Category Archives: recensies

Terug van weggeweest: de mythe van de communistische aanslag tegen de Innovation

Alle respect en medeleven voor iemand die beide ouders verloor tijdens de grote brand van de Innovation in Brussel, het is ook begrijpelijk dat je dan op zoek gaat naar de oorzaak. Maar het besluit dat er een terroristische aanslag was, kan auteur Johan Swinnen niet hard maken in zijn nieuwe boek over dit inferno, is de mening van Lucas Vanclooster:

Die maandag 22 mei 1967 hadden mijn ouders blijkbaar weinig behoefte aan informatie. Tijdens het avondmaal bleef de radio stom, en vader schakelde de televisie maar aan net voor 20 uur. De legendarische weerman Armand Pien had het over de strakke wind die in de loop van de middag enkele keren gedraaid was en zo “het vuur” in alle richtingen aanwakkerde. Waar heeft die man het over? Dacht ik.

Ergste ramp in België

Dat werd snel duidelijk. Het hele journaal ging over de verschrikkelijke Innovation-brand, die nog niet was geblust, en die, zo bleek, zeker tientallen slachtoffers had gemaakt. Uiteindelijk werden officieel 251 doden geteld, maar wellicht zijn er heel wat meer slachtoffers, forensisch onderzoek stelde toen nog niet zo veel voor, en het vuur had zo hevig gewoed dat de stoffelijke resten van nogal wat mensen gewoon volledig verpulverd en verdwenen waren.

Hoe dan ook, de Innovation-brand is de ergste ramp die ons land in vredestijd trof.

Al decennia blijft de ramp mensen fascineren. Dit jaar zijn er, alleen al in het Nederlands, 3 erg boeiende, bijzonder leesbare en breed gedocumenteerde boeken verschenen. Ze focussen vooral op de oorzaak, en ze doen dat na ampel onderzoek door de auteurs van gerechtelijke dossiers, en nieuwe gesprekken met getuigen.

Kortsluiting of kaduke tl-lamp

Geert De Vriese en Frank Van Laeken houden het in “Inferno, de brand in de Innovation” bij de algemeen aanvaarde stelling dat een kortsluiting in een voorraadkamertje de ramp veroorzaakte.

In zijn “De brand in de Innovation” komt Siegfried Evens met een nieuwe goed onderbouwde theorie: vonken uit een kaduke tl-buis zouden opgehoopt gas uit een lekke leiding in datzelfde voorraadkamertje hebben doen ontbranden. Die drie auteurs verwerpen de these van een aanslag.

Sleutelroman

Volgens Johan Swinnen in de sleutelroman “Happening, de aanslag in de Innovation”” is de ramp wel het gevolg van een terroristische daad, door drie extreemlinkse bommenleggers. Extreem-links communistisch, jawel, de brand vond plaats tijdens een opvallende Amerikaanse veertiendaagse, in volle Vietnam-contestatie. Communistische actievoerders hadden al betoogd in de Nieuwstraat, voetzoekers gegooid, en er waren bedreigingen geuit…

Innovation-weesjongen

Johan Swinnen staat erg dicht bij wat er op die noodlottige 22 mei 1967 gebeurde: hij verloor zijn ouders in het vuur. Hij was toen 13. En hij had er bij kunnen zijn…

Alle respect en medeleven voor iemand die te maken heeft gekregen met een levensbepalende ingrijpende gebeurtenis van die omvang. En meer dan begrijpelijk dat hij als nabestaande op zoek gaat naar verklaringen, verantwoordelijken, daders, en zich laat meeslepen door een op het eerste zicht plausibel verhaal.

Swinnen baseert zijn roman op een opgenomen maar niet openbaar gemaakt gesprek met een vrouw die mogelijk betrokken was bij, nou ja, de aanslag. Hij combineert dat gesprek met een aantal opvallende feiten uit 1967. Maar de mayonaise pakt niet.

Bommenleggers zonder bom

De hele thesis van de drie bommenleggers kunnen we makkelijk weerleggen met deze simpele vaststelling: er was geen bom! Na de ramp heeft de politie ruim twee jaar lang alle mogelijke getuigen, aanwezigen, voorbijgangers, overlevenden en nabestaanden grondig aan de tand gevoeld.

Sommige ‘getuigen’ kwamen met verregaande verhalen over verdachte sujetten die raar of nerveus deden, of vreemde zaken scandeerden. Dat heeft nergens heen geleid. Niemand, ik herhaal werkelijk niemand van die getuigen, geen één, had het over een explosie, een knal, een ontploffing.

Ook een brandbom, of om in het juiste taalgebruik te blijven, een molotov-cocktail, heeft niemand opgemerkt. Of waren de daders genieën die een stille bom hadden ontwikkeld?

Anarcho-communistische ULB

De bewering dat docenten scheikunde van de ULB de bom mee hadden gefabriceerd is te knotsgek voor woorden. En al even vreemd is de vaststelling dat er onder bepaalde ULB-studenten een zekere nervositeit heerste en dat ze vanaf de middag met transistor-radio’s aan hun oren liepen alsof ze op belangrijk nieuws wachten.

Neen, de omroepen zaten toen aan de beide zijden van de taalgrens helemaal vast in een staatsmonopolie en in die tijd duurde het zelfs bij een apocalyptische calamiteit uren voor het nieuws de media en de bevolking bereikte. Daarover heeft radiojournalist en ooggetuige Urbaan De Becker tien jaar geleden in Keerpunt op Canvas treffend en met veel ironie verteld.

Dan maar een terreurdaad door brandstichting? Ook dat lijkt weinig waarschijnlijk. Het vuur is het eerst opgemerkt om 20 over 1 in een opslagplaatsje van strand- en communiekledij. Dat magazijntje zat goed verborgen achter de rekken en stands, totaal onzichtbaar voor wie niet vertrouwd was met die afdeling van het enorme warenhuis.

Een medeplichtige

Een communistische medeplichtige bij het personeel? Ongeloofwaardig. Uit alle gesprekken blijkt dat het personeel van de Innovation daar erg graag werkte, verknocht was aan de onderneming waar een voorbeeldige sociale vrede heerste, en dat de collega’s prima met elkaar konden opschieten, als vormden ze een grote familie.

