Vijf keer in het water vallen op de Triënnale van Brugge

“Vloeibare Stad” is de tweede Triënnale in Brugge in de 21e eeuw. De organisatoren willen de bewoners van de stad, en de vele honderdduizenden bezoekers deze zomer naar en in het water duwen. Brugge is een verstarde stenen museumstad maar ook een plek met overal water. Het “Venetië van het Noorden” heeft dat aspect verloren laten gaan.  En toch, water is de toekomst, de oplossing voor onze enorme ecologische uitdagingen. Als we tenminste eerbiedig met water omspringen. Vijf voorbeelden.

1. Acheron I van Renato Nicolodi

TR1

Iwan Baan

 

Op de Lange Rei drijft een schijnbaar betonnen structuur. Het gaat om piepschuim dat de textuur van beton perfect imiteert. “Acheron I” van de jonge Limburger Renato Nicolodi stelt een trap naar het “onderwaterse” voor. Inspiratie haalde Nicolodi bij de mythologische maar echt bestaande rivier Acheron in het noordwesten van Griekenland. Die vloeit voor een groot deel ondergronds wat voedsel gaf aan mythologische inspiratie. Zo werd Acheron de rivier van het leed, de brug tussen boven en onder, de oversteekplaats naar het hiernamaals. Het grote object van Nicolodi is een morbide haven, een ongrijpbare aanlegplaats voor reizigers tussen verleden en toekomst.

2. Minne Floating School van Nlé Kunlé Adeyemi

TR2Iwan Baan

 

In Afrika en Azië wonen miljoenen stadsmensen nu al op het water, in boten, op vlotten en in drijvende krotten. Wat een noodgreep lijkt, zou wel eens de oplossing kunnen zijn. Adeyemi is afkomstig uit de havenstad Lagos, Nigeria. Zijn “Minne Floating School” maakte 4 jaar geleden al veel indruk aan het Arsenale op de Biënnale van Venetië; nu ligt het aangemeerd aan de oever van het Minnewater, een van dé symbolen van Brugge. Het is een heuse school, in mei en juni zullen verschillende klassen hier les volgen. Of examens afleggen, die unieke plek kan alleen maar positief zijn voor de resultaten. Het is een mooie flexibele houten structuur van twee etages die stormen en overstromingen trotseert. De vorm doet wat denken aan een piramide of een berghut.

3. Infiniti23 van Peter Van Driessche

TR3

Iwan Baan

 

Verwant aan de Floating School is de woon- en werktoren van architect en stedenbouwkundige Peter van Driessche en Atelier 4. Zijn toren op schaal één derde niet ver van de Bakkersrei en Oud Sint-Jan beantwoordt een paar pertinente vragen. Wat als de zeespiegel door de opwarming van de aarde inderdaad 7 meter stijgt? Wat als de bevolkingsexplosie aanhoudt en miljarden mensen extra naar de steden trekken? De oplossing is utopisch, poëtisch en prikkelend: drijvende paalwoningtorens en kantoren, die kunnen blijven groeien naargelang de behoefte. De torens en woon- en werkeenheden zijn in duurzaam hout, voor Van Driessche de bouwstof van de toekomst. In drie ook drijvende paviljoenen tonen Van Driessche en zijn studenten maquettes van de interieurs van die woningen. Die zijn uiteraard klein en sober, met schattige bad- en slaapkamers, stapelkastjes en andere vindingrijke ecologische oplossingen.

Je kan de aandacht voor zorg in het laat middeleeuwse Brugge combineren met de toekomst. Wat denk je van een drijvend rusthuis? Brugge is geen West-Vlaams neogotisch Bokrijk!

  • Till-Holger Borchert, directeur Brugse musea

4. Selgascano-paviljoen

TR4Iwan Baan

 

Een van de meest kleurrijke en verrassende projecten drijft op de Coupure. De fel stralende oranje installatie van het Spaanse architectenbureau Selgascano is een doorzichtige organische bochtige constructie waar je doorheen kan wandelen en waar je in het weekend vanaf mag duiken in het water. De installatie kleurt de hele omgeving in een warme gloed.

Op de Lange Rei drijft een gelijkaardig project, niet om in het sop te duiken, maar om boven het water te rusten of te schommelen in een hangmat of tegen elastische witte touwen. Dat “Floating Island” is een ontwerp van het Koreaanse architectenbureau OBBA.

5. Lanchals, John Powers

TR5.jpgIwan Baan

 

De witte zwanen zijn zo typisch Brugs dat onverlaten de eieren roven. De aanwezigheid van de kitscherige watervogels zit geworteld in een dramatisch verleden, de legende van Pieter “what’s in a name” Lanchals, de vermoorde raadsheer van de Oostenrijkse aartshertog. Na een Oostenrijkse strafexpeditie moest de stad Brugge altijd 52 “langhalzen” op zijn wateren houden. De constructie van de Amerikaanse kunstenaar John Powers is een naar de hemel gestrekte zwanenhals, opgebouwd uit modules in Cortenstaal. Je mag er ook een ruggengraat of een tornado in zien. Het kunstwerk staat op het mooie en nauwelijks bekende Minnebopleintje aan de Sint-Annarei.

Vloeibare Stad nodigt uit tot nieuwe ontmoetingen, aan een kunstwerk, op een drijvend paviljoen.

  • Michel Dewilde stadscurator

Lucas Vanclooster. Alle informatie over “Liquid City-Vloeibare Stad” vindt u hier.

Advertenties

Claus con amore

In Bozar in Brussel opent Hugo Claus, con amore, een tentoonstelling over de Vlaamse auteur die 10 jaar geleden overleed. Publicist en filmregisseur Marc Didden stelde de expo samen. “Het is een tentoonstelling voor Claus, geïnspireerd door liefde”, zegt hij.

De tentoonstelling focust op nagenoeg alle aspecten van Claus. De dichter, romanschrijver, filmregisseur en plastisch kunstenaar, maar ook het personage, de figuur Claus. Zo toont Didden nogal wat trivia, kleine souvenirs aan alles en nog wat die Claus een leven lang bijhield. En er zijn enkele prachtige werken van oude en jonge kunstenaars die hun visie op Claus of op een aspect van zijn kunstenaarschap geven. Lucas Vanclooster koos er vijf werken uit.

