Wanneer het stil is in het ziekenhuis

In een ziekenhuis kruisen mensenlevens op bijzondere momenten. Wie ziek is, heeft rust nodig, maar daar ontbreekt het vaak aan. Kathleen Verhelst is moreel consulente in AZ Jan Portaels in Vilvoorde, therapeute en docente. Zij is de bezieler van de stille ruimte in dit ziekenhuis. Samen met haar partner neemt zij de stilte ook mee op verre reizen. Intiem gesprek over grote levensvragen in het Waerbekehuis.
interview: Kristien Bonneure • muziek: Steven Vrancken • productie: Milan T’Hooft

Advertenties

Elke dag is Gedichtendag

header2019Waarschuwing vooraf. Ik hou van gedichten, al mijn hele leven. Als  nieuwbakken jurylid van de Herman de Coninckprijs heb ik de voorbije maanden bovendien een hoge dosis ingenomen. Poëzie is levensnoodzakelijk. Straks vertel ik waarom, maar eerst wat vooroordelen ontkrachten.

Goed nieuws: vorig jaar is in Vlaanderen 16,6% méér poëzie verkocht dan in 2017. Engelstalige poëzie deed het nog beter, met een stijging van 27,3%. Dat heeft te maken met het succes van de Canadees-Indiase Rupi Kaur. Een groot evenement als de Poëzieweek heeft een gunstig effect: dan verdubbelt het aantal verkochte bundels.

Minder goed nieuws: poëzie maakt nog altijd maar 1 percent uit van de boekenomzet. Je moet inderdaad al in een goede boekhandel zijn om een verscheiden aanbod te vinden. Dankzij Boek.be kennen we de best verkochte dichtbundels (een greep uit de top-10: Rupi Kaur, Amanda Lovelace, Stefan Hertmans, Hugo Claus, Bart Moeyaert…), maar aantallen willen de uitgevers liever niet aan de grote klok hangen. Vaak gaat het maar om enkele honderden exemplaren, zelfs van gevestigde namen.

Dichters zijn ook leuke mensen

“Pessimisme kun je leren!” van de 70-jarige Lévi Weemoedt werd aangeprezen in het Nederlandse talkshow De Wereld Draait Door. “Ik dacht eigenlijk dat u al dood was”, zei Matthijs van Nieuwkerk, waarop Lévi Weemoedt gevat antwoordde: “Ja, ik ook!”. De bundel zwart-humoristische verzen verkoopt sindsdien in duizenden exemplaren in Nederland en in Vlaanderen.

Aanbeveling van Carl De Strycker van het Poëziecentrum in Gent voor de media: “Dichters zijn best leuke mensen; nodig ze ook eens uit in een programma, heb niet te veel respect en lok hen ook eens uit hun context”.

Van zoveel meerstemmigheid word ik blij

Naar de verkoop is het dus wat gissen, maar het aantal verschillende bundels dat op de markt komt is wel indrukwekkend. Als jury van de Herman de Coninckprijs krijgen we 112 dichtbundels te verhapstukken, die in Vlaanderen en Nederland verschenen in 2018. De collega’s van de Grote Poëzieprijs maar liefst 150. Daar zaten ook bundels bij die in eigen beheer zijn gepubliceerd, zonder uitgever.

Meer dan 100 nieuwe bundels per jaar: van zoveel moed en doorzettingsvermogen en vooral van zoveel meerstemmigheid word ik blij. Een handvol trefzekere woorden of bladzijden vol verbale muziek. Een zoete bespiegeling of een woedende tirade. Veel van die bundels zijn overigens prachtig uitgegeven, op zacht papier, met een mooie letter en veel wit. Een enkele keer ook geïllustreerd.

Want geschreven wordt er, ook door niet-professionele dichters. Poëziewedstrijden krijgen steevast veel inzendingen. De belangrijke Turinggedichtenwedstrijd alleen al had meer dan 7.000 deelnemers in 2018.

Vergeet verkoopcijfers. Poëzie kan ook zonder papier.  Dankzij sociale media is er geen drempel meer om met je werk naar buiten te komen en het breed te verspreiden. De best verkopende dichteres is dus de Canadees-Indiase Rupi Kaur, bekend van verzen als songteksten vol levenswijsheid.  Zowel in het oorspronkelijke Engels als in het Nederlands gaan haar twee bundels vlot over de toonbank, maar ze is toch vooral actief op Instagram. In eigen land werden de gedichten van de Kortrijkse Siel Verhanneman eerst bekend via Instagram en pas daarna door een uitgever omarmd.

“We leven in een filmpjescultuur,” zegt Carl De Strycker, “en via sociale media kunnen gedichten veel meer mensen bereiken.” Poëziecentrum doet trouwens samen met het tijdschrift Ons Erfdeel een oproep om “jonge gedichten” in te sturen, met de uitdrukkelijke bedoeling om er videokunst mee te maken: “Bewogen verzen“.