Welke onverlaat zou dan het hele bedrijf en zijn mede-werknemers aan zo’n gevaar blootstellen?

Uit het onderzoek blijkt ook dat er in de weken voor de ramp geen persoonlijke conflicten vermeld werden. Dat een personeelslid, dat nog rokend uit het self-service-restaurant kwam, een sigarettenpeuk in het magazijntje zou hebben gedoofd, is niet aannemelijk. De meest verregaande bewering in “Happening” is dat parket, politieke overheid en Innovation de piste van de aanslag na één week in de doofpot stopten, om de bevolking niet te verontrusten… Alsof een accidentele brandramp minder verontrustend zou zijn dan een geplande aanslag… Alsof een directie die een loopje neemt met de brandveiligheid het publiek geruststelt…

De werkelijkheid is dat linkse activisten wekenlang van hun bed gelicht en terdege op de rooster werden gelegd, zonder resultaat. Overigens, er kwam ook nooit een ernstige opeising van de “aanslag”.

De roman vermeldt ronkende krantentitels over terreur die eerste week. Welgeteld één Vlaams orgaan, het sensatieweekblad KWIK, had als kop: “Wie heeft de massamoord in Brussel op zijn geweten?” Alle andere kranten brachten een veel voorzichtiger berichtgeving.

Er bestaan trouwens nog andere complottheorieën. Dat de CIA achter de brandstichting zat om de communistische actievoerders en links in het algemeen als voor de hand liggende verdachten in diskrediet te brengen. En dat eerste-minister Van Den Boeynants en bouwpromotor Charlie De Pauw op de kar sprongen om op de plaats van de oude Innovation een immense parkeergarage te bouwen. Bewijs: onder de nieuwe Inno, geopend in 1970, zit warempel een parkeergarage… Filmmaker Bram Van Paesschen spitte die mogelijkheden uit in een mockumentary een jaar of 15 geleden.

 

Architect baron Victor Horta, die de Innovation in 1901 ontwierp, waarschuwde al in de jaren dertig dat een brand in zijn gebouw een catastrofe zou veroorzaken, deels door de schoorsteen- en kachelachtige constructie van de centrale galerij met balkons en trappen en broze lichtkoepel, maar ook door de rommelige uitbreiding in belendende panden, met veel trapjes, doorgangen, dienstliften, luchtkokers, valse plafonds, kortom een kluwen, een labyrint. Op die 22 mei kwam daar de overdadige papieren, kartonnen en nylon decoratie voor de Amerikaanse veertiendaagse bij.

De brand is, door een kortsluiting of vonkende tl-lamp, ontstaan in een voorraadhokje, en nam uiterst snel een enorme uitbreiding.

De Innovation had geen sprinklersysteem. Drie interne brandweerlui probeerden met te kleine brandblussers het vuur te bedwingen. Het brand-alarm bleef quasi onopgemerkt in het lawaai van het warenhuis, waar verschillende belsignalen net het begin van de middagshift aankondigden.

De brandweer kwam twintig minuten later bijna voltallig ter plekke toen het gebouw al in lichterlaaie stond. Ze hielden zich vooreerst bezig met de redding van mensen op daken, luifels en vensterbanken. Hun voertuigen (toen allemaal al meer dan tien jaar oud), ladders en brandslangen waren ontoereikend om effectief te blussen.

De Nieuwstraat stond vol geparkeerde auto’s. De gitzwarte rook belemmerde elk uitzicht op de sowieso al veel te kleine slecht aangeduide en soms door publiciteit aan het zicht ontnomen of afgeschafte nooduitgangen. Het is allemaal sneu, tragisch, jammer, noodlottig. En de wind draaide, zoals Armand Pien vermeldde …

Lucas Vanclooster
Lees deze tekst ook op deredactie.be.

Woorden zonder muziek – Philip Glass

Wat een rijkgevuld, kosmopolitisch, multidisciplinair en vooral leergierig leven van een ‘uomo universale’. Dat is wel de conclusie als je de nieuwe autobiografie van componist Philip Glass gelezen hebt. De nieuwe, want in 1987 schreef hij er ook al één.

Tientallen opera’s en filmscores en veel ‘conventionele’ stukken als symfonieën, concerti of kamermuziek heeft Philip Glass (°1937, Baltimore) op zijn naam staan. ‘Einstein on the Beach’ was zijn eerste opera, en voorts is ook de muziek van de experimentele film ‘Koyaanisqatsi’ of van ‘The Hours’ erg bekend. Een jaar of twee geleden was hij nog in De Bijloke in Gent met ‘La Belle et la Bête’, de film van Jean Cocteau, waarvoor hij nieuwe muziek had geschreven. Toen mocht Cobra.be hem interviewen.

Géén minimalisme, géén herhaling

Eerst een misverstand de wereld uit helpen. Noem Glass geen repetitieve of minimalistische componist, “bij wie de naald in de groef blijft hangen”. In dat geval heb je slecht geluisterd naar alle subtiele veranderingen, zegt hij zelf. Glass vertrekt vaak van een kleine kern van twee, drie noten, en hanteert een techniek die hij ‘optellen en aftrekken’ noemt. Bezwerende muziek is het zeker; met cyclische ritmes, soms beschreven als “wielen binnen wielen”.

Platenwinkel

Glass is de zoon van een vader-platenhandelaar en moeder-bibliothecaresse, in een niet-gelovig joods gezin in Baltimore. Hoewel zijn moeder hem een leven van reizen en hotelkamers voorspelde als hij muzikant zou worden (en dat is zo gebleken), zet de kleine Philip door. Zijn eerste instrument is de dwarsfluit. Later volgt de piano. Van het conservatorium van Baltimore gaat het (als 15-jarige!) naar de universiteit van Chicago en daarna naar de beroemde Juilliard School of Music in New York.

Het was een doorgedreven klassieke opleiding. Glass heeft groot inzicht in en respect voor de componisten die hem voorgingen. “Muziek wordt wel eens omschreven in termen van ‘originaliteit’ of ‘baanbrekend’ (…). Voor mij gaat het bij muziek altijd om afstamming”. Later reist Glass naar Nadia Boulanger in Parijs en naar Ravi Shankar in India. Persoonlijke leermeesters vindt hij belangrijk.