1. “Herbarium”, 1949

claus1Maurice Verhaert Art Center AntwerpenMaurice Verhaert Art Center Antwerpen

 

In 1949 was Hugo Claus dolverliefd op Elly Overzier. Begrijpelijk, ze was een uitzonderlijke vrouw, een knappe actrice, en ze werd de moeder van Claus’ oudste zoon. In zijn liefdesverklaringen was het voor Claus alles of niets. Voor Elly schreef hij in één nacht tijd een hele dichtbundel liefdeslyriek, en hij maakte er mooie door Cobra geïnspireerde tekeningen bij. Marc Didden wilde deze collectie ook hebben omdat hij in 1949 geboren is. Hugo Claus was toen 20.  Didden is vooral onder de indruk van de kracht die toen al van Claus uitging.

2. “Keizer Hugo Claus”, Ever Meulen, 1984

claus2 Eddy Vermeulen

 

Deze prachtige tekening van illustrator, cartoonist en ontwerper Ever Meulen verscheen oorspronkelijk in 1984 in Vrij Nederland. Het is een van zijn beste werken. Hij combineert de klare lijn van Hergé met de bedrieglijke architectuur van M.C. Escher en de humor van Joost Swarte. De prent bulkt van de verwijzingen naar Claus. Het lijkt wel een zoekplaatje naar romantitels en details uit zijn verhalen, films en toneelstukken. Ever combineert een fijn hommage met een verbijsterende technische perfectie.

3. “Hugo Claus”, Sam Dillemans, 2013

claus3 Sam Dillemans

 

Hoe anders is dit portret door Sam Dillemans, veel recenter ook, vijf jaar na het overlijden van Claus. Hoewel het er uitziet als een houtskooltekening, gaat het welk degelijk om olie op doek. Sam Dillemans is bekend van zijn portretten, van beroemdheden, maar ook van anonieme boksers. Het aardige bij dit werk is dat het lijkt op rudimentaire zwart-wittekeningen van Claus zelf uit 1955, in de nadagen van kunstbeweging Cobra. Ondanks de ruwe penseelvoering is Claus meteen herkenbaar.  Op de tentoonstelling zijn voorts schilderijen te zien van Karel Appel, Roger Raveel, Luc Tuymans, Thierry de Cordier en anderen.

4. “Dag jij”, 1971

claus4 Quattuor

 

Ruim twintig jaar na “Herbarium” maakte Claus opnieuw een originele liefdesverklaring, nu voor actrice Kitty Courbois, die mee speelde in de film “Vrijdag” en in verscheidene toneelstukken van Claus. Over zijn relatie met haar had Claus het ook in zijn roman “Het jaar van de kreeft”. Courbois overleed vorig jaar. Met het paarse fluwelen doosje met sleutel, gevuld met erotische gedichten, gaat Claus wel een forse stap verder in de richting van een expliciete retoriek. “De gedichten komen rechtstreeks van tussen de lakens”, vermoedt Didden. De seksuele revolutie had zich intussen voltrokken. Claus vond lichamelijke liefde en erotiek van het allermooiste in een mensenleven, en dat verkondigde hij graag en met passie. “Je mag om het even welke symboliek vermoeden in het zachte paarse fluwelen doosje”, zegt Marc Didden.

“Vier generaties”, Suzanne Holtzer, 2017

claus5 Suzanne Holtzer

 

“Vier generaties” is het meest ontroerende werk van Con amore. Suzanne Holtzer was twintig jaar lang de redacteur van Claus bij uitgeverij De Bezige Bij. Zij was een van de weinige aanwezigen aan het sterfbed van Claus. Veel later maakte ze er deze verstilde houtsnede over. Marc Didden is erg blij dat dit werk op de tentoonstelling te zien is. Aan de muur zien we de beroemde foto van het mannelijke viergeslacht Claus, met de kleine Hugo als kleuter. De voorouders kijken als het ware, drie kwart eeuw later, naar de stervende Hugo. Wat een boeiend leven zit er tussen de foto en de tekening! Maar Marc Didden stond er op dat na dit sombere doodsbed van Holtzer de bezoeker de expositie verlaat met toch nog een paar beelden van de voluit levende en levendige Hugo Claus.

 

Hugo Claus, con Amore, tot 27 mei 2018 in Bozar in Brussel. Lees ook op VRT NWS.

Vijf keer Jean Brusselmans, een Belg in Den Haag

Het Gemeentemuseum Den Haag is een van de meest invloedrijke en populaire musea van Nederland. Wie had ooit gedacht dat Jean Brusselmans hier de zalen zou vullen? Nederlanders houden van onze kunst uit de overgangsfase tussen 1920 en 1950, de evolutie van impressionisme naar abstractie. Het zijn de gloriejaren van Brusselmans. Vijf sleutelwerken.

De regenboog, 1932

Dit naïeve schilderij is een vroeg werk van Brusselmans. Grote reizen heeft de artiest, die meestal maar net boven de armoedegrens leefde, niet gemaakt, maar hij verbleef vaak aan zee. De regenboog staat ietwat uit het lood op het doek, en ziet eruit zoals kinderen ze zouden kleuren. Maar er zit ook dreiging in het werk, er is duidelijk storm op komst. De zee kolkt, regen geselt het linkse deel van de compositie. Vier jaar later schildert Brusselmans het vervolg…

1

Collectie Ernst van Zuylen

De Storm, 1936

De keerzijde van “De regenboog”. De zonnestralen, die na de storm doorheen goud-omrande zwarte wolken breken, trekken alle aandacht. Twee vissersbootjes zwoegen tegen de laatste kolkende golven, maar de lichtere wolken kondigen rust aan. In “De storm” vat Brusselmans het zonlicht net voor het ogenblik dat het hele zeeschap in lichterlaaie zal staan.

2

Herbert Foundation

De vuurtoren van Oostende, 1936

Bijna altijd start Brusselmans vanuit een centraal element. Dat kan klein zijn, of groot. Hier bouwt hij zijn compositie op vanuit de nog bestaande vuurtoren aan de vaargeul van Oostende. De toren, pal in het midden, leidt het oog van de toeschouwer. Boven, naast en onder de toren schikt hij allerlei zaken die bij de haven horen, de wolken, de vismijn, een zeilbootje. Het bouwsel onder de vuurtoren is zuiver constructivistisch, en verklaart wat we bedoelen als we Brusselmans een volkse kubist noemen.

