er nog twee inspiratiebronnen voor Paddington. Vooreerst de vader van Michael, een erg minzame postmeester, die in alle omstandigheden zijn hoed ophield, ook als hij ging pootjebaden in zee. Je weet nooit wie je ontmoet die je deftig moet groeten, zei vader Bond. Maar ook verweesde oorlogskinderen uit Londen, die voor hun veiligheid per trein naar het platteland of de kust werden gebracht, inspireerden Michael Bond. Die kinderen droegen een label met hun naam en bestemming rond hun hals en al hun bezittingen zaten in een enkel koffertje. Ook Paddington zou zo’n bord om zijn harige nek krijgen. Ook hij was een vluchteling, en dat maakt het verhaal nog altijd actueel.

Er was eens een klein gelikt beertje…

… Vanuit het hooggebergte in Peru, waar de berenfamilie woonde, stuurde tante Lucy een kleine net schoongelikte “cub” als verstekeling op een boot naar Engeland. Ze kleedde hem warm aan met een blauwe duffelcoat en een rood hoedje en gaf hem een koffertje met proviand mee, vijf potten jam, zijn lievelingseten. Via de haven van Southampton reisde het beertje per trein naar Londen waar hij in station Paddington strandde. Het beertje droeg een label met als opschrift: “zorg aub voor mij, dank u”. De toevallig voorbijlopende familie Brown kreeg medelijden met het beest, adopteerde hem en noemde hem Paddington. De kleine is geen knuffel maar een als beer vermomde argeloze kleuter, die zich telkens weer in ongeveer dezelfde nesten werkt, en daaruit telkens wordt gered door de familie Brown.

De boeken waren meteen succesvol, ook omdat de droge Britse humor een volwassen publiek kon aanspreken. Ze vonden de weg naar 35 miljoen lezers in 20 landen. En er kwam een hele reeks bewerkingen voor televisie, theater, film (tot in 2014) met bijhorende merchandising. Michael Bond creëerde nog andere vrij succesvolle maar niet vertaalde figuren, onder meer het Guinees biggetje Olga de Polga, en de kok-detective Monsieur Pamplemousse met zijn bloedhond Pommes Frites. Pamplemousse is eigenlijk een reeks voor volwassenen, featuring een ontgoochelde gepensioneerde politieman die culinair journalist wordt en misdaden in restaurants overal in Frankrijk oplost aan de hand van onregelmatigheden op de menukaarten.

Michael Bond was een breedingly British gentleman, francofiel en Europeaan zoals ze er over het Kanaal nauwelijks nog maken. Helaas. Hij was 91 en overleed na een korte ziekte.

Lucas Vanclooster. Lees deze tekst ook op deredactie.be