Dichters leven vooral van hun optredens

Vergeet niet enkel het papier, maar ook even het internet. Carl De Strycker van het Poëziecentrum: “Net als popmuzikanten leven dichters meer van hun optredens dan van de verkoop van hun bundels. Er zijn er die tot 300 keer per jaar optreden.”  Dat brengt ons naar het volgende vooroordeel:

Misverstand 2: “Poëzie dient om in bed te lezen”

Helemaal waar. A poem a day keeps the doctor away. Maar de poëzie brengt mensen ook steeds vaker samen in de publieke ruimte. In deze Poëzieweek die vandaag begint zijn er maar liefst 400 evenementen, vaak met een performende dichter, op een podium of elders.

Horen voorlezen is intiem

Saint Amour viert straks zijn zilveren jubileum; de generatie van Hugo Claus of Remco Campert is intussen al een aantal keren afgelost door telkens nieuwe stemmen; het Kunstenfestival van Watou kruist al decennia beeldende kunst met gedichten. Wat is er mooier dan een dichter zijn of haar werk zelf te horen voorlezen? Dat hoort wat mij betreft tot het intiemste dat er bestaat.

Stadsdichters maken van hun gedichten publieke happenings.  Ze rollen ze spandoeksgewijs uit aan de Boerentoren in Antwerpen, zoals Tom Lanoye destijds. Of ze laten ze tatoeëren op mensenhuid, zoals Maarten Inghels. Maud Vanhauwaert schreef voor deze Gedichtendag een tekst die voortaan op de trouwboekjes van Antwerpen komt:

maud

Er is zelfs een Partij voor de Poëzie opgericht, waarvan de manifesto’s door meerdere dichters anoniem vers per vers bijeen worden gedicht. Mooi is ook dat je steeds meer gedichten op straat tegenkomt, zomaar op een muur of in een station.  Voor mij is dat telkens een luikje dat opengaat.

Misverstand 3: “Poëzie is voor liefdesbrieven en begrafenissen”

Dat is zo. Op belangrijke levensmomenten hebben we nood aan woorden die dieper gaan of die uitkijk bieden op iets ruimers, hogers. Maar het zou jammer zijn als we maar eens in de zoveel jaar kracht, troost of vreugde putten uit een gedicht.

Poëzie is er voor elke dag. In veel bloemlezingen (een mooi poëtisch woord voor verzamelbundel) staan de gedichten geordend per thema, seizoen, of levensfase. Of je zoekt en vindt een gelegenheidsgedicht bij Guido Gezelle of bij  “moderne rederijker” Stijn De Paepe, die verzen schrijft voor geboorte, afscheid, pensioen of “zomaar”.

Dichters kunnen zweverige types zijn, maar ze staan vaker dan je denkt met beide voeten in de modderige werkelijkheid. Het valt me op hoe vaak ze over vluchtelingen, klimaat, economie, aanslagen schrijven. Een enkele keer over pedofilie en over verkrachting. Of over het lot van een ploetermoeder.

Een voorbeeld van vorig jaar, van Miriam Van hee,
uit het gedicht “de jongen met het rode shirt”, over het aangespoelde vluchtelingetje Alan Kurdi:

(…)

de ochtend toen in elke krant de foto van
de aangespoelde jongen was te zien, hij lag
met zijn gezicht in het zand en de zee deed
een gebaar, ze spoelde schoon, zijn rode shirt

en zijn zwarte haar, hij droomde, maar
hij ging dood, hij werd voorzichtig opgetild,
een vergeefse opdracht, een lichtgewicht,

terwijl hij reisvaardig was, zijn veters had hij
zelf geknoopt, zijn benen waren krachteloos,
hij was van ons nu, en van de zwaartekracht

De Dichter des Vaderlands, die zowel in Nederland als in België in het wild voorkomt, houdt de vinger aan de pols en vertaalt de tijdsgeest in gedichten.

Elke dag kan een shotje poëzie gebruiken

Op Radio 1 hebben we een seizoen lang actualiteitsgedichten besteld bij een schare poëten. Het pijnlijke is dat de houdbaarheidsdatum nog altijd niet overschreden is. Het is nog altijd oorlog; er zijn nog altijd mensen op de dool. Kortom: elke dag kan een shotje poëzie gebruiken. Voor mij is het elke dag Gedichtendag.

Misverstand 4: “Poëzie is voor blanke, oudere mannen”

Mannen? Nee hoor, het zijn vooral vrouwen die gedichten lezen en ook steeds vaker schrijven. En ook dat “blank” en “ouder” mag stilaan gerelativeerd. Slampoetry spreekt veel jongeren met een migratie-achtergrond aan. Slamdichters brengen hun tekst vaak ritmisch en uit het hoofd op een podium. Er worden kampioenschappen gehouden en volop filmpjes gedeeld.

“De jongste scene is erg divers. Seckou, Anissa Boujdaini of Anna Borodikhina zijn hot op dit moment,” zegt Carl De Strycker. Of neem nu de keuze van minister van Cultuur Sven Gatz; hij kiest voor deze Gedichtendag als lievelingsgedicht een tekst van Fikry El Azzouzi over de stad.