 

3Stedelijk Museum, Amsterdam

Winter in Dilbeek, 1945

Dit onwaarschijnlijk mooie schilderij, uit de latere en al met al minder interessante periode van Brusselmans, is de revelatie van de tentoonstelling. Het werk is ook voor het eerst sinds mensenheugnis te zien. Centraal staat de kleine kerk van Dilbeek, maar de blik gaat meteen naar de weergaloos geborstelde lichtschakeringen die de rode zon werpt op de wolken en, erg typisch voor Brusselmans, op de zogenoemde blinde wachtgevels van de woningen.  Het rafelige karakter van het landschap, met ook nog een kluitje moedeloze bomen, is typisch Belgisch, maar de opbouw en het spel met vlakken en kleuren spreken een universele taal.

4

privécollectie

Het bad van de vagebonden, 1936

5 Van Abbemuseum, Eindhoven

Het meest dynamische en complexe werk van Jean Brusselmans en daarom atypisch. Het dateert uit de periode toen hij met Rik Wouters een mansarde deelde. Het is wellicht de enige Brusselmans die beweegt. De duikers, zwemmers en baders zitten vol leven, maar ook de toevallige voorbijgangers op de trap en de brug, en zelfs het paard van de bierhandelaar, zijn op weg. Brusselmans experimenteert hier met een ruimere centrale as. In het midden staat de toren van het stadhuis, maar meteen valt op dat die geprangd zit tussen de kathedraal en een fel rokende schoorsteen. De drie torens gaan onder de brug als het ware verder in de gestrekte duiker die al het water (van de Zenne?) doet opspatten. Ook de wachtgevel is er weer, en zelfs het justitiepaleis. De naakte lichamen zijn een alibi om te schuiven met vlakken, vormen, strepen en volumes.

 

Lucas Vanclooster. Lees het artikel ook op vrt nws. Tot 10 juni in Het Gemeentemuseum, Stadshouderslaan 41, Den Haag. Voor informatie, kijk hier

Ferrari 70

Enzo_Ferrari_-_Wheel_of_a_racing_car

Heel snel na de Tweede Wereldoorlog begonnen Enzo Ferrari en een klein team vrienden met de bouw van wat voor hen de “ideale sportwagen” moest zijn. Ze dachten daarbij vooral in functie van autosport. Het Designmuseum in Londen overloopt vanaf deze week die geschiedenis van innovatie, autoracerij en vernieuwend design. Ook de mensen achter het merk komen aan bod. In samenwerking met het Ferrari-museum in thuishaven Maranello toont het Designmuseum de eerste plannen en schetsen, alle historisch belangrijke race- en productiewagens, de Testarossa en 250 GTO onder meer, tot de Formule 1-wereldtitelbolides van Michael Schumacher en het allernieuwste hybride model, en ook parafernalia als helmen en pakken van beroemde piloten en van die dingen.

Het kan verbazing wekken dat Enzo Ferrari zo snel na de Tweede Wereldoorlog, die Italië had verwoest, aan een sportwagen dacht. In die tijd lagen de wegen in puin, de heropbouw moest nog beginnen. Italië, als bondgenoot van nazi-Duitsland, behoorde tot het verliezende kamp. Nergens ter wereld was de autosport al weer op gang gekomen.

Italiaanse politici en ondernemers wilden de Italianen weer mobiel krijgen met scooters – de Vespa en Lambretta zijn in die tijd van start gegaan. Het zou tot een eind in de jaren vijftig duren voor de Isetta, bij ons bekend als piepkleine driewielige BMW maar oorspronkelijk een Italiaans ontwerp, en de Fiatjes de Italianen weer in een auto kregen.

De man

Enzo Ferrari startte zijn carriere als racepiloot in 1919, heroïsche pionierstijden. Hij reed onder meer in modellen van Isotta-Fraschini en Alfa-Romeo. Tot 1939 was hij de officiële testpiloot van Alfa-Romeo. In datzelfde jaar startte hij een eigen bedrijfje in Modena. In 1945  – de echo van de explosies van de oorlog dreunde nog na –  werkte Enzo, toen 47 jaar oud, al aan zijn eerste eigen ontwerp, de 125S met een V12-motor, de typische krachtbronarchitectuur waar het merk altijd trouw aan zou blijven. De 125S was uiteraard rood. Op de tentoonstelling in Londen staat een replica uit 1987 van deze eerste wagen, die in 1947 eindelijk klaar was. 70 jaar geleden, de officiële geboortedatum van het automerk Ferrari.

Race-auto’s zijn mooi noch lelijk. Ze worden mooi als ze winnen.

Enzo Ferrari had maar één interesse: sportwagens. Hij bracht al zijn tijd in zijn atelier en aan het stuurwiel door. Vakantie bestond niet. Vooral van alleen knutselen in een verder lege werkplaats hield hij enorm. Enzo overleed in 1988, hij was 90, en had nog net de geboorte meegemaakt van de legendarische F40, toen de snelste auto op de markt.

De klanten

Vanaf  de vroege jaren vijftig verzilverde Ferrari het succes in de autosport met productiemodellen, die dus gewoon, nou ja, bij de dealer te koop stonden. Het woord “gewoon” klopt nog enigszins, de eerste Ferrari’s waren niet poepduur. Meteen schoven de celebrities aan. Ik noem alleen nog maar jazzlegende Miles Davis, acteurs Clint Eastwood, Sammy Davis, Brigitte Bardot en Peter Sellers. Dit jaar werd een Ferrari F430 van Donald Trump geveild voor 250.000 euro.

Ook Nick Mason van Pink Floyd en Mick Jagger hadden er een, en Fiatbaas Agnelli was een trouwe fan. Verschillende Fiatsportwagens zijn trouwens met een beetje hulp van Ferrari ontworpen, onder meer de wonderprachtige 2300 S coupé uit de jaren 60, de Dino’s tien jaar later en eind twintigste eeuw nog de Coupé en Barchetta. Uiteraard nemen Ferrari’s deel aan films en feuilletons. Ik denk alleen nog maar aan de 365 GT Daytona in “Miami Vice” en de gewone 365 in de handen van Tony Curtis in “De versierders”.