Loodgieter en taxichauffeur

Nu is Glass de gevierde, productieve componist en leider van zijn ‘bedrijf’, maar in de beginjaren was het krabben. Met veel oog voor detail beschrijft hij zijn bijbaantjes om den brode: arbeider in een staalfabriek, verhuizer, loodgieter, taxichauffeur in New York. Jarenlang was hij ook de assistent van beeldend kunstenaar en vriend Richard Serra.

Er vallen (te) veel grote en kleine namen in dit boek. Glass heeft een enorm netwerk van artiesten, vrienden en mensen met wie hij samenwerkt(e), over de grenzen van de kunstdisciplines heen. Allen Ginsberg, Sol LeWitt, Doris Lessing,Martin Scorsese…, de lijst is eindeloos. Zijn eerste concerten vonden plaats in musea en kunstgalerieën. In 1969 werd hij uitgefloten in het Amsterdamse Stedelijk Museum en toen een toehoorder ‘mee kwam spelen’ op zijn piano, gaf Glass hem een oplawaai. En zeggen dat hij later zoveel werken zou schrijven met als thema geweldloos verzet.

Nog even over de centen: geld was nooit een taboe voor Glass, die zonder gêne reclame maakte voor een whiskymerk om z’n muzikanten te kunnen betalen. Muziek kun je verkopen, dat had hij in de platenwinkel van papa wel geleerd. Het laatste woord dat zijn moeder over de lippen kwam was trouwens…. ‘copyright’!

Azië

Al van in de jaren zestig reisde Glass naar India, over land, door Afghanistan en over de Khyberpas. Hij leerde veel van Ravi Shankar; hij verdiepte zich in de hindoeverhalen, hij bestudeerde het urenlange theater, dat als voorbeeld zou dienen voor zijn lange opera’s. Op zijn tientallen latere reizen zocht Glass in India vooral Tibetaanse boeddhisten in ballingschap op. Boeddhist, yoga- en tai chi-beoefenaar, vegetariër: Glass is het al meer dan een halve eeuw.

Zijn belangstelling voor maatschappij, wetenschap en ecologie zou uiteindelijk leiden tot een aantal grote werken: ‘Einstein on the Beach’ met Bob Wilson, ‘Satyagraha’ over Gandhi in Zuid-Afrika en ‘Akhnaten’ over de gelijknamige Egyptische farao. Glass neemt zijn tijd om het ontstaan en zijn werkwijze in detail toe te lichten. Vaak verlegde hij grenzen. Voor de film ‘Powaqqatsi’ schreef hij eerst muziek, nog voor er beelden waren. Van drie bestaande Cocteau-films maakte hij opera.

Wat een werkpaard, denk je als lezer en liefhebber. Iemand met veel vertrouwen in zijn kunnen, ook, en een tikje ijdelheid. Twijfel of zelfkritiek komt niet voor in z’n autobiografie. Als er slechte recensies waren van zijn werk, dan haalde hij naar eigen zeggen zijn speciale gen boven: het “het-kan-me-niet-schelen-wat-je-ervan-vindt-gen”.

Woorden zonder muziek’ leest vlot, maar de spreektalige stijl is soms vreemd. Wellicht is het boek gedicteerd. Hier en daar is er ook een overlapping. Voor een permanent reizende en lerende mens is Glass verrassend down-to-earth. Op het eind heeft hij het over muziek als ‘plaats’, ‘muziek denken’ en ‘muziek dromen’. En in zijn slothoofdstuk herhaalt (ja, herhaalt) hij meerdere keren dezelfde paragraaf met de wijze zinnen: “Openingen en afsluitingen, begin en eind. Alles ertussen gaat in een mum van tijd voorbij. Aan de opening gaat een eeuwigheid vooraf en op de afsluiting volgt er nog een, misschien wel dezelfde”.

[Woorden zonder muziek. Een leven in de muziek van Philip Glass is uitgegeven bij Hollands Diep, 2015, 433p]

De moord op Margaret Thatcher – Hilary Mantel

Hilary Mantel schuwt de controverse niet. Nadat ze enkele jaren geleden in haar historische turven ‘Wolf Hall’ en ‘Het Boek Henry’, waarvoor ze twee Man Bookerprijzen won, de fans van Thomas Moore de gordijnen in joeg, zijn het nu de aanhangers van Margaret Thatcher die paars aanlopen van verontwaardiging. Veel belangrijker is dat Mantel een bundel samenstelde met verbijsterend knappe en beklijvend bizarre verhalen.

Thatcher

Tussen haar historische epossen over de Franse revolutie en Hendrik de achtste door, heeft Hilary Mantel zich ontspannen door twaalf korte verhalen, die ze tussen de jaren tachtig en onlangs schreef, af te stoffen. Het was een gewiekst publicitair maneuver om van ‘De Moord op Margaret Thatcher’ het titelverhaal te maken. Enkele conservatieve politici, die niet kunnen lezen, lieten wel heel erg luidruchtige stoomwolken van verontwaardiging los. “Yes!“, zei Hilary.

Al in 1982, toen Maggie nog regeerde, liet de in 1999 overleden thriller-auteur Hardimann Scott in ‘Ongeketende Macht’ premier Thatcher ontvoeren en mishandelen door een IRA-commando. Op de cover van die roman stond een kaalgeschoren en geboeide Thatcher. Deernis was haar deel. Laat ons wel wezen, The Iron Lady is niet vermoord, en Mantel laat in het midden of dat in haar verhaal gebeurt. Een vrouw die wacht op de loodgieter, laat zonder dat ze het weet een terrorist binnen, die vanuit haar raam Thatcher, die aan de overkant van de straat een ziekenhuis zal verlaten, wil doodschieten. Zijn gereedschapskistje lijkt op de alaambak van een buizenfitter. Ja, er staat scherpe kritiek op Thatcher in dit verhaal, maar de eigenares van de flat poogt de moordenaar ook te weerhouden van zijn daad.

Filippica’s

In een van haar betere romannetjes, ‘Filippica’s’, heeft Amelie Nothomb het over een echtpaar dat in een buitenverblijf in Frankrijk dagelijks een buurman over de vloer krijgt. Die onaangekondigde bezoeken terroriseren na een tijd het koppel, vooral omdat de norse man nooit spreekt.