Simone Atangana Bekono won de debuutprijs in Oostende en is writer-in-residence in Vooruit. Radna Fabias krijgt veel lof voor haar debuutbundel “Habitus”.  Ze brengen een nieuwe thematiek in de vaderlandse poëzie: ontheemding, identiteit, geschiedenis, migratie, feminisme.

Maar anderzijds blijven de klassiekers bekoren. Ovidius’ “Metamorfosen” was in 2018 de tiende best verkopende bundel. 2000 jaar oud! Ook Hugo Claus, Herman de Coninck, Hans Andreus, Rainer Maria Rilke blijken eversellers. Tom Lanoye, die we vooral kennen als romancier en theaterauteur, begon indertijd als dichter en was ook de eerste stadsdichter van Antwerpen. Lanoye schreef “Vrij-wij?”, het Poëziegeschenk en gaat nog meer gedichten publiceren, heeft hij aangekondigd.

Misverstand 5: “Poëzie is ondoorgrondelijk”

Je leest een gedicht en je snapt er geen bal van. Kan gebeuren. Maar als je er na zes keer herlezen nog altijd geen chocola van kunt maken, dan ligt dat misschien niet aan jou. Poëzie lezen is geen wedstrijd “om het eerst de code kraken”, vind ik. Je moet er wel je tijd voor nemen; traag lezen is de boodschap. De woorden laten bezinken. Hardop lezen of nog veel gezelliger: voorgelezen worden.

Begrijpelijke en toegankelijke gedichten vallen extra in de smaak, aan de top-100 te oordelen: daar staat bijvoorbeeld Bart Moeyaert hoog genoteerd, of Lars van der Werf met zijn bedrieglijk eenvoudige “Versjes”.  Of Herman de Coninck himself, die postuum nog altijd goed verkoopt.

Een diepe buiging voor al die dichters die erin slagen om met een alledaags thema en doodgewone woorden toch de werkelijkheid open te breken.

Dichters zijn mee met hedendaagse trends. Ik kijk bijvoorbeeld uit naar “Game of poems”, de bundel van Ellen Deckwitz, Ingmar Heytze en Thomas Möhlmann die over enkele weken verschijnt. Ze hebben bij elke (!) aflevering van “Game of thrones” een gedicht geschreven. Benieuwd hoe toegankelijk dàt zal zijn.

Misverstand 6: “Poëzie is dodelijk somber”

Gelukkig gaan gedichten niet altijd over “lijden aan het leven”. Hoewel uitgesproken vrolijke en geestige verzen dan weer niet dik gezaaid zijn. Zwarte humor werkt wel, dat bewijst die goedverkopende bundel “Pessimisme kun je leren!” van Lévi Weemoedt:

Rijk verleden

Ik was dronken toen ik je ontmoette.
Ik was dronken toen ik je verloor.
Wat kan er nog een hoop gebeuren
tussen twee dronkenschappen door.

Ook zonder een billenkletser te zijn kan een gedicht je doen glimlachen, en dat is misschien wel de grootste verdienste. Hier gaat het om: een andere blik werpen op wat vanzelfsprekend lijkt. Peter Verhelst zei vorig jaar op Gedichtendag: “Dichten is kijken, kijken, kijken”. En de lezer, die kijkt door zijn ogen mee.

Misverstand 7: “Poëzie is nutteloos”

Voor wie de wereld enkel als een “wereld van waren” ziet, zijn gedichten inderdaad van generlei nut. Voor alle anderen, mezelf inbegrepen, zijn ze van kapitaal belang. Ze bieden troost of vreugde, rust, verdieping en stilte. Ze roepen vragen op en geven zelden antwoorden. Soms wrijven ze je tegen de haren in. Ze doen je anders kijken. Ze brengen magie in de onttoverde wereld, ze zingen als muziek. Dat is niet niks voor wat woorden in de wind.

Op deze Gedichtendag start ook een nieuw internetportaal, Poëzie-Centraal, als toegangsweg tot alles wat je altijd al hebt willen weten over het poëzielandschap in Vlaanderen.

Lees deze tekst ook op vrtnws.be

“Ultima thule” of hoe het verste punt altijd verder opschuift

tile

De Amerikaanse ruimtevaartorganisatie Nasa heeft het hemellichaam Ultima Thule bereikt met de sonde New Horizons. Ultima Thule is het verste ruimteobject dat de mens ooit heeft verkend. “Ultima Thule” is ook een mythisch begrip met een lange voorgeschiedenis en veel weerklank in de kunst.

In 2014 werd (486958) 2014 MU69 opgemerkt met de Hubble-ruimtetelescoop. Een hemellichaam in de zoom van ons zonnestelsel, in de Kuiper Belt, nog 1,6 miljard kilometer verder dan Pluto. Eerder dit jaar werd het object “Ultima Thule” gedoopt na suggesties van het brede publiek. 115.000 deelnemers stelden 34.000 namen voor.

