Category Archives: tekstjes en prentjes van Lucas

Stephen King 70: de horror van het alledaagse

day-29-stephen-kingStephen King is een van de allerpopulairste schrijvers ooit. Op zijn zeventigste denkt hij niet aan stoppen. 

Al zowat 45 jaar bestookt Stephen King de wereld met vaak dikke boeken. En die verkopen als gek, overal. Het moet zijn dat zijn unieke combinatie van traditionele vertelkunst, realisme, geloofwaardige psychologie, no-nonsensetaal en talent voor het oproepen van dreiging wereldwijd aanslaat. Veel van zijn werk leidde tot klassieke films van de allergrootste regisseurs.

 

Kings verhalen spelen zich vaak af in de Amerikaanse staat Maine, waar hij exact 70 jaar geleden het levenslicht zag in een niet evident gezin. Zijn vader ging er vandoor toen Stephen twee was, het traditionele “ik ga eens om sigaretten”-verhaal. Vaak was die vader sowieso niet thuis, want hij werkte in de koopvaardij. Een en ander betekende een kindertijd en jeugd in betrekkelijke armoede, en af en toe verhuizen.  Stephen King kreeg een religieuze opvoeding.

De erfenis van vader

Vader Pollock-King liet het eerste deel van zijn naam vallen, en vergat iets kostbaars in zijn huis toen hij vertrok: een krat boeken, vooral SF, thrillers en horror. Stephen verslond alles. Door enkele dramatische ongelukken met vriendjes en familieleden legde hij de link van werkelijkheid naar fictieve gruwel.

 

King studeerde Engels aan de universiteit van Maine,  deed een heel gamma van bescheiden baantjes en was kortstondig ook leraar, in Hamden. Intussen schreef hij al, en af en toe verscheen een verhaal in een lokaal blad of in een studententijdschrift dat hij zelf had gesticht. Een aantal van die eerste probeersels verscheen veel later in de bundel “Night Shift”. Hij trouwde met Tabitha; het koppel woonde lang in een camper. Tabitha schreef zelf negen boeken. Twee van hun drie kinderen schrijven ook.

Verslaving

De moeilijke leef- en werkomstandigheden dreven Stephen naar alcohol, cocaïne, geneesmiddelen en andere ongezonde dingen. In 1989 gooiden familieleden een collectie van alles waar hij verslaafd aan was op het tapijt. Stephen kickte af … van dan af hield hij het bij drie sigaretten per dag.

 

King schreef vaak in compleet bezopen toestand, of stoned als een garnaal. “Carrie” kwam deels zo tot stand. In nuchtere toestand gooide hij het resultaat van dat geïntoxiceerde geschrijf weg. Maar zijn vrouw redde een omvangrijk manuscript uit de vuilnisbak en ze kon haar man overhalen om er verder aan te werken. Dat werd “Carrie”, Kings eerste succesroman in 1974. Kort daarop werd het verhaal over een wraakzuchtig, miskend, gepest meisje met paranormale krachten verfilmd.

“Ik ben altijd bang geweest om zelf gek te worden”. Dat zei Stephen King aan Martin Coenen, toen hij de schrijver in 1989 bij hem thuis in Maine opzocht voor een lang interview in “Wie schrijft die blijft“.

The shining

Aangemoedigd door het succes stortte King zich helemaal op schrijven. Het ging zo snel dat zijn uitgever niet kon volgen, en de marketingafdeling van het literaire bedrijf nog minder. Onder de schuilnamen Richard Bachman en John Swithen pende hij ook nog tien weliswaar kortere romans en verhalen bij elkaar.  In 1977 verscheen “The Shining“, vooral bekend van de verfilming door Stanley Kubrick, met Jack Nicholson in de hoofdrol. King was er niet zo voor dat Nicholson de rol van psychopatische sneeuwhotelbewaker op zich nam.

 

Intussen zitten we aan 54 titels en 350 miljoen verkochte exemplaren, in een breed gamma van genres – fantasy, SF, thrillers en horror- die nooit omslaan in gruwelijke bloederigheid. Een geloofwaardige psychologisering staat centraal. Veel van zijn (anti-) helden zijn gewone, onvoorbereide enkelingen die geleidelijk geconfronteerd worden met een groeiende onomkoombare dreiging. Dàt is de horror van het alledaagse, in die typische Amerikaanse voorsteden. Omgekeerd verglijden andere personages na frustrerende ervaringen in misdaad en meedogenloze wreedheid.

Cars delivered by Plymouth

Twee keer speelt een auto van het nu verdwenen merk Plymouth een prominente rol in een (verfilmde) roman. In “Duel“, het debuut van Spielberg, wordt een argeloze man die met zijn bescheiden Plymouth Valiant een trucker hinderde, kilometerslang achtervolgd door diezelfde woeste tankvrachtwagen.

In “Christine” (1983) vindt een onbegrepen geïsoleerde jongen een bondgenoot in een kwaadaardige Plymouth Fury. Helaas moesten voor die film 35 exemplaren van die klassieker voor de bijl.

In “Mr. Mercedes” is het uiteraard een zware Duitse bak die belangrijk is in de plot. In die recente roman plant een extreemrechtse zielepoot een aanslag op een concertzaal tijdens het optreden van een tienerband.  King schreef dit enkele jaren voor de aanslag in Manchester…

Lee Harvey Oswald ontwapend

22-11-1963” (2012) gaat natuurlijk over de moord op John Kennedy. In dit meeslepende boek raakt de hoofdpersoon via een magische deur in het verleden, dat hij kan beïnvloeden. Hij besluit om de moord op Kennedy te verhinderen. Het trucje van de deur tussen twee werkelijkheden gebruikte King eerder in “The Dark Tower 2: The Drawing of the Three”. Ook Murakami gebruikte dat procedé van de parallelle universa in “1Q84”.  In “22-11-1963” krijgen we een Kennedy die twee termijnen volmaakt, maar dat brengt een vredevollere wereld niet dichterbij.

Het boek is beter

De populairste roman van King is “It” uit 1986, met de griezelige horrorclown. Een miljoen exemplaren ging over de toonbanken.  In de jaren 90 werd er een miniserie voor tv van gemaakt. De nieuwe verfilming door Andy Muschietti is op dit ogenblik te zien in de bioscoop.

 

Een bijzonder knappe verfilming die King sterk ontroerde is “Stand by me“, van Rob Reiner, naar “The body“. Daarin gaat een groepje puberjongens op zoek naar het lichaam van een vermoorde man. Die queeste groet uit tot een bedevaart van initiatie en zelfontdekking.  Met de jonge River Phoenix, John Cusack en Kiefer Sutherland.

Ook “Misery” is een knappe verfilming. In die claustrofobe thriller houdt een fan haar lievelingsauteur, die net voor haar huis een auto-ongeval had en daardoor immobiel is, op nogal drastische wijze gegijzeld, tot hij belooft ‘n vervolg te breien aan de succesreeks “Misery”. Voorts vermeld ik de topfilm”The Shawshank Redemption“.