 

Ons koningshuis

Dat verschillende leden van het Belgische koningshuis autofreaks zijn, weet iedereen. In de jaren vijftig reden Boudewijn en Albert met een Ferrari, de broers hadden er één voor hen beiden. Een aanrijding met blikschade in de buurt van Leuven werd in der minne geregeld, maar kwam toch discreet in de pers. De Waalse romanschrijver Pierre Mertens heeft over dat ongeval mooie bladzijden in zijn meesterwerk “Koninklijke rust”. En ook Laurent was een tijdlang een Ferrari-addict. Niemand vergeet het beeld van Laurent die in zijn blauwe Ferrari de oprijlaan naar het paleis van Laken opstuift.

Andere Belgische Ferrari-adepten waren Tom Boonen, die een F430 in de prak reed, en Jean-Pierre van Rossem. De beelden van de corpulente beursgoeroe en Formule 1-renstal-eigenaar die zich in en uit een rode Ferrari hijst, zoals Gerard Depardieu op en van een scharminkelig paard in de film “Germinal”, blijven op het netvlies gebrand. Sinds Van Rossem weten we trouwens dat er een scherpe vete bestaat tussen Ferrari- en Lamborghini-rijders, vergelijkbaar met de hetze tussen eigenaars van Vespa’s en Lambretta’s.

Design

Voor de modale bezoeker die weinig boodschap heeft aan autosport, zal de sectie van de tentoonstelling in Londen die de ontwikkeling van het design toont een stuk interessanter zijn. Meteen na de beslissing om ook productiewagens te bouwen, koos Ferrari de toen bekendste en beste auto-ontwerper ter wereld Battista Pininfarina om de wagens te ontwerpen. Die samenwerking met het nog bestaande studiebureau duurt tot heden.

Op de tentoonstelling staan schaalmodellen, windtunnelprototypes en uiteraard echte auto’s, tussen tientallen schetsen, ideeën, foto’s, maquettes en films. De expositie licht ook een paar tippen van de sluiers van toekomstige modellen. Want het gaat goed met Ferrari, de productie en de winst lagen nooit hoger. Zeker bij kapitaalkrachtige Russen en Chinezen ligt Ferrari in de bovenste lade.

Ferrari behoort tot de Fiat-Chryslergroep, via aan complexe constructie die wat lijkt op de verhouding Volkswagen-Porsche. Bedoeling is om de aandelen en de beurskoersen van Fiat en Ferrari gescheiden te houden, zodat de sportwagenbouwer exclusief aan zijn eigen imago en succes kan werken. Commercieel succes, ja: meer dan 7000 exemplaren per jaar, een omzet van drie miljard euro. Dat moet het al 10 jaar wachten op een wereldtitel in de sport goedmaken. Al is Ferrari wel het enige merk dat vanaf de jaren vijftig onafgebroken deelnam aan de Formule 1. En dat zal blijven doen.  En ja, naast de auto is er nog een heel gamma Ferrari-merchandising. Is een Ferrari-auto misschien te duur, een horloge kan er nog net van af.

De steigerende hengst

Het logo van Ferrari is een zwart steigerend paard op een gele achtergrond, met de letters SF. Waar komt dat vandaan? Uiteraard zijn er veel automerken die een krachtig (roof)dier als embleem gebruiken, denk aan Jaguar, zelfs Peugeot. Ook de Ford Mustang heeft een paard als kenteken, zij het dan een galopperende flink uit de kluiten gewassen pony. Het Ferrari-logo zou afkomstig zijn van hat cavalerie-regiment van een militaire piloot en oorlogsheld, Francesco Baracca. De moeder van Baracca schonk het zwart-wit wapenschildje dat het vliegtuig van haar verongelukte zoon sierde, aan Enzo, die ze al lang kende. Die koos een gele achtergrond, de kleur van Modena. SF betekent Scuderia of raceteam Ferrari.  Onnodig te vermelden dat de meeste Ferrari’s rood zijn.

Quanta costa?

Een Ferrari Portofino van nu krijg je in handen vanaf een goeie 200.000 euro. De andere modellen zijn 20 tot 100.000 euro duurder. Een maximumprijs is er niet, de lijst opties en gepersonaliseerde speciallekes is eindeloos. Een Ferrari is uiteraard een investering;, de waarde begint meteen na de aankoop te stijgen. In 2014 veranderde op een veiling een 250 GTO Berlinetta uit 1962 voor meer dan 30 miljoen euro van eigenaar, nog altijd het record. In de top 10 van duurste auto’s ooit geveild staan trouwens zeven Ferrari’s.

Een tweedehandse Ferrari kan je niet kopen op de vrije markt, laat staan op eBay. Bij aankoop tekent de koper van een nieuwe auto een contract met de clausule dat, als ze de kar beu zijn, Ferrari die weer opkoopt. Dat geldt ook voor vernielde modellen na een ongeval.

Mijn lievelingen

Ik hou het graag wat sober, dus zijn de allersnelste meest prestigieuze sportwagens niet mijn lievelingsvoertuigen. Integendeel, ik vind Ferrari’s en Lamborghini’s vaak nogal ridicuul. Het prottige geluid vooral. Maar in mijn destijdse verzameling van Jacques chocolade-prentjes uit 1962 zat de Ferrari 250 Gran Turismo, een 2500 cc V8 vierpersoons coupé die toen al 250 kilometer per uur haalde. Het was een vrij eenvoudige, herkenbare, strakke auto, en sinds mijn prille kindertijd mijn all time Ferrari-favorite. In het Autosalonnummer van de VAB-Autotoerist van 1968 dook de perfect gestroomlijnde Citroën SM-achtige Daytona op, mijn nummer twee. En van de latere Ferrari’s gaat mijn voorkeur altijd naar de minst spectaculaire modellen, die een eenvoudig mooi interieur hebben dat toch aan vier inzittenden plaats biedt. Een Ferrarigezinswagen, het kan.