Uiteindelijk werd voor “Ultima Thule” gekozen, “een mythisch, uiterst noordelijk eiland in de middeleeuwse literatuur en cartografie,” volgens de NASA.  Met een symbolische betekenis: een grens voor de mens, die altijd weer opschuift.

MU69 is de volgende “Ultima Thule” van de mensheid

Alan Stern, onderzoeker New Horizons

Het begrip “Ultima Thule” heeft een verre voorgeschiedenis. Pytheas van Massalia (Marseille) ondernam in de 4e eeuw voor onze tijdrekening een ontdekkingsreis naar het hoge noorden, onder meer naar een land dat hij “Thule” noemde. Was het de Noorse kust, de Shetland of de Faroer-eilanden of Ijsland? Van Pytheas zelf zijn geen geschriften bewaard, wel hebben andere auteurs over zijn reis geschreven.

Het uiterste punt der aarde

Vergilius

Publius Vergilius Maro schreef in “Georgica” over “een eiland in de noorderzee, het uiterste punt der aarde van de Ouden gekend en het verst in ’t noordwesten gelegen”. Publius Cornelius Tacitus in “Agricola” had het over een ruwe streek die onder eeuwigdurende sneeuw lag.

Gaius Plinius Secundus maior, ofwel Plinius de Oudere, situeerde de plek zes dagen varen ten noorden van Groot-Brittannië, een streek “waar er geen nacht is in het midden van de zomer, en omgekeerd geen dag midden in de winter”. Wellicht doelde Plinius op Noorwegen of de Orkney- of de Shetlandeilanden.

In de middeleeuwen stond het begrip “Ultima Thule” voor “ergens ver buiten de grenzen van de bekende wereld”. De 16e-eeuwse Antwerpse cartograaf Abraham Ortelius dacht aan een landstreek in Noorwegen, die de bewoners “Tilemark” noemden. Zijn tijdgenoot William Camden situeerde Ultima Thule in de Shetland-eilanden. “Thylenfel” zeiden de zeelieden . Ook Ijsland werd genoemd. “Innis Tile” is de Schots-Gaelische naam voor Ijsland.

In het echt…

Thule bestaat trouwens echt, het is de vroegere naam van Qaanaaq, een stadje op Groenland waar ook een Amerikaanse legerbasis gevestigd is. En ook drie eilanden van de South Sandwichs heten Zuid-Thule omdat ze zo immens ver in het zuiden van de Stille Oceaan liggen. Pikant detail: dat is Brits overzees gebied, maar wordt opgeëist door Argentinië, net als de Falklands.

… en in de verbeelding

Ultima Thule spreekt tot de verbeelding: het verste punt, het einde van wereld, een onbereikbare, mythische plek, op de grens van de barbarij. Zeker in de romantische 19e eeuw gingen kunstenaars en schrijvers ermee aan de slag.

Sir Walter Scott, de Schotse dichter en historische romancier, schreef over Thule, net als de Amerikaanse romantische dichter Henry Wadsworth Longfellow.

With favouring winds, o’er sunlit seas,
We sailed for the Hesperides,
The land where golden apples grow;
But that, ah! that was long ago.

How far, since then, the ocean streams
Have swept us from that land of dreams,
That land of fiction and of truth,
The lost Atlantis of our youth!

Wither, ah, wither? Are not these
The tempest-haunted Orcades,
Where the sea-gulls scream, and breakers roar,
And wreck and sea-weed line the shore?

Ultima Thule! Utmost Isle!
Here in thy harbors for a while
We lower our sails; a while we rest
From the unending, endless quest.

Johann Wolfgang von Goethe schreef het gedicht “Koning van Thule”.

Es war ein König in Thule,
Gar treu bis an das Grab,
Dem sterbend seine Buhle
einen goldnen Becher gab.

Es ging ihm nichts darüber,
Er leert’ ihn jeden Schmaus;
Die Augen gingen ihm über,
So oft er trank daraus.

Und als er kam zu sterben,
Zählt’ er seine Städt’ im Reich,
Gönnt’ alles seinen Erben,
Den Becher nicht zugleich.

Er saß beim Königsmahle,
Die Ritter um ihn her,
Auf hohem Vätersaale,
Dort auf dem Schloß am Meer.

Dort stand der alte Zecher,
Trank letzte Lebensglut,
Und warf den heiligen Becher
Hinunter in die Flut.

Er sah ihn stürzen, trinken
Und sinken tief ins Meer,
die Augen täten ihm sinken,
Trank nie einen Tropfen mehr.

Het werd op muziek gezet door veel componisten: Franz Schubert, Robert Schumann, Franz Liszt, Hector Berlioz in de opera “La damnation de Faust” of door Charles Gounod in zijn Faust-opera.

Nog in muzikale sferen maakte de Duitse elektro-groep Tangerine Dream in 1971 een lang uitgesponnen nummer met als titel “Ultima Thule”. In Zweden leeft er ook een vikingrockgroep met dezelfde naam.