Het is wachten of ook Kings laatste titel, “Sleeping Beauties” uit 2017, een film wordt. Het zou best kunnen, want dit verhaal in een vrouwengevangenis is erg verfilmbaar.

Salami en Big Mac

In 1999 was King betrokken in een ongeval dat enigszins leek op wat hij in “Misery” bleek te hebben voorspeld. Een bestelwagen reed hem langs achter aan toen hij met zijn hond wandelde. Zwaar toegetakeld kwam King in het ziekenhuis terecht. Hij verwerkte de ervaring in “De Donkere Toren” en “Kingdom Hospital”. Na de milleniumwissel deed King het wat rustiger.  Maar hij schrijft nog altijd zes pagina’s of meer per dag.

Volgens King moet een auteur vier tot zes uur per dag met schrijven en lezen bezig zijn. Zelf hanteert hij een Waterman-vulpen en hij noemt die de beste wordprocessor ter wereld. Meestal begint hij met de gouden vraag “wat als…?”. Hij bekent dat hij beïnvloed werd door Bram Stoker van Dracula.

Zijn stijl is ontspannen, zijn dialogen grandioos en hij kan domheid, angst en wreedheid genadeloos ontleden. Zijn horrorstories tonen een strijd tussen het normale en abnormale. Bij dat alles blijft King bescheiden, hij noemt zichzelf een salami- en Big Mac-auteur. Salami en Big Mac stellen niet veel voor – ze vallen buiten de nieuwe voedseldriehoek –  maar er is toch vakmanschap en talent nodig om er goeie te maken.

Rock-‘n-roll en politiek

Stephen King speelde gitaar in de Rock Bottom Remainders. Hij is een onvoorwaardelijke fan van The Ramones, die hij enkele keren vermeldt in een roman. Hij houdt voorts van AC/DC, Metallica en andere heavymetalbands. Hij deed enkele kleine cameorolletjes in films en series. En hij is dol op Harry Potter en de televisie-serie “Lost.”

Hoewel King een overtuigd democraat is, staat hij niet achter het gematigde abortusstandpunt van de partij. Barack Obama kon altijd op zijn steun rekenen. Hij behoorde tot de groep welstellenden die opriep om meer belastingen te betalen, en zelf het voorbeeld gaf. Hij sprak zich vaak uit voor strengere wapenwetten.

Een schone mens

Samen met zijn vrouw beheert King de STK-liefdadigheidsorganisatie, voluit “Stephen and Tabitha King-foundation”. Die charity helpt de armen in Maine op allerlei vlakken, met gezondheidszorg, huur en onderwijs onder meer. Hun ideeën verspreiden ze via drie eigen radiostations.

Van grote mediabelangstelling en openbare massa-optredens houdt Stephen King allerminst. Handtekeningen deelt hij niet uit. Uiteraard moet zo’n man weinig hebben van The Donald. In 2016 noemde hij Trump een racistische bleekscheet met het temperament van een driejarige. Trump blokkeerde prompt zijn Twitteraccount. En King strafte Trump meteen door hem te verbieden naar nieuwe verfilmingen van “It” en “Mr. Mercedes” te gaan kijken, twee films waarin criminele clowns een beslissende rol spelen … Happy birthday and thanks a lot, Stephen King!

Advertisements

De Zuiderburen van de Hollanders in Den Haag

Dertig portretten uit de periode 1450 tot bijna 1700, meer hangen er vanaf donderdag 7 september 2017 niet in het Mauritshuis. Maar wat een verrukkelijke en gevarieerde wereld gaat er open! Karaktervolle koppen van machtige heersers en vrome burgers, de tronie van een sjofele loser, de facies van wereldwijze kinderen… En allen in hun erg verschillende biotoop.

Portretten van 500 jaar geleden, kunnen die de bewoner van de 21ste eeuw nog boeien? En of. Het Mauritshuis, pal in het politieke en culturele centrum van Den Haag, vlakbij het Binnenhof en het Torentje, bewijst het met verve. Vooral de snelle evolutie en de verregaande verscheidenheid van het genre laten de toeschouwer versteld staan.

Emilie Gordenker van het Mauritshuis en Manfred Sellink van het al jaren wegens verbouwing gesloten KMSK in Antwerpen hebben gekozen voor een intieme en overzichtelijke aanpak. Als je iets kan bewijzen met een zorgvuldige selectie van 30 werken, hoef je er geen 300 op te hangen. Het KMSKA zet dus zijn gelukkige politiek van maximale uitleningen verder. Werken die we al acht jaar of langer niet meer konden zien, krijgen in een andere constellatie een verrassend nieuw leven.

“Wat een enorme evolutie ook in de kunst van die 250 jaar”, zegt Emilie Gordenker.  Het oudste werk dateert uit 1460, een veelzeggend maar toch sober portret van de ambitieuze, opportunistische, vrome politicus en diplomaat Phillippe de Croy door Rogier van der Weyden. De parafernalia blijven beperkt tot wapenschild en paternoster. Hans Memling kiest voor zijn portret van Bernardo Bembo niet voor religieuze maar voor wereldlijke symbolen. Hij voegt een aardig en gedetailleerd landschap toe in de achtergrond.

 
Trukendoos
Het jongste werk is “Zelfportret in een spiegel” van de minder bekende Antonie van Steenwinckel. Hij toont zichzelf in een spiegel, vastgehouden door een jongere versie van hemzelf, met op de voorgrond een al gevorderde zandloper, en een schedel. Helemaal onderaan het werk is een open, lege lade te zien. Die geeft een enorme dieptedimensie aan het werk.
Hetzelfde trucje bij het aandoenlijk gelukkige koppel in “Zelfportet met echtgenoot” van de anonieme Meester van Frankfurt. Brood, wijn en kersen, lekker… Een meesmullende vlieg is te groot maar een vergeten korst die onderaan op de rand van het tafelblad balanceert, creëert een trompe l’oeilachtig driedimensioneel perspectief.

5096

Bizarre borst

 

Het meest primitieve en wat onbeholpen werk is ook anoniem. Het is een diptiek. Links zie je een Maria die een nogal rare borst in de richting van haar kind Jezus wringt. Je vraagt je af waar die borst vandaan komt. Het kindje zelf is een blote minivolwassene. Maar het rechtse luik is veel mooier: daar bekijkt een koppel – mogelijk de onbekende artiest met zijn vrouw- eerbiedig het tafereel.

Andere boezems zijn er niet. Uit onderzoek is gebleken dat Clara Fourment oorspronkelijk een voluptueus décolleté had, maar helaas – Rubens overschilderde dat, op verzoek van het onderwerp.  Nu ja, haar man, Peter Van Hecke, hangt naast haar. Dat portret is zo actueel en fris dat het vorig jaar geschilderd lijkt.