Lucas Vanclooster. Lees deze test ook op vrt nws.be

Christo: “De wereld kan best zonder mijn ingepakte kunst”

a08b1972-b967-11e7-bbe7-02b7b76bf47fChristo stelt voor het eerst sinds tientallen jaren tentoon in ons land. “Urban projects” heet de expositie in ING Art Center, en ze was de aanleiding voor een bijzonder aardig interview met de 82-jarige kunstenaar die tot geen enkele stijl of school behoort, die gewoon samen met zijn vrouw en partner in crime Jeanne-Claude mooie dingen maakte, overal ter wereld. Een bedoeling, laat staan een politieke boodschap heeft hij daar niet mee. Schoonheid en unieke ervaringen beleven en delen zijn de drijfveren.

Van potlood tot reusachtig project

Hij wil niet aangesproken worden als “mister Christo”. Gewoon “Christo”, dat is zijn echte voornaam, sinds zijn geboorte in Bulgarije in 1935. Het werd ook zijn artiestennaam. Mijn eerste vraag gaat over het wonder dat al die soms gigantische projecten ooit, decennia voor de voltooiing, gestart zijn met een klein tekeningetje in potlood. Ja, het zijn ook geen gewone sculpturen, steekt Christo Vladimirov Javacheff van wal voor ik mijn vraag helemaal heb kunnen formuleren. “Vergeet niet dat ik onder meer architectuur heb gestudeerd. En de architect begint met een blad papier en een potlood.” Daarna maakt Christo fotomontages, er hangen er enkele aandoenlijke op de tentoonstelling, wat knullig gemonteerd of gefotoshopt, sommige met plastic of zeil over geplakt, bijna bas-reliefs.

Die tussenstadia vertalen de esthetische evolutie naar de uiteindelijke voltooiing van het hele project. “Het zou een totale leugen zijn als ik beweer dat ik in 1972 wist hoe de Reichtstag in Berlijn in 1995 zou uitdraaien”, zegt Christo. “Ik moest toen nog alles ontdekken, de psychologie van de Duitser onderzoeken, de administratieve problemen overwinnen, de fysieke aspecten van het werk ervaren, het licht, de wind. Daar hadden we in onze studio in Manhattan geen idee van”. Uiteindelijk kozen Christo en Jeanne-Claude voor zilverkeurig textiel, versterkt met strookjes aluminium.

Geen favoriet kind

Christo heeft de wereld verbaasd met heroïsche projecten. Heeft hij een favoriet werk? “Meneer, hoeveel kinderen heb je?”, reageert hij. “Wat is je lievelingskind? Dat kan je niet vragen.” Elk project was als een kind voor hen, benadrukt hij, dat helemaal bij een bepaalde periode van hun leven behoorde, en “daarom hielden we ervan”. (Christo en Jeanne-Claude hebben één zoon, Cyril Christo, die naam maakt in de wereld van design). In 1969, als jonge kunstenaars, pakten ze een woeste kuststrook in Australië in, met rotsen, de branding, er zwommen haaien. “It was madness!”, zegt Christo nu. “Maar het behoorde tot die periode van ons leven.”

578871845_1280x720Twee weken, en afgelopen, voorbij

Na al dat werk en die enorme herculische arbeid, blijft het officiële project 14 tot 16 dagen staan. Dan verdwijnt het, en het komt nooit meer weer, jamais. “Dat komt overeen met het leven”, zegt Christo, “de meest authentieke ervaringen zijn kort en tijdsgebonden. Het echte leven heeft geen repeat-toets. Je moet houden van de unieke omstandigheden van hèt ogenblik. De eeuwigheid bestaat niet.”

Het eeuwige leven bestaat niet, alleen het nu en de herinnering

Trouwens, Christo vindt niet dat hij zo hard werkt, hij geniet van de inspanning, van het vinden van een geschikt terrein, overleggen en plannen en knutselen met zo veel mensen, het geleidelijk ontdekken wat het zal worden. Een belangrijk aspect in die voorbereiding is de totale controle over het project om elke commercialiteit te vermijden. Christo huurt het terrein, ook dat van de Reichstag in 1995, tot een halve kilometer rond de plek om  commerciële en publicitaire aspecten te weren. Dat kost miljoenen. Het werk moet volledig gratis bekeken kunnen worden, niemand mag er financieel belang bij hebben.

De ingepakte Reichstag in Berlijn oversteeg de politiek

Het enige politieke werk dat Christo maakte, was “The iron curtain” in 1961, een stapel olievaten die gedurende acht uur de Rue Visconti in Parijs afsloot, een verwijzing naar de toen pas gebouwde Berlijnse muur. De Reichstag in Berlijn, kort voor dat historische monument opnieuw het parlement van het verenigde Duitsland werd, had geen directe politieke bedoeling.

Ik hou van de real thing, wind, zon, regen, mensen. Niet van computers en telefoons.

De Reichtstag is een site, volgestouwd met geschiedenis. Bij het project ging het over tientallen kilometers kunststof en touw, echte wind, zonneschijn, regen…”Ik hou van the real things”, zegt Christo, “ik sta 14 uren per dag overeind, ik beweeg graag. Ik kan niet autorijden, ik haat telefoneren, ik sla nooit een computer open, omdat ik alleen van echte dingen hou.” Christo was daarom erg blij toen er sneeuw viel op ingepakte bomen en op 7.000 poortjes met oranje linnen doeken in Central Park in New York.  Het kunstwerk speelde met de echte wereld.

De kunst van Christo is nutteloos

“Wat zinledig is, voelt zich vrij”, zegt Christo. “Nuttige zaken zijn niet vrij. Mijn projecten zijn radicaal. De wereld kan zonder. Niemand heeft de ingepakte Reichstag nodig. Alleen de mens kan dergelijke zinledige dingen bereiken.” De Reichstag is een perfect voorbeeld. Het waren bergbeklimmers, ervaren alpinisten, die de kunststof en de kabels aanbrachten. Er stonden geen steigers met zeilen die het werk aan het oog onttrokken. Van achter een afsluiting kon het publiek dat bekijken. Toen het inpakken klaar was, mochten de toeschouwers vlakbij komen. Het was mooi om zien hoe ze alles ontdekten, het op de wind bewegende textiel durfden aanraken. Hebt u in Berlijn of Brussel ooit een mens een gebouw zien betasten?”