In het Nederlands taalgebied schreef Ida Gerhardt verschillende gedichten over Ultima Thule.

“Schapen en wolkendrachten
vachten in elkander verwist,
blaten en dalende mist.
Regengeladen de nachten,
nevelige dageraad.
De nog met water bevrachte
aardeschijf. Aanvangsstaat.”

Cees Nooteboom beschrijft in „Ultima thule“ een reis naar Spitsbergen en naar een noordelijke Russische mijnstad. Thea Beckman herdoopte Groenland tot “Thule” in haar toekomstroman “Kinderen van moeder aarde”. Ultima Thule is ook de naam van een Gents gezelschap dat al jaren felgesmaakt figuren- en beeldend theater maakt voor jongeren en volwassenen.

Lees deze tekst ook op vrtnws.be.

GR in het landschapskantoor

DSCN0978.JPG

Wie markeert rood-wit het
DNA van mijn bedrijf
rolt me uit en kantelt me
in, implementeert resultaat-
en klantgericht mijn
merkbeleving?

Wie houdt mijn rendement
in het oog, ja,
tussentijds,
seint mij in
hoe en wat ik meeneem,
in de markt zet,
bijstuur?

Wie daagt me uit als
teamspeler zonder
9-to-5-mentaliteit, met
helikopterzicht,
hands-on, voeten
vooruit?

Staan de doelstellingen
naast de prioriteiten en de
opportuniteiten?

Waar liggen de leidinggevenden,
de leane managers?

Ik zoek mijn traject, mijn
takenpakket, proactief en
autonoom netwerkend
tussen stakeholders en
extralegale voordelen.

Is er nog buizenpost?
Helpen blauwe bessen ook
tegen burn-out?

Ik trek een rood-witte streep
op mijn clean desk.

 

Kristien Bonneure

 

 

“Het lezen van de schelmenstreken van Reinaert de Vos kan ernstige schade toebrengen aan de tere kinderziel”

c217ba7c-01f9-11e9-abcc-02b7b76bf47fSylvia Weve

Een hedendaagse hertaling van Reinaert de Vos met tekeningen van bijna 20 illustratoren is aan een opmars in Nederland bezig. Wat is de aantrekkingskracht van de sluwe vos?

“De schelmenstreken van Reinaert de Vos” is geschreven door Koos Meinderts, een gevierd kinderboekenauteur die vorig jaar de Gouden Griffel won voor “Naar het noorden”. Hij knipte het vossenstrekenverhaal in hoofdstukken, waarbij 20 illustratoren een tekening maakten, onder hen ook Carll Cneut, Charlotte Dematons of Thé Tjong-Khing.

Het prentenboek neemt een hoge vlucht in Nederland. De populaire praatshow “De wereld draait door” koos het als Boek van de Maand. Recensenten schreven lovende stukken. “Drie weken na verschijnen zijn er ruim 10.000 exemplaren van verkocht,” juicht uitgever Frank van Klaveren. Vlaanderen volgt, maar niet zo snel als gedacht, want “jullie zijn toch de bakermat van het Reinaert-verhaal”.

Dit is geen aaibare Reinaert

“De schelmenstreken van Reinaert de Vos” is bedoeld voor jong en oud. “Het knappe is dat Meinderts de tekst niet erg aaibaar heeft gemaakt; de seksuele en religieuze verwijzigingen zitten er nog allemaal in,” zegt uitgever Van Klaveren aan VRT NWS. Het boek begint trouwens met een waarschuwing “dat het ernstige schade aan de tere kinderziel kan toebrengen”.

Auteur Koos Meinderts voegt eraan toe: “Ik heb aan de uitgever gevraagd of ik “vol op het orgel mocht spelen”, en dat mocht. Tegen de tendens in dat alles tegenwoordig preutser en mierzoet moet.”

Middelnederlands epos

“Van den vos Reynaerde” is een middelnederlands epos, met dieren als personages en vol verwijzingen naar de mensenmaatschappij en kritiek op clerus en adel. Waarschijnlijk werd het in de 13e eeuw geschreven door “Willem die Madoc maakte”. Het heeft wortels in de klassieke Griekse en Latijnse fabels en in de vossenverhalen van “Le roman de Renard”. Het originele handschrift is niet bewaard.

Koos Meinderts heeft zich gebaseerd op de Nederlandse teksteditie van dr. Tinbergen en op het Comburgse handschrift, rond 1400 geschreven in de omgeving van Gent.

Waarover gaat het epos? Kort samengevat: Reinaert is een sluwe vos, die andere dieren naar het leven staat en alles uit de kast haalt om niet veroordeeld te worden door koning Nobel. Al die andere dieren (Bruun de beer, Cuwaert de haas, Tibeert de kater…) zijn trouwens niet bijzonder schrander of hebben zelf boter op de kop.