Rubens en Van Dijck

 

De topwerken zijn onvermijdelijk van het absolute specialistenduo Rubens en Van Dijck. Van sir Anthony hangen er drie sublieme portretten, die de sterke karakters van het onderwerp moeiteloos onthullen. Heel interessant is een sober maar indrukwekkend bijbels tafereel van Rubens, voorstellende drie apostelen die verbaasd naar de verrezen en blijkbaar kerngezonde Jezus kijken, elk met andere emoties. De  buitenste luiken van de triptiek zijn portetten van de machtige Nicolaas Rockox en zijn vrouw Adriana Perez. Lichtinval en compositie zijn weergaloos.

“Kijk naar mij…”

In de tijd van Van Eyck kregen de opdrachtgevers van grote taferelen ergens een bescheiden plaats op het doek. Dat was zo op het Lam Gods.  Maar belangrijke en leidende figuren wilden  snel meer, portretten met een heel programma. Pieter Bourbus schildert Olivier Nieulant kort voor hij gaat trouwen. Een fors litteken boven zijn neus en zijn dolk zijn prominent zichtbaar. Met die kerel valt niet te spotten.

 

“… en naar mijn kinderen”

 

Jan Fijt portretteert een jongen van vijf die klaar staat voor de jacht, twee jachthonden en een valk op zijn hand inbegrepen. Het kikvorsperspectief en de contouren van Antwerpen in de verte maken de hoge verwachtingen van de ouders duidelijk.

De enige vrouwelijke kunstenaar, de wonderlijke Michaelina Wautier, borstelt haar vermoedelijke nichtjes op verzoek van de vrome ouders als timide heiligen. Er is ook een heel gezin van een kunsthandelaar te zien in hun zogenoemde kunstkamer, een typisch Vlaams of beter Antwerps verschijnsel. Een combinatie van rijkdom, goede smaak en kindervreugd.

Om te lachen

Tegenover zoveel ernst is er gelukkig ook genoeg vrijblijvende humor. Cornelius de Vos heeft allicht plezier beleefd aan zijn speciaal voor deze expositie piekfijn gerestaureerd portret van het heerlijk lelijke mombakkes van Abraham Grapheus, een gerateerde schilder die dan maar cateraar van een kunstenaarsgilde werd.
Gonzales Coques heeft kleine charmante originele uitbeeldingen van de vijf zintuigen. De geur komt uit een tabaksblad, het gevoel van een messnede in de hand, de smaak van een al bijna lege grote beker wijn, het gehoor van luitmuziek. En het zicht? Dat is deze tentoonstelling: een feest voor de ogen. Tot begin volgend jaar in het Mauritshuis in het zo dichtbije Den Haag.

Pierre Henry +

In Parijs is componist Pierre Henry overleden, de man die niet aarzelde om een forse elektrische zaagmachine of een heus klokkenspel doorheen zijn muziek te jagen.

Henry was een bruggenbouwer tussen moderne klassieke muziek en progrock, en een van de vaders van het gebruik van computers en synthesizers, een voorloper van Pink Floyd, Mike Oldfield en Air of Daft Punk. Zijn werk doet mij ook aan de Brusselaar André Brasseur denken, die net als Henry van een simpel instrumentaal thema een swingend en muzikaal vol nummer kon maken.

Als gevolg van die gedurfde open aanpak was Henry’s muziek erg toegankelijk, eenvoudig en vaak ronduit leuk, geschikt voor Klara en Studio Brussel, maar ook voor radio 1 en 2 en MNM. Zijn meeste composities zijn trouwens qua lengte ideaal voor een jukebox. Korte composities jawel, maar ze horen wel tot een groter geheel, een concept als het ware, wat de Beatles met Sergeant Pepper’s en The Who met Tommy en Quadrophenia ook toepasten, een paar jaar later.

Concrete muziek

Bij ons raakte Pierre Henry vooral bekend dankzij de balletten van choreograaf Maurice Béjart in de Muntschouwburg in Brussel. Na zijn grensverleggende interpretaties van Stravinsky, snakte de nog jonge Béjart naar iets nieuws, en hij vond dat bij zijn landgenoot Henry, die toen al naam had gemaakt als pionier van de concrete muziek, een onderdeel van de elektro-akoestische toondichterij.

“Messe pour le temps present”, gecreëerd in 1967 in Avignon, gaf de dansers van Béjart de kans om eens goed uit te freaken. Duizenden enthousiaste toeschouwers, ook veel niet-ballet-liefhebbers, namen de ervaring mee naar huis, en begonnen vrije expressie te beoefenen op het aanstekelijke Psyche Rock, zowat het meest bekende thema van Henry. Ook George Balanchine en Merce Cunningham werkten met Pierre Henry.

Composities

Jean-Michel Jarre en Stockhausen bewonderden hem. Hij was een student van Olivier Messiaen, de reus van de Franse klassieke muziek van de 20ste eeuw. In 1950 debuteerde hij met “Symphonie pour un homme seul”. De geprepareerde piano stond daarbij centraal, dat wil zeggen dat er allerlei geluidmakende objecten tussen de snaren staken. Hij was nog maar 15 toen hij het lawaai en kabaal van alledaagse voorwerpen en toestellen gebruikte in zijn allereerste primitieve compositietjes. Hij deed dat eigenlijk levenslang.

Fragmenten van Henry zijn vaak gebruikt en gesampeld in reclameclips en als kenwijsje, voor films…Fatboy Slim, Daft Punk, Air en Saint-Germain remixten enkele flarden van hem. Kortom, als Pierre Henry al niet allerlei grenzen overschreed en muren sloopte, dan deden zijn jongere fans het wel. De grootvader van de techno was 89.

Lucas Vanclooster. Lees deze tekst ook op deredactie.be

Na dit artikel gooit u uw smartphone weg en stapt u over op de telegraaf

De iPhone vierde zijn tiende verjaardag. Cultuurjournalist Lucas Vanclooster,“een onversneden melancholicus”, doet het al tien jaar zonder en is daar niet rouwig om.  

 

Het gebeurde in de tijd dat nog maar weinigen een smartphone hadden. Ik zat op de tram, volgestouwd met scholieren, het was woensdagmiddag. Ik vroeg mij af waarom ik toch altijd op woensdagmiddag in een voertuig van de MIVB terechtkwam. Gelukkig had ik een zitplaats gevonden. Mijn blik dwaalde af naar de jonge vrouw naast mij. Ze had een nieuwsoortig object in de handen, een scherm zonder knoppen of toetsen. “Je dois faire pipi”, las ik op het scherm.

Het deed mij denken aan heel lang geleden. Ik wandelde door een avondlijke laat-middeleeuwse stad. Mijn aandacht werd getrokken door een aanhoudend gedruis en geronk boven mij. Het was een vliegtuigje, dat een hele lichtshow met zich meezeulde, een soort digitale banier. Met wat moeite kon ik de lichtgevende gekleurde letters ontcijferen: “Koop vis bij Pieters”. Ergens in de stad hing er nog een vooroorlogse vergeten muurschildering: “Koopt al uw visch alleenlijk bij Pieters”.