Jeanne-Claude Denat de Guillebon

Jeanne-Claude is net zoals Christo geboren op 13 juni 1935. Ze ontmoetten elkaar toen Christo portretten schilderde van haar ouders. Sindsdien waren ze onafscheidelijk. Ze was zijn strengste criticus en adviseur. Acht jaar geleden overleed Jeanne-Claude. Velen vreesden dat Christo geradbraakt zou zijn, dat er een einde zou komen aan een prachtig verhaal. Niets was minder waar. Dat komt omdat alle concepten waar hij nu aan werkt, nog mee door Jeanne-Claude zijn voorbereid. “We werken nog altijd samen.”

De toekomst

De 82-jarige kunstenaar is in topconditie. Hij eet alleen ’s avonds. Het ontbijt bestaat uit yoghurt met look. Hij woont al een halve eeuw in hetzelfde 19e eeuwse industriële gebouw in Manhattan, zonder lift. De 90 traptreden rent hij verschillende keren per dag op en neer.  Nooit zit hij stil.

Christo werkt opnieuw aan verschillende projecten tegelijk. Het belangrijkste is de mastaba in Abu Dhabi, dat het grootste kunstwerk in de geschiedenis moet worden, de pyramide van Gizeh kan er helemaal in. Voor het eerst gaat het om een gesubsidieerd werk, de Verenigde Arabische Emiraten betalen, en om een structuur die uitzonderlijk zal blijven staan. Een mastaba is een oorspronkelijk Mesopotaams bouwwerk dat het midden houdt tussen een piramide en een ziggurat, met twee vlakke en twee schuine wanden. Christo grijpt voor het basismateriaal weer naar zijn begindagen: de mastaba zal bestaan uit 400.000 gestapelde vaten. Hij bedacht het project 40 jaar geleden…

Christo was al vaak in België en Nederland. In 1978 was er in het PSK een tentoonstelling over zijn kilometerslange afsluiting van een ravijn in de Verenigde Staten. Hij had echter nooit ideeën voor projecten in ons land.

“Christo & Jeanne-Claude urban projects” is tot en met 25 februari 2018 te zien in het ING Art Center in Brussel.

Lucas Vanclooster

Bekijk de videobeelden op VRT NWS.

christo_en_lucas

Stephen King 70: de horror van het alledaagse

day-29-stephen-kingStephen King is een van de allerpopulairste schrijvers ooit. Op zijn zeventigste denkt hij niet aan stoppen. 

Al zowat 45 jaar bestookt Stephen King de wereld met vaak dikke boeken. En die verkopen als gek, overal. Het moet zijn dat zijn unieke combinatie van traditionele vertelkunst, realisme, geloofwaardige psychologie, no-nonsensetaal en talent voor het oproepen van dreiging wereldwijd aanslaat. Veel van zijn werk leidde tot klassieke films van de allergrootste regisseurs.

 

Kings verhalen spelen zich vaak af in de Amerikaanse staat Maine, waar hij exact 70 jaar geleden het levenslicht zag in een niet evident gezin. Zijn vader ging er vandoor toen Stephen twee was, het traditionele “ik ga eens om sigaretten”-verhaal. Vaak was die vader sowieso niet thuis, want hij werkte in de koopvaardij. Een en ander betekende een kindertijd en jeugd in betrekkelijke armoede, en af en toe verhuizen.  Stephen King kreeg een religieuze opvoeding.

De erfenis van vader

Vader Pollock-King liet het eerste deel van zijn naam vallen, en vergat iets kostbaars in zijn huis toen hij vertrok: een krat boeken, vooral SF, thrillers en horror. Stephen verslond alles. Door enkele dramatische ongelukken met vriendjes en familieleden legde hij de link van werkelijkheid naar fictieve gruwel.

 

King studeerde Engels aan de universiteit van Maine,  deed een heel gamma van bescheiden baantjes en was kortstondig ook leraar, in Hamden. Intussen schreef hij al, en af en toe verscheen een verhaal in een lokaal blad of in een studententijdschrift dat hij zelf had gesticht. Een aantal van die eerste probeersels verscheen veel later in de bundel “Night Shift”. Hij trouwde met Tabitha; het koppel woonde lang in een camper. Tabitha schreef zelf negen boeken. Twee van hun drie kinderen schrijven ook.

Verslaving

De moeilijke leef- en werkomstandigheden dreven Stephen naar alcohol, cocaïne, geneesmiddelen en andere ongezonde dingen. In 1989 gooiden familieleden een collectie van alles waar hij verslaafd aan was op het tapijt. Stephen kickte af … van dan af hield hij het bij drie sigaretten per dag.

 

King schreef vaak in compleet bezopen toestand, of stoned als een garnaal. “Carrie” kwam deels zo tot stand. In nuchtere toestand gooide hij het resultaat van dat geïntoxiceerde geschrijf weg. Maar zijn vrouw redde een omvangrijk manuscript uit de vuilnisbak en ze kon haar man overhalen om er verder aan te werken. Dat werd “Carrie”, Kings eerste succesroman in 1974. Kort daarop werd het verhaal over een wraakzuchtig, miskend, gepest meisje met paranormale krachten verfilmd.

“Ik ben altijd bang geweest om zelf gek te worden”. Dat zei Stephen King aan Martin Coenen, toen hij de schrijver in 1989 bij hem thuis in Maine opzocht voor een lang interview in “Wie schrijft die blijft“.

The shining

Aangemoedigd door het succes stortte King zich helemaal op schrijven. Het ging zo snel dat zijn uitgever niet kon volgen, en de marketingafdeling van het literaire bedrijf nog minder. Onder de schuilnamen Richard Bachman en John Swithen pende hij ook nog tien weliswaar kortere romans en verhalen bij elkaar.  In 1977 verscheen “The Shining“, vooral bekend van de verfilming door Stanley Kubrick, met Jack Nicholson in de hoofdrol. King was er niet zo voor dat Nicholson de rol van psychopatische sneeuwhotelbewaker op zich nam.