Het is interessant om te zien hoe elke bewerker dit eeuwenoude verhaal actualiseert

Rik van Daele van het Reynaertgenootschap is tevreden met het nieuwe prentenboek en met de aandacht voor het verhaal. Hij heeft geen probleem met een eigentijdse versie. “Het is interessant om te zien hoe elke bewerker dit eeuwenoude verhaal actualiseert.” Van Daele signaleert dat er gemiddeld één Reinaert-bewerking per jaar opduikt.

Kleine valsspeler tegen hogere machten

“Valsspelen is van alle tijden,” duidt Van Daele de blijvende aantrekkingskracht van Reinaert. Omdat de wereld van de vos eigenlijk de mensenwereld is, met dierenpersonages met menselijke trekken “gaat Reinaert over ons”. In die zin “is Reinaert van alle tijden, maar in alle tijden ook weer anders”. De verscheidenheid van het hoofdpersonage valt af te lezen aan de 20 interpretaties van Nederlandse en Vlaamse illustratoren.

Auteur Koos Meinderts denkt dat Reinaert een snaar beroert omdat hij voor “de kleine man” staat, die het opneemt “tegen de hypocrisie en de hebzucht van de hoge omes. Een soort David tegen Goliath.  Reinaert weet zich ook overal uit te praten.” Natuurlijk is Reinaert ook zelf een schurk, maar “dat wordt door de vingers gezien”, volgens Koos Meinderts.

Collectief erfgoed

De bakermat van Reinaert mag dan wel Vlaanderen zijn, in Nederland wordt hij ook gelezen en bestudeerd. “Misschien dat hij toch wel meer tot het collectieve erfgoed van Vlaanderen én Zeeuws-Vlaanderen behoort,” zegt Rik van Daele.

Het verhaal is na honderden jaren nog altijd populair. Eerder dit jaar was er het evenement “Vossen” in het Waasland, de bakermat van Reinaert, “Waes, het soete lant”: een fietstocht en kunstmanifestatie, georganiseerd door de stichting van Fernand Huts. “Reinaert de vos” als hoorspel van het Geluidshuis was een hit op de Boekenbeurs.

Schurk én held

Meer in het algemeen is de vos het dier “we love to hate”, half schurk en half held. Vossen duiken op in boeken, films en opera. De Kroatisch-Nederlandse Dubravka Ugresic publiceerde eerder dit jaar “De vos”, een roman die de vos in al zijn gedaantes volgt over de wereldbol. “Ten zuiden van de rivier” van Blake Morrison (2007) verhaalt over stadsvossen in Londen. “De kleine prins” van Antoine de Saint-Exupéry leert levenslessen van een vos.  Louis Paul Boon verwerkte een Reinaert-thema in “De Kapellekensbaan”.

Hatsekidee!

“Zorro” betekent “vos” in het Spaans. Wes Anderson verfilmde “Fantastic Mr. Fox” van Roald Dahl. En al in de eerste aflevering van de Fabeltjeskrant dook Lowieke de vos op. “Hatsekidee!”

Vossen zijn ook geliefd in de designwereld. Kijk eens rond: vossen zijn overal, op sokken, mokken, schriften en truien. En ze duiken steeds vaker in levende lijve op, zelfs in de stad. In het bos achter de VRT-gebouwen in Schaarbeek is er veel vossenactiviteit. Er zijn 50 burchten geteld en afgelopen zomer waren er vijf koppels en vijf jongen.

 

“De schelmenstreken van Reinaert de Vos” van Koos Meinderts is uitgegeven bij Hoogland & Van Klaveren, die eerder al andere klassiekers bewerkte en door vele tekenaars liet illustreren: “De baron van Münchhausen” en “De avonturen van Odysseus”. Lees deze tekst ook op vrtnws.be.

 

Opsporingsbericht

Hier zwiept het licht als een tak tegen je wang.
Daar de gezichten van de anderen
alsof ze opstappen op een trein. Je zou willen

bijknippen, herschikken. Die man daar
weer laten opbloeien uit zijn regenjas. Maar
je wil niemand missen. Niet de witte paardenkastanje

en zijn armen als afleggers, de eiken en de beuken
die in hun kostuums naar buiten staan te kijken.
De varens met hun stekels, de bladverliezende azalea’s

met hun dunnende dos. Zit hier iemand tussen
die aan de beschrijving voldoet? Roodbruin
zou hij zijn, haar in een staart met een witte punt.

Op zwarte sokken. Iemand vangt de zon
met een hand . Je ziet de schaduw
die op de rugleuning voor je valt. Een duim

naar boven, de wijsvinger vormt een oog.
De pink gespreid, weg van de andere vingers.
De schaduw hapt en doet je adem stokken.

Paul Demets
Plattelandsgedicht XXXIII-oktober 2018

Voor de Tuindagen in het Park van Beervelde en voor het Reynaertjaar van de gemeente Lochristi.