In ‘Sorry dat ik Stoor‘ gebeurt iets gelijkaardigs, maar dan bij een expat-paar in Saoedie-Arabië. De Pakistaanse bezoeker, die zich slinks en opdringerig naar binnen werkt, praat helaas wel, en heeft vuige bijbedoelingen. Mantel schetst genadeloos de totale vervreemding in dat onherbergzame en vreselijke land, onze bondgenoot in de regio, de verknipte man-vrouw-verhouding, het racisme tussen autochtonen en buitenlanders, blank en donker, rijk en arm, moslim en heiden.

In ‘Komma‘ sluipen de tienjarige Kitty en de iets oudere marginale Mary naar een obsederende landelijke villa. Kitty mag eigenlijk geen contact hebben met Mary, die uit een wel erg disfunctionele familie komt. Wat de meisjes in de spookvilla aantrekt, is een vreselijk gehandicapt jong menselijk wezen, zonder ledematen of uitdrukkingsmogelijkheden, dat op het terras, ingepakt in een deken, teder wordt toegesproken door zijn moeder.

Moord en vluchtmisdrijf

In ‘Hartsgeheim‘ organiseert een vrouw tegen haar zin een barbecue. Ze begint al af te ruimen, de vaat te doen en de stoelen omgekeerd op de tafels te zetten, als iedereen nog aanwezig is.
Op het ogenblik dat ze haar man betrapt terwijl die aan een jonge vrouw “nibbelt”, valt ze theatraal maar stokstijf dood. De buitenechtelijke handtastelijkheden waren nog maar even daarvoor begonnen, en hadden weinig verregaande of ingrijpende bedoelingen.

In ‘Wintertrip‘ trekt een koppel er even uit naar een ondergesneeuwde zuidelijke bestemming. Van het vliegveld brengt een vooraf betaalde taxichauffeur hen nog 100 kilometer ver over moeilijke bergwegen. De chauffeur is uiterst bars, als hij iets zegt, lijkt het alsof hij na elke zin het liefst een fluim zou laten volgen. Bijna ter bestemming gebeurt een wreed ongeval met vluchtmisdrijf.

In ‘Harley Street‘ zien we een morsig klein gynaecologisch centrum doorheen de ogen van de receptioniste in een centraal geplaatst glazen lokethokje. Alle dokters zijn verregaand cynisch, na hun uren doen ze nog abortussen en borstcorrecties, en de verpleegsters en werkvrouwen hebben lesbische relaties met elkaar.

Vaak zijn Mantels hoofdpersonages kinderen, jongeren of buitenstaanders die de ontrouw en de leugens van volwassenen vanuit hun invalshoek gade slaan en ontmaskeren. In ‘Wegens Mishandeling‘ heeft een meisje door dat haar vader, een advocaat, vermeende pro deo-zaken misbruikt om naar zijn minnares te vluchten. Als hij na de scheiding bij die minnares intrekt, doet hij krek hetzelfde met een nieuwe geliefde.

Fawlty Towers

Het meest hilarische verhaal is ‘Hoe Herken ik U?‘ Hilary Mantel heeft het over haar ervaring tijdens een lezing voor een boekenclub in een treurige havenstad. “Vele leden, ook vrouwen, hadden een baard”. Het verhaal roept herinneringen op aan Gerard Reve die in een of andere bundel zijn tragikomische wederwaardigheden ophaalt aan die keer dat hij stomdronken een publiek moest toespreken, en vragen beantwoorden die hij niet begreep waarop hij het publiek beaat glimlachend bleef aankijken. Of Paul Snoek die zo hoog op een podium zat dat hij zich scheef naar voren moest buigen om de aanwezigen te zien. Denk tenslotte aan de auteur van cowboyverhalen die in Wenen een exclusieve literaire club moet onderhouden in de film ‘The Third Man’ van Carol Reed.

Maar de kern van dit verhaal is het hotel waar Hilary Mantel de nacht moet doorbrengen. Dit is Fawlty Towers in het kwadraat. Geen Sybil, Polly of Manuel hier, alleen een zwaar mismaakt getergd meisje dat de koffers van de auteur drie steile trappen naar boven sleurt.

Upstairs Downstairs

Uiteraard zijn niet alle twaalf verhalen even sterk. Dat over de relatie tussen 2 zussen, een “normale”, nou ja, en een anorexische, kon mij niet echt boeien. En van ‘Eindpunt‘ kan ik mij met de beste wil van de wereld de intrige al niet meer herinneren. Maar dan volgt ‘Het Engels Instituut‘, dat aankomt als een trap in de buik. Neen, niet alleen bij rijke harteloze mensen in Mumbai, of in de 19de eeuw met het toen heersende feodale systeem, maar ook nu in Londen bestaan slavernij en misbruik van machteloos illegaal dienstpersoneel. Als de jonge verwende utter asshole Joshua bij wijze van straf niet meemag met zijn ouders op skivakantie, wreekt hij zich op de zwakste schakel in het huishouden: de buitenlandse poetsvrouw. Beroofd, verkracht en mishandeld zoekt zij een nieuwe baan in een ander aristocratisch huis, waar de butler, die slijmt naar boven en trapt naar onderen, geen begrip heeft voor haar gruwelijke ervaringen.

Geniaal

Met haar bijna voltooide Hendrik VIII-trilogie bewees Hilary Mantel dat ze een van de allerbeste hedendaagse auteurs is. Wie de sluwe kronkelwegen van intrigant Thomas Cromwell zo goed doorgrondt en weergeeft, moet op zijn minst even intelligent wezen… Hetzelfde geldt voor haar ontmaskering van de heilige Thomas Moore, als een fundamentalistische katholiek, die net zo meedogenloos als zijn rivalen mensen naar de brandstapel stuurde, maar die verkeerd gokte. In deze bundel exploreert ze andere facetten van heer veelzijdig talent: dat om taferelen van wantrouwen en ontreddering neer te zetten. Dit zijn geen brave leukerige vertellingen over kleine ontsporingen en misverstanden, maar bikkelharde relazen van ontwrichting van menselijke levens. Stijl en vocabulaire passen perfect bij de pijnlijke thema’s. De lezer knippert meer dan eens met zijn ogen bij de morbide vergelijkingen, de originele humor, de staaltjes visueel schrijf-meesterschap. Ik zie alleen Nobelprijs-winnares Hertha Muller in de buurt komen. Nog af en toe krijg ik de slappe lach als bepaalde knotsgekke scenes me weer te binnen schieten. Dit is de ultieme condition humaine, portretten van verweesde, verminkte broeders en zusters. Heer ontferm u over ons. En, dierbare Hilary, als u klaar bent met het verleden, schrijf dan please opnieuw eens een roman à la ‘De Moord op Margaret Thatcher’, over hedendaagse toestanden.

