Category Archives: in memoriam

Pierre Henry +

In Parijs is componist Pierre Henry overleden, de man die niet aarzelde om een forse elektrische zaagmachine of een heus klokkenspel doorheen zijn muziek te jagen.

Henry was een bruggenbouwer tussen moderne klassieke muziek en progrock, en een van de vaders van het gebruik van computers en synthesizers, een voorloper van Pink Floyd, Mike Oldfield en Air of Daft Punk. Zijn werk doet mij ook aan de Brusselaar André Brasseur denken, die net als Henry van een simpel instrumentaal thema een swingend en muzikaal vol nummer kon maken.

Als gevolg van die gedurfde open aanpak was Henry’s muziek erg toegankelijk, eenvoudig en vaak ronduit leuk, geschikt voor Klara en Studio Brussel, maar ook voor radio 1 en 2 en MNM. Zijn meeste composities zijn trouwens qua lengte ideaal voor een jukebox. Korte composities jawel, maar ze horen wel tot een groter geheel, een concept als het ware, wat de Beatles met Sergeant Pepper’s en The Who met Tommy en Quadrophenia ook toepasten, een paar jaar later.

Concrete muziek

Bij ons raakte Pierre Henry vooral bekend dankzij de balletten van choreograaf Maurice Béjart in de Muntschouwburg in Brussel. Na zijn grensverleggende interpretaties van Stravinsky, snakte de nog jonge Béjart naar iets nieuws, en hij vond dat bij zijn landgenoot Henry, die toen al naam had gemaakt als pionier van de concrete muziek, een onderdeel van de elektro-akoestische toondichterij.

“Messe pour le temps present”, gecreëerd in 1967 in Avignon, gaf de dansers van Béjart de kans om eens goed uit te freaken. Duizenden enthousiaste toeschouwers, ook veel niet-ballet-liefhebbers, namen de ervaring mee naar huis, en begonnen vrije expressie te beoefenen op het aanstekelijke Psyche Rock, zowat het meest bekende thema van Henry. Ook George Balanchine en Merce Cunningham werkten met Pierre Henry.

Composities

Jean-Michel Jarre en Stockhausen bewonderden hem. Hij was een student van Olivier Messiaen, de reus van de Franse klassieke muziek van de 20ste eeuw. In 1950 debuteerde hij met “Symphonie pour un homme seul”. De geprepareerde piano stond daarbij centraal, dat wil zeggen dat er allerlei geluidmakende objecten tussen de snaren staken. Hij was nog maar 15 toen hij het lawaai en kabaal van alledaagse voorwerpen en toestellen gebruikte in zijn allereerste primitieve compositietjes. Hij deed dat eigenlijk levenslang.

Fragmenten van Henry zijn vaak gebruikt en gesampeld in reclameclips en als kenwijsje, voor films…Fatboy Slim, Daft Punk, Air en Saint-Germain remixten enkele flarden van hem. Kortom, als Pierre Henry al niet allerlei grenzen overschreed en muren sloopte, dan deden zijn jongere fans het wel. De grootvader van de techno was 89.

Lucas Vanclooster. Lees deze tekst ook op deredactie.be

Advertisements

Zorg aub voor deze beer, dank u

Paddington_Bear_Statue_in_new_location_at_Paddington_Station

(Beertje Paddington in metrostation Paddington in Londen)

Michael Bond, de Britse auteur die het bij kinderen geliefde figuurtje Beertje Paddington in het leven riep, is op 91-jarige leeftijd overleden. Een afgeleide animatiereeks was van 1977 tot 1981 ook op de BRT te zien. Een aflevering duurde vijf minuten. De eerste designer die een licentie verwierf om een driedimensionele Paddington te ontwerpen, was Shirley Clarkson. Zo was haar zoontje, Jeremy Clarkson (van Top Gear), de allereerste die een echte beer Paddington, in de armen kon houden. En knuffelen of verwoesten. In 2014 werd het verhaal nog eens stemmig een aangrijpend verfilmd door Paul King.

Het leven van Michael Bond leest als een roman. Hij schreef verhalen vanaf 1945, toen hij voor het Britse leger dienst deed in Kaïro. In de vroege jaren ’40, toen hij in Reading woonde, en als kantoorbediende werkte, knutselde hij allerlei radio-versterkers en elektrische apparaten in elkaar, en die kwamen via via bij mensen van de BBC terecht.Dat hij ooit voor de omroep zou werken, was toen al een vaststaand feit. In 1950 werd hij inderdaad cameraman. Maar het scheelde geen haar of daar was niets van terecht gekomen. Hij was de enige overlevende van een gebouw dat door de Duitse Luftwaffe werd gebombardeerd. 45 andere mensen kwamen om. Het is een van de redenen waarom Bond per se bij het leger wou, bij voorkeur bij de RAF, maar dat ging niet door omdat hij altijd luchtziek werd aan boord van een vliegtuig. Hij deed dan maar nuttig verbindingswerk in Noord-Afrika, op de begane grond.

Toen Bond eind 1956 kerstgeschenken zocht, vond hij in een speelgoedwinkel een verwaarloosde beer. Hij kocht die, hield hem en verzon een verhaal, hoewel hij de beer feitelijk had bedoeld als tochthond en/of kousenvuller. Michael Bond had twee jaar nodig om de figuur te bedenken en uit te werken, en “A Bear Called Paddington” te schrijven, het eerste van 25 boeken. Hij tekende de beer niet zelf, dat deden verschillende illustratoren.

Naast de eenzame speelgoedbeer waren er nog twee inspiratiebronnen voor Paddington. Vooreerst de vader van Michael, een erg minzame postmeester, die in alle omstandigheden zijn hoed ophield, ook als hij ging pootjebaden in zee. Je weet nooit wie je ontmoet die je deftig moet groeten, zei vader Bond. Maar ook verweesde oorlogskinderen uit Londen, die voor hun veiligheid per trein naar het platteland of de kust werden gebracht, inspireerden Michael Bond. Die kinderen droegen een label met hun naam en bestemming rond hun hals en al hun bezittingen zaten in een enkel koffertje. Ook Paddington zou zo’n bord om zijn harige nek krijgen. Ook hij was een vluchteling, en dat maakt het verhaal nog altijd actueel.

Er was eens een klein gelikt beertje…

… Vanuit het hooggebergte in Peru, waar de berenfamilie woonde, stuurde tante Lucy een kleine net schoongelikte “cub” als verstekeling op een boot naar Engeland. Ze kleedde hem warm aan met een blauwe duffelcoat en een rood hoedje en gaf hem een koffertje met proviand mee, vijf potten jam, zijn lievelingseten. Via de haven van Southampton reisde het beertje per trein naar Londen waar hij in station Paddington strandde. Het beertje droeg een label met als opschrift: “zorg aub voor mij, dank u”. De toevallig voorbijlopende familie Brown kreeg medelijden met het beest, adopteerde hem en noemde hem Paddington. De kleine is geen knuffel maar een als beer vermomde argeloze kleuter, die zich telkens weer in ongeveer dezelfde nesten werkt, en daaruit telkens wordt gered door de familie Brown.

De boeken waren meteen succesvol, ook omdat de droge Britse humor een volwassen publiek kon aanspreken. Ze vonden de weg naar 35 miljoen lezers in 20 landen. En er kwam een hele reeks bewerkingen voor televisie, theater, film (tot in 2014) met bijhorende merchandising. Michael Bond creëerde nog andere vrij succesvolle maar niet vertaalde figuren, onder meer het Guinees biggetje Olga de Polga, en de kok-detective Monsieur Pamplemousse met zijn bloedhond Pommes Frites. Pamplemousse is eigenlijk een reeks voor volwassenen, featuring een ontgoochelde gepensioneerde politieman die culinair journalist wordt en misdaden in restaurants overal in Frankrijk oplost aan de hand van onregelmatigheden op de menukaarten.

Michael Bond was een breedingly British gentleman, francofiel en Europeaan zoals ze er over het Kanaal nauwelijks nog maken. Helaas. Hij was 91 en overleed na een korte ziekte.