 

Intussen zitten we aan 54 titels en 350 miljoen verkochte exemplaren, in een breed gamma van genres – fantasy, SF, thrillers en horror- die nooit omslaan in gruwelijke bloederigheid. Een geloofwaardige psychologisering staat centraal. Veel van zijn (anti-) helden zijn gewone, onvoorbereide enkelingen die geleidelijk geconfronteerd worden met een groeiende onomkoombare dreiging. Dàt is de horror van het alledaagse, in die typische Amerikaanse voorsteden. Omgekeerd verglijden andere personages na frustrerende ervaringen in misdaad en meedogenloze wreedheid.

Cars delivered by Plymouth

Twee keer speelt een auto van het nu verdwenen merk Plymouth een prominente rol in een (verfilmde) roman. In “Duel“, het debuut van Spielberg, wordt een argeloze man die met zijn bescheiden Plymouth Valiant een trucker hinderde, kilometerslang achtervolgd door diezelfde woeste tankvrachtwagen.

In “Christine” (1983) vindt een onbegrepen geïsoleerde jongen een bondgenoot in een kwaadaardige Plymouth Fury. Helaas moesten voor die film 35 exemplaren van die klassieker voor de bijl.

In “Mr. Mercedes” is het uiteraard een zware Duitse bak die belangrijk is in de plot. In die recente roman plant een extreemrechtse zielepoot een aanslag op een concertzaal tijdens het optreden van een tienerband.  King schreef dit enkele jaren voor de aanslag in Manchester…

Lee Harvey Oswald ontwapend

22-11-1963” (2012) gaat natuurlijk over de moord op John Kennedy. In dit meeslepende boek raakt de hoofdpersoon via een magische deur in het verleden, dat hij kan beïnvloeden. Hij besluit om de moord op Kennedy te verhinderen. Het trucje van de deur tussen twee werkelijkheden gebruikte King eerder in “The Dark Tower 2: The Drawing of the Three”. Ook Murakami gebruikte dat procedé van de parallelle universa in “1Q84”.  In “22-11-1963” krijgen we een Kennedy die twee termijnen volmaakt, maar dat brengt een vredevollere wereld niet dichterbij.

Het boek is beter

De populairste roman van King is “It” uit 1986, met de griezelige horrorclown. Een miljoen exemplaren ging over de toonbanken.  In de jaren 90 werd er een miniserie voor tv van gemaakt. De nieuwe verfilming door Andy Muschietti is op dit ogenblik te zien in de bioscoop.

 

Een bijzonder knappe verfilming die King sterk ontroerde is “Stand by me“, van Rob Reiner, naar “The body“. Daarin gaat een groepje puberjongens op zoek naar het lichaam van een vermoorde man. Die queeste groet uit tot een bedevaart van initiatie en zelfontdekking.  Met de jonge River Phoenix, John Cusack en Kiefer Sutherland.

Ook “Misery” is een knappe verfilming. In die claustrofobe thriller houdt een fan haar lievelingsauteur, die net voor haar huis een auto-ongeval had en daardoor immobiel is, op nogal drastische wijze gegijzeld, tot hij belooft ‘n vervolg te breien aan de succesreeks “Misery”. Voorts vermeld ik de topfilm”The Shawshank Redemption“.

Het is wachten of ook Kings laatste titel, “Sleeping Beauties” uit 2017, een film wordt. Het zou best kunnen, want dit verhaal in een vrouwengevangenis is erg verfilmbaar.

Salami en Big Mac

In 1999 was King betrokken in een ongeval dat enigszins leek op wat hij in “Misery” bleek te hebben voorspeld. Een bestelwagen reed hem langs achter aan toen hij met zijn hond wandelde. Zwaar toegetakeld kwam King in het ziekenhuis terecht. Hij verwerkte de ervaring in “De Donkere Toren” en “Kingdom Hospital”. Na de milleniumwissel deed King het wat rustiger.  Maar hij schrijft nog altijd zes pagina’s of meer per dag.

Volgens King moet een auteur vier tot zes uur per dag met schrijven en lezen bezig zijn. Zelf hanteert hij een Waterman-vulpen en hij noemt die de beste wordprocessor ter wereld. Meestal begint hij met de gouden vraag “wat als…?”. Hij bekent dat hij beïnvloed werd door Bram Stoker van Dracula.

Zijn stijl is ontspannen, zijn dialogen grandioos en hij kan domheid, angst en wreedheid genadeloos ontleden. Zijn horrorstories tonen een strijd tussen het normale en abnormale. Bij dat alles blijft King bescheiden, hij noemt zichzelf een salami- en Big Mac-auteur. Salami en Big Mac stellen niet veel voor – ze vallen buiten de nieuwe voedseldriehoek –  maar er is toch vakmanschap en talent nodig om er goeie te maken.

Rock-‘n-roll en politiek

Stephen King speelde gitaar in de Rock Bottom Remainders. Hij is een onvoorwaardelijke fan van The Ramones, die hij enkele keren vermeldt in een roman. Hij houdt voorts van AC/DC, Metallica en andere heavymetalbands. Hij deed enkele kleine cameorolletjes in films en series. En hij is dol op Harry Potter en de televisie-serie “Lost.”

Hoewel King een overtuigd democraat is, staat hij niet achter het gematigde abortusstandpunt van de partij. Barack Obama kon altijd op zijn steun rekenen. Hij behoorde tot de groep welstellenden die opriep om meer belastingen te betalen, en zelf het voorbeeld gaf. Hij sprak zich vaak uit voor strengere wapenwetten.

Een schone mens

Samen met zijn vrouw beheert King de STK-liefdadigheidsorganisatie, voluit “Stephen and Tabitha King-foundation”. Die charity helpt de armen in Maine op allerlei vlakken, met gezondheidszorg, huur en onderwijs onder meer. Hun ideeën verspreiden ze via drie eigen radiostations.

Van grote mediabelangstelling en openbare massa-optredens houdt Stephen King allerminst. Handtekeningen deelt hij niet uit. Uiteraard moet zo’n man weinig hebben van The Donald. In 2016 noemde hij Trump een racistische bleekscheet met het temperament van een driejarige. Trump blokkeerde prompt zijn Twitteraccount. En King strafte Trump meteen door hem te verbieden naar nieuwe verfilmingen van “It” en “Mr. Mercedes” te gaan kijken, twee films waarin criminele clowns een beslissende rol spelen … Happy birthday and thanks a lot, Stephen King!