De Moord op Margaret Thatcher’, Hilary Mantel, Meridiaan uitgevers, 210 bladzijden.

Meneer Mac en ik – Esther Freud

I
In haar achtste roman ‘Meneer Mac en ik’ gebruikt Esther Freud (°Londen, 1963, dochter van Lucian en achterkleinkind van Sigmund) het historische verblijf van de Schotse architect Mackintosh in Suffolk als achtergrond van een dramatisch dorpsverhaal. Freud heeft zich erg goed gedocumenteerd over Mackintosh en zijn vrouw Margaret die ook een bekende kunstenares was.

Charles Rennie Mackintosh, de toen al internationaal gerenommeerde maar in zijn eigen land vaak miskende architect, ontwerper en kunstenaar komt net voor de eerste wereldoorlog van Glasgow naar een kuststadje aan de Noordzee. Zijn vreemde gedrag fascineert een deel van de autochtone bewoners, en wekt argwaan bij anderen. Hoedanook, hij gaat over de tong.

New kid in town

De 14-jarige Thomas Maggs, die niets over architectuur of kunst weet, slaagt er in om een goede verstandhouding op te bouwen met de inwijkeling. Dat ze allebei een klompvoet hebben, speelt zeker een rol bij het wederzijdse begrip.
Die klompvoet is Thomas toegebracht door zijn eigen vader, die zo wilde verhinderen dat zijn enige overlevende zoon ooit naar de oorlog zou moeten. De vader heeft een traumatische Boerenoorlog in Zuid-Afrika achter de rug. Daarna was hij een man van 12 stielen en 13 ongelukken, en raakte hij verslaafd aan whisky en Brits bier. Uiteindelijk neemt hij een weinig lucratieve pub over.

De zeebries krimpt

In het dorp zijn er twee pubs die op vijandige voet leven. De ene wordt bezocht door vissers en matrozen, zeelui kortom, de andere door boeren, ambachtslieden, winkeliers en landmensen. De strijd tussen zee en land scheidt ook het gezin Maggs in twee kampen. Thomas vermoedt dat zijn ruwe vader zijn voet onherstelbaar ontwricht heeft, niet omdat hij zou ontsnappen aan de gruwel van de oorlog, maar om te verhinderen dat hij ooit zou aanmonsteren op een boot.

Het dorp is populair bij toeristen en wandelaars en haalt een pak inkomsten uit kleine restauratie en de verhuur van kamers. De oorlog slaat die bron van inkomsten in een keer weg. De mensenstromen die nu opdagen, consumeren of kopen niets. Van het noorden naar het Kanaal trekken heelder regimenten soldaten van alle mogelijke korpsen; zij eisen kortstondig kost en inwoon op. Vanuit het zuiden zijn Belgen en andere vluchtelingen op weg naar Schotland.

De zee geeft en neemt

Verschillende dorpelingen verdronken in schipbreuken en kregen een zeemansgraf. Wie op het land overleed, ligt begraven op het kerkhof, dat evenwel zo dicht bij de white cliffs ligt dat stormen er soms een flinke hap uit nemen, zodat die doden met zerk en kist en al toch een laatste rustplaats in de golven vinden. De vader van Thomas zal op het einde trouwens verdrinken, niet in zee maar in minder romantische wateren.

Thomas laveert tussen strand en branding, net zoals zijn zus Anne die gaat trouwen met een meestal afwezige zeeman. De jongen twijfelt tussen een baantje aan land, touwslager bij voorbeeld, of een avontuurlijker bestaan op de oceanen.
Nieuwe beperkingen die met de oorlog te maken hebben, veranderen het leven van de kustbewoners ingrijpend. Na valavond mogen ze absoluut geen licht meer maken, zelfs buiten roken is verboden. Niemand mag nog een verrekijker bezitten. En contact met buitenlanders is uit de boze.

Mackintosh

In die omstandigheden begint het gedrag van Charles Rennie Mackintosh op te vallen en verdacht te lijken. Hij werkt net aan een grote reeks botanische schilderijen en daarvoor zwerft hij eindeloos doorheen de duinen. Met een verrekijker! En hij ontvangt correspondentie uit het buitenland.

Zijn eigen brieven geeft hij mee aan Thomas, zijn nieuwe jonge vriend die ook erg van de lokale fauna en flora houdt, om die in een naburig groter dorp te posten. Van daaruit bereiken die sneller Glasgow of Londen, waar zijn vrouw Margaret Macdonald meestal verblijft. Maar Anne is erg nieuwsgierig, ze stoomt de brieven open, leest ze, en plakt ze onhandig weer dicht voor verzending.

Margaret deelt Charles mee dat de politie haar brieven wellicht leest. Omdat Ann en Thomas de brieven ontcijferen, weet ook de lezer van ‘Meneer Mac en ik’, dat de relatie tussen de Macktintoshes niet bepaald gemakkelijk verloopt.

Spionage

De architect toont de tekeningen van zijn Glasgow School of Art aan Thomas die zonder ze te begrijpen toch aanvoelt dat het om belangrijke ontwerpen gaat. Het prikkelt zijn verlangen naar een beter leven. In het slothoofdstuk blijkt hij inderdaad weggeraakt te zijn uit de verstikkende omklemming van Suffolk.

De toenemende oorlogsinspanningen en de schrijnende armoede maken de dorpsbewoners almaar wantrouwiger. Bijgeloof schiet ook wortel. Veel mensen denken dat het aanhoudende slechte weer te maken heeft met de beschietingen aan de overkant van de zee. Ze horen de explosies en zien soms zelfs de rookpluimen.