 

Oude wijn in plastic zakken

Als ik het goed heb, zijn er nog twee andere mensen op de redactie zonder smartphone. Ik behoor tot de oudsten. Het is niet zo dat ik dat echt heb beslist uit een soort neo-ludditische afkeer van moderne technologie.

Of dat ik in een omgekeerd snobistische beweging de nieuwe media verguis. Het gebeurde gewoon. Niemand heeft mij hier ooit een I-device opgedrongen, laat staan een toestel à point aangeboden met opleiding voor dummies.

Enkele jaren geleden was er een algemene introductie, met slideshow. Slechts enkelen in de zaal hadden al zo’n toestel in de hand. Na een paar slides haakten sommigen af. Ik als eerste. Sindsdien gebruik ik nog altijd, quasi probleemloos, mijn oude Nokia.

Die is eens van twee etages hoog op de keien gevallen. Toen ik ‘m opraapte, werkte hij nog perfect. Mijn 94-jarige schoonvader heeft een bejaarden-gsm. Ik snak naar mijn pensioen onder meer om zo’n ding te mogen gebruiken. Misschien bestaan er tegen dan smartphones voor bejaarden.

De oude man en zijn kinderen

Voor mijn part doet iedereen wat hij of zij niet laten kan. Ik indoctrineer mijn kinderen niet, noch ideologisch, cultureel of qua communicatietechnologie. Ze zijn 19 en 16 jaar, en gebruiken een gamma toestellen waarvan ik niet eens weet wat het is. Soms roepen ze van beneden naar boven, waar ik in mijn papieren archief rommel: “Hé, oude man, kijk eens of mijn iPod op mijn bed ligt. Ik weet niet welk van de 6 of 7 toestellen ze bedoelen. Welke kleur heeft dat?”, vraag ik dan.

 

Eerlijk, ik ben erg gelukkig dat zij goed overweg kunnen met wat dit tijdsgewricht technologisch te bieden heeft. Toen mijn zoon als 12-jarige een gsm kreeg van zijn meter, dacht ik: “Ai ai ai, nu moet ik uitleggen hoe dat werkt, dat is mijn verantwoordelijkheid als vader.”

Niets van, hij leerde alles bliksemsnel aan zichzelf, en kon mij een paar dagen later al helpen als mijn gsm even niet meteen gehoorzaamde. Hij heeft mij ook leren sms’en (tot rond 2010 stond ik bekend als de man die lege sms’en als antwoord stuurde) en gps’en. Daar ongeveer eindigde mijn bevattingsvermogen.

Technologische indigestie

Bladert u wel eens in een tijdschrift uit de jaren 80? Moet u eens doen, en let vooral op de reclame voor toen nieuwe computersystemen. Van al die hypermoderne systeempjes, en de bijbehorende woordenschat, is weinig overgebleven. Een voordeel van niet elke trend achterna hollen, is dat je veel onnodige vaardigheden niet aanleert en niet hoeft te deleten.

Wat een systemen er in de journalistiek al niet weer verdwenen zijn….blackberry, mojo, glensound. Gelukkig heb ik dat allemaal nooit geleerd. Maar als ik achterom kijk, hoef ik mij als technologische half-analfabeet niet te schamen om wat ik mij wel allemaal eigen heb gemaakt.

 

Ik zou die duimschuivers met bijna vergroeide iPhone eens een wiel van een hydropneumatische auto willen zien vervangen, of in de weer zijn met Nagra-bandopnemers, 16mm-camera’s en projectoren, Barco-televisies, reportofonen, VHS en super 8-apparatuur en van die relieken. Kijk mensen, mijn technologische kwabben zitten vol. OK?

 

Genetisch bepaald

Zoals alles heeft het uiteraard te maken met de kindertijd. Sinterklaas bracht mij nooit een gereedschapskistje. Ik was 10 toen de eerste televisie in mijn leven verscheen. Alleen vader mocht die manipuleren. Hetzelfde gebeurde enkele jaren later met de eerste cassetterecorder en platenspeler. Trouwens, als ik aan die toestellen zat, ging er altijd iets stuk. Ik kreeg de indruk dat het noodlot allerlei apparaten gebruikte om mij hoogstpersoonlijk te kwellen. Ik gaf mij over.

Het is maar hier op de redactie, 23 jaar geleden, dat de legendarische schoolmeesterachtige (in de goede betekenis van het woord) Herman Henderickx mij inwijdde in de wereld van de computer en de gsm. Zijn pedagogische truc was om zijn leerlingen alleen aan te bieden wat ze nodig hadden.

Mondriaan

Daarom, als ik een iPhone zou aanvaarden, dan moet het er zo een van het Mondriaan-principe zijn, met lego-blokjes per toepassing. Geen apps op het scherm, maar een helder en overzichtelijk opbouwsysteem. Moet kunnen in dit Mondriaan-jaar.

Waarom trouwens zijn die smartphones, en nog erger, tablets, zo banaal qua design, zo plat en glad en grijs en vederlicht. En om dat saaie te compenseren dan een onnozel fluo-hoesje errond. Komaan zeg. Steek alles toch eens in het kleurrijke-vlakjespatroon van de Nederlandse grootmeester!

Dimmen Bill Gates

Ik roep de pioniers van de moderne technologie op om nu eens een jaar te stoppen met die voortdurende innovaties, het volstaat nu voor een tijd. Werk eerst aan betrouwbare gebruiksvriendelijke toestellen. Doe een inhaalbeweging die voor iedereen toegankelijk is.

Na de welvaartskloof kwam er een informatie-ravijn. Bewerkstellig dat iedereen mee is, ook de inwoners van Afrika en Bangladesh, de onhandigen en bejaarden. Er bestaat een menstruatie-cyclus-app, vernam ik onlangs. Wel, maak die ook toegankelijk voor alle meisjes en vrouwen in Venezuela en Birma. En zoek daarna nieuwe snufjes en appjes.

Het schijnt overigens dat een smartphone na een paar jaar hopeloos defect of totaal verouderd is. Denkt u wel eens aan de ouderwetse voetafdruk van al die verspilling?

Vooruit dan maar, wat heb ik ertegen?

Aargh die vuile schermen vol vettige vingers. Gaan er nooit meer af. Bij een tablet is dat nog erger. De bacteriën verkneukelen zich zichtbaar. En die dwaze scroll-bewegingen. Mijn vingers, geërfd van mijn grootvader die zelfstandig metselaar was, zijn overigens te dik, al die spullen lijken wel bedoeld voor een nieuw type in de menselijke evolutie, de uomo smartophonicus met slanke secretaressevingertjes.

Als ik zo iemand zie lopen met in de ene hand een opengeslagen laptop, en met de andere scrollend, hoop ik altijd op een theatrale valpartij of botsing onder soortgenoten. Met alleen blikschade uiteraard.

Die toestellen zijn ook helemaal niet nodig om steeds bereikbaar te wezen, voor zover dat een wenselijke evolutie zou zijn. Mijn gsm heb ik voortdurend op zak.

Thuis en op het werk staat de computer meestal op, ik beschik op beide plekken ook over een klassieke telefoon. Als reserve hebben we thuis een toestel met draaischijf. Om 797 204 te vormen.