600.000 beeldjes vertrekken naar alle windstreken

DSCN1181.JPG

De 600.000 beeldjes van klei, die ruim een half jaar in Ieper hebben gelegen als eerbetoon aan evenveel slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog, worden gratis weggegeven. Het kunstproject “Coming world remember me” van Koen Vanmechelen wordt daarmee officieel ontmanteld. VRT NWS-journaliste Kristien Bonneure was een van de vele duizenden makers. Ze ging ook op zoek naar het oorlogsslachtoffer waarmee ze via een beeldje gelinkt is.

Wat er de afgelopen vier jaar is gebeurd zou je “crowd-kleien” kunnen noemen. Alles samen hebben 180.000 mensen meegewerkt. Het resultaat: 600.000 mensjes van gebakken klei, evenveel als er Belgische slachtoffers waren van de Eerste Wereldoorlog: militairen en burgers. Nu kan iedereen een beeldje ophalen in het provinciaal domein De Palingbeek in Ieper, ook wie er zelf geen heeft gemaakt.

De voorbije dagen trokken al veel mensen gewapend met een lege zak naar de Palingbeek. “Iets gratis uitdelen, dat trekt altijd veel volk aan”, zegt een vrijwilliger. Maar respect is wel geboden: ten slotte staat elk figuurtje van klei symbool voor een dode. “Niet over de beeldjes lopen en ook niet doorverkopen”, waarschuwt gedeputeerde Myriam Vanlerberghe. Kunstenaar Koen Vanmechelen voegt eraan toe: “Vanaf nu is iedereen die een beeldje meeneemt een museum op  zich.” Hij koestert de stille hoop dat ooit, over 50 of 100 jaar, een curator de beeldjes weer eens bijeen zal brengen.

Herdenken, helpen, reflecteren, verbinden: dat was de bedoeling van “Coming world remember me” van Vanmechelen.  “Dat het project geleefd heeft, dat het mensen verbonden heeft, dat het mensen heeft doen nadenken over oorlog en vrede” vindt intendant Jan Moeyaert van blijvende waarde. Ik vond het een heel bijzondere, tastbare manier om stil te staan bij de Eerste Wereldoorlog en bij het vredespotentieel vandaag.

’t Poeierke

Het duurde een poos voor ik zelf de hand aan de ploeg kon slaan. In de vaste ateliers in Ieper en Nieuwpoort was ik niet geraakt en op het Kunstenfestival van Watou was er te veel kunst en te weinig tijd om een beeldje te maken. Maar net voor Wapenstilstand 2017 kwam “Coming world remember me” naar me toe met een mobiel atelier in Vilvoorde. Op een symbolische plek: de Kruitfabriek.

Na Wapenstilstand lieten de Duitse troepen 200 onbewaakte treinwagons met munitie achter in Vilvoorde. Het spul kwam onder meer terecht in buskruitfabriek ’ t Poeierke. Op 31 mei 1919 brak daar brand uit. Er vielen 13 doden, duizend huizen liepen schade op, 100 gezinnen hadden geen dak meer. De ontploffing werd als oorlogsramp erkend, omdat het om munitie uit WO I ging.

Bijna 100 jaar later krijg ik, uitgeweken West-Vlaming, in de Kruitfabriek in Vilvoorde een dikke cilinder zware klei van een vriendelijke medewerkster. Ik ga een beeldje maken van het type “New Generation”. Ik krijg een mooi boekje met een “certificaat van deelname” en een “dogtag”, zo’n ijzeren plaatje dat om de nek van de soldaten zat. Ik ben nu namelijk verbonden met een slachtoffer van de oorlog. Maar daarover straks meer. Een deel van mijn 5 euro is bestemd voor hulp aan kinderen in oorlogsgebied, met name in Oeganda en in Congo. 

 

cw2
het beeldje van els

Reusachtig wafelijzer

Met een vrachtwagen is het mobiele atelier aangevoerd en opgesteld. Goed gerief. Stevige werktafels en zware gietijzeren mallen om de figuurtjes in vorm te krijgen. Als een soort reusachtige wafelijzers. Met enkele vriendinnen ga ik aan de slag; we nemen onze tijd en hangen met ons volle gewicht aan de hengsels van de mallen. We draaien een holte in ons beeldje, zodat het niet barst als het straks gebakken wordt. Wat tevoorschijn komt zijn prachtige mensjes (m/v/x). Ineengedoken figuurtjes zonder geslacht maar met een duidelijk zichtbare ruggengraat, klaar om weer recht te veren.

De vorm van alle 600.000 beeldjes is dezelfde, maar de afwerking verschilt. Ik strooi wat wit zand over mijn beeldje en fluister het wat vredevols in; iemand anders maakt van de ruggengraat een rechtopstaande rij vinnen als van een dinosauriër. Er wordt gekerfd en versierd, gladgemaakt, gekarteld en geschubd. Tot we tevreden zijn. Als alles klaar is leggen we de beeldjes in kratten. Het lijken wel prehistorische schedels.