Omdat Mackintosh raar spreekt, nou ja Schots dus, en altijd overal rondhangt, verdenkt men hem van spionage. Bij een inval in zijn woning ontdekt het gepeupel architectuurtekeningen met Duitse onderschriften, en brieven uit Rotterdam, Berlijn en Wenen. Bijna wordt Mackintosh gelyncht. Hij verblijft een paar weken in de nor. Deze ware feiten vormen de donkerste bladzijden in het leven van Mackintosh, die nochtans een overtuigde Britse patriot was.

Kijk kijk ne zeppelin!

‘Meneer Mac en ik ‘bevat een aantal pakkende scenes. De beschrijving van de dreigend laag overvliegende zeppelins in de nacht, de bombardementen en het neerstorten van het brandende luchtschip zijn onvergetelijk knap. Al even aangrijpend is het fragment waar Anne een al of niet uitgelokt miskraam krijgt.
Freud vertelt alles doorheen de ogen van de opgroeiende knaap die het ook niet allemaal begrijpt, maar wel de klappen krijgt waar hij helemaal niet om vroeg. De figuur van de hardvochtige vader en de verzoenende moeder krijgen geloofwaardig gestalte.

More! More!

Maar de ongelijke roman snakt naar meer dergelijke bladzijden. Meestal hanteert Esther Freud een wat zuinige afstandelijke stijl die niet beklijft. Op die enkele uitzonderingen na, waar ze dan erg hard toeslaat. Het gezin van Thomas, en Mackintosh krijgen reliëf en herkenbare thema’s, maar de vele andere dorpsbewoners en soldaten op weg naar het slagveld missen profiel en lopen wat verloren in het boek.

Wie Mackintosh, een van de belangrijkste moderne architecten van het begin van de 20ste eeuw, eens als romanfiguur wil beleven, zal ‘Meneer Mac en ik’ zeker appreciëren. Ook wie na de stortvloed publicaties over de eerste wereldoorlog bij ons benieuwd is hoe de bewoners van de Oost-Engelse kuststreek de geschiedenis ondergingen, wordt prima bediend. Voor de rest mocht het tegelijk iets minder en veel meer zijn…

[Meneer Mac en Ik, Esther Freud, uitgeverij De Bezige Bij Antwerpen Amsterdam, 2015,320 bladzijden]

Vicky & John – Louis van Dievel

Van het legenestsyndroom kunnen Vicky en John enkel dromen. Hun volwassen kroost keert terug naar huis, met in hun kielzog een aanhang om u tegen te zeggen. Tegelijk is dit een verhaal over een worstelende jeugd in de Kempen, met The Who als soundtrack.

Ten huize van John Boonen en Vicky Van Gorp in Kasterlee. “Ze hebben u wijsgemaakt dat hier een soortement familie Flodder woont, “ zegt de dochter misprijzend tegen een journalist die lucht heeft gekregen van de bizarre mensentuin op de Kattenberg. Het zootje Kempens ongeregeld in de nieuwe roman van Louis van Dievel is wel degelijk Flodder en ook wel een scheut New Kids erbij.

Leeg nest – vol nest

John en Vicky hebben vier kinderen grootgebracht, maar nadat de laatste het huis heeft verlaten, keren ze een voor een terug, wegens werk kwijt of huwelijk op de klippen. Niet alleen de kinderen, maar ook hun nabije of verre aanhang. De eerste die één van de lege kinderkamers in Kasterlee betrekt is een meer-los-dan-vaste vriendin van de zoon: Betty, “de coiffeuse van Lichtaart”. Lang nadat zij alweer verdwenen is, blijft haar zoontje Sammy achter; hij wordt de grofgebekte mascotte van de hele bende. Een andere kamer wordt verbouwd tot decor voor de modeltreintjes van een andere zoon en zijn vrienden. In de zomer verrijzen talloze tenten in de tuin, met wisselende bewoners.

Als Vicky en John op een leeg nest hadden gehoopt, dan zijn ze eraan voor de moeite. De beginscene zet de toon: als ze nog eens ongestoord willen vrijen op de keukentafel komt een van de zonen onaangekondigd op bezoek. Van Dievel beschrijft de ongecontroleerd ‘extending family’ in een snel tempo, met geestige overdrijving, (vermoeiend) veel details over hun seksleven, in een volkse taal.

Van moetens in de Kempen

In afwisselende hoofdstukken gaat het verhaal ook terug in de tijd, met flashbacks naar het jonge leven van Vicky en John. De rise and fall van het rockgroepje Long John B & the Bobcats (dat doet denken aan de Rotters Club van Jonathan Coe), de moeizame strijd van het jonge koppel om een eigen plek te veroveren in de verstikkende Kempen (die moeiteloos te vergelijken zijn met West-Vlaanderen in de jaren 70 en 80). “Moeten” trouwen, politiek dienstbetoon, generatieconflict… het passeert allemaal de revue.

Vicky & John’ is Van Dievels tiende roman. ‘De pruimelaarstraat’ over drie lustmoorden was genomineerd voor de Librisprijs, en voor ‘Hof van Assisen’, over de moord op een havenhoertje en het assisenproces dat er op volgt, kreeg de auteur de Hercule Poirotprijs. De schrijver staat daarnaast bekend als columnist voor deredactie.be. In zijn wekelijkse ‘Van Dievel Consulting’ is hij een verbale messengooier naar politici van alle kleuren en gezindten. Ook ‘Vicky & John’ is spits geschreven. Maar hier zet Van Dievel niemand in zijn hemd, integendeel, hij is mild voor het imperfecte leven, voor de scherven van het bestaan. Alleen jammer dat hij niet wat dieper afdaalt in de psyche van zijn personages, af en toe. Want ze maken toch wat mee.

[ ‘Vicky & John’ van Louis van Dievel is uitgegeven bij Vrijdag, 2015, 350p ]

Voet bij stuk – Joseph Pearce

In zijn amusante zevende roman ‘Voet bij Stuk’ beschrijft Joseph Pearce de vreemde lotgevallen van de literaire uitgeverij O@W. Na het ontslag en het overlijden van de oude directeur, evolueert de uitgeverij erg snel van een baken van ernst en cultuur naar een louter door marketing gedreven producent van gedrukt papier. Alles gaat aan het rollen als ‘n redacteur een vuistdik meesterwerk van een onbekende auteur in handen krijgt.