Lucas Vanclooster. Lees deze tekst ook op deredactie.be

Terug van weggeweest: de mythe van de communistische aanslag tegen de Innovation

Alle respect en medeleven voor iemand die beide ouders verloor tijdens de grote brand van de Innovation in Brussel, het is ook begrijpelijk dat je dan op zoek gaat naar de oorzaak. Maar het besluit dat er een terroristische aanslag was, kan auteur Johan Swinnen niet hard maken in zijn nieuwe boek over dit inferno, is de mening van Lucas Vanclooster:

Die maandag 22 mei 1967 hadden mijn ouders blijkbaar weinig behoefte aan informatie. Tijdens het avondmaal bleef de radio stom, en vader schakelde de televisie maar aan net voor 20 uur. De legendarische weerman Armand Pien had het over de strakke wind die in de loop van de middag enkele keren gedraaid was en zo “het vuur” in alle richtingen aanwakkerde. Waar heeft die man het over? Dacht ik.

Ergste ramp in België

Dat werd snel duidelijk. Het hele journaal ging over de verschrikkelijke Innovation-brand, die nog niet was geblust, en die, zo bleek, zeker tientallen slachtoffers had gemaakt. Uiteindelijk werden officieel 251 doden geteld, maar wellicht zijn er heel wat meer slachtoffers, forensisch onderzoek stelde toen nog niet zo veel voor, en het vuur had zo hevig gewoed dat de stoffelijke resten van nogal wat mensen gewoon volledig verpulverd en verdwenen waren.

Hoe dan ook, de Innovation-brand is de ergste ramp die ons land in vredestijd trof.

Al decennia blijft de ramp mensen fascineren. Dit jaar zijn er, alleen al in het Nederlands, 3 erg boeiende, bijzonder leesbare en breed gedocumenteerde boeken verschenen. Ze focussen vooral op de oorzaak, en ze doen dat na ampel onderzoek door de auteurs van gerechtelijke dossiers, en nieuwe gesprekken met getuigen.

Kortsluiting of kaduke tl-lamp

Geert De Vriese en Frank Van Laeken houden het in “Inferno, de brand in de Innovation” bij de algemeen aanvaarde stelling dat een kortsluiting in een voorraadkamertje de ramp veroorzaakte.

In zijn “De brand in de Innovation” komt Siegfried Evens met een nieuwe goed onderbouwde theorie: vonken uit een kaduke tl-buis zouden opgehoopt gas uit een lekke leiding in datzelfde voorraadkamertje hebben doen ontbranden. Die drie auteurs verwerpen de these van een aanslag.

Sleutelroman

Volgens Johan Swinnen in de sleutelroman “Happening, de aanslag in de Innovation”” is de ramp wel het gevolg van een terroristische daad, door drie extreemlinkse bommenleggers. Extreem-links communistisch, jawel, de brand vond plaats tijdens een opvallende Amerikaanse veertiendaagse, in volle Vietnam-contestatie. Communistische actievoerders hadden al betoogd in de Nieuwstraat, voetzoekers gegooid, en er waren bedreigingen geuit…

Innovation-weesjongen

Johan Swinnen staat erg dicht bij wat er op die noodlottige 22 mei 1967 gebeurde: hij verloor zijn ouders in het vuur. Hij was toen 13. En hij had er bij kunnen zijn…

Alle respect en medeleven voor iemand die te maken heeft gekregen met een levensbepalende ingrijpende gebeurtenis van die omvang. En meer dan begrijpelijk dat hij als nabestaande op zoek gaat naar verklaringen, verantwoordelijken, daders, en zich laat meeslepen door een op het eerste zicht plausibel verhaal.

Swinnen baseert zijn roman op een opgenomen maar niet openbaar gemaakt gesprek met een vrouw die mogelijk betrokken was bij, nou ja, de aanslag. Hij combineert dat gesprek met een aantal opvallende feiten uit 1967. Maar de mayonaise pakt niet.

Bommenleggers zonder bom

De hele thesis van de drie bommenleggers kunnen we makkelijk weerleggen met deze simpele vaststelling: er was geen bom! Na de ramp heeft de politie ruim twee jaar lang alle mogelijke getuigen, aanwezigen, voorbijgangers, overlevenden en nabestaanden grondig aan de tand gevoeld.

Sommige ‘getuigen’ kwamen met verregaande verhalen over verdachte sujetten die raar of nerveus deden, of vreemde zaken scandeerden. Dat heeft nergens heen geleid. Niemand, ik herhaal werkelijk niemand van die getuigen, geen één, had het over een explosie, een knal, een ontploffing.

Ook een brandbom, of om in het juiste taalgebruik te blijven, een molotov-cocktail, heeft niemand opgemerkt. Of waren de daders genieën die een stille bom hadden ontwikkeld?

Anarcho-communistische ULB

De bewering dat docenten scheikunde van de ULB de bom mee hadden gefabriceerd is te knotsgek voor woorden. En al even vreemd is de vaststelling dat er onder bepaalde ULB-studenten een zekere nervositeit heerste en dat ze vanaf de middag met transistor-radio’s aan hun oren liepen alsof ze op belangrijk nieuws wachten.

Neen, de omroepen zaten toen aan de beide zijden van de taalgrens helemaal vast in een staatsmonopolie en in die tijd duurde het zelfs bij een apocalyptische calamiteit uren voor het nieuws de media en de bevolking bereikte. Daarover heeft radiojournalist en ooggetuige Urbaan De Becker tien jaar geleden in Keerpunt op Canvas treffend en met veel ironie verteld.

Dan maar een terreurdaad door brandstichting? Ook dat lijkt weinig waarschijnlijk. Het vuur is het eerst opgemerkt om 20 over 1 in een opslagplaatsje van strand- en communiekledij. Dat magazijntje zat goed verborgen achter de rekken en stands, totaal onzichtbaar voor wie niet vertrouwd was met die afdeling van het enorme warenhuis.

Een medeplichtige

Een communistische medeplichtige bij het personeel? Ongeloofwaardig. Uit alle gesprekken blijkt dat het personeel van de Innovation daar erg graag werkte, verknocht was aan de onderneming waar een voorbeeldige sociale vrede heerste, en dat de collega’s prima met elkaar konden opschieten, als vormden ze een grote familie.

Welke onverlaat zou dan het hele bedrijf en zijn mede-werknemers aan zo’n gevaar blootstellen?

Uit het onderzoek blijkt ook dat er in de weken voor de ramp geen persoonlijke conflicten vermeld werden. Dat een personeelslid, dat nog rokend uit het self-service-restaurant kwam, een sigarettenpeuk in het magazijntje zou hebben gedoofd, is niet aannemelijk. De meest verregaande bewering in “Happening” is dat parket, politieke overheid en Innovation de piste van de aanslag na één week in de doofpot stopten, om de bevolking niet te verontrusten… Alsof een accidentele brandramp minder verontrustend zou zijn dan een geplande aanslag… Alsof een directie die een loopje neemt met de brandveiligheid het publiek geruststelt…

De werkelijkheid is dat linkse activisten wekenlang van hun bed gelicht en terdege op de rooster werden gelegd, zonder resultaat. Overigens, er kwam ook nooit een ernstige opeising van de “aanslag”.

De roman vermeldt ronkende krantentitels over terreur die eerste week. Welgeteld één Vlaams orgaan, het sensatieweekblad KWIK, had als kop: “Wie heeft de massamoord in Brussel op zijn geweten?” Alle andere kranten brachten een veel voorzichtiger berichtgeving.

Er bestaan trouwens nog andere complottheorieën. Dat de CIA achter de brandstichting zat om de communistische actievoerders en links in het algemeen als voor de hand liggende verdachten in diskrediet te brengen. En dat eerste-minister Van Den Boeynants en bouwpromotor Charlie De Pauw op de kar sprongen om op de plaats van de oude Innovation een immense parkeergarage te bouwen. Bewijs: onder de nieuwe Inno, geopend in 1970, zit warempel een parkeergarage… Filmmaker Bram Van Paesschen spitte die mogelijkheden uit in een mockumentary een jaar of 15 geleden.

 

Architect baron Victor Horta, die de Innovation in 1901 ontwierp, waarschuwde al in de jaren dertig dat een brand in zijn gebouw een catastrofe zou veroorzaken, deels door de schoorsteen- en kachelachtige constructie van de centrale galerij met balkons en trappen en broze lichtkoepel, maar ook door de rommelige uitbreiding in belendende panden, met veel trapjes, doorgangen, dienstliften, luchtkokers, valse plafonds, kortom een kluwen, een labyrint. Op die 22 mei kwam daar de overdadige papieren, kartonnen en nylon decoratie voor de Amerikaanse veertiendaagse bij.