De Zuiderburen van de Hollanders in Den Haag

Dertig portretten uit de periode 1450 tot bijna 1700, meer hangen er vanaf donderdag 7 september 2017 niet in het Mauritshuis. Maar wat een verrukkelijke en gevarieerde wereld gaat er open! Karaktervolle koppen van machtige heersers en vrome burgers, de tronie van een sjofele loser, de facies van wereldwijze kinderen… En allen in hun erg verschillende biotoop.

Portretten van 500 jaar geleden, kunnen die de bewoner van de 21ste eeuw nog boeien? En of. Het Mauritshuis, pal in het politieke en culturele centrum van Den Haag, vlakbij het Binnenhof en het Torentje, bewijst het met verve. Vooral de snelle evolutie en de verregaande verscheidenheid van het genre laten de toeschouwer versteld staan.

Emilie Gordenker van het Mauritshuis en Manfred Sellink van het al jaren wegens verbouwing gesloten KMSK in Antwerpen hebben gekozen voor een intieme en overzichtelijke aanpak. Als je iets kan bewijzen met een zorgvuldige selectie van 30 werken, hoef je er geen 300 op te hangen. Het KMSKA zet dus zijn gelukkige politiek van maximale uitleningen verder. Werken die we al acht jaar of langer niet meer konden zien, krijgen in een andere constellatie een verrassend nieuw leven.

“Wat een enorme evolutie ook in de kunst van die 250 jaar”, zegt Emilie Gordenker.  Het oudste werk dateert uit 1460, een veelzeggend maar toch sober portret van de ambitieuze, opportunistische, vrome politicus en diplomaat Phillippe de Croy door Rogier van der Weyden. De parafernalia blijven beperkt tot wapenschild en paternoster. Hans Memling kiest voor zijn portret van Bernardo Bembo niet voor religieuze maar voor wereldlijke symbolen. Hij voegt een aardig en gedetailleerd landschap toe in de achtergrond.

 
Trukendoos
Het jongste werk is “Zelfportret in een spiegel” van de minder bekende Antonie van Steenwinckel. Hij toont zichzelf in een spiegel, vastgehouden door een jongere versie van hemzelf, met op de voorgrond een al gevorderde zandloper, en een schedel. Helemaal onderaan het werk is een open, lege lade te zien. Die geeft een enorme dieptedimensie aan het werk.
Hetzelfde trucje bij het aandoenlijk gelukkige koppel in “Zelfportet met echtgenoot” van de anonieme Meester van Frankfurt. Brood, wijn en kersen, lekker… Een meesmullende vlieg is te groot maar een vergeten korst die onderaan op de rand van het tafelblad balanceert, creëert een trompe l’oeilachtig driedimensioneel perspectief.

5096

Bizarre borst

 

Het meest primitieve en wat onbeholpen werk is ook anoniem. Het is een diptiek. Links zie je een Maria die een nogal rare borst in de richting van haar kind Jezus wringt. Je vraagt je af waar die borst vandaan komt. Het kindje zelf is een blote minivolwassene. Maar het rechtse luik is veel mooier: daar bekijkt een koppel – mogelijk de onbekende artiest met zijn vrouw- eerbiedig het tafereel.

Andere boezems zijn er niet. Uit onderzoek is gebleken dat Clara Fourment oorspronkelijk een voluptueus décolleté had, maar helaas – Rubens overschilderde dat, op verzoek van het onderwerp.  Nu ja, haar man, Peter Van Hecke, hangt naast haar. Dat portret is zo actueel en fris dat het vorig jaar geschilderd lijkt.

Rubens en Van Dijck

 

De topwerken zijn onvermijdelijk van het absolute specialistenduo Rubens en Van Dijck. Van sir Anthony hangen er drie sublieme portretten, die de sterke karakters van het onderwerp moeiteloos onthullen. Heel interessant is een sober maar indrukwekkend bijbels tafereel van Rubens, voorstellende drie apostelen die verbaasd naar de verrezen en blijkbaar kerngezonde Jezus kijken, elk met andere emoties. De  buitenste luiken van de triptiek zijn portetten van de machtige Nicolaas Rockox en zijn vrouw Adriana Perez. Lichtinval en compositie zijn weergaloos.

“Kijk naar mij…”

In de tijd van Van Eyck kregen de opdrachtgevers van grote taferelen ergens een bescheiden plaats op het doek. Dat was zo op het Lam Gods.  Maar belangrijke en leidende figuren wilden  snel meer, portretten met een heel programma. Pieter Bourbus schildert Olivier Nieulant kort voor hij gaat trouwen. Een fors litteken boven zijn neus en zijn dolk zijn prominent zichtbaar. Met die kerel valt niet te spotten.

 

“… en naar mijn kinderen”

 

Jan Fijt portretteert een jongen van vijf die klaar staat voor de jacht, twee jachthonden en een valk op zijn hand inbegrepen. Het kikvorsperspectief en de contouren van Antwerpen in de verte maken de hoge verwachtingen van de ouders duidelijk.

De enige vrouwelijke kunstenaar, de wonderlijke Michaelina Wautier, borstelt haar vermoedelijke nichtjes op verzoek van de vrome ouders als timide heiligen. Er is ook een heel gezin van een kunsthandelaar te zien in hun zogenoemde kunstkamer, een typisch Vlaams of beter Antwerps verschijnsel. Een combinatie van rijkdom, goede smaak en kindervreugd.

Om te lachen

Tegenover zoveel ernst is er gelukkig ook genoeg vrijblijvende humor. Cornelius de Vos heeft allicht plezier beleefd aan zijn speciaal voor deze expositie piekfijn gerestaureerd portret van het heerlijk lelijke mombakkes van Abraham Grapheus, een gerateerde schilder die dan maar cateraar van een kunstenaarsgilde werd.
Gonzales Coques heeft kleine charmante originele uitbeeldingen van de vijf zintuigen. De geur komt uit een tabaksblad, het gevoel van een messnede in de hand, de smaak van een al bijna lege grote beker wijn, het gehoor van luitmuziek. En het zicht? Dat is deze tentoonstelling: een feest voor de ogen. Tot begin volgend jaar in het Mauritshuis in het zo dichtbije Den Haag.