Emma Kranenburg is de hoofdredacteur en directiesecretaresse van Opperman en Winterberg, een ruim 100 jaar geleden gestichte uitgeverij van kwalitatieve en hoogstaande literatuur. O@W doet geen toegevingen aan de commercie en de heersende hypes en trends en houdt uitstekend stand in het snel wisselende literaire landschap waar fusies, overnames en faillissementen dagelijkse kost zijn.

Oplijsten

Directeur Otto Bakker en Emma, al drie decennia zijn steun en toeverlaat, een weduwe van middelbare leeftijd met twee erg ver uitgewaaierde succesvolle zonen, staan garant voor die authenticiteit. Hun enige motivatie is het behoud van echte letterkunde, van boeken die iets betekenen. De uitgeverij wordt daarvoor beloond: ze wint bijna alle literaire prijzen en de auteurs verkopen prima, ook in vertaling.
Onverwacht gaat de bejaarde maar flamboyante Bakker met pensioen. Hij wijst zelf zijn opvolger aan, Barbara van Halen, gepokt en gemazeld in de moderne bedrijfsvoering, met het hele holle vocabularium dat daarbij hoort. Joseph Pearcesuggereert dat Bakker Van Halen heeft gekozen op basis van haar kwaliteiten in bed, maar het is niet helemaal geloofwaardig dat de behoeder van succulente literatuur een opvolgster kiest die net niet analfabeet is.

Meenemen

Als Bakker onverwacht overlijdt, gaat van Halen voluit. Ze voert een terreurbewind over het personeel en bedreigt iedereen die niet aan haar kant staat met oneervol ontslag of erger. Literatuur vindt ze verouderd, schrijvers zijn zeurderige narcisten, de tijden veranderen, wie stilstaat sterft, enfin, u kent het jargon, ongetwijfeld sloeg het ook al toe in de sector waar u werkt helaas.
Maar dan duikt een merkwaardig manuscript van een volslagen onbekende auteur op. Het gaat om 1000 bladzijden van Nobelprijsniveau. Voor één keer zijn alle redacteurs het eens met Emma: deze roman is ronduit historisch, het beste wat O@W ooit uitgegeven zal hebben.

Uitrollen

Het zou zonde zijn om uw leesplezier te vergallen door hier de plot te verklappen. Hoe dan ook, de uitgave van het deus-ex-machinale meesterwerk geeft aanleiding tot een lawine van bedrog, chantage, vervalsingen en de complete teloorgang van O@W. Op het einde verandert de naam zelfs in K@K. Hebt u ‘m? Nu, de titel van de bejubelde roman was ook al “Schoon Schip”
Uit protest tegen de voorkeursbehandeling die het manuscript krijgt, overwegen de andere auteurs van het fonds een schrijf-staking; uiteraard lukt dat niet. Die passage uit ‘Voet bij Stuk’ heeft al geleid tot reacties en discussie in het Vlaamse literaire veld.

Connecting

Met deze aardige roman heeft de 64-jarige Joseph Pearce, die een decennium geleden Vilvoorde op de literaire wereldkaart zette, een knappe satire geschreven. Een sleutelroman is dat geenszins, al vallen die andere uitgeverij De Naarstige Mier, en de minister van cultuur Fientje van Schouwen, die meer belangstelling heeft voor een schuttersvereniging in haar dorp dan in cultuur, wel makkelijk te ontmaskeren. Hoe dan ook, iets als O@W bestaat niet bij ons.
Niet lang geleden behandelde een andere Vilvoordse (tiens) auteur, Koen Van Wichelen, in zijn ‘De Barmhartigen’, ook het literaire wereldje, weze het dan als neventhema. Maar waar Pearce lange tijd ironisch en tongue-in-cheek blijft, gaat Van Wichelen, die overigens rond deze tijd de euvele moed heeft om een alternatief “Boekenmagazine” op de markt te brengen, er fors en grotesk tegenaan.

Inkantelen

Een aantal positief omgedraaide clichés en de zelfspot zijn wel gelijkend bij de twee auteurs. Ik denk aan de vermeende tientallen manuscripten die dagelijks bij uitgeverijen binnenvallen, terwijl ook luie, onbekwame, gedweeë en balsturige recensenten, juryvoorzitters van boekenprijzen en presentatoren van talkshows lichtvoetig de revue passeren. Voorts amuseert Pearce de lezer met enkele volslagen idiote titels van debuutromans, en met debiele fragmenten uit erg slechte boeken.
Pearce en Van Wichelen hebben het recht om auteurs neer te zetten als kleinzerige pretentieuze egoïsten, want ze komen zelf met pen en woord aan de kost. Geen van de twee zijn ze miskende genieën die zo nodig hun frustratie moeten uitwerken in een boek dat ze in eigen beheer op de markt brengen.

Out of the box denken

‘Voet bij stuk ‘is zeker het beste werk in het ongelijke oeuvre van Joseph Pearce. Bijna tot het einde houdt hij de teugels strak in de hand en gebruikt hij een weldadig krachtige, plastische taal, met veel humor, natuurlijke dialogen, fijne observatie en knappe vergelijkingen.
Dit is een werkstuk van een volwassen , ervaren en degelijk auteur. Vooral de spanning tussen ironie, satire en realisme is fascinerend. Nooit vervalt Pearce in goedkoop cynisme of vulgair sarcasme. Hij beheerst zijn vak, bouwt slim spanning op; zijn personages boeien.

Trending

Daarom vind ik het jammer dat Pearce die controle niet ultiem volhoudt. Toegegeven, de ontknoping verrast en is spectaculair. Emma gaat helemaal overstag en beslist om nu ook thrillers, waar ze eerder van gruwde, kookboeken en holle schrijfsels van geprefabriceerde BV’s uit te geven. Dat is even ongeloofwaardig als de keuze van Barbara als opvolger van Otto.
Maar goed, ‘Voet bij Stuk’ is een belangrijke roman, niet alleen over de mogelijke verloedering van de literatuur, de commercialisering van het uitgeverijbedrijf maar ook over de overgave van de cultuur aan de vermarkting en vermerking. Kortom: waar zijn we mee bezig? hoe is het zover kunnen komen? Zo mogen er meer boeken zijn, en hopelijk even knap geschreven.