Want je wordt gecontroleerd

Opmerkelijk hoe visionair de Vlaamse punk en cold- en dark wavegroepen uit mijn jonge jaren waren. “Je wordt gecontroleerd”, schreeuwden de Brassers. De Antwerpse Kommeniste hadden een nummer dat Telefoon heette, “wonder van techniek”.

En “Art of Conversation”, een meesterwerk van Red Zebra, ging over “new communication” die het normale contact tussen mensen verstoorde. Waar hadden zij het over? Over de iPhone die nog een kwart eeuw op zich zou laten wachten! Profetische kerels waren ze, Peter Slabbynck in het bijzonder.

Niemand kan mij van mijn geloof afbrengen dat smartphone en tutti quanti bedoeld zijn om mensen weg te houden van waar het echt om gaat. Mijn kinderen lezen niet, klaagde ik eens bij mijn eminente ex-collega Johan Janssens. “Het is teken dat ze iets beters te doen hebben”, zei die begrijpende, verstandige man.

Maar nu denk ik dat hij toch fout zat: Het is teken dat ze iets makkelijkers te doen hebben. Met de smartphone verdwijnt het laatste restje inspanning uit het leven. Smartphone in de klas? Ga weg zeg. Leer de kinderen toch eens wat ze nog niet weten, open deuren en ramen!

Zelfrijdende smartphone

De zelfrijdende auto is het ultieme bewijs. Het zijn niet de autoconstructeurs die streven naar die nieuwe mobiliteit. Voor een groot deel is dat uiteraard omdat die sector aartsconservatief is. Juist, maar toch. De pioniers van de zelfrijdende wagen zijn Google, Apple, Facebook, batterijenfabrikant Tesla en anderen in Silicon Valley. Waarom? Omdat het hen goed uitkomt dat we te allen tijde overal connected zijn. Ook op weg, aan wat in het verre verleden “het stuurwiel” was.

En zo worden we onafgebroken bestookt met gepersonaliseerde reclame, weet iedereen, ook de overheid en het bedrijfsleven, altijd waar we wat uitvreten. En met wie! Leuk hé?

Verzet u!!

Geachte lezer, relativeer aub eens de smartphone. Vraag u af wat daar achter zit, wat de bedoeling is, wie er rijk van wordt. Laat u niet gek maken door de commerciële bakerpraatjes van de geradicaliseerde onliners als zou iedereen nu informatie betrekken via smartphone en tablet.

Uit onafhankelijk ernstig academisch onderzoek blijkt dat een overgrote meerderheid van alvast de Vlaamse bevolking informatie verwerft langs de traditionele kanalen, en dat daar niet veel beweging in zit. Daar is niks mis mee. En wie de indrukwekkende nadelen van online-shoppen nu nog niet inziet, is ter kwader trouw. Of heet Zalando Vanderbolpuntcom.

Nog een belangrijk voordeel voor de iPhone-lozen: u blijft helemaal in het ongewisse over die verachtelijke hoop bagger die de nieuwe media overspoelt, en de ellendige beledigingen van allerlei tuig bereiken u niet.

“Ik hoor geen geluidje”, zei Guus Flater glimlachend met forse oorverwarmers op zijn hoofd terwijl Kwabbernoot en Demesmaeker tegen hem stonden te schreeuwen. Tenslotte, dierbare landgenoten, relativeer uzelve. Wat hebt u in godsnaam de hele tijd te communiceren? Que tu dois faire pipi?

Lucas Vanclooster. Lees deze tekst ook op deredactie.be

Zorg aub voor deze beer, dank u

Paddington_Bear_Statue_in_new_location_at_Paddington_Station

(Beertje Paddington in metrostation Paddington in Londen)

Michael Bond, de Britse auteur die het bij kinderen geliefde figuurtje Beertje Paddington in het leven riep, is op 91-jarige leeftijd overleden. Een afgeleide animatiereeks was van 1977 tot 1981 ook op de BRT te zien. Een aflevering duurde vijf minuten. De eerste designer die een licentie verwierf om een driedimensionele Paddington te ontwerpen, was Shirley Clarkson. Zo was haar zoontje, Jeremy Clarkson (van Top Gear), de allereerste die een echte beer Paddington, in de armen kon houden. En knuffelen of verwoesten. In 2014 werd het verhaal nog eens stemmig een aangrijpend verfilmd door Paul King.

Het leven van Michael Bond leest als een roman. Hij schreef verhalen vanaf 1945, toen hij voor het Britse leger dienst deed in Kaïro. In de vroege jaren ’40, toen hij in Reading woonde, en als kantoorbediende werkte, knutselde hij allerlei radio-versterkers en elektrische apparaten in elkaar, en die kwamen via via bij mensen van de BBC terecht.Dat hij ooit voor de omroep zou werken, was toen al een vaststaand feit. In 1950 werd hij inderdaad cameraman. Maar het scheelde geen haar of daar was niets van terecht gekomen. Hij was de enige overlevende van een gebouw dat door de Duitse Luftwaffe werd gebombardeerd. 45 andere mensen kwamen om. Het is een van de redenen waarom Bond per se bij het leger wou, bij voorkeur bij de RAF, maar dat ging niet door omdat hij altijd luchtziek werd aan boord van een vliegtuig. Hij deed dan maar nuttig verbindingswerk in Noord-Afrika, op de begane grond.

Toen Bond eind 1956 kerstgeschenken zocht, vond hij in een speelgoedwinkel een verwaarloosde beer. Hij kocht die, hield hem en verzon een verhaal, hoewel hij de beer feitelijk had bedoeld als tochthond en/of kousenvuller. Michael Bond had twee jaar nodig om de figuur te bedenken en uit te werken, en “A Bear Called Paddington” te schrijven, het eerste van 25 boeken. Hij tekende de beer niet zelf, dat deden verschillende illustratoren.

Naast de eenzame speelgoedbeer waren er nog twee inspiratiebronnen voor Paddington. Vooreerst de vader van Michael, een erg minzame postmeester, die in alle omstandigheden zijn hoed ophield, ook als hij ging pootjebaden in zee. Je weet nooit wie je ontmoet die je deftig moet groeten, zei vader Bond. Maar ook verweesde oorlogskinderen uit Londen, die voor hun veiligheid per trein naar het platteland of de kust werden gebracht, inspireerden Michael Bond. Die kinderen droegen een label met hun naam en bestemming rond hun hals en al hun bezittingen zaten in een enkel koffertje. Ook Paddington zou zo’n bord om zijn harige nek krijgen. Ook hij was een vluchteling, en dat maakt het verhaal nog altijd actueel.

