Category Archives: tekstjes en prentjes van Lucas

Culturele misdaad tegen de mensheid

De verwoesting door terreurgroep IS van de Al-Nuri-moskee in Mosul vormt helaas alleen maar een voorlopig dieptepunt in de strijd van fanatieke ideologieën tegen ons aller cultureel erfgoed. Dat de Al-Nuri, gebouwd in 1172, tegelijk de Sint-Pietersbasiliek en de toren van Pisa van het kalifaat is, maakt de dynamitering van het architecturale meesterwerk nog onbegrijpelijker. IS mag nog zo beweren dat de luchtmacht van de westerse coalitie de prachtige moskee en de scheve minaret heeft gebombardeerd, filmpjes van de instorting bewijzen dat de explosie professioneel van binnenuit is uitgevoerd. Maar waarom doet IS dat?

We moeten ons er wel voor hoeden om bij “verwoesting van erfgoed” allemaal onze neuzen in de richting van extremistische moslimbewegingen te draaien. IS doet hard zijn best in de kaalslag van het allermooiste waartoe de mens in staat was, maar ook het Westen heeft meer dan een bijrol gespeeld. Godsdiensten en heilsleren waren daarbij beslissend.

Heinrich Heine

In India hebben Moghul-moslims en fanatieke hindoes om beurt elkaars heiligdommen gesloopt om er op diezelfde plek eigen gebedshuizen op te trekken. Dat leidde en leidt nog tot bloedige rellen. Christelijke veroveraars hebben op zowat alle continenten, om te beginnen in Europa zelf, geroofd, geplunderd, gesloopt en ingepalmd.

De protestantse beeldenstorm was precies wat het woord laat vermoeden. Ook honderden uitzonderlijk prachtige brandglasramen gingen tijdens de geuzentijd aan diggelen. Scherven brachten geen geluk.

Fascisme en stalinisme deden hun deel in het wegschoffelen van cultuur, niet alleen gebouwen en beeldende kunst, maar ook bibliotheken, inhoud incluis. De visionaire Heinrich Heine had lang daarvoor voorspeld: waar men boeken verbrandt, branden ook snel mensen. De nazi-boekenbrandstapels voorspelden de concentratiekampen. En misschien ook de niets ontziende bombardementen op historische Duitse cultuursteden, Dresden onder meer, door de geallieerden. Nadat uiteraard het Duitse leger, tijdens de twee wereldoorlogen, moedwillig tientallen kastelen had platgelegd, van Coucy in Picardië tot in Grimbergen en Vilvoorde.

Stalin en Horta

In zijn bijzonder goed gedocumenteerde semi-historische Sovjet-romans beschrijft Tom Rob Smith pijnlijk exact hoe de KGB rond 1950 orthodoxe kerken opblies. Maar past de destructie van het modernistische DDR-Volkspalast in het verenigde Berlijn, om het te vervangen door een waardeloze suikertaart-replica van een keizerlijk paleis, niet in hetzelfde rijtje? Uiteraard wel, en we bereiken hier zelfs de kern van de zaak: met de verwoesting van het Volkspalast gaf het nieuwe Duitsland een beledigende klap aan de gewezen Oost-Duitsers. Nu was de DDR echt definitief dood.

De oorlog van vastgoedmakelaars en speculanten tegen erfgoed, enkel en alleen voor eigen gewin, hoort ook in die categorie. In Brussel is het Volkshuis van Horta al in 1966 gesloopt, aan zee verdwenen de prachtige sanatoria van architect Lucien Engels onder de sloophamers.

In ons land duurt die strijd tot nu voort. Nog maar 2 jaar geleden ging het prachtige Wanson-fabrieksgebouw in Machelen volstrekt zinledig voor de bijl. Wie zonder zonde is, werpe de eerste…euhm…wat ook alweer?

Bamyan en Palmyra

De moeizame dynamitering van de reusachtige Boeddha-beelden in Bamyan in Afghanistan in 2001 door de taliban vormde een keerpunt. Precies omdat het niet meteen lukte, en de taliban de moderne beeldmedia van die tijd ontdekt hadden, deed de langzame foltering van de monumentale kunstwerken erg veel pijn. Het motief voor de verwoesting hebben we sindsdien tot brakens toe voortdurend opnieuw gehoord: het waren afgodsbeelden, blasfemische voorstellingen die ingingen tegen God en het enige ware geloof.

De oplaaiende vete tussen diverse fracties van de islam, nogal vergelijkbaar met de reformatieperiode in Europa, net nu 5 eeuwen geleden, gaf barbaarse verwoesters nieuwe inspiratie, zoals criminele losers in een kromgetrokken religie argumenten voor terreur en moord vinden. Om de anderen lekker te pijnigen en te vernederen, komt alles snel op YouTube en andere kanalen. Palmyra was een schrijnend voorbeeld. Daar vond de verwoesting in afleveringen plaats, met cliffhangers. Niet alleen de infrastructuur, ook honderden voorhistorische voorwerpen sneuvelden. In Mali hadden lokale afgeleiden van Al Qaeda weinig moeite om de kwetsbare islamitische mausolea en lemen moskeeën te slopen.

Baal en Sjamasj

De lijst is intussen eindeloos. Vorig jaar gingen de archeologische sites van Nimrud en Khorsabad in Irak voor de bijl. In de omgeving van Mosul vielen alle christelijke en jezidische kerken en abdijen ten prooi aan het soennitische terreurgeweld.

Relieken van nog oudere religieuze beschavingen, zoals de Bel-tempel, toegewijd aan de god Baal, zijn evenmin veilig. Hetzelfde lot ondervond de 1750 jaar oude tempel van de zonnegod Sjamasj in Hatra en een pak Assyrische kunstschatten. In Syrië ging het christelijke klooster Mar-Elian in Al-Qaryatayn verloren. De slopers namen er het mozaïekenmuseum van Maarat-al-Noomane in één moeite bij. De stad Busra Sham had prachtige ruïnes, nu alleen nog stoffige stenen.

Waarom?

Fundamentalistische bewegingen en regimes willen geschiedenis schrijven. Dat doen ze door al het vorige te verwijderen, zodat het ooit moet lijken alsof de mensheid met hen, met hun duizendjarig rijk, of kalifaat begon. Alsof zij de universele bakermat vormen, het begin der tijden. Dat ze zelf meestal stijl-, humor- en cultuurloos zijn, vergemakkelijkt de uitroeiing van de geschiedenis. Soms ook grijpen tirannen naar een denkbeeldig groots verleden, dat ze willen laten herleven, door alles tussen toen en nu te verwijderen. Alsof er een directe band bestaat tussen dat glorieuze tijdperk en de miserabele leeghoofdigheid nu.

God wil het. Het Boek eist het.

De werkelijkheid is dat IS en andere terroristische bewegingen en regimes zich nergens ook maar iets van aantrekken, en lak hebben aan virtueel alles. Ze wentelen zich ook graag in een slachtofferrol, in het martelaarschap. Soms proberen ze de schuld af te wentelen op de goddeloze vijand, de ketter, de heiden. Maar als puntje bij paaltje komt, hoeft zelfs dat niet. Als Hitler had gekund, zou hij tijdens zijn laatste dagen vanuit zijn bunker heel Duitsland met alles erop en eraan hebben laten ‘verschwinden’. Want het Duitse volk had hem en de eigen cultuur, zoals hij die zag, verraden.
Mogelijk hanteert IS in Mosul dezelfde logica. Termen als verraad en lafheid zijn bij islamistische fundamentalisten schering en inslag. En daar staan de zwaarste straffen op. Eventueel de zelfvernietiging. God wil het. Het Boek eist het. De grote leider is ontgoocheld, boos en triest.

Cultuur kan ons redden

Toch nog altijd beter om oude gebouwen te verwoesten, dan nieuwe ziekenhuizen en mensen, hoor je wel eens. ’t Zijn maar stenen, waar ligt het verschil, hier of daar in Palma…hoe heet het alweer? Feit is dat de verwoesting van mensen en cultuur samen gaat. Herinner je Heinrich Heine.

Wie geen respect heeft voor het mooiste meest artistieke wat de mens heeft verwezenlijkt, ontziet die mens zelf ook niet. Of de natuur. Wie de Al-Nuri van de aardbodem laat verdwijnen, vermoordt ook elk individu dat daar 800 jaar geleden aan meewerkte en het al die tijd in goede staat doorgaf aan volgende generaties. Die meedogenloze leiders verwoesten cultuur omdat die altijd kiemen van verzet bevat. Als ze alle kunst en architectuur hebben platgeslagen, lijken ze zelf reuzen. Als ze elke herinnering verdrinken, zijn zij pioniers.

De verwoesters van cultureel erfgoed plegen misdaden tegen de mensheid en moeten om die reden voor de allerhoogste internationale rechtbanken verschijnen, en zware straffen krijgen. Onderwijs en media moeten inzetten op cultuur en geschiedenis. We hebben het niet geweten, of wat kan het mij schelen, mogen nooit argumenten worden om barbarisme te vergoelijken.

Lucas Vanclooster. Lees deze tekst ook op deredactie.be

Adieu hydropneumatique

De Franse autofabrikant Citroën heeft de productie van wagens met een hydropneumatische vering stopgezet. Volgens Lucas Vanclooster is dat zonder meer het einde van een tijdperk. In deze analyse doet hij het verhaal van de “hydropneumatique” uit de doeken; of volgens Wikipedia, “the self-levelling automobile”.
.

Bestond dat systeem dan nog? Het is een vraag die ik de voorbije dagen verschillende keren hoorde toen ik meedeelde dat Citroën afscheid nam van de hydropneumatische vering. Ja het bestond nog, tot vorige week. Toen rolde in de fabriek in Rennes in Bretagne nagenoeg onopgemerkt de laatste C5 van de band. Die C5 tweede generatie was geen populaire of emblematische auto, het hydraulisch systeem, dat intussen Hydractive 3 Plus heette, zat alleen op de zowat 4000 euro duurdere Exclusive en XTR versies, en het meest zichtbare kenmerk, dat de auto na gebruik op zijn buik ging liggen, en bij het starten van de motor overeind kwam, had Citroën al danig beperkt.

Paul Magès

Het hydropneumatische systeem is een idee van Paul Magès, qua opleiding een eenvoudige monteur bij Citroën, maar een onverschrokken man met verbeelding. Begin jaren 50 van de vorige eeuw, toen Citroën hard werkte aan de nieuwe DS, die de legendarische Traction uit 1934 moest opvolgen, vroeg Magès zich af of je een auto helemaal kon laten draaien op een buizen-systeem met olie en gas onder hoge druk, met pompjes en membranen om het evenwicht te bewaren.

Magès mocht zijn systeem uitproberen op de 15H, de duurste versie van de Traction, een auto die toen qua design totaal verouderd, maar met zijn zelfdragende constructie en voorwielaandrijving technisch nog altijd modern was. De 15H kreeg eerst remmen bediend door een gas-olie-druk-systeem, in 1954 ook een achtervering zonder veren of schokbrekers, maar met een hydraulische stabilisator. Pientere autojournalisten die ongeduldig wachtten op die aangekondigde nieuwe Citroën hadden door dat die vreemde innovaties op een antiek model te maken moesten hebben met wat komen zou.

La Déesse

De DS19 was de revelatie van het Parijse autosalon van oktober 1955. Nooit was er bij een auto een zo harmonische eenheid van vooruitstrevende architectuur en revolutionaire techniek. Bij de DS geen veren en schokdempers. Ook de schijfremmen werkten op het systeem, en zelfs de halfautomatische versnellingspook roeide in de olie. Dat was het eerste element dat Citroën na een paar jaar opgaf. Als het bedrijf Paul Magès zijn zin had laten doen, dan werkten ook de zijruiten, de verwarming en de afstelling van de stoelen oleopneumatisch.

Onder de DS en zijn opvolgers zat een hele extra-infrastructuur met buizen, leidingen, pompen en voorraadtanks, 2 tot 7, afhankelijk van het type. Daarin staken olie en gas, gescheiden door een membraan. De olie heette “LHM, liquide hydraulique minéral”. Die hele constructie moest de auto stabiel houden, door voortdurend olie te pompen naar het wiel dat een schok of put of welke hindernis dan ook te verwerken kreeg. De pompjes vlakbij de olie- en gastanks achter de motor maakten een mooi geruststellend reutelend geluid. Als ik destijds met mijn DS halt hield voor mijn woning, wist mijn vrouw dat ik daar was, dankzij dat typische tikkend geronk. Het gaf de auto iets van een levend wezen met een ademhaling.

Olé Oleo!

 

Zeker op de vele kasseisteenwegen die er tot eind jaren 60 nog bestonden, moest de oléopneumatique hard werken; op gladde Franse Routes Nationales liet hij het voertuig zwevend en zacht deinend vorderen, met dat typische onbeschrijflijk ontspannen megacomfortabel gevoel dat rijden met de DS, later met de goedkopere ID 19, of met de CX, SM, XM en C6 kenmerkte. Ik heb in mijn beroepsleven met van alles gereden, tot Mercedes S en BMW 7 toe, maar niets geen enkele wagen evenaart het relaxed rijplezier van een oléochevron.

Het meest zichtbare kenmerk was dat een Citroën na gedane arbeid echt ging rusten in liggende houding, en na de start weer de hogere rij-positie innam. Ooit stond ik in een overzetboot met mijn D Super 5 uit de vroege jaren 70 achter een GSA. Toen de chauffeur voor mij en ikzelve de motor tegelijk startten om uit de boot te rijden, kwamen de 2 wagens precies synchroon parallel omhoog. Poëtisch mooi.

In die tijd gebruikten nogal wat gangsters een DS. Bij een bankoverval moest er dan wel iemand de motor draaiende houden om snel weg te scheuren met de buit. Starten, en wachten tot het voertuig de rijpositie innam, zou een beslissend tijdverlies betekenen. Ik heb het altijd vreemd gevonden dat er voor zover ik weet geen detectiveverhalen verschenen, waarbij een moordenaar zich verraadt door bijvoorbeeld te beweren dat hij nog maar net thuis is, terwijl zijn DS of CX al plat op de grond ligt, of omgekeerd.

Xantia

Op het vlak van veiligheid was de DS zijn tijd decennia vooruit. Gecombineerd met een krachtige weliswaar bandenverslijtende voorwielaandrijving, echt onafhankelijke wielen en schijfremmen, bediend door een ultra-directe voetknop in de plaats van een pedaal, had de wagen een uitzonderlijke wegligging en stabiliteit. De break-versies van de DS en CX waren populair bij ambulancediensten en cameraploegen.

Een DS kan rijden op drie wielen. Tenminste als een achterwiel ontbreekt. Zie YouTube. De legende wil dat president De Gaulle een paar keer aan de dood is ontsnapt bij een aanslag omdat een DS met platgeschoten banden toch met volle snelheid weg scheerde. En je hoefde bij bandenpech de auto niet op te vijzelen. Met een vaste krik en een hendel naast het koppelingspedaal kon je de wagen zijn wielen laten intrekken of uitrekken, om een wiel te verwijderen of te bevestigen. Heerlijk toch.

Het systeem werd integraal toegepast tot en met de Xantia, vanaf 1994. Geen enkele auto doorstond de zogenoemde eland-test beter dan de Xantia. Vanaf de eerste generatie van de opvolger C5 moest Citroën van eigenaar PSA, Peugeot dus, beknibbelen, en bij de tweede versie vanaf 2008 nog meer. Alleen de vering was nog hydraulisch.

Vloeken en sakkeren

Maar als het allemaal zo fantastisch was, waarom stopt Citroën er dan mee? Wel vooreerst veranderen de modes en de wensen van de consumenten, terwijl de wegen verbeteren. De erg zachte vering is uit de mode, automobilisten willen niet meer zweven als op een vliegend tapijt, zoals in een Amerikaanse slee of een DS of CX. De laatste C5 Hydractive Drie Plus had al een sportieve versie van het concept. Mensen verkiezen al een tijd een hardere Duitse vering die beter laat aanvoelen wat er op de weg gebeurt.

Fragiel

Citroën dringt ook niet aan omdat het na ruim 60 jaar nog altijd een dure, complexe, broze techniek is. Elke Citroën-rijder die toch enkele honderdduizenden kilometer aflegt, heeft het zeker meegemaakt dat het systeem het begaf. En dan sta je of beter lig je daar, plat ter aarde, machteloos als een insect op zijn rug, want niets functioneert nog. Takelen en herstellen vallen duur uit. Ik kan er verdraaid over mee spreken.

Het heeft 10 jaar geduurd voor het concept op punt stond. Vroeger lieten Franse constructeurs hun klanten de kinderziekten van een nieuw model ervaren. Het was beter om, als je dolgraag een verleidelijke pas verschenen 205 of BX wilde, een paar jaar te wachten, tot na de eerste aanpassingen. Bij de DS was dat tot 1965.

Vraatzuchtige olie

Bij de eerste versies vrat de rode chemische olie het hele buizencomplex van binnenuit op. In de jaren 50 en 60 zag je onder een DS vaak een rode plas. Sommige garagisten wilden niet dat je met een lekkende DS hun pand binnenreed, en ze hielden altijd stukken karton of vodden klaar om onder je incontinente kar te leggen.

In 1965 vonden de ingenieurs eindelijk de juiste legering voor de leidingen, en de goede half-natuurlijke samenstelling van de intussen groene (en dure) olie. Daarom zijn de DS’en uit de periode 1965-68 op de markt van ancêtres de beste investering. De fundamentalistische Citro-snob houdt minder van de versie vanaf 1969 met dubbele koplampen, waarvan er 2 meedraaiden in de bochten, onder plexiglas.

De ULB, de Franstalige vrijzinnige universiteit van Brussel, wilde in de tweede helft van de jaren 50 haar progressieve instelling onderstrepen door de rector, vice-rector, decanen en anderen met een DS te laten rijden. Ze waren van de eerste DS-rijders in ons land. Maar de wagens stonden nog niet op punt. Als ze startten, kwam soms alleen de linker- of rechterkant omhoog, of de achtersteven… Mais enfin.

Et maintenant?

 

De Hydractive Drie Plus is dood, leve de Aircross Advanced Comfort!! Citroën is het aan zichzelf verplicht om met een vering voor de proppen te komen, die het beste van een klassieke ophanging, met keurige veerpoten, combineert met een paar elementen van de oléopneumatique, een mini-oliesysteem in de schokbrekers onder meer, en stoelen met “geheugenschuim”, die na een vervorming, snel hun oorspronkelijke ergonomie weer innemen. Paul Margès leeft nog een beetje.

De nieuwe C5 Aircross, een soort sportieve SUV die niets te maken heeft met de afscheidnemende C5, zal als eerste dat volgens de constructeur beste veersysteem ter wereld krijgen, later geleidelijk wellicht alle Citroëns, via de Cactus tot de C1…Niet meer wiegen en zweven en een oliespoor achterlaten, toch veilig en comfortabel rijden. Het is een missie.

(Filmpje onder: een Citroën DS rijdt op 3 wielen dankzij de hydropneumatische vering)

 

Lees deze tekst ook op deredactie.be

 

Terug van weggeweest: de mythe van de communistische aanslag tegen de Innovation

Alle respect en medeleven voor iemand die beide ouders verloor tijdens de grote brand van de Innovation in Brussel, het is ook begrijpelijk dat je dan op zoek gaat naar de oorzaak. Maar het besluit dat er een terroristische aanslag was, kan auteur Johan Swinnen niet hard maken in zijn nieuwe boek over dit inferno, is de mening van Lucas Vanclooster:

Die maandag 22 mei 1967 hadden mijn ouders blijkbaar weinig behoefte aan informatie. Tijdens het avondmaal bleef de radio stom, en vader schakelde de televisie maar aan net voor 20 uur. De legendarische weerman Armand Pien had het over de strakke wind die in de loop van de middag enkele keren gedraaid was en zo “het vuur” in alle richtingen aanwakkerde. Waar heeft die man het over? Dacht ik.

Ergste ramp in België

Dat werd snel duidelijk. Het hele journaal ging over de verschrikkelijke Innovation-brand, die nog niet was geblust, en die, zo bleek, zeker tientallen slachtoffers had gemaakt. Uiteindelijk werden officieel 251 doden geteld, maar wellicht zijn er heel wat meer slachtoffers, forensisch onderzoek stelde toen nog niet zo veel voor, en het vuur had zo hevig gewoed dat de stoffelijke resten van nogal wat mensen gewoon volledig verpulverd en verdwenen waren.

Hoe dan ook, de Innovation-brand is de ergste ramp die ons land in vredestijd trof.

Al decennia blijft de ramp mensen fascineren. Dit jaar zijn er, alleen al in het Nederlands, 3 erg boeiende, bijzonder leesbare en breed gedocumenteerde boeken verschenen. Ze focussen vooral op de oorzaak, en ze doen dat na ampel onderzoek door de auteurs van gerechtelijke dossiers, en nieuwe gesprekken met getuigen.

Kortsluiting of kaduke tl-lamp

Geert De Vriese en Frank Van Laeken houden het in “Inferno, de brand in de Innovation” bij de algemeen aanvaarde stelling dat een kortsluiting in een voorraadkamertje de ramp veroorzaakte.

In zijn “De brand in de Innovation” komt Siegfried Evens met een nieuwe goed onderbouwde theorie: vonken uit een kaduke tl-buis zouden opgehoopt gas uit een lekke leiding in datzelfde voorraadkamertje hebben doen ontbranden. Die drie auteurs verwerpen de these van een aanslag.

Sleutelroman

Volgens Johan Swinnen in de sleutelroman “Happening, de aanslag in de Innovation”” is de ramp wel het gevolg van een terroristische daad, door drie extreemlinkse bommenleggers. Extreem-links communistisch, jawel, de brand vond plaats tijdens een opvallende Amerikaanse veertiendaagse, in volle Vietnam-contestatie. Communistische actievoerders hadden al betoogd in de Nieuwstraat, voetzoekers gegooid, en er waren bedreigingen geuit…

Innovation-weesjongen

Johan Swinnen staat erg dicht bij wat er op die noodlottige 22 mei 1967 gebeurde: hij verloor zijn ouders in het vuur. Hij was toen 13. En hij had er bij kunnen zijn…

Alle respect en medeleven voor iemand die te maken heeft gekregen met een levensbepalende ingrijpende gebeurtenis van die omvang. En meer dan begrijpelijk dat hij als nabestaande op zoek gaat naar verklaringen, verantwoordelijken, daders, en zich laat meeslepen door een op het eerste zicht plausibel verhaal.

Swinnen baseert zijn roman op een opgenomen maar niet openbaar gemaakt gesprek met een vrouw die mogelijk betrokken was bij, nou ja, de aanslag. Hij combineert dat gesprek met een aantal opvallende feiten uit 1967. Maar de mayonaise pakt niet.

Bommenleggers zonder bom

De hele thesis van de drie bommenleggers kunnen we makkelijk weerleggen met deze simpele vaststelling: er was geen bom! Na de ramp heeft de politie ruim twee jaar lang alle mogelijke getuigen, aanwezigen, voorbijgangers, overlevenden en nabestaanden grondig aan de tand gevoeld.

Sommige ‘getuigen’ kwamen met verregaande verhalen over verdachte sujetten die raar of nerveus deden, of vreemde zaken scandeerden. Dat heeft nergens heen geleid. Niemand, ik herhaal werkelijk niemand van die getuigen, geen één, had het over een explosie, een knal, een ontploffing.

Ook een brandbom, of om in het juiste taalgebruik te blijven, een molotov-cocktail, heeft niemand opgemerkt. Of waren de daders genieën die een stille bom hadden ontwikkeld?

Anarcho-communistische ULB

De bewering dat docenten scheikunde van de ULB de bom mee hadden gefabriceerd is te knotsgek voor woorden. En al even vreemd is de vaststelling dat er onder bepaalde ULB-studenten een zekere nervositeit heerste en dat ze vanaf de middag met transistor-radio’s aan hun oren liepen alsof ze op belangrijk nieuws wachten.

Neen, de omroepen zaten toen aan de beide zijden van de taalgrens helemaal vast in een staatsmonopolie en in die tijd duurde het zelfs bij een apocalyptische calamiteit uren voor het nieuws de media en de bevolking bereikte. Daarover heeft radiojournalist en ooggetuige Urbaan De Becker tien jaar geleden in Keerpunt op Canvas treffend en met veel ironie verteld.

Dan maar een terreurdaad door brandstichting? Ook dat lijkt weinig waarschijnlijk. Het vuur is het eerst opgemerkt om 20 over 1 in een opslagplaatsje van strand- en communiekledij. Dat magazijntje zat goed verborgen achter de rekken en stands, totaal onzichtbaar voor wie niet vertrouwd was met die afdeling van het enorme warenhuis.

Een medeplichtige

Een communistische medeplichtige bij het personeel? Ongeloofwaardig. Uit alle gesprekken blijkt dat het personeel van de Innovation daar erg graag werkte, verknocht was aan de onderneming waar een voorbeeldige sociale vrede heerste, en dat de collega’s prima met elkaar konden opschieten, als vormden ze een grote familie.

Welke onverlaat zou dan het hele bedrijf en zijn mede-werknemers aan zo’n gevaar blootstellen?

Uit het onderzoek blijkt ook dat er in de weken voor de ramp geen persoonlijke conflicten vermeld werden. Dat een personeelslid, dat nog rokend uit het self-service-restaurant kwam, een sigarettenpeuk in het magazijntje zou hebben gedoofd, is niet aannemelijk. De meest verregaande bewering in “Happening” is dat parket, politieke overheid en Innovation de piste van de aanslag na één week in de doofpot stopten, om de bevolking niet te verontrusten… Alsof een accidentele brandramp minder verontrustend zou zijn dan een geplande aanslag… Alsof een directie die een loopje neemt met de brandveiligheid het publiek geruststelt…

De werkelijkheid is dat linkse activisten wekenlang van hun bed gelicht en terdege op de rooster werden gelegd, zonder resultaat. Overigens, er kwam ook nooit een ernstige opeising van de “aanslag”.

De roman vermeldt ronkende krantentitels over terreur die eerste week. Welgeteld één Vlaams orgaan, het sensatieweekblad KWIK, had als kop: “Wie heeft de massamoord in Brussel op zijn geweten?” Alle andere kranten brachten een veel voorzichtiger berichtgeving.

Er bestaan trouwens nog andere complottheorieën. Dat de CIA achter de brandstichting zat om de communistische actievoerders en links in het algemeen als voor de hand liggende verdachten in diskrediet te brengen. En dat eerste-minister Van Den Boeynants en bouwpromotor Charlie De Pauw op de kar sprongen om op de plaats van de oude Innovation een immense parkeergarage te bouwen. Bewijs: onder de nieuwe Inno, geopend in 1970, zit warempel een parkeergarage… Filmmaker Bram Van Paesschen spitte die mogelijkheden uit in een mockumentary een jaar of 15 geleden.

 

Architect baron Victor Horta, die de Innovation in 1901 ontwierp, waarschuwde al in de jaren dertig dat een brand in zijn gebouw een catastrofe zou veroorzaken, deels door de schoorsteen- en kachelachtige constructie van de centrale galerij met balkons en trappen en broze lichtkoepel, maar ook door de rommelige uitbreiding in belendende panden, met veel trapjes, doorgangen, dienstliften, luchtkokers, valse plafonds, kortom een kluwen, een labyrint. Op die 22 mei kwam daar de overdadige papieren, kartonnen en nylon decoratie voor de Amerikaanse veertiendaagse bij.

De brand is, door een kortsluiting of vonkende tl-lamp, ontstaan in een voorraadhokje, en nam uiterst snel een enorme uitbreiding.

De Innovation had geen sprinklersysteem. Drie interne brandweerlui probeerden met te kleine brandblussers het vuur te bedwingen. Het brand-alarm bleef quasi onopgemerkt in het lawaai van het warenhuis, waar verschillende belsignalen net het begin van de middagshift aankondigden.

De brandweer kwam twintig minuten later bijna voltallig ter plekke toen het gebouw al in lichterlaaie stond. Ze hielden zich vooreerst bezig met de redding van mensen op daken, luifels en vensterbanken. Hun voertuigen (toen allemaal al meer dan tien jaar oud), ladders en brandslangen waren ontoereikend om effectief te blussen.

De Nieuwstraat stond vol geparkeerde auto’s. De gitzwarte rook belemmerde elk uitzicht op de sowieso al veel te kleine slecht aangeduide en soms door publiciteit aan het zicht ontnomen of afgeschafte nooduitgangen. Het is allemaal sneu, tragisch, jammer, noodlottig. En de wind draaide, zoals Armand Pien vermeldde …

Lucas Vanclooster
Lees deze tekst ook op deredactie.be.

Een appel, een ajuin en een kommeere

Heb je ook een hekel aan die ongevraagde boodschappen van internetwinkels om online te shoppen? Lucas Vanclooster krijgt heimwee naar de jaren zestig toen buurtwinkels nog floreerden, ook al gluurden toen oude vrouwtjes tussen hun gordijnen om te controleren hoe je leeft.

Tussen de eerste kerstmarkten en de ongevraagde reclames van online-shops om zeker niet achter het net te vissen voor mijn kerst-aankopen, bekeek ik uitgesteld de prachtige fotografie-documentaire “België scherpgesteld, op zoek naar de bevroren tijd”, op Canvas.

“België scherpgesteld” toont vijf fotografen: de jonge Stephan Vanfleteren , Gert Jochems ook, en twee hoogst melancholische bejaarden. De 84-jarige Gilbert D’Haen uit Antwerpen werd boos en zei “dat het naar de kloten ging”. Zijn Oost-Vlaamse leeftijdsgenoot Walter De Mulder barstte in tranen uit toen hij besefte dat alles wat hij gefotografeerd had intussen verdwenen was.

Alles is verdwenen

De commentaren waren verrassend eensluidend. Een fotograaf uit Charleroi wees er fijntjes op dat anderhalve eeuw geleden de mijnbouw een prachtig vruchtbaar landschap had verwoest, maar intussen werden die fabrieken, terrils, hoogovens en kolenwasserijen ook al gesloopt. Dat heet verandering, evolutie. De moderne tijd, net wat u zegt, zong Wim Sonneveld al in zijn hit “Het dorp”. De parallelle vernietiging van het Waalse en Vlaamse landschap was treffend. D’Haen en De Mulder waren vooral bitter en droevig om de teloorgang van het rijke verenigingsleven. Ze gaven de televisie en de supermarkt de schuld. Blijkbaar waren ze te oud om te merken dat de klassieke tv en het winkelcentrum ook al plaats aan het ruimen zijn voor iets anders. Neen, ik bedoel niet verwerpelijke projecten als Uplace, Neo en Docks, dat zijn de laatste stuiptrekkingen van het Wijnegem-tijdperk.

Alles past zich aan

Innovaties nemen na verloop van tijd elementen van het vertrouwde over. De klassieke kruidenierszaak, “Bij Victor en Lia”, met het dagelijkse praatje over de toonbank heen, en zijn sociale controle, behoort tot het verleden.

De supermarkt nam dat na verloop van tijd voor een deel over. Ik had altijd mijn favoriete caissière in Delhaize en ik wist een en ander over haar man, kinderen, woonplaats, collega’s, baas…Eén keer ging ik met een aanvulster van de chips-rekken een koffie en een porto drinken.

Mijn zoon verrichtte afgelopen zomer vakantiewerk in een Carrefour-Express. Hij had snel door dat het koopgedrag van Marokkaanse jongeren sterk afweek van dat van hun Vlaamse generatiegenoten. En dat er verdraaid nog veel gerookt wordt. En hij doorzag de trucs van de alcoholisten.

Odette

Toen hij daarover vertelde, leek ik wel in mijn eigen jeugd te tuimelen. In onze straat woonde Odette, een tragisch-alcoholische vrouw. Elke dag leverde een andere bierhandelaar een krat Ginder-Ale. Odette deed meerdere boodschappenrondes per dag, waarbij ze telkens een volle tas losse flessen kocht in andere winkels in de buurt.

En bij een oud vrouwtje om de hoek dat in het zwart ook een en ander te koop aanbood, in bokaal, blik…en fles. Dat was niet ongewoon, mijn ‘metje’ verkocht onder meer koffie Thoral, uit Torhout. Winkeltje spelen betekende dat je je klanten kende, door had, vooral hun kleine kantjes.

Bij voorbeeld dat Odette af en toe gehavend op straat verscheen. Van de trap gevallen of tegen een deur gelopen. Het was helaas nog waar ook. Dat wisten de huisvrouwen die vanachter hun gordijntje, zoals Walter De Buck zong, de straat afspeurden. En erover vertelden in “De Welvaert”.

De Welvaert en de Coop

Het oude winkellandschap tot eind jaren ‘60 betekende sowieso sociale controle. Vooreerst zag iedereen duidelijk naar welke winkel je ging. De katholieken naar De Welvaert-Welbi-Bien Etre, de socialisten naar de Coop.

Een tijdlang verdeelden de beide zuilen zelfs ideologisch brood uit eigen bakkerijen met paard en kar. Wie liberaal of nationalist was, koos de Végé, de Centra, de Spar of dat gepensioneerd oud vrouwtje dat wat bijverdiende.

De winkeldochter wist alles van je, en regisseerde het geroddel van de andere klanten. Zoals in mijn grootmoeder haar liedje:

Een appel, een ajuin en een kommeere, en hoe rijmt men dat tegaar? Een appel moet men schellen, een ajuin dient om te pellen, en een kommeere doet niet anders dan vertellen. Zo rijmt men dat tegaar.

Hoe hebben we vanaf eind jaren ‘60 gevochten om onder de blikken van de buurt uit te komen. Een Spaanse kennis wilde weg uit wat hij de verstikkende controle van zijn gemeenschap noemde.

Daarom trouwde hij met een Marokkaans meisje en kwam van de regen in de drop. Van het Spaanse in het nog veel strengere Marokkaanse toezicht. Die ook weer voor een deel via het eigen halal-winkelcircuit verliep. “Ahmed, mag jij wel zoveel snoep kopen van je mama?”

Slager Roger is al een jaar met pensioen. “Is je madam nie thuus dè?” Ik hoor het Roger nog vragen toen ik drie paardenbiefstukjes kocht in plaats van vier. “Moet ze werken misschien?“ voegde hij er kwansuis aan toe. Hij wist alles over zijn klanten. Maar hij zweeg, hij had genoeg aan het genoegen goed te snappen hoe het er in al die huishoudens die hij bevoorraadde aan toe ging. Sociale controle? Nou ja, de discrete versie ervan.

Een cheque uitschrijven…

Apetrots schreef mijn vader zijn eerste cheques uit in kledijzaak De Regenboog. Zelf wachtte ik tot in de jaren ‘90 voor ik een bankkaart aanschafte, en nog langer voor ik met Visa of zo betaalde.

Machtige instellingen dwingen de mensen om nieuwigheden te gebruiken. Als de consumenten het gewoon zijn en er met enige fantasie en aanpassingsvermogen wat oude voordelen bij bevochten hebben, maken de initiatiefnemers alles duurder, schaffen het af en duwen de burger naar weer iets anders, gladders, meer winstgevend. Iets waar een heel andere soort sociale, economische en welja, ideologische controle op zit.

De Lijn wil af van betalen per SMS, via de GSM dus, en drukt nu het M-ticket door, via de smartphone. Kuddementaliteit, volgens fotograaf Walter De Mulder.

Alles alleen en individueel.

We zullen en moeten online winkelen, al maakt dat de centra van kleinere centrumsteden kapot, zelfs de Hema draait met verlies. We zullen en moeten online al onze informatie verhapstukken en voortdurend bereikbaar wezen.

Alles alleen en individueel. Of, zoals de Nederlandse jeugdschrijver en oud-politicus Jan Terlouw deze week emotioneel zei: “Er hangt geen touwtje meer aan onze deur. We vertrouwen elkaar niet meer”.

Geen toeval dat politieke partijen en managers bij wie sociale cohesie en een bloeiend middenveld niet meteen de prioriteiten zijn het hardst schreeuwen om e-commerce en digitale revolutie alle voordelen en vrijheden te geven.

Te vroege kerstmarkten

Maar de mens is toch een sociaal wezen? Jawel, daar hebben de profeten van de virtuele wereld het volgende op gevonden: nep-‘events’. Black Friday, kerstmarkten die Sinterklaas de stuipen op het lijf jagen, Halloween, carnaval… En daarna braaf voor het scherm of aan de smartphone. Alles wat we verrichten wordt opgeslagen en is parate wetenschap en handelswaar voor wie het kan gebruiken.Vreemd dat oostelijke dictators, van Erdogan en Poetin tot Kim-Jong-Oen, het internet aan banden leggen. Het is verdraaid het beste instrument om te weten wat er gaande is onder de bevolking.

Zalando

Brol.krom, denk ik altijd. Aan de overkant van mijn straat komt een eindeloze stoet Zalando-verpakkingen in twee richtingen het postkantoor in- en uit. Als ik het met mijn ogen zie, dan wordt die info ook ergens elders bijgehouden.Er is niets nieuws onder de zon. Sociale controle in de Coop en bij Coolblue, wat is het verschil?

En raar genoeg takelt de sociale controle in de openbare ruimte helemaal af. Ja, ik heb heimwee naar een goed van de tongriem gesneden winkelier die een onverlaat die sluikstort op zijn stoep vriendelijk maar kordaat terecht wijst. Maar die dat voorval niet op youtube zet.

Lucas Vanclooster, gediplomeerd nostalgicus. Lees deze tekst ook op deredactie.

Foefelen

De geschiedenis leert dat het verstandig zou zijn van Hillary Clinton om in te gaan op de voorstellen om de stemcomputers te laten onderzoeken. De Republikeinse partij heeft een kwalijke voorgeschiedenis. Ze heeft al eerder de stemresultaten proberen te beïnvloeden.

Op dit ogenblik zijn er geen bewijzen dat de elektronische stemcomputers in de Amerikaanse staten Wisconsin, Michigan en Pennsylvania werden gehackt. Al evenmin staat vast dat als Hillary Rodham-Clinton in die traditioneel democratische noordelijke bolwerken zou hebben gezegevierd, ze nu haar presidentiële team had kunnen samenstellen.

Maar aan de andere kant: wat een uitdaging voor computernerds om electorale software te manipuleren. Zeker als duistere binnen- en of buitenlandse krachten een handje toesteken.

Kissinger lekt fundamentele informatie

Zeker na de erg zware nederlaag van aartsconservatief Barry Goldwater tegen Lyndon B. Johnson in 1964 vreesden de republikeinen dat in de liberale swingende nieuwe tijden en de opkomst van de tegencultuur, argumenten alleen niet volstonden om het Witte Huis te heroveren.

In 1968 wilde de democratische vice-president Hubert Humphrey naar de kiezer met een vredesplan voor Vietnam, waar de Amerikanen al een paar jaar in een verschrikkelijke oorlog verwikkeld waren. De termen Vietcong, Saigon en Haiphong behoorden toen tot de courante woordenschat van scholieren.

In 1968 begonnen er in Parijs rechtstreekse gesprekken tussen Noord-Vietnam en de Verenigde Staten. Zuid-Vietnam en de Vietcong bleven buiten de onderhandelingen en hadden geen andere keuze dan het eventuele bestand of akkoord te aanvaarden.

De zelfs toen al niet echt piepjonge diplomaat Henry Kissinger behoorde tot het team van onderhandelaars, maar ook tot de campagneploeg van de republikeinen. Kandidaat Nixon kreeg elke avond een keurig verslag van de voortgang van de gesprekken waarna hij de Zuid-Vietnamese bondgenoot inlichtte. Saigon verwierp een akkoord bij voorbaat.

Humphrey moest zonder verdrag naar de kiezer en verloor. De oorlog in Vietnam duurde nog 7 jaar en eiste miljoenen mensenlevens extra en een totale verwoesting van het straatarme land. Henry Kissinger kreeg in 1973 de nobelprijs voor de vrede.

Nixon en Watergate

Hoewel Nixon met vertrouwen de stembusslag van 1972 tegemoet kon zien, stemde hij toch in met een inbraak in het Watergate-gebouw, het hoofdkantoor van de democratische campagne. Daar viel nuttige informatie te rapen over de democratische favoriet Edmond Muskie.

De republikeinen waren vanaf dan Muskie altijd een stap voor, de democraten nomineerden uiteindelijk de onverkiesbare progressief George McGovern.

Nixon en running mate Spiro Agnew haalden het maar Watergate kwam snel bovendrijven dankzij het speurwerk van onderzoeksjournalisten Bob Woodward en Carl Bernstein van de Washington Post. Het volstond niet om Spiro Agnew wegens fraude in een andere zaak te vervangen door Gerald Ford.

Nixon verloor de impeachment-afzettings-procedure, hij zei nog “I’m not a crook” en verdween in de coulissen in 1974. De niet-verkozen Gerald Ford nam zijn intrek in de Oval Office.

Reagan: gijzelaars te laat vrijlaten

Ford verloor tegen de democraat Jimmy Carter in 1976. Carter kreeg af te rekenen met de islamistische revolutie in Iran. Zeker toen in november 1979 zogenoemde studenten, onder hen vermoedelijk de latere president Ahmadinejad, die zijn kleren betrok in de Wibra, ruim 60 Amerikaanse diplomaten 444 dagen gijzelden in Teheran, zag het er voor Carters herverkiezing barslecht uit.

De militaire reddingsactie “Operation Eagle” mislukte knullig, helikopters stortten neer, 8 Amerikanen sneuvelden en gesprekken sleepten aan.

Hoe kon dat? Die gijzeling lag de ayatollahs nochtans zwaar op de maag want vanaf september 1980 was Iran in oorlog met Irak. Verklaring is dat de republikeinse kandidaat Reagan al in 1980, nog voor zijn verkiezing dus, Iran-Contragate, dat maar tijdens zijn tweede ambtsperiode tot volle ontplooiing kwam, op gang bracht.

Belangrijk onderdeel van dat schandaal was de belofte van wapenverkoop aan Iran. Niet onbelangrijk neven-aspect was de vraag van het Reagan-team aan Khomeiny om de gijzelaars niet vrij te laten voor de verkiezingsdag.

Dat gebeurde uiteindelijk in januari 1981, enkele uren voor Reagan de eed aflegde. Een hulpeloze Carter kon als laatste beleidsdaad alleen maar de bevrijde Amerikanen opwachten op de luchthaven.

Ponskaarten

Tijdens de acht jaar Bill Clinton werden de republikeinen erg ongeduldig, zeker toen peilingen wezen op een mogelijke overwinning voor de ecologisch bevlogen Al Gore.

Democraat Al Gore behaalde enkele tienduizenden stemmen méér dan George Bush junior. Maar Dubya won de verkiezing in Florida, dankzij een burleske klucht met stembiljet-ponskaarten, waarna een bikkelharde juridische strijd volgde, geleid door republikeins zwaargewicht James Baker.

Stemcomputers onderzoeken

Uiteraard hebben al die machinaties niets met elkaar te maken en is er van een republikeins superbrein dat verkiezingsresultaten manipuleert geen sprake. En hoe de wereld er zou uitzien als alleen democraten president werden, is een hypothetische vraag. Nooit vergeten dat John Kennedy de Vietnam-oorlog in gang zwengelde, en dat Johnson die strijd liet escaleren.

Maar toch knaagt er iets. Het zou dus evident zijn om de bevindingen van computerwetenschappers over mogelijk hacken van onvoldoende beveiligde stemcomputers op zijn minst ernstig te onderzoeken.

Hillary behaalde hoe dan ook 2 miljoen stemmen meer dan Donald. Misschien toch wat voorzichtig zijn met termen als een omwenteling van het volk, en een nederlaag voor de elite en het establishment…

Lucas Vanclooster
lees deze tekst ook op deredactie.be

Het verdriet van Marc Sleen

In een van zijn laatste interviews, in maart 2014 in Knack, drukte Marc Sleen zijn ongenoegen uit over de afwezigheid van Nero in boekhandel en stripwinkel. Ik nam de proef op de som. Inderdaad, heelder rekken Van der Steen, Kiekeboe, zelfs Jommeke, maar in geen velden of wegen iets van Marc Sleen. Een kleine opiniepeiling leerde mij dat jongeren van nu Nero helemaal niet leuk vinden. Volgens mijn tienerkinderen en hun vriendjes is Nero melig en onverstaanbaar.

De man kreeg bij leven een museum, verschillende standbeelden en een symfonie met zijn naam, én de Adhémar-prijs genoemd naar een van zijn creaties. Maar mogelijk heeft hij zelf lezers weggeleid naar de tekenaars die hij onmiskenbaar beïnvloedde: Merho, Urbanus-Van Linthout, Kama-Herr Seele.

En in Gént

Marcel Honoré Nestor ridder Neels is in 1922 geboren in Gentbrugge. Ik heb het werk van Marc Sleen altijd als erg Gents ervaren, hoewel hij het grootste deel van zijn leven in een van de betere gemeenten van de Vlaamse Rand doorbracht.

In mijn verste herinneringen aan Gent zie ik afsluitingen, hokjes, puinhopen en winkelpuien die mij doen denken aan de decors van Sleen. Nero behoort tot het soort eigenwijze lawaaierige pseudo-anarchisten waar Gent er veel van heeft. De ouders van Sleen runden een café met vergaderzaal. Zoals veel Gentenaren had vader Sleen een heel eigen gevoel voor humor en vertelde hij rare verhalen. Denk ook aan de betreurde Patrick De Witte, een andere Gentse horecatelg.

Gestapo

De kleine Marc volgde als 14-jarige zondagslessen aan de academie. Hij bewonderde Pieter Breughel, Jeroen Bosch, Ensor, Toulouse-Lautrec en de Latemse schilders. De Tweede Wereldoorlog maakte een eind aan zijn opleiding.

Eerst vluchtte Marc met een scoutsgroep naar Limoges. In 1943 kwam hij via zijn broer in het Duitse Arbeitsambt terecht, waar de twee blijkbaar vooral de zaken in het honderd lieten lopen. De derde broer Neels zat in het verzet. Een en ander leidde tot een hardhandige ondervraging door de SicherheitsPolizei. De broers Neels belandden in de Nieuwe Wandeling-gevangenis.

Het leven van Marc Sleen leest als de geschiedenis van het Vlaamse krantenwezen na de Tweede Wereldoorlog. De Standaard wilde het collaboratie-imago afschudden. Gedurende een tijd heette de krant De Nieuwe Standaard. De hoofdredactie trok mensen aan die niets met de collaboratie te maken hadden, Gaston Durnez, Marnix Gijsen, en Marc Sleen, dankzij zijn door de Gestapo uitgeslagen tanden.

De Standaard

De Standaard bleef wel een principieel katholieke Vlaamsgezinde krant. Illustrator Marc Sleen moest daar terdege rekening mee houden. In die tijd stonden er in de krant veel minder foto’s, en die ontbraken al helemaal in een blad met een intellectuele uitstraling.

Allerlei illustraties, kaarten, grafieken, schetsen en portrettekeningen, bij rechtszaken en sportwedstrijden onder meer, moesten luchtigheid geven aan de opmaak. De stap van portret naar karikatuur is klein, zeker voor iemand die ook in satellietbladen tekende, zoals Ons Volkske, een soort Vlaamse Le Petit XXième. Daar debuteerde Marc Sleen als striptekenaar. De bekendste reeks werd “Piet Fluwijn en Bolleke”.

Bolleke

In die 1 pagina-gag, die als ondertitel droeg “De avonturen van een Vader en zijn zoon”, heb ik altijd Sleens meest persoonlijke verhaal gezien. Marc Sleen had geen kinderen, dat was voor hem en zijn vrouw een drama. Bolleke is het kind dat hij had gewild. Sleen verkent met veel begrip en humor de leefwereld van zo’n knaapje.

Het verhaal is gesitueerd in een stedelijk milieu, bij mensen die zich wat hebben opgewerkt. Wat Fluwijn precies doet, blijft onduidelijk, maar in elk geval zit hij op een kantoor. Zijn vrouw heerst over het huis waar al moderne spullen aanwezig zijn, een stofzuiger, een televisie en een koelkast. En er hangt kunst aan de muur. Mevrouw Fluwijn is erg bij de tijd: af en toe gaat ze boven even rusten…

In 1947 ontstond De Nieuwe Gids. Daarin introduceerde Sleen “De Avonturen van Detectief Van Zwam”. In dat verhaal dook een zekere heer Schoonpaard op, die na nuttiging van Matsuoka-bier in de waan verkeert dat hij keizer Nero is. Na 3 Van Zwams nam die Nero de hoofdrol over.

“Ik zie het Antonimus al”

In 1948 werd De Nieuwe Gids een zelfstandige gazet, die 2 jaar later onderdak vond bij Het Volk, de Gentse ACV-krant. Die omgeving stimuleerde Sleen duidelijk, zijn scenario’s gingen er zichtbaar op vooruit. In Het Volk moest Sleen ook de actualiteit in zijn verhalen smokkelen. Vaak verwees hij naar de Belgische politiek waarbij hij steevast socialisten hekelde, naar de Suez-crisis, de Hongaarse opstand, Expo 58.

De Nero-albums vonden hun weg tot in bescheiden huishoudens. In mijn kindertijd kostten de uitgaven van Het Volk 15 tot 20 frank, een Suske en Wiske het dubbele of meer.

Het Volk startte in 1950 de kinderbijlage ‘t Kapoentje. Intussen had Sleen voor Ons Zondagsblad Octaaf Keuninck bedacht, een tegenhanger van Vandersteens Familie Snoek en een verre voorloper van Kiekeboe. Het Volk kon ook op Sleen rekenen voor de sportcartoons in de Ronde van Frankrijk-krantjes.

“Ik deed om goed te doen”

Ik zie mijn zus, broer en mezelve nog zitten, des avonds geknield op de achterbank van grootvaders Opel Rekord, ‘t Kapoentje op de hoedenplank, beschenen door het oranje licht van de straatlantaarns. Mijn broer en ik spraken soms met elkaar in Kapoentjes-quotes.

Vele jaren later gebeurde dat opnieuw met mijn eminente collega Johan Janssens. “Ik deed om goed te doen”, was onze favoriet als we geblunderd hadden in het radionieuws. De uitspraak komt van Flurk, die het nieuwe huis van de champetter sloopte, wat de kapoentjes net daarvoor ook hadden gedaan, waarna de ordehandhaver tot zijn vreugde een nieuwe woning kreeg.

De Lustige Kapoentjes bevatten ongetwijfeld vooroorlogse jeugdherinneringen van Sleen. Vier kinderen, rondhangend op straten en pleinen, een gammel hok als schuilplaats, en Flurk als kwelgeest. Die Flurk is een van de interessantste personages uit onze stripgeschiedenis, een voorloper trouwens van Guust Flater. Guust is een naoorlogse nozem, Flurk een vooroorlogse Apache.

“Oei, ‘t is er neven geloof ik”

De Apachen waren een stedelijke jeugdstijl uit de jaren 30, in Brussel, Gent, Oostende, Parijs. Ze droegen zwarte en rode pakken, petten en sjaals, voerden niets uit, haatten het gezag, en dansten Le Java. Jawel, Arno Hintjens is de laatste anachronistische Apache.

De nazi’s hebben deze jeugdstijl genadeloos met wortel en tak uitgeroeid. Flurk liet muizen lopen om moeder Stans uit de buurt van haar afkoelende zelfgebakken taart op de vensterbank te krijgen.

In 1965 weekte De Standaard Marc Sleen los uit Het Volk. Na zijn vertrek mocht De Standaard 3 maanden lang geen Nero’s publiceren. De krant probeerde dat op alle mogelijke manieren te omzeilen.

Het Volk aarzelde niet om de gerechtelijke politie naar De Standaard/Het Nieuwsblad te sturen. Een en ander verklaart waarom Sleen na 1965 nooit meer wilde praten over De Lustige Kapoentjes en Bolleke. Vanaf 1965, na al die onverkwikkelijke copyright-perikelen, had de Standaard-groep op het vlak van tekenverhalen bijna een monopolie.

Safari

Sleen trok ook op safari naar Kenia voor Allemaal Beestjes op de BRT. Afrika inspireerde hem voor De negen peperbollen, De kille man Djaro, Het Bobo-beeldje, Aboe-Markoeb en De Lolifanten. In Knack schreef Johan Anthierens een vernietigende kritiek op Sleens safari-programma’s, nadat eens zwarte kinderen met Nero-albums in de handen voor hun hutjes poseerden.

Andere inspiratie was nog altijd de politieke actualiteit in binnen- en buitenland. Dat gaf de strip op het ogenblik van verschijnen een meerwaarde, maar bleek generaties later veeleer een handicap. Welke jonge lezer nu weet wie Spaak, Theo Lefèvre, Amin Dada en Nasser waren? Sleen gaf later toe dat hij te veel de christendemocratische en westerse kaart trok.

Geen Klare Lijn

In 1992 kwam Sleen in het Guinness-boek na 45 jaar onafgebroken solo-activiteit als striptekenaar met toen bijna 200 albums. Samen met Dirk Stallaert kwamen er nog een paar tientallen bij, de laatste was nummer 217, “Zilveren tranen”.

In het enige gesprek dat ik ooit met hem had, gaf hij opeens af op Hergé, die met 20 verhalen wereldberoemd werd, terwijl hij er tien keer zo veel afleverde maar opgesloten bleef in Vlaanderen. Hij had evenmin een hoge pet op van De Klare Lijn. Ik teken alle lijnen, zei hij.

Hoe dan ook

Marc Sleen behoort tot het Vlaamse erfgoed. Heel wat succesvolle stripauteurs zijn schatplichtig aan hem, en geven dat ook toe. Hij creëerde prachtige personages als Tuizentfloot, het echtpaar Pheip, Petoetje en Petatje, Bikini en Bolleke. En Flurk Schurk natuurlijk.

Zijn beste verhalen swingen vele richtingen uit en zijn vaak grappig, charmant, volks, verrassend en authentiek. Dat ze niet meer in de rekken te vinden zijn, heeft veel te maken met de marketing van uitgeverijen.

Maar er is ook een andere verklaring. Wellicht omdat hij zo snel werkte, heeft Sleen zich nooit veel zorgen gemaakt om stijl. Hij hanteerde maar een paar formaten en werkte alleen met groot of half plan. Nagenoeg nooit koos hij voor een close-up of een origineel perspectief. En nog minder brak eens een personage uit het kader. Marc Sleen kleurde niet buiten de lijntjes.

Lucas Vanclooster – lees deze tekst ook op deredactie.be.

Stockholm, we have a problem

In een verbijsterend belachelijke poging om modern te wezen heeft de Zweedse academie de Nobelprijs voor Literatuur gegeven aan Bob Dylan. Hij is de eerste zanger-liedjesschrijver die de allerhoogste letterkundige onderscheiding krijgt. De academie verkeert allicht in de waan dat ze iets ongelooflijk moedigs en grensverleggends verricht, in werkelijkheid is de keuze voor Dylan stuitend conservatief en pijnlijk voorspelbaar. Justin Bieber en Sam Goris, niet wanhopen!

Mock-Nobelprize

Enkele jaren geleden stond Dylan af en toe hoog in de lijstjes van Nobel-speculanten en bookmakers, ik hield mijn hart vast. Dit jaar was zijn naam nergens te bespeuren in de pronostieken, alleen in een ludieke lijst van mock-candidates, waar hij net onder E.L.James opdook. Tja, Dylan, 50 tinten grijs.

Wat heeft de jury nu eigenlijk willen bereiken? Een boodschap voor en naar de jongeren? Vergeet het. Ik kan het weten, want mijn huis zit meestal vol van die mensensoort, Bob Dylan interesseert de jeugd in de verste verte niet, houden zo! Ik hoop alleen dat de muzieksamenstellers van Radio 1 zich niet geroepen voelen om nog meer Dylan te draaien.

Ik kan mij helemaal aansluiten bij de Schotse schrijver Irvine Welsh, van “Trainspotting”. “Deze prijs is slecht begrepen nostalgie van seniele gibberende hippies met prostaatproblemen”, tweette hij. Kijk in het woordenboek naar de termen “muziek” en “literatuur”, en vergelijk het verschil, besloot hij.

Dylan-fan, moi?

Voor alle duidelijkheid en begrip, ik was een Dylan-fan tot 1980. Maar de irrelevante wankwaliteit van wat hij daarna maakte, liet een forse ontmaskerende slagschaduw neerdalen over zijn vroegere belangrijke en uitstekende werk. Opvallend in alle berichtgeving nu is dat alleen songs van voor 1980 worden vermeld.

Als knaap in de jaren 60 neuriede ik mee met “Blowin’ in the wind”, mijn ouders en ooms en tantes en zelfs de godsdienstleerkrachten ook trouwens, ik vond dat heerlijk. In de jaren 70 slingerden altijd wel een stuk of 5 elpees van Dylan rond, en we draaiden die ook. Bijna alle nummers uit “Desire” stonden bovenaan in de top 20 van 1976 van mijn broer en ik.

Meer nog dan “Blowin’ in the wind” was “The times they are a-changin'” een mijlpaal. De hele zwarte muziekgemeenschap was ontzet omdat iemand uit hun gemeenschap deze gospel had moeten componeren. Ook de grimmige versie van Boudewijn De Groot was heerlijk. Dylan gaf overigens aanleiding tot schitterende covers: “Masters of war” door Wannes Van de velde en Roland, “A hard rain’s gonna fall” door Brian Ferry… Voor “All along the watchtower” leerde Dylan zelfs Jimi Hendrix zingen. Jammer dat nu het omgekeerde niet meer kan, of neen, laat maar.

De avonturen van Dylan in Vaticaanstad

In de jaren 70 verdedigde Dylan in 2 sterke songs Amerikaanse afro-amerikanen: activist George Jackson die door de politie werd doodgeschoten, en Rubin “The Hurricane” Carter, de onschuldig veroordeelde middengewicht-bokser. Dat Dylan vanaf 1968 zijn folkfans tegen de haren in streek met elektrische instrumenten, vond ik getuigen van moed en non-conformisme, precies 2 eigenschappen die jaren later verdampten.

Dylan heeft opgetreden voor de paus en in China, en hij paste daarbij voor alle zekerheid een veilige zelfcensuur toe. Uiteindelijk zong hij Sinatra-covers en kerstliedjes, voor mij echt de lakmoesproef.

Dan maar Cohen

Maar goed, Ik beschouwde Dylan tot eind jaren 70, de tijd van “Street-Legal”, als de grootste van de 4 reuzen van de Amerikaanse muziek, voor Paul Simon, Leonard Cohen en Randy Newman. Kijk, als het Nobelcomité per se eens origineel wilde doen, dan hadden ze Leonard Cohen kunnen bekronen, een echte dichter, ook van joodse afkomst. Of Johan Verminnen of Stromae voor mijn part.

Nogmaals, tot 1980, alles goed. Ook de muzikale uitstapjes van Dylan, naar de country met Johnny Cash bij voorbeeld, “Lay, lady, lay’”, hoe mooi is dat, en het heerlijke geneurie van “Wigwam”, de verborgen kracht van ‘’Knockin’ on heavens door”, de stomende live-dubbelaar met The Band “Before the flood” uit 1974. Zelfs nog het christelijke “Man gave name to all the animals” uit 1979.

Geloof me, ik heb mijn bord Dylan echt wel helemaal leeggegeten. Ik behoor zelfs tot de zonderlingen die het filmgedrocht “Renaldo en Clara” op gevaar van overlijden door verveling hebben uitgezeten.

Geneuzel en gerochel

Dylan is al 35 jaar irrelevant. En zo iemand bekroon je niet als Nobelcomité. Dat ergerlijke geneuzel en gerochel na 1980, die minachting voor het publiek tijdens zovele slordige concerten, vorig weekend nog in Indio in Californië, die dwaze idolatrie overal. Had de punkbeweging dat nu echt niet definitief kunnen wegvegen? Dylan is typisch een fenomeen van en voor de generatie die het nu in de media voor het zeggen heeft, en die houden wel heel krampachtig vast aan hun invloed.

Ten slotte, ik hou de zaken graag helder en duidelijk. Dylan heeft ook een aantal volkomen onleesbare boeken en dichtbundels geschreven, maar het Nobelprijsvolk vermeldt die niet eens. Erg vreemd. Zoals Irvine Welsh vind ik het prima om een aantal dingen gescheiden te houden. Dylan heeft verdraaid niets te klagen, en ik gun hem absoluut zijn succes. Hij verkoopt goed want hij richt zich tot de generatie die het vrij breed heeft.

Pop- en rockzangers hebben kansen zat op prijzen en trofeeën. Ze acteren trouwens in een mega-commerciële sector. Een Nobelprijs voor Muziek: why not! Maar geef die voor literatuur aan een wereldschrijver die overal nieuwe jonge lezers verdient. Deze nobelprijs is een blamage voor Amin Maalouf, Amos Oz, Nadeem Aslam, Antonio Munos-Molina, Sandro Veronesi om nog maar die te noemen.

Mag ik erop rekenen dat de volgende Grammy’s, MTV-awards en MIA’s naar een schrijver gaan? En geef eens een literatuurprijs aan Lionel Messi of Ronaldo, zij schrijven poëzie op een grasmat.

Lucas Vanclooster. Lees deze tekst ook op deredactie.be.