[‘Voet bij Stuk’ van Joseph Pearce, uitgeverij Vrijdag, 190 bladzijden]

Virginia Woolf. Een schrijversleven – Alexandra Harris

Nog een biografie van Virginia Woolf? Ja, en een goede ook. In kort bestek krijg je inzicht in schrijfsters leven en werk en vooral in de samenhang tussen beide. Voor Bloomsbury-neofieten, maar ook voor gevorderde Woolfies.

Het is toch durven, de zoveelste biograaf zijn van een icoon als Virginia Woolf (1882-1941). Alexandra Harris waagt zich er aan, spontaan en tegelijk strak afgemeten. Bescheiden schrijft ze over haar boek als “een eerste halte voor mensen die Woolf nog niet kennen en als een verleiding om meer van haar te gaan lezen”. Ze plaatst zich zelf ook nadrukkelijk op de schouders van reuzen als Hermione Lee, die de ultieme, veel dikkere Woolfbiografie schreef.
De jonge Alexandra Harris (°1981) is hoogleraar Engelse literatuur aan de universiteit van Liverpool. Ze schreef eerder ‘Romantic Moderns’, waarvoor ze de Guardianprijs voor het beste debuut kreeg. Deze biografie verschijnt exact een eeuw na het debuut van Woolf: ‘The Voyage Out’.
Harris citeert rijkelijk uit de romans van Woolf, uit haar uitgebreide correspondentie, haar decennia dagboeken. Zou deze vrouw tegenwoordig een blogster zijn, of een twitteraarster? Soms beschreef ze een gebeurtenis op vier verschillende manieren, in brieven en voor zichzelf, en zelden herhaalde ze een zin.

Strakke vertelling

De biografie slaagt er in om dit wijd vertakte leven, dat al zo minutieus is gedocumenteerd, in een strakke bedding te vertellen. Alle protagonisten van de Bloomsbury-menagerie komen aan bod, maar zonder te veel detail. Ook dat is een verademing, na de zoveelste gespecialiseerde studie van de interieurinrichting van Charleston Farmhouse, het schildershuis van Virginia’s zus Vanessa Bell, of een biografie van de dienstboden van de Woolfs …
Harris blijft bij de feiten, maar gaat ook niets uit de weg: de affaires met de adellijke Vita Sackville-West en met componiste Ethel Smyth, het misbruik door haar halfbroer, de bipolaire stoornis, de zenuwinzinkingen, zelfmoordpogingen en tenslotte haar zelfgekozen verdrinking in de Ouse. Hoewel het toch fascinerend is om te zien wat een literair werkpaard Virginia eigenlijk was, ondanks al deze tegenslagen. Ze schreef, recenseerde, corrigeerde bijna ononderbroken, en ter afwisseling was ze letterzetter voor de Hogarth Press, die ze samen met haar man Leonard runde.

Romans als wegwijzers

De heipalen in het levensverhaal zijn de romans en essaybundels. Telkens verknoopt Harris roman en leven aan elkaar. Bijvoorbeeld: Virginia’s zoektocht naar wie haar moeder eigenlijk was, vindt een echo in Mrs. Ramsay in ‘To the Lighthouse’, ook een moeilijk te vatten “aanwezigheid”.
Alexandra Harris merkt mooi op hoe subtiel het werkt bij Woolf, hoe de intuïtie zo’n grote rol kan spelen in haar werk. Haar belangrijkste herinnering kwam uit haar kindertijd, in het vakantiehuis in Cornwall. In bed hoort ze half slapend, half wakend de branding. “Een herinnering aan veilig en stil zijn, met intussen een scherp besef van de grote wereld achter het gordijn”, schrijft Harris. “Uiterlijk gebeurt er niets”, maar het is “een van de verborgen openbaringen die in Woolfs fictie naar boven komen als de ordenende principes van ons leven”. Dat zijn de flitsen van helderheid, de moments of being van de auteur.
Een paar karaktertrekken zet Harris sterk in de verf: Virginia Woolf was altijd een buitenstaander. Te beginnen met het feit dat ze nooit naar school mocht, als meisje in Victoriaanse tijden. Ze stond ook buiten het kinderrrijke, vaak hersamensgestelde gezin van haar weelderige schilderende zus. Dat gaf haar een “onorthodox perspectief”.
En nog zo’n mooie analyse is dat Woolf weliswaar niet direct over de twee wereldoorlogen heeft geschreven, maar dat al haar naoorlogse romans ingaan “op de omwegen via welke we onze verliezen verwerken”.

Wie is er bang voor Virginia Woolf?

Na haar dood in ’41 komt de Woolfbusiness op gang, oneerbiedig uitgedrukt. “Gepolitiseerd, gefeminiseerd, geromantiseerd, geseksualiseerd, gehekeld, gerehabiliteerd: de postume Virginia Woolf was het boegbeeld van tegenstrijdige belangen.” Alexandra Harris merkt het op, maar mengt zich niet in de discussie. Het is waar dat Woolf nog altijd argwaan wekt. “Woorden als ‘moeilijk’, ‘elitair’, ‘gestoord’, ‘wereldvreemd’ zweven om haar heen.” Hoe dan ook is het de moeite waard om haar te blijven lezen, te herlezen of voor het eerst te ontdekken.
Alexandra Harris komt wat provocerend tot de constatie dat “Woolf haar eigen feestje was en haar werk een lofzang op het leven”. En ze maakt een mooi besluit: “Veel is controversieel aan Woolf, veel kan aanzetten tot discussie en kritiek. Maar wat ze verder ook doet, ze zorgt er in ieder geval voor dat je bewuster en intenser wilt leven”. Een prachtig eerbetoon, met bovendien mooie, niet zo bekende foto’s.

[Virginia Woolf. Een schrijversleven van Alexandra Harris is uitgegeven bij Hollands Diep, 2015, 239p]