In Vilvoorde zijn veel schoolklassen beeldjes komen maken; ik zie dat leerlingen hun naam (“Ayoub”, “Hannah”) in de klei hebben vereeuwigd. Iemand heeft er een vredesteken in gezet.

Ouders en kinderen

Het mobiele atelier in Vilvoorde is een van de maar liefst 150 workshops, in binnen- en buitenland, tussen 2014 en 2018 georganiseerd. Alles samen 180.000 mensen werken eraan mee. Ik maak één beeldje, sommige verenigingen een heleboel. Veel ouders kleien samen met hun kinderen. 180.000 mensen, gedurende vier jaar. Van 1.230.000 kilo gemengde klei uit Ieper en Duitsland hebben we 600.000 beeldjes gemaakt. Cijfers om van te duizelen.

Al die loodzware houten kratten uit alle hoeken van het land zijn daarna naar het bouwbedrijf Wienerberger in Kortemark gebracht, waar doorgaans bakstenen en dakpannen in de oven gaan. Nu draaien de ovens artistieke overuren.

In februari en maart zijn 4000 vrijwilligers aan de slag in het provinciaal domein De Palingbeek in Ieper, het niemandsland van een eeuw geleden. Ik volg hen via sociale media; het is bitter koud en vochtig, maar het veld vol beeldjes groeit gestaag als een oranje plas. Met engelengeduld schikken ze de beeldjes van gebakken klei, de ruggengraten netjes in dezelfde richting. In het midden komt een verhoog met een reusachtig oer-ei van Koen Vanmechelen, waar nog eens 47.000 kleinere beeldjes uitstromen.

 

Om heel stil van te worden

Op 30 maart opent de landartinstallatie en in de zeven maanden die volgen komen maar liefst 250.000 mensen op bezoek. In mei ga ik erheen, op een zonnige weekdag, met een vriendin, ook meter en maker van een beeldje. We lopen langs een pad dat uitzicht biedt vanuit de hoogte. Adembenemend. De roestbruine zee valt bij het naderen uiteen in aparte beeldjes, als de facetten van een groot oog. Hele zones lijken op elkaar, als seriewerk, maar er zijn ook echte karakters bij.

Ik zoek niet naar “mijn” ventje of vrouwtje. Hoe zou ik het ook herkennen? Ik weet en voel dat het hier ergens zit, schouder aan schouder met alle anderen. Misschien staat het ergens aan de rand van het veld? Stel dat het plotseling het hoofd heft, dan kijkt het recht het bos in.

Het is stil aan de Palingbeek in Zillebeke, deelgemeente van Ieper. We denken aan leven en dood, aan massa en individu, aan de grond waarop we staan met die 600.000 doden, weer tot leven gebracht in een “New Generation”. Altijd al een fan van landart geweest, maar dit is het indrukwekkendste collectief gemaakte project dat ik ooit zag.

DSCN0259

 

De Caterpillar

In de directe omgeving van de beeldjes luisteren we naar oorlogspoëzie. Dan is het tijd om alles weg te laten waaien. De Palingbeek, het grootste provinciedomein van West-Vlaanderen, is een uitgestrekt wandelgebied van 350 hectare. Hoe idyllisch ook, een eeuw geleden was het een bloederig slagveld. We komen handdoekgrote begraafplaatsjes tegen en de fameuze Hill 60, zo vaak van kant gewisseld en ondermijnd. Een chaotische molshoop, nog altijd “geaccidenteerd terrein”.

We stoppen abrupt aan de rand van een enorme krater, de Caterpillar. Alsof er een meteoriet is neergekwakt. De put is het resultaat van een mega-mijnontploffing. Op 7 juni 1917 brengen de geallieerden 32 ton dynamiet in tunnels tot ontploffing, om de Duitsers te verdrijven. Op 16 mei 2018 zien we libellen boven het vijvertje op de bodem van het buitenaards diepe gat.

Leonard Blanchard

Enkele maanden later. Ik krijg bericht dat mijn naam, als maker van een beeldje, gekoppeld is aan die van een oorlogsslachtoffer. Leonard Blanchard, een Britse “private” van 19, gesneuveld op 12 april 1918. Zijn lichaam is nooit gevonden. Zijn naam staat op het Ploegsteert Memorial. Daar wil ik heen.

Ondanks de droge, hete zomer is het groen intussen stevig opgeschoten tussen de 600.000 beeldjes. Voor de ene bezoeker de natuurlijke gang van zaken, de andere vindt het respectloos. Wat ware het mooi geweest als deze hele menagerie weer aan de natuur werd gegeven. Dat de gebakken klei zich zou vermengen met de Ieperse grond. Maar het mag niet zijn. De kunstinstallatie wordt ontmanteld en het natuurgebied is straks weer van de kamsalamanders.

Eentje uit velen

Midden november nu. Iedereen mag een beeldje komen halen, zelfs wie er geen zelf heeft gemaakt. “Iedereen wordt nu zijn eigen museum”, zegt Koen Vanmechelen. De 600.000 beeldjes zijn in alle windstreken