De brand is, door een kortsluiting of vonkende tl-lamp, ontstaan in een voorraadhokje, en nam uiterst snel een enorme uitbreiding.

De Innovation had geen sprinklersysteem. Drie interne brandweerlui probeerden met te kleine brandblussers het vuur te bedwingen. Het brand-alarm bleef quasi onopgemerkt in het lawaai van het warenhuis, waar verschillende belsignalen net het begin van de middagshift aankondigden.

De brandweer kwam twintig minuten later bijna voltallig ter plekke toen het gebouw al in lichterlaaie stond. Ze hielden zich vooreerst bezig met de redding van mensen op daken, luifels en vensterbanken. Hun voertuigen (toen allemaal al meer dan tien jaar oud), ladders en brandslangen waren ontoereikend om effectief te blussen.

De Nieuwstraat stond vol geparkeerde auto’s. De gitzwarte rook belemmerde elk uitzicht op de sowieso al veel te kleine slecht aangeduide en soms door publiciteit aan het zicht ontnomen of afgeschafte nooduitgangen. Het is allemaal sneu, tragisch, jammer, noodlottig. En de wind draaide, zoals Armand Pien vermeldde …

Lucas Vanclooster
Lees deze tekst ook op deredactie.be.

Het verdriet van Marc Sleen

In een van zijn laatste interviews, in maart 2014 in Knack, drukte Marc Sleen zijn ongenoegen uit over de afwezigheid van Nero in boekhandel en stripwinkel. Ik nam de proef op de som. Inderdaad, heelder rekken Van der Steen, Kiekeboe, zelfs Jommeke, maar in geen velden of wegen iets van Marc Sleen. Een kleine opiniepeiling leerde mij dat jongeren van nu Nero helemaal niet leuk vinden. Volgens mijn tienerkinderen en hun vriendjes is Nero melig en onverstaanbaar.

De man kreeg bij leven een museum, verschillende standbeelden en een symfonie met zijn naam, én de Adhémar-prijs genoemd naar een van zijn creaties. Maar mogelijk heeft hij zelf lezers weggeleid naar de tekenaars die hij onmiskenbaar beïnvloedde: Merho, Urbanus-Van Linthout, Kama-Herr Seele.

En in Gént

Marcel Honoré Nestor ridder Neels is in 1922 geboren in Gentbrugge. Ik heb het werk van Marc Sleen altijd als erg Gents ervaren, hoewel hij het grootste deel van zijn leven in een van de betere gemeenten van de Vlaamse Rand doorbracht.

In mijn verste herinneringen aan Gent zie ik afsluitingen, hokjes, puinhopen en winkelpuien die mij doen denken aan de decors van Sleen. Nero behoort tot het soort eigenwijze lawaaierige pseudo-anarchisten waar Gent er veel van heeft. De ouders van Sleen runden een café met vergaderzaal. Zoals veel Gentenaren had vader Sleen een heel eigen gevoel voor humor en vertelde hij rare verhalen. Denk ook aan de betreurde Patrick De Witte, een andere Gentse horecatelg.

Gestapo

De kleine Marc volgde als 14-jarige zondagslessen aan de academie. Hij bewonderde Pieter Breughel, Jeroen Bosch, Ensor, Toulouse-Lautrec en de Latemse schilders. De Tweede Wereldoorlog maakte een eind aan zijn opleiding.

Eerst vluchtte Marc met een scoutsgroep naar Limoges. In 1943 kwam hij via zijn broer in het Duitse Arbeitsambt terecht, waar de twee blijkbaar vooral de zaken in het honderd lieten lopen. De derde broer Neels zat in het verzet. Een en ander leidde tot een hardhandige ondervraging door de SicherheitsPolizei. De broers Neels belandden in de Nieuwe Wandeling-gevangenis.

Het leven van Marc Sleen leest als de geschiedenis van het Vlaamse krantenwezen na de Tweede Wereldoorlog. De Standaard wilde het collaboratie-imago afschudden. Gedurende een tijd heette de krant De Nieuwe Standaard. De hoofdredactie trok mensen aan die niets met de collaboratie te maken hadden, Gaston Durnez, Marnix Gijsen, en Marc Sleen, dankzij zijn door de Gestapo uitgeslagen tanden.

De Standaard

De Standaard bleef wel een principieel katholieke Vlaamsgezinde krant. Illustrator Marc Sleen moest daar terdege rekening mee houden. In die tijd stonden er in de krant veel minder foto’s, en die ontbraken al helemaal in een blad met een intellectuele uitstraling.

Allerlei illustraties, kaarten, grafieken, schetsen en portrettekeningen, bij rechtszaken en sportwedstrijden onder meer, moesten luchtigheid geven aan de opmaak. De stap van portret naar karikatuur is klein, zeker voor iemand die ook in satellietbladen tekende, zoals Ons Volkske, een soort Vlaamse Le Petit XXième. Daar debuteerde Marc Sleen als striptekenaar. De bekendste reeks werd “Piet Fluwijn en Bolleke”.

Bolleke

In die 1 pagina-gag, die als ondertitel droeg “De avonturen van een Vader en zijn zoon”, heb ik altijd Sleens meest persoonlijke verhaal gezien. Marc Sleen had geen kinderen, dat was voor hem en zijn vrouw een drama. Bolleke is het kind dat hij had gewild. Sleen verkent met veel begrip en humor de leefwereld van zo’n knaapje.

Het verhaal is gesitueerd in een stedelijk milieu, bij mensen die zich wat hebben opgewerkt. Wat Fluwijn precies doet, blijft onduidelijk, maar in elk geval zit hij op een kantoor. Zijn vrouw heerst over het huis waar al moderne spullen aanwezig zijn, een stofzuiger, een televisie en een koelkast. En er hangt kunst aan de muur. Mevrouw Fluwijn is erg bij de tijd: af en toe gaat ze boven even rusten…

In 1947 ontstond De Nieuwe Gids. Daarin introduceerde Sleen “De Avonturen van Detectief Van Zwam”. In dat verhaal dook een zekere heer Schoonpaard op, die na nuttiging van Matsuoka-bier in de waan verkeert dat hij keizer Nero is. Na 3 Van Zwams nam die Nero de hoofdrol over.

“Ik zie het Antonimus al”

In 1948 werd De Nieuwe Gids een zelfstandige gazet, die 2 jaar later onderdak vond bij Het Volk, de Gentse ACV-krant. Die omgeving stimuleerde Sleen duidelijk, zijn scenario’s gingen er zichtbaar op vooruit. In Het Volk moest Sleen ook de actualiteit in zijn verhalen smokkelen. Vaak verwees hij naar de Belgische politiek waarbij hij steevast socialisten hekelde, naar de Suez-crisis, de Hongaarse opstand, Expo 58.

De Nero-albums vonden hun weg tot in bescheiden huishoudens. In mijn kindertijd kostten de uitgaven van Het Volk 15 tot 20 frank, een Suske en Wiske het dubbele of meer.

Het Volk startte in 1950 de kinderbijlage ‘t Kapoentje. Intussen had Sleen voor Ons Zondagsblad Octaaf Keuninck bedacht, een tegenhanger van Vandersteens Familie Snoek en een verre voorloper van Kiekeboe. Het Volk kon ook op Sleen rekenen voor de sportcartoons in de Ronde van Frankrijk-krantjes.

“Ik deed om goed te doen”

Ik zie mijn zus, broer en mezelve nog zitten, des avonds geknield op de achterbank van grootvaders Opel Rekord, ‘t Kapoentje op de hoedenplank, beschenen door het oranje licht van de straatlantaarns. Mijn broer en ik spraken soms met elkaar in Kapoentjes-quotes.

Vele jaren later gebeurde dat opnieuw met mijn eminente collega Johan Janssens. “Ik deed om goed te doen”, was onze favoriet als we geblunderd hadden in het radionieuws. De uitspraak komt van Flurk, die het nieuwe huis van de champetter sloopte, wat de kapoentjes net daarvoor ook hadden gedaan, waarna de ordehandhaver tot zijn vreugde een nieuwe woning kreeg.