Er was eens een klein gelikt beertje…

… Vanuit het hooggebergte in Peru, waar de berenfamilie woonde, stuurde tante Lucy een kleine net schoongelikte “cub” als verstekeling op een boot naar Engeland. Ze kleedde hem warm aan met een blauwe duffelcoat en een rood hoedje en gaf hem een koffertje met proviand mee, vijf potten jam, zijn lievelingseten. Via de haven van Southampton reisde het beertje per trein naar Londen waar hij in station Paddington strandde. Het beertje droeg een label met als opschrift: “zorg aub voor mij, dank u”. De toevallig voorbijlopende familie Brown kreeg medelijden met het beest, adopteerde hem en noemde hem Paddington. De kleine is geen knuffel maar een als beer vermomde argeloze kleuter, die zich telkens weer in ongeveer dezelfde nesten werkt, en daaruit telkens wordt gered door de familie Brown.

De boeken waren meteen succesvol, ook omdat de droge Britse humor een volwassen publiek kon aanspreken. Ze vonden de weg naar 35 miljoen lezers in 20 landen. En er kwam een hele reeks bewerkingen voor televisie, theater, film (tot in 2014) met bijhorende merchandising. Michael Bond creëerde nog andere vrij succesvolle maar niet vertaalde figuren, onder meer het Guinees biggetje Olga de Polga, en de kok-detective Monsieur Pamplemousse met zijn bloedhond Pommes Frites. Pamplemousse is eigenlijk een reeks voor volwassenen, featuring een ontgoochelde gepensioneerde politieman die culinair journalist wordt en misdaden in restaurants overal in Frankrijk oplost aan de hand van onregelmatigheden op de menukaarten.

Michael Bond was een breedingly British gentleman, francofiel en Europeaan zoals ze er over het Kanaal nauwelijks nog maken. Helaas. Hij was 91 en overleed na een korte ziekte.

Lucas Vanclooster. Lees deze tekst ook op deredactie.be

Culturele misdaad tegen de mensheid

De verwoesting door terreurgroep IS van de Al-Nuri-moskee in Mosul vormt helaas alleen maar een voorlopig dieptepunt in de strijd van fanatieke ideologieën tegen ons aller cultureel erfgoed. Dat de Al-Nuri, gebouwd in 1172, tegelijk de Sint-Pietersbasiliek en de toren van Pisa van het kalifaat is, maakt de dynamitering van het architecturale meesterwerk nog onbegrijpelijker. IS mag nog zo beweren dat de luchtmacht van de westerse coalitie de prachtige moskee en de scheve minaret heeft gebombardeerd, filmpjes van de instorting bewijzen dat de explosie professioneel van binnenuit is uitgevoerd. Maar waarom doet IS dat?

We moeten ons er wel voor hoeden om bij “verwoesting van erfgoed” allemaal onze neuzen in de richting van extremistische moslimbewegingen te draaien. IS doet hard zijn best in de kaalslag van het allermooiste waartoe de mens in staat was, maar ook het Westen heeft meer dan een bijrol gespeeld. Godsdiensten en heilsleren waren daarbij beslissend.

Heinrich Heine

In India hebben Moghul-moslims en fanatieke hindoes om beurt elkaars heiligdommen gesloopt om er op diezelfde plek eigen gebedshuizen op te trekken. Dat leidde en leidt nog tot bloedige rellen. Christelijke veroveraars hebben op zowat alle continenten, om te beginnen in Europa zelf, geroofd, geplunderd, gesloopt en ingepalmd.

De protestantse beeldenstorm was precies wat het woord laat vermoeden. Ook honderden uitzonderlijk prachtige brandglasramen gingen tijdens de geuzentijd aan diggelen. Scherven brachten geen geluk.

Fascisme en stalinisme deden hun deel in het wegschoffelen van cultuur, niet alleen gebouwen en beeldende kunst, maar ook bibliotheken, inhoud incluis. De visionaire Heinrich Heine had lang daarvoor voorspeld: waar men boeken verbrandt, branden ook snel mensen. De nazi-boekenbrandstapels voorspelden de concentratiekampen. En misschien ook de niets ontziende bombardementen op historische Duitse cultuursteden, Dresden onder meer, door de geallieerden. Nadat uiteraard het Duitse leger, tijdens de twee wereldoorlogen, moedwillig tientallen kastelen had platgelegd, van Coucy in Picardië tot in Grimbergen en Vilvoorde.

Stalin en Horta

In zijn bijzonder goed gedocumenteerde semi-historische Sovjet-romans beschrijft Tom Rob Smith pijnlijk exact hoe de KGB rond 1950 orthodoxe kerken opblies. Maar past de destructie van het modernistische DDR-Volkspalast in het verenigde Berlijn, om het te vervangen door een waardeloze suikertaart-replica van een keizerlijk paleis, niet in hetzelfde rijtje? Uiteraard wel, en we bereiken hier zelfs de kern van de zaak: met de verwoesting van het Volkspalast gaf het nieuwe Duitsland een beledigende klap aan de gewezen Oost-Duitsers. Nu was de DDR echt definitief dood.

De oorlog van vastgoedmakelaars en speculanten tegen erfgoed, enkel en alleen voor eigen gewin, hoort ook in die categorie. In Brussel is het Volkshuis van Horta al in 1966 gesloopt, aan zee verdwenen de prachtige sanatoria van architect Lucien Engels onder de sloophamers.

In ons land duurt die strijd tot nu voort. Nog maar 2 jaar geleden ging het prachtige Wanson-fabrieksgebouw in Machelen volstrekt zinledig voor de bijl. Wie zonder zonde is, werpe de eerste…euhm…wat ook alweer?

Bamyan en Palmyra

De moeizame dynamitering van de reusachtige Boeddha-beelden in Bamyan in Afghanistan in 2001 door de taliban vormde een keerpunt. Precies omdat het niet meteen lukte, en de taliban de moderne beeldmedia van die tijd ontdekt hadden, deed de langzame foltering van de monumentale kunstwerken erg veel pijn. Het motief voor de verwoesting hebben we sindsdien tot brakens toe voortdurend opnieuw gehoord: het waren afgodsbeelden, blasfemische voorstellingen die ingingen tegen God en het enige ware geloof.

De oplaaiende vete tussen diverse fracties van de islam, nogal vergelijkbaar met de reformatieperiode in Europa, net nu 5 eeuwen geleden, gaf barbaarse verwoesters nieuwe inspiratie, zoals criminele losers in een kromgetrokken religie argumenten voor terreur en moord vinden. Om de anderen lekker te pijnigen en te vernederen, komt alles snel op YouTube en andere kanalen. Palmyra was een schrijnend voorbeeld. Daar vond de verwoesting in afleveringen plaats, met cliffhangers. Niet alleen de infrastructuur, ook honderden voorhistorische voorwerpen sneuvelden. In Mali hadden lokale afgeleiden van Al Qaeda weinig moeite om de kwetsbare islamitische mausolea en lemen moskeeën te slopen.

Baal en Sjamasj

De lijst is intussen eindeloos. Vorig jaar gingen de archeologische sites van Nimrud en Khorsabad in Irak voor de bijl. In de omgeving van Mosul vielen alle christelijke en jezidische kerken en abdijen ten prooi aan het soennitische terreurgeweld.

Relieken van nog oudere religieuze beschavingen, zoals de Bel-tempel, toegewijd aan de god Baal, zijn evenmin veilig. Hetzelfde lot ondervond de 1750 jaar oude tempel van de zonnegod Sjamasj in Hatra en een pak Assyrische kunstschatten. In Syrië ging het christelijke klooster Mar-Elian in Al-Qaryatayn verloren. De slopers namen er het mozaïekenmuseum van Maarat-al-Noomane in één moeite bij. De stad Busra Sham had prachtige ruïnes, nu alleen nog stoffige stenen.

Waarom?

Fundamentalistische bewegingen en regimes willen geschiedenis schrijven. Dat doen ze door al het vorige te verwijderen, zodat het ooit moet lijken alsof de mensheid met hen, met hun duizendjarig rijk, of kalifaat begon. Alsof zij de universele bakermat vormen, het begin der tijden. Dat ze zelf meestal stijl-, humor- en cultuurloos zijn, vergemakkelijkt de uitroeiing van de geschiedenis. Soms ook grijpen tirannen naar een denkbeeldig groots verleden, dat ze willen laten herleven, door alles tussen toen en nu te verwijderen. Alsof er een directe band bestaat tussen dat glorieuze tijdperk en de miserabele leeghoofdigheid nu.

God wil het. Het Boek eist het.

De werkelijkheid is dat IS en andere terroristische bewegingen en regimes zich nergens ook maar iets van aantrekken, en lak hebben aan virtueel alles. Ze wentelen zich ook graag in een slachtofferrol, in het martelaarschap. Soms proberen ze de schuld af te wentelen op de goddeloze vijand, de ketter, de heiden. Maar als puntje bij paaltje komt, hoeft zelfs dat niet. Als Hitler had gekund, zou hij tijdens zijn laatste dagen vanuit zijn bunker heel Duitsland met alles erop en eraan hebben laten ‘verschwinden’. Want het Duitse volk had hem en de eigen cultuur, zoals hij die zag, verraden.
Mogelijk hanteert IS in Mosul dezelfde logica. Termen als verraad en lafheid zijn bij islamistische fundamentalisten schering en inslag. En daar staan de zwaarste straffen op. Eventueel de zelfvernietiging. God wil het. Het Boek eist het. De grote leider is ontgoocheld, boos en triest.

Cultuur kan ons redden

Toch nog altijd beter om oude gebouwen te verwoesten, dan nieuwe ziekenhuizen en mensen, hoor je wel eens. ’t Zijn maar stenen, waar ligt het verschil, hier of daar in Palma…hoe heet het alweer? Feit is dat de verwoesting van mensen en cultuur samen gaat. Herinner je Heinrich Heine.

Wie geen respect heeft voor het mooiste meest artistieke wat de mens heeft verwezenlijkt, ontziet die mens zelf ook niet. Of de natuur. Wie de Al-Nuri van de aardbodem laat verdwijnen, vermoordt ook elk individu dat daar 800 jaar geleden aan meewerkte en het al die tijd in goede staat doorgaf aan volgende generaties. Die meedogenloze leiders verwoesten cultuur omdat die altijd kiemen van verzet bevat. Als ze alle kunst en architectuur hebben platgeslagen, lijken ze zelf reuzen. Als ze elke herinnering verdrinken, zijn zij pioniers.

De verwoesters van cultureel erfgoed plegen misdaden tegen de mensheid en moeten om die reden voor de allerhoogste internationale rechtbanken verschijnen, en zware straffen krijgen. Onderwijs en media moeten inzetten op cultuur en geschiedenis. We hebben het niet geweten, of wat kan het mij schelen, mogen nooit argumenten worden om barbarisme te vergoelijken.

Lucas Vanclooster. Lees deze tekst ook op deredactie.be

Adieu hydropneumatique

De Franse autofabrikant Citroën heeft de productie van wagens met een hydropneumatische vering stopgezet. Volgens Lucas Vanclooster is dat zonder meer het einde van een tijdperk. In deze analyse doet hij het verhaal van de “hydropneumatique” uit de doeken; of volgens Wikipedia, “the self-levelling automobile”.
.

Bestond dat systeem dan nog? Het is een vraag die ik de voorbije dagen verschillende keren hoorde toen ik meedeelde dat Citroën afscheid nam van de hydropneumatische vering. Ja het bestond nog, tot vorige week. Toen rolde in de fabriek in Rennes in Bretagne nagenoeg onopgemerkt de laatste C5 van de band. Die C5 tweede generatie was geen populaire of emblematische auto, het hydraulisch systeem, dat intussen Hydractive 3 Plus heette, zat alleen op de zowat 4000 euro duurdere Exclusive en XTR versies, en het meest zichtbare kenmerk, dat de auto na gebruik op zijn buik ging liggen, en bij het starten van de motor overeind kwam, had Citroën al danig beperkt.

Paul Magès

Het hydropneumatische systeem is een idee van Paul Magès, qua opleiding een eenvoudige monteur bij Citroën, maar een onverschrokken man met verbeelding. Begin jaren 50 van de vorige eeuw, toen Citroën hard werkte aan de nieuwe DS, die de legendarische Traction uit 1934 moest opvolgen, vroeg Magès zich af of je een auto helemaal kon laten draaien op een buizen-systeem met olie en gas onder hoge druk, met pompjes en membranen om het evenwicht te bewaren.

Magès mocht zijn systeem uitproberen op de 15H, de duurste versie van de Traction, een auto die toen qua design totaal verouderd, maar met zijn zelfdragende constructie en voorwielaandrijving technisch nog altijd modern was. De 15H kreeg eerst remmen bediend door een gas-olie-druk-systeem, in 1954 ook een achtervering zonder veren of schokbrekers, maar met een hydraulische stabilisator. Pientere autojournalisten die ongeduldig wachtten op die aangekondigde nieuwe Citroën hadden door dat die vreemde innovaties op een antiek model te maken moesten hebben met wat komen zou.

La Déesse

De DS19 was de revelatie van het Parijse autosalon van oktober 1955. Nooit was er bij een auto een zo harmonische eenheid van vooruitstrevende architectuur en revolutionaire techniek. Bij de DS geen veren en schokdempers. Ook de schijfremmen werkten op het systeem, en zelfs de halfautomatische versnellingspook roeide in de olie. Dat was het eerste element dat Citroën na een paar jaar opgaf. Als het bedrijf Paul Magès zijn zin had laten doen, dan werkten ook de zijruiten, de verwarming en de afstelling van de stoelen oleopneumatisch.

Onder de DS en zijn opvolgers zat een hele extra-infrastructuur met buizen, leidingen, pompen en voorraadtanks, 2 tot 7, afhankelijk van het type. Daarin staken olie en gas, gescheiden door een membraan. De olie heette “LHM, liquide hydraulique minéral”. Die hele constructie moest de auto stabiel houden, door voortdurend olie te pompen naar het wiel dat een schok of put of welke hindernis dan ook te verwerken kreeg. De pompjes vlakbij de olie- en gastanks achter de motor maakten een mooi geruststellend reutelend geluid. Als ik destijds met mijn DS halt hield voor mijn woning, wist mijn vrouw dat ik daar was, dankzij dat typische tikkend geronk. Het gaf de auto iets van een levend wezen met een ademhaling.

Olé Oleo!

 

Zeker op de vele kasseisteenwegen die er tot eind jaren 60 nog bestonden, moest de oléopneumatique hard werken; op gladde Franse Routes Nationales liet hij het voertuig zwevend en zacht deinend vorderen, met dat typische onbeschrijflijk ontspannen megacomfortabel gevoel dat rijden met de DS, later met de goedkopere ID 19, of met de CX, SM, XM en C6 kenmerkte. Ik heb in mijn beroepsleven met van alles gereden, tot Mercedes S en BMW 7 toe, maar niets geen enkele wagen evenaart het relaxed rijplezier van een oléochevron.

Het meest zichtbare kenmerk was dat een Citroën na gedane arbeid echt ging rusten in liggende houding, en na de start weer de hogere rij-positie innam. Ooit stond ik in een overzetboot met mijn D Super 5 uit de vroege jaren 70 achter een GSA. Toen de chauffeur voor mij en ikzelve de motor tegelijk startten om uit de boot te rijden, kwamen de 2 wagens precies synchroon parallel omhoog. Poëtisch mooi.

In die tijd gebruikten nogal wat gangsters een DS. Bij een bankoverval moest er dan wel iemand de motor draaiende houden om snel weg te scheuren met de buit. Starten, en wachten tot het voertuig de rijpositie innam, zou een beslissend tijdverlies betekenen. Ik heb het altijd vreemd gevonden dat er voor zover ik weet geen detectiveverhalen verschenen, waarbij een moordenaar zich verraadt door bijvoorbeeld te beweren dat hij nog maar net thuis is, terwijl zijn DS of CX al plat op de grond ligt, of omgekeerd.

Xantia

Op het vlak van veiligheid was de DS zijn tijd decennia vooruit. Gecombineerd met een krachtige weliswaar bandenverslijtende voorwielaandrijving, echt onafhankelijke wielen en schijfremmen, bediend door een ultra-directe voetknop in de plaats van een pedaal, had de wagen een uitzonderlijke wegligging en stabiliteit. De break-versies van de DS en CX waren populair bij ambulancediensten en cameraploegen.

Een DS kan rijden op drie wielen. Tenminste als een achterwiel ontbreekt. Zie YouTube. De legende wil dat president De Gaulle een paar keer aan de dood is ontsnapt bij een aanslag omdat een DS met platgeschoten banden toch met volle snelheid weg scheerde. En je hoefde bij bandenpech de auto niet op te vijzelen. Met een vaste krik en een hendel naast het koppelingspedaal kon je de wagen zijn wielen laten intrekken of uitrekken, om een wiel te verwijderen of te bevestigen. Heerlijk toch.

Het systeem werd integraal toegepast tot en met de Xantia, vanaf 1994. Geen enkele auto doorstond de zogenoemde eland-test beter dan de Xantia. Vanaf de eerste generatie van de opvolger C5 moest Citroën van eigenaar PSA, Peugeot dus, beknibbelen, en bij de tweede versie vanaf 2008 nog meer. Alleen de vering was nog hydraulisch.

Vloeken en sakkeren

Maar als het allemaal zo fantastisch was, waarom stopt Citroën er dan mee? Wel vooreerst veranderen de modes en de wensen van de consumenten, terwijl de wegen verbeteren. De erg zachte vering is uit de mode, automobilisten willen niet meer zweven als op een vliegend tapijt, zoals in een Amerikaanse slee of een DS of CX. De laatste C5 Hydractive Drie Plus had al een sportieve versie van het concept. Mensen verkiezen al een tijd een hardere Duitse vering die beter laat aanvoelen wat er op de weg gebeurt.

Fragiel

Citroën dringt ook niet aan omdat het na ruim 60 jaar nog altijd een dure, complexe, broze techniek is. Elke Citroën-rijder die toch enkele honderdduizenden kilometer aflegt, heeft het zeker meegemaakt dat het systeem het begaf. En dan sta je of beter lig je daar, plat ter aarde, machteloos als een insect op zijn rug, want niets functioneert nog. Takelen en herstellen vallen duur uit. Ik kan er verdraaid over mee spreken.

Het heeft 10 jaar geduurd voor het concept op punt stond. Vroeger lieten Franse constructeurs hun klanten de kinderziekten van een nieuw model ervaren. Het was beter om, als je dolgraag een verleidelijke pas verschenen 205 of BX wilde, een paar jaar te wachten, tot na de eerste aanpassingen. Bij de DS was dat tot 1965.

Vraatzuchtige olie

Bij de eerste versies vrat de rode chemische olie het hele buizencomplex van binnenuit op. In de jaren 50 en 60 zag je onder een DS vaak een rode plas. Sommige garagisten wilden niet dat je met een lekkende DS hun pand binnenreed, en ze hielden altijd stukken karton of vodden klaar om onder je incontinente kar te leggen.

In 1965 vonden de ingenieurs eindelijk de juiste legering voor de leidingen, en de goede half-natuurlijke samenstelling van de intussen groene (en dure) olie. Daarom zijn de DS’en uit de periode 1965-68 op de markt van ancêtres de beste investering. De fundamentalistische Citro-snob houdt minder van de versie vanaf 1969 met dubbele koplampen, waarvan er 2 meedraaiden in de bochten, onder plexiglas.

De ULB, de Franstalige vrijzinnige universiteit van Brussel, wilde in de tweede helft van de jaren 50 haar progressieve instelling onderstrepen door de rector, vice-rector, decanen en anderen met een DS te laten rijden. Ze waren van de eerste DS-rijders in ons land. Maar de wagens stonden nog niet op punt. Als ze startten, kwam soms alleen de linker- of rechterkant omhoog, of de achtersteven… Mais enfin.

Et maintenant?

 

De Hydractive Drie Plus is dood, leve de Aircross Advanced Comfort!! Citroën is het aan zichzelf verplicht om met een vering voor de proppen te komen, die het beste van een klassieke ophanging, met keurige veerpoten, combineert met een paar elementen van de oléopneumatique, een mini-oliesysteem in de schokbrekers onder meer, en stoelen met “geheugenschuim”, die na een vervorming, snel hun oorspronkelijke ergonomie weer innemen. Paul Margès leeft nog een beetje.

De nieuwe C5 Aircross, een soort sportieve SUV die niets te maken heeft met de afscheidnemende C5, zal als eerste dat volgens de constructeur beste veersysteem ter wereld krijgen, later geleidelijk wellicht alle Citroëns, via de Cactus tot de C1…Niet meer wiegen en zweven en een oliespoor achterlaten, toch veilig en comfortabel rijden. Het is een missie.

(Filmpje onder: een Citroën DS rijdt op 3 wielen dankzij de hydropneumatische vering)

 

Lees deze tekst ook op deredactie.be