De Lustige Kapoentjes bevatten ongetwijfeld vooroorlogse jeugdherinneringen van Sleen. Vier kinderen, rondhangend op straten en pleinen, een gammel hok als schuilplaats, en Flurk als kwelgeest. Die Flurk is een van de interessantste personages uit onze stripgeschiedenis, een voorloper trouwens van Guust Flater. Guust is een naoorlogse nozem, Flurk een vooroorlogse Apache.

“Oei, ‘t is er neven geloof ik”

De Apachen waren een stedelijke jeugdstijl uit de jaren 30, in Brussel, Gent, Oostende, Parijs. Ze droegen zwarte en rode pakken, petten en sjaals, voerden niets uit, haatten het gezag, en dansten Le Java. Jawel, Arno Hintjens is de laatste anachronistische Apache.

De nazi’s hebben deze jeugdstijl genadeloos met wortel en tak uitgeroeid. Flurk liet muizen lopen om moeder Stans uit de buurt van haar afkoelende zelfgebakken taart op de vensterbank te krijgen.

In 1965 weekte De Standaard Marc Sleen los uit Het Volk. Na zijn vertrek mocht De Standaard 3 maanden lang geen Nero’s publiceren. De krant probeerde dat op alle mogelijke manieren te omzeilen.

Het Volk aarzelde niet om de gerechtelijke politie naar De Standaard/Het Nieuwsblad te sturen. Een en ander verklaart waarom Sleen na 1965 nooit meer wilde praten over De Lustige Kapoentjes en Bolleke. Vanaf 1965, na al die onverkwikkelijke copyright-perikelen, had de Standaard-groep op het vlak van tekenverhalen bijna een monopolie.

Safari

Sleen trok ook op safari naar Kenia voor Allemaal Beestjes op de BRT. Afrika inspireerde hem voor De negen peperbollen, De kille man Djaro, Het Bobo-beeldje, Aboe-Markoeb en De Lolifanten. In Knack schreef Johan Anthierens een vernietigende kritiek op Sleens safari-programma’s, nadat eens zwarte kinderen met Nero-albums in de handen voor hun hutjes poseerden.

Andere inspiratie was nog altijd de politieke actualiteit in binnen- en buitenland. Dat gaf de strip op het ogenblik van verschijnen een meerwaarde, maar bleek generaties later veeleer een handicap. Welke jonge lezer nu weet wie Spaak, Theo Lefèvre, Amin Dada en Nasser waren? Sleen gaf later toe dat hij te veel de christendemocratische en westerse kaart trok.

Geen Klare Lijn

In 1992 kwam Sleen in het Guinness-boek na 45 jaar onafgebroken solo-activiteit als striptekenaar met toen bijna 200 albums. Samen met Dirk Stallaert kwamen er nog een paar tientallen bij, de laatste was nummer 217, “Zilveren tranen”.

In het enige gesprek dat ik ooit met hem had, gaf hij opeens af op Hergé, die met 20 verhalen wereldberoemd werd, terwijl hij er tien keer zo veel afleverde maar opgesloten bleef in Vlaanderen. Hij had evenmin een hoge pet op van De Klare Lijn. Ik teken alle lijnen, zei hij.

Hoe dan ook

Marc Sleen behoort tot het Vlaamse erfgoed. Heel wat succesvolle stripauteurs zijn schatplichtig aan hem, en geven dat ook toe. Hij creëerde prachtige personages als Tuizentfloot, het echtpaar Pheip, Petoetje en Petatje, Bikini en Bolleke. En Flurk Schurk natuurlijk.

Zijn beste verhalen swingen vele richtingen uit en zijn vaak grappig, charmant, volks, verrassend en authentiek. Dat ze niet meer in de rekken te vinden zijn, heeft veel te maken met de marketing van uitgeverijen.

Maar er is ook een andere verklaring. Wellicht omdat hij zo snel werkte, heeft Sleen zich nooit veel zorgen gemaakt om stijl. Hij hanteerde maar een paar formaten en werkte alleen met groot of half plan. Nagenoeg nooit koos hij voor een close-up of een origineel perspectief. En nog minder brak eens een personage uit het kader. Marc Sleen kleurde niet buiten de lijntjes.

Lucas Vanclooster – lees deze tekst ook op deredactie.be.

Portrait of the artist as a young dog

Jef Lambrecht (1948-2016) – in loving memory
Tot zowat 15 jaar geleden hield de documentatiedienst van de BRT/VRT trouw een papieren archief bij. Het beslaat nog altijd een volledige kelder onder het veroordeelde omroepgebouw. Zelden komt iemand er. Wie de tijd zou krijgen om dat hele archief systematisch te onderzoeken zou schatten vinden. Ook van enkele VRT-journalisten ligt er een map in dat archief. Een van de omvangrijkste is die van Jef Lambrecht.

Het oudste stuk in die map, uit 1982, gaat over de eerste openbare activiteit van het illustere Belgian Institute for World Affairs, een vehikel waarmee Jef Lambrecht en een handvol vrienden ironische en satirische acties op de goegemeente afvuurden. Het Belgian Institute was gesticht op 1 april 1982, uit onvrede met de Brakke Grond in Amsterdam en het Waals Huis in Parijs. Op 10 mei 1982 stelden Jef en Karel Schoeters, van BRT-kunstzaken, een mobiele culturele ambassade voor, in de vorm van een zeppelin of een boot vol artistieke uitingen.

Avelgem

Jef Lambrecht is drie jaar na de oorlog geboren als oudste van zes kinderen. Zijn moeder had tijdens de oorlog om veiligheidsredenen Antwerpen verlaten. Vader was postbode. Het gezin las Het Volk, met op woensdag De Lustige Kapoentjes. Nog voor het eerste leerjaar tekende Jef die figuurtjes van Marc Sleen na, alsook de letters uit de tekstballonnen. Jaren later deed Kamagurka krèk het zelfde. Zo begint een artistieke carriere in Vlaanderen.

Op zijn veertiende won Jef een nationale schilderwedstrijd, georganiseerd door een verf-fabriek. Hij besliste om geen kunstonderwijs te volgen, want hij kon dat blijkbaar al. In 1966 begon hij te studeren aan de KUL. Jef gooide zich enthousiast in het studentenoproer. Uiteindelijk behaalde hij de diploma’s politeke en sociale wetenschappen en culturele antropologie. Hij ontpopte zich als dichter.

Over zijn geboortedorp Avelgem zegt hij: nog West-Vlaamser kan niet. Dat is onjuist. Avelgem vlakbij de Kwaremont, onsterfelijk gemaakt door cabaretier Gerard Vermeersch, ligt aan de grens met Oost-Vlaanderen en Henegouwen, en heeft een groot college, met internaat. Vergeleken met bij voorbeeld mijn geboortestad Roeselare, was Avelgem een oord van vrijheid en verderf. Tijdens gemeenteraadsverkiezingen in de jaren 90 maakte Jef een onvergetelijk mooie bijdrage over de politiek in Avelgem, met als enig illustratief geluid het tikken van een wandklok.

Radiojournalist

Als radiojournalist behoorde Jef tot de lichting van Leo Stoops, Geert van Istendael en Martine Tanghe. Hij was een man met een alles omvattende kennis en belangstelling.

Hij richtte zich op het koningshuis, het Atomium, Mexico en vooral cultuur, een onderwerp dat toen in journaal en duiding nagenoeg afwezig was. Zijn prachtige in memoria bij de overlijdens van Gerard Walschap en Paul Snoek heb ik nog op een cassetje. Ik herinner mij ook helder hoe hij in 1997 in Actueel een obit improviseerde van de net overleden Amerikaanse kunstenaar Willem De Kooning.

Johan Janssens

Janssens en Lambrecht, hoe verschillend ook, konden het goed met elkaar vinden. Samen reisden ze naar New York. Johan toonde Jef de art deco-architectuur, ondermeer de Chrysler-building, Jef introduceerde Johan bij Andy Warhol.

Het regende pijpenstelen die dag. Als natte honden betraden de twee Kuifjes de Factory. Naar verluidt begroette Janssens de grootmeester van de pop-art met de woorden: ‘Mister Warhol, it seems that you are a great artist?’ Een moderne versie van ‘Dr. Livingstone I presume?’.

Het Belgian Institute for World Affairs

Weer naar de archiefmap. Een Belgatelex meldt dat Jef en de Nederlandse provo Jasper Grootveld op 4 juli 1982 in Amsterdam per vlot vertrokken om via binnenwateren, onder meer de Zandvlietsluis, Antwerpen te bereiken. Het vlot was gemaakt van piepschuim en afval. De zogenoemde “gozersmatras” was de concrete uitwerking van het idee van dat drijvend cultureel centrum. Na aankomst vloog het vlot in brand. De oorzaak bleef onbekend.

Op 21 juli 1983 riep Jef België uit tot kunstwerk. Met vanuit de ruimte zichtbare verlichte autowegen, was België feitelijk ‘s werelds grootste tekening. De kunstwerk-inwijd!ng gebeurde met het leeg gieten van een plasticfles Spa Reine (!) aan het hek voor het koninklijk paleis in Laken, weinige minuten voor Boudewijn en Fabiola daarlangs reden op weg naar het nationaal défilé. Fabiola zwaaide Jef, Van Istendael en Martine Tanghe en drie intussen opgedaagde kloosterzusters vriendelijk toe.

De ministers Gaston Geens en Karel Poma konden er niet mee lachen en vroegen aan BRT-administrateur-generaal Van den Bussche om maatregelen te treffen tegen het trio. Jef bedankte beleefd voor de aandacht en stelde voor om zijn positief cultuurbeleid op hun kabinet te komen verdedigen.

Cultuur redt de economie

Onder en achter de satire zat evenwel een visie. Volgens Jef is cultuur de enige grondstof die België bezit. Het cultuurpatrimonium is een wissel op de toekomst. Dus: breek geen stationnetjes meer af, laat de spoorlijnen liggen, gooi nooit steenkoolmijnen dicht, koester de staalfabrieken. Later zullen de mensen van heinde en verre deze archeologie komen bezichtigen.

Cultuurtoerisme is de enige weg uit de crisis voor België. Elke euro die je investeert in cultuur, brengt er 2 of meer op. En België moet blijven bestaan, als land dat twee cultuurstromingen samen brengt. Op 8 april 1984, in volle Happart-troubles, wandelden Jef en Karel Schoetens naar de Voerstreek. Ze trokken er perrons op, symbolische vrijheids-totemzuilen met een granaatappel on top, denk aan Luik.

New York Belgisch!

In 1986 haalde het Belgian Institute for World affairs alle kranten, ook de Wall Street Journal, met de zaak Peter Stuyvesant, die volgens Jef en zijn onderzoeksteam niet de stichter van New York-Nieuw-Amsterdam was. Die eer moest de Waalse calvinist Pierre Minuit te beurt vallen, die in 1824 grond kocht van een lokaal indianen-opperhoofd.

De verwarring is te verklaren doordat in 1824 de staat België nog niet bestond, maar het begrip wel. Wij waren deel van de Nederlanden van koning Willem. Met de uitgave van enkele miljarden aandelen, wilde Jef Manhattan afkopen van de Verenigde Staten.

Via Pierre Minuit deed ook Sinterklaas zijn intrede in Amerika. De “Belgische” sint werd de patroonheilige van New York. Het verklaart waarom Jef ook een kenner van het feest van 6 december was. Hoe dan ook, geruchten over een rechtszaak tegen sigarettenreus Stuyvesant sleepten jaren aan.

In de zomer van 1990 stelde Jef voor om van Antwerpen naar Gent een gouden pijplijn aan te leggen om architecturale energie doorheen te stuwen. In een interview met La Lanterne de Lantin, het orgaan van het Belgian institute, steunde Jan Hoet het idee.

Ommezwaai

1990-91 was een keerpunt. Veeleer toevallig reisde Jef naar Turkije om er te polsen wat Ankara dacht over de nakende Golfoorlog, na de inval van Irak in Koeweit. In december reisde hij een eerste keer naar Irak in het gezelschap van Belgische parlementsleden die gingen onderhandelen over de vrijlating van gijzelaars. Een opvallende aanwezigheid in dat gezelschap was de toen in Vlaanderen onbekende Elio di Rupo.

Begin januari 91 was Jef 10 weken in Bagdad en toen het daar te gevaarlijk werd in Amman. Weer thuis organiseerde hij zijn tentoonstelling Baghdad 8 in Antwerpen, waarin hij op zoek ging naar het verband tussen Mesopotamië als oorsprong van de beschaving, en als oorlogstoneel waar ook de alleroudste archeologische sites werden vernield.

Osama

Na nine eleven vertoefde Jef Lambrecht vaker in het Midden-Oosten. Vanuit Peshawar in Pakistan beschreef hij plastisch hoe Osama Bin Laden, nadat hij de eed van trouw van 500 medestanders afgenomen had op een (wit) paard vertrok naar een onbekend schuiloord. Die evocatie maakte indruk. Jef werd een personage in de rubriek Kwaad Bloed van Koen Meulenaere in Knack.

Nog in 2001 trok Jef naar Macedonië waar, een paar jaren na Kosovo, bloedige rellen waren uitgebroken tussen etnische Albanezen en Servische Macedoniërs, met nieuwe vluchtelingenstromen. Jef beschreef tastbaar concreet het leed van die vluchtende mannen, vrouwen, kinderen, gewonden.

Zijn tactiek om informatie los te peuteren was opgaan in de omgeving, in symbiose leven met het volk, als een kameleon. Geen kogelvrije vesten met het opschrift ‘press’ voor Jef. Hij bezocht koffie- en theehuizen, de markt en de bazar en leerde signalen te begrijpen en te vertalen voor de luisteraars.

Wil voor mijn 60e toch mijn mond hebben opengetrokken

Jef Lambrecht schreef zes turven over Irak, Afganistan, de Arabische lente, fundamentalisme. Hij was onze Robert Fisk. Net als die Britse reus bleef hij waarschuwen tegen de devaluatie van de journalistieke kwaliteit. In 1993 zei hij al: faits divers dringen steeds meer het echte nieuws weg; ook bij ons bestaat de verleiding om het publiek te geven wat het lekker vindt. En nu zit er volgens Jef op de redacties een generatie jongeren gekluisterd aan de sociale media, in de waan verkerend dat plotselinge sneeuwval en een training van de Rode Duivels hèt nieuws zijn.

Onvermijdelijk kwam hij in conflict met hoofdredacteurs die de berichtgeving zagen als een product, een merk, gedicteerd door marketing en kijk- en luistercijfers. Dat tabak en alcohol als smeermiddelen plaats ruimden voor snoep en frisdrank was een ander teken van de infantilisering van het vak, vond Jef. Hij beschuldigde de media, inbegrepen de openbare omroep ervan, de gangmaker te zijn voor het succes van de drie D’s: De Winter, Dedecker en De Wever.

Verteller

Jef was een begenadigd anekdotenverteller. Wie zijn wederwaardigheden tijdens het pausbezoek in 1985 hoorde, vergeet die nooit. DOVO ontmijnde toen zijn brooddoos in zijn fout geparkeerde “verdachte” Fiat in Mechelen. Ook aan zijn presentaties van Saint-Amour hield hij een schat aan onthullingen over hoe het er in de coulissen van zo’n manifestatie aan toe ging. Alles verteld bij voorkeur tijdens het traag draaien en stijlvol roken van een dunne shag.

Soms speelde hij Magritte op de redactie. Hij was de bedenker van het ‘ook dat nog’-bericht in het radionieuws van 10 uur, waar ter afronding van de ochtend het bulletin besloot met iets absurds uit de dierenwereld, over kippen met drie poten bij voorbeeld die met de buitenste twee gewoon scharrelden, en met de middelste hun neus snoten. Maar altijd in een correct en mooi taalgebruik.

Veldrijden en Claus

In 2008 getuigde hij tijdens de Clausherdenking in de Bourla in Antwerpen. In 2013 stelde hij de Hugo Claus-tentoonstelling samen voor Muzee in Oostende. In 2015 toonde hij een melancholisch-politiek project in Vilvoorde: Jef redde het schrift van een niet bijster ijverige vooroorlogse Franse scholier uit de klauwen van het ministerie van cultuur in Qatar. En in het voorjaar van 2016 waren er ter afronding diverse overzichts-tentoonstellingetjes. Tot de laatste dag van zijn leven maakte Jef een stuk of 5 tekeningen.

Maar intussen hield hij ook van veldrijden, van The Small Faces en “The bold and the beautiful”. Iedereen die hem kent, weet dat hij zijn bescheiden afkomst nooit heeft vergeten of verloochend, en zich vrij en vlot en met sprekend gemak bewoog in alle lagen van de bevolking. Van het dorpscafé in Avelgem via de tuinen van het koninklijk paleis in Laken tot de medrassa van Kaboel.

Lucas Vanclooster, VRT-journalist en jarenlang collega van Jef. Lees deze tekst ook op deredactie.be

Wally in heaven

Ons is ontvallen: Eddy Wally. Hoe komen we dat ooit te boven? The Voice of Europe was een volstrekt uniek personage, een man die zichzelf heeft gecreëerd en overleefd, een showbizz-figuur zonder voorganger of opvolger. Hij bewees dat je op basis van hilarische kitsch en groteske glitter toch een authentiek imago kan opbouwen. Een man uit een ander universum kortom.

Eerste ontmoeting

In de jaren 60 woonde ik als kind in een stad waar Eddy Wally op dinsdagochtend zijn marktkraam met lederwaren, enfin met sacochen en bazatsen, opsloeg. Of mijn moeder ooit een hand- of boodschappentas of portemonnee kocht bij de zanger-commerçant, kan ik mij niet herinneren, ik volgde haar aankoopbeleid niet zo op de voet.

Maar elke dinsdagavond kregen we wel te horen of Eddy al of niet persoonlijk aanwezig was in zijn vrij grote kraam en of er veel volk stond. Soms kwam alleen zijn personeel, of zijn vrouw Marietje of dochter Marina. Zelf zag ik de crooner een paar keer. Hij droeg een grijze stofjas en leek veel gewoner dan op tv. Zelden barstte hij in gezang uit, en hij maakte weinig of geen toespelingen op zijn showcarrière. Hij verkocht, daar ging het ‘m om.

Ik ben er van overtuigd dat Eddy Wally over een mysterieuze kracht beschikt die grote groepen mensen gelukkig maakt. En dat dit ook zijn ultieme doelstelling is. Wie nog kan dat zeggen?

Tweede ontmoeting

 

April 1975, Kortrijk, de Hallen, de (gratis) Nacht van de Poëzie, chaotisch, rampzalig, maar o zo leuk. Het was de nacht van Hughes Pernath, Doctorandus P. en Kandahar, van Patricia Lasoen en Simon Vinkenoog, officieel. Maar de bijna 8000 toeschouwers herinneren zich vooral Eddy Wally begeleid door de linkse fanfare “De Lochte Genteneirs”, en Gerard Reve, die het katholicisme niet afzwoer. De tekst van Reve had Eddy eigenlijk moeten zingen:

decadencia immorale multi filti corti rocci influenza filme y cinema bestiale contrasacrisima matrimoniakale criminale atheistarum rerum novarum, cortomo, nix ande handa .

Die 2 optredens liepen volledig uit de hand. Het publiek joelde en schreeuwde, gooide bekers en etensresten. De gelijkenissen tussen Reve en Wally waren frappant:

2 op het eerste zicht totaal miscaste mediafiguren die zich geen fluit aantrokken van de oorverdovende herrie. All publicity is good publicity, kassa kassa. Ze werden alle 2 geïnterviewd door Jan Van Rompaey. Ook dat overleefden ze.

Laatste ontmoeting

Nog maar enkele jaren geleden, het VRT-gebouw Reyerslaan. Net als ik de lift wil nemen, glipt ook Eddy Wally binnen. We moeten 4 hoog, ik naar de redactie, hij ongetwijfeld naar Radio 2 of Donna, of is het al MNM?

Hij draagt een keurige strooien hoed, een aerodynamische, ergonomische, oliekleurige zonnebril, een paarse jas die het midden houdt tussen een jacket en een pardessus, een witte broek, beige schoenen en een groene sjaal. Hij zegt erg vriendelijk goeie dag en hoe gaat het?

Waar doet die oprechte minzaamheid, neen dat kan je in de lift bij een nobele onbekende niet faken, mij aan denken? Opeens weet ik het! Meneer Wally, waag ik, hebt u ooit Sinterklaas gespeeld? Hij lacht hartelijk, maar omdat we net ter bestemming zijn aangekomen, blijft hij het antwoord schuldig. Ik ben er van overtuigd dat Eddy Wally over een mysterieuze kracht beschikt die grote groepen mensen gelukkig maakt. En dat dit ook zijn ultieme doelstelling is. Wie nog kan dat zeggen?

Eddy!! Eddy!! Eddy!!!

Maar op de duur was iedereen dol op Eddy, in zaal Nova en op de Gentse Feesten. Zijn optimistische naïviteit werkte!

Eddy Wally was er altijd. Net als Eenzaam zonder jou van Will Tura bestond het liedje Chérie blijkbaar sinds het begin van de tijdrekening. Geen trouwfeest van neef of nicht, of er sprong wel iemand op het podium om een trouwe cover van Wally’s grootste hit te zingen. Als de bal-orkestjes The Lilies of The New Invention, het al niet zelf op het repertoire hadden. Van zodra het beginakkoord weerklonk, stond de vloer vol wiegende koppels. “Ze was jong en ze zong in de micro, hij was blond en zijn schip lag juist daar”.

Rockfans moesten uiteraard niets hebben van die vreemde Vlaamse crooner, maar ook wie zoals mijn zus en haar vriendinnen dweepte met schlagerzangers, wist niet goed wat aan te vangen met die pseudo-folkloristische snoeshaan. Wat hij zong klonk als uit een onnoembaar verleden, een beetje Hollands ook. Qua taal kopieerde hij Johnny Hoes. Maar op de duur was iedereen dol op Eddy, in zaal Nova en op de Gentse Feesten. Zijn optimistische naïviteit werkte!

Eddy en Jan

In september 1966 introduceerde Jan Van Rompaey Wally in het televisieprogramma Echo (VRT). Behangen met handtassen playbackte Eddy Chérie. In het satirisch programma Magesien in de vroege jaren 70 daagde hij weer op, hij zong Sinterklaas- en kerstliedjes, en Vogelvanger, met in het koortje Johnny Voners, Walter Cappiau en Kris Smet. Wat was eigenlijk Jans bedoeling? Wilde hij die unieke artiest echt een kans geven? Of wilde hij bewijzen dat het publiek voor elk gat te vangen was?

Dat deed Van Rompaey in 1973 met het liedje Sperziebonen nog eens. Sperziebonen was een simplistische hit van ene Robbie Roos, ofte acteur Leo Rozenstraeten, die ook de tekst had geschreven.

Van Rompaey verscheen bijna kwansuis op Zaventem telkens Wally het vliegtuig nam naar een verre bestemming. En hij stond er opnieuw als Eddy landde. De 2 voerden dan een vreemd schouwspêl op. Van Rompaey wilde Wally de kreten “enig”, “geweldig” en ‘formidabel” ontlokken. Eddy trapte daar in. Of ging hij er gretig op in? Een win-win-situatie?

En niet te vergeten: “In het heelal is ‘t alle dagen carnaval. En het heelal is overal.” Onsterfelijk toch…

Rond 1980 kreeg Eddy Wally op radio 2 Oost-Vlaanderen een eigen radioprogramma, “Onvergetelijk”. Het programma had iets ongemakkelijks, zeker als hij zijn eigen muziek speelde. In 1989 visten Kamagurka en Herr Seele Wally op, samen met Wendy van Wanten, voor Lava. Eddy was daarin Kapitein Wally, de bevelhebber van een ruimteschip. Het was een parodie op Star Trek, gelijkend op Pigs in Space van de Muppet Show.

Kama kreeg de kritiek dat hij die 2 populaire has beens exploiteerde. Wendy trad uiteraard aan met een cleavage van kosmische dimensies. Maar Kama verdedigde zich, terecht, dat hij hun echte talenten tenminste aanwendde, hun zin voor humor en zelfrelativering. Het was nog waar ook. ‘Vrees niet, wij komen uit Ertvelde’ . ‘Wacht maar tot de volgende aflevering! Maar er is geen volgende aflevering!!’ En niet te vergeten: “in het heelal is ‘t alle dagen carnaval. En het heelal is overal.” Onsterfelijk toch…

Life and death of a salesman

De jong gestorven vader van Eduard van de Walle was ook een muzikale marktkramer. Hij trok met zijn accordeon naar de cafés in de Oost-Vlaams-Zeelandse grensstreek om er te spelen en te zingen. Zoon Eddy was trots op zijn vader. Als arbeider in een weverij in Sas-van-Gent nam hij zijn gitaar en mondharmonica mee. Tijdens de pauzes betoverde hij de arbeidsters met zijn sentimentele charme.

Hij nam deel aan tientallen zangcrochets, tot de gewiekste impresario en producer Johnny Hoes hem midden jaren 60 opmerkte. De rest is geschiedenis die vorm kreeg in een stapel van miljoenen grammofoonplaten en cd’s, en concerten van Las Vegas over Parijs tot Moskou en Peking. Hij liet Chérie vertalen in het Chinees en leerde de tekst fonetisch uit het hoofd.

Vanaf de jaren 90 was hij een universele mediafiguur, de über-BV, die om de haverklap opdook, tot als vragensteller toe in De Slimste Mens, waar iedereen zich vrolijk maakte om zijn bizarre uitspraak van termen als Youtube (djoeptoep). Op dat ogenblik had de grap echt wel lang genoeg geduurd.

Maar intussen was er wel een Eddy Wally-museum, een standbeeld, een officiële hagiografie en een naar hem genoemde planetoïde.

Dom of gewiekst?

In de vroege jaren 60 al bouwde Wally in Ertvelde zijn eigen ontspanningszaal, en aan de overkant van de straat een bloemenwinkel. Bijna dagelijks trad hij op. Heelder buslandingen vooral vrouwen van middelbare leeftijd en ouder streken neer. Eerst kochten ze bloemen. Een mercantiele urban legend wil dat nadat de tuilen waren overhandigd aan het idool, die linea recta de straat weer overstaken waar ze soms nog dezelfde dag een tweede keer werden verkocht.

Ondanks het fenomenale succes hing er altijd iets amateuristisch aan Eddy Wally. Bij optredens werd hij liefst cash betaald. Zijn manager werkte ook maar “na zijn uren”. Diezelfde impresario organiseerde een hoogst genante afscheidstournee, toen Eddy nauwelijks nog wist waar hij stond of zat. Eddy wilde sterven op het podium, zoals Johannes-Paulus 2. Het geluid dat ze helemaal op het einde nog konden voortbrengen, was ook ongeveer hetzelfde. Maar intussen was er wel een Eddy Wally-museum, een standbeeld, een officiële hagiografie en een naar hem genoemde planetoïde.

Een lach en een traan

Eddy kreeg zijn deel van de klappen te verwerken. Zijn geliefde vrouw en grote toeverlaat Marietje stierf in 2012 toen hij het zelf al erg moeilijk had. De carrière van erfopvolgster Marina wilde niet zo vlotten. De zaal werd al in 2004 gesloopt. En met de kleindochter liep het bij tijd en wijle goed fout. Zie de boekskens, die aan Wally’s lach en traan een vette kluif hadden.

Zeker de laatste jaren had het succes van Eddy Wally ook te maken met het nieuwe anti-politiek-correcte denken, met de vrees om voor een volksvreemde droogstoppel versleten te worden als je Ik spring Uit een Vliegmachien niet leuk vond. Voorts is er de nu ook al jaren aanslepende hype van de “foute muziek”. Een groot deel van de Vlaamse showbizz, Eddy in het bijzonder, doet daar zijn voordeel mee. En uiteraard: “Laat Eddy maar gaan, die komt heus wel aan”.

Lucas Vanclooster – lees deze tekst ook op deredactie.be

Zeven redenen om Jef Geeraerts niet te vergeten

Een week na de publicatie van een laatste bizar interview in Humo overleed Jef Geeraerts. Op de foto’s bij het interview zien we de oude man nog redelijk kras doorheen zijn verwilderde tuin banjeren. Dat interview is schrijnend. De grote auteur leefde op het laatste blijkbaar tussen het stof en scheen zich van veel belangrijke zaken niets meer te herinneren. Geeraerts’ 85ste verjaardag op 23 februari ging onopgemerkt voorbij. Uit een recent onderzoek bleek bovendien dat de helft van de ondervraagde Vlamingen dacht dat hij al overleden was! Erg. Jef Geeraerts is een van de allergrootsten van onze literatuur, een onmisbare schakel in de ketting Buysse-Walschap-Boon-Claus-Geeraerts-Lanoye-Verhulst…We mogen hem nooit vergeten.

Reden 1.’Indian Summer’

Het eerste boek dat ik van Geeraerts las, was de kleine maar intense verhalenbundel ‘Indian Summer’, verschenen in 1969, 1 jaar na ‘Gangreen 1’. Het was 1974 voor ik het boek in handen kreeg, het ligt hier nu voor mij, de derde druk. Ik heb honderden zinnen onderstreept, en er staan overal uitroeptekens en asterixen naast de tekst . Het boek maakte duidelijk veel indruk op mij. De verhalen zijn, hoewel vrij sober, toch in dezelfde dynamische stijl geschreven als de twee eerste (van vier) Gangreens, met veel ellenlange zinnen zonder leestekens of hoofdletters, een vitale stroom gedachten en gebeurtenissen.

Maar in’ Indian Summer’ staan vooral vrij filosofische verhalen, met beschouwingen over inwijdingen, leven en dood. Het viel mij toen al op dat Geeraerts ondanks of juist door zijn vitalisme ook een nostalgicus was, een man met heimwee naar gesloopte gebouwen, verdwenen natuur en failliete automerken. Ik merk nu dat twee andere boeken uit mijn kast, het nog filosofischer ‘Tien brieven rondom liefde en dood’, en het scherpe politieke pamflet ‘De heilige kruisvaart’ ook vol commentaren en strepen staan.

Reden 2. ‘Schroot’ en ‘Zonder clan’

In de late jaren ‘70 vervulde ik mijn dienstplicht in Duitsland en daarna werkte ik op een kantoor in Brussel. In het leger en op de trein vanuit West-Vlaanderen (de toen zogenoemde Trans-Westhoek-Express Brussel-Poperinge) had ik tijd zat om te lezen. Over ‘De Avonden’ van Gerard Reve hoor je wel eens dat de (jonge) lezers het boek af en toe moesten weggooien om alles te laten doordringen. Ik had die ervaring met ‘Schroot’ en ‘Zonder clan’, twee strakke en knappe, helaas bijna vergeten romans die Geeraerts schreef in de vroege jaren 60, meteen na zijn Congolese periode. Geeraerts produceerde toen, zoals later, erg veel. In zijn debuut ‘Ik ben maar een neger’ schetst hij een knap portret van een zogenoemde évolué, een Congolees met een bril, die de middelbare school heeft gevolgd, maar uitgerekend daardoor nergens meer thuishoort. ‘Het verhaal van Matsombo’ is het vervolg daarop. Voor ‘Gangreen 1’ verschenen nog ‘De Troglodieten’ en ‘De zeven doeken der schepping’. Maar ‘Schroot’ en ‘Zonder clan’, bittere scherpe aanklachten van een ontredderde auteur, maakten de meeste indruk.

Reden 3. Staatsprijs en censuur

Bijna vijftien jaar voor Geeraerts bestudeerde Hugo Claus de Amerikaanse literatuur en componeerde hij met ‘De Metsiers’ een duidelijk door William Faulkner geïnspireerd boek. Geeraerts las Hemingway en Miller. Zij leerden hem dat literatuur vulkanisch en dynamisch moet zijn. Een schrijver mag alle regels overboord gooien. ‘Gangreen 1, Black Venus’, verscheen in 1968, een beter jaar had hij niet kunnen kiezen, toch al tien jaar na het vertrek van Geeraerts uit Congo.

De roman van goed en wel 140 bladzijden heeft de Vlaamse literatuur veranderd. En gepolariseerd. Als lezer of recensent was je voor of tegen. Maar de tegenstanders moesten wel bekennen dat de man verdraaid kon schrijven. Dat die stijl, het moderne eenvoudige en toegankelijke vocabulaire en de brutale eerlijkheid misschien niet uniek waren op wereldniveau, maar wel in het Nederlands. Of je Gangreen 1 en 2 nu racistisch, seksistisch of imperialistisch vindt, voor het eerst kreeg de Vlaamse lezer de rauwe onaangename werkelijkheid van de eindtijd van het Belgische kolonialisme koud in het gezicht geslingerd. De ontnuchtering was groot en pijnlijk.

Het duurde tot 1972 voor ‘Gangreen 2, De goede moordenaar’, verscheen, een politiek boek dat onder meer de inzet van Belgische para’s in Congo hekelde. De roman eindigt met Geeraerts die ziek van afkeer in Brussel door een raam twee hoog de para’s die in Katanga hadden gediend triomfantelijk voorbij zag marcheren.
Voor Gangreen 1 kreeg Geeraerts in 1969 de driejaarlijkse staatsprijs. Maar de censuur sloeg toe en het boek werd verboden door de socialistische minister van justitie Jos Vranckx. Ik herinner me dat de onderpastoor, niet eens de kwaadste of meest conservatieve priester uit mijn leven, van op de preekstoel fulmineerde tegen een land dat een staatsprijs gaf aan ‘een hoop drek’. Laten we eerlijk wezen, Gangreen 1 maakte furore door de onverbloemde bevrijdende erotiek, zo anders dan bij Boon of Claus, zo wild en welhaast dierlijk. Vlaanderen maakte kennis met het hedonisme.

Reden 4. Vader, dochter en zoon

Mijn schoonvader had een niet alleen erg grote hoge brede maar ook diepe boekenkast. Hij behoorde van de jaren 60 tot 80 tot de ruimdenkende katholieke culturele elite van Brugge. Hij las, kende en verdedigde Boon, vuil Lowietje. Maar vies Jefke stond zo op het eerste zicht niet in zijn boekenkast. Tot een van zijn dochters op zekere dag ontdekte dat er achter de eerste nog een tweede rij boeken school, waar bij anderen de voorraad whisky eventueel zit. Jawel, daar prijkte de complete Geeraerts, tot vermaak van de kinderen.

Mijn eigen vader duldde eenvoudigweg niet dat ik Geeraerts las, dat was blasfemische staatsgevaarlijke pornografie. Ik moest Jef dus lezen op de trein en in de kazerne. Maar in 1980 gebeurde een totale ommekeer. Toen verscheen ‘De Coltmoorden’, de eerste van een lange reeks thrillers en politieverhalen. Ik vond er maar niks aan, mijn vader ging overstag. Ik had alles van Jef gelezen tot, mijn vader vanaf 1980. Welke auteur kan dat nog zeggen?

Reden 5. Verfrissende mediafiguur

De media ontdekten Geeraerts vrij snel na Gangreen 1. De man liet intussen zijn baard breed groeien, droeg amuletten en kralen boven zwarte gewaden en verscheen als een sjamaan op televisie, eerst in culturele programma’s, snel ook in spelletjes en kwissen. Geeraerts betekende goeie tv, leuke radio, interessante kopij. Ik herinner mij Wachtwoord, een eenvoudig taalspelletje geleid door de heerlijke Nand Baert. Twee bekende Vlamingen en evenveel gewone mensen moesten woordjes raden. Jef nam deel als partner van een brave huisvrouw. Hebt u Gangreen 1 gelezen? vroeg Nand aan de dame. Ja, zei ze enigszins nuffig. En? drong Nand aan. Ik ben een vrouw, antwoordde de kandidate terwijl ze zich blozend weg draaide. Jef vermaakte zich kostelijk.

Maar later werd Geeraerts soms een karikatuur van zichzelf. Er was dat jaarlijkse ritueel op de boekenbeurs, met Jef die altijd net dan weer een thriller uit had, en pontificaal, dagen lang boeken signeerde. Ook Jagen met Jef en Reizen met Jef en Op Avontuur met Jef waren er te veel aan. We hebben net een keer te vaak vernomen dat hij beren en nijlpaarden neerlegde en ooit mensenvlees at. Op een verdwaalde zondag stond hij zelfs ook eens op een BSP-lijst.

Reden 6. Vyncke en Verstuyft

Ook al waren de thrillers niet aan mij besteed, het mooi volgens de regels van het genre uitgekiende speurdersduo Vyncke en Verstuyft kon mij wel bekoren. En een aantal film- en feuilletonproducers blijkbaar ook. In de jaren 80 voelde ik mij ook geroepen om boeken te schrijven, en ze verschenen zowaar bij dezelfde uitgeverij, Manteau . Zo heb ik Jef op bedrijfsfeesten en op de boekenbeurs wel een aantal keren ontmoet. Echt hartelijk of heel toegankelijk was hij niet. In 1986 was ik met een aantal gemeenschappelijke vrienden op bezoek in zijn woning in Drongen, vreemd geprangd tussen de E40, de afrit en de expressweg naar Gent. In zijn woning slopen een paar bijzonder sierlijke katten. Het bezoekende gezelschap nam plaats in de witte lederen sofa’s, die er blijkens het laatste Humo-interview in afgetakelde vorm nog staan, waarna Jef op de grond ging zitten, tegen de zetel geleund. Het gesprek ging over muziek, en over exquise restaurants. De hedonist was epicurist geworden.

Ik zat toen met een roman in mijn hoofd die een speurders-nevenintrige had. Ik vroeg hem of ik zijn figuren Vyncke en Verstuyft mocht lenen. Daar had hij niets op tegen. Later heeft hij mij nooit rechtstreeks gezegd wat hij vond van wat ik met zijn helden aanvatte, maar via-via vernam ik dat hij het niet apprecieerde dat ze bij mij oud en gedegradeerd waren. Ik herinner mij ook nog dat ik hem die middag in Drongen vroeg of hij zelf niet graag politie-inspecteur was geworden, en dat hij me daarop met een vernietigende blik aankeek.

Reden 7. Dood in Bourgondië

In 1975 verscheen ‘Gangreen 3, Het teken van de hond’, over Geeraerts’ kindertijd en jeugd. Voor dit boek deed hij voor het eerst een uitvoerige research. Hij trok weer naar alle plaatsen uit zijn jonge jaren, sprak met zowat iedereen die ooit met hem te maken had. Het resultaat is een geslaagd tijdsdocument en een melancholische originele ontwikkelingsroman. Van research zou Geeraerts later zijn handelsmerk maken. Tè soms. Ruth Rendell, vorige week overleden en een leeftijdsgenote, gaf grif toe dat zij niet aan opzoekingswerk deed.

‘Gangreen 4, Het zevende zegel’, het zwakste deel van de cyclus verscheen in 1977. Maar in ‘76 was er nog een erg sterke roman, ‘Dood in Bourgondië’, over de buitenbaarmoederlijke zwangerschap en daaropvolgend miskraam, op vakantie in Frankrijk, van Eleonore. Dat aangrijpende boek is ook een meedogenloze afrekening met de Orde van Geneesheren die blunderende artsen in bescherming neemt. Ja, Eleonore of Nora was intussen in het leven van Geeraerts verschenen, zijn muze zijn gezellin, zijn àlles. In ‘Dood in Bourgondië’ beschrijft Jef bijna exhibitionistisch realistisch zijn seksueel leven met Nora. Twee jaar later trouwden ze. Ze waren onafscheidelijk. Liefde met grote L. Het overlijden aan kanker van Nora bijna 7 jaar geleden was een onvoorstelbare klap voor Jef. Hij heeft nog het boek waaraan hij bezig was afgewerkt, en daarna niets meer.

Bedankt Jef!

Vlaanderen 2015 is een totaal andere regio dan in 1960. Omdat we van ver komen, lijkt de evolutie naar ontvoogding en moderniteit bij ons een stuk drastischer dan in de buurlanden. In 1960 kon je Vlaanderen vergelijken met Polen, Portugal en Ierland. Dat we losgeraakt zijn uit die ultramontaanse beklemming is het werk van velen.
Jef Geeraerts heeft meer dan zijn deel gedaan. Voor hem waren er geen taboes, geen heilige huisjes, knecht noch meester. En bovenal: meer dan een handvol van zijn boeken zal de tijd trotseren. Voor al dat werk, die schoonheid, die liefde voor het volle onvoorwaardelijke leven, voor die moed en sluwheid, duizendmaal dank Jef!

Lucas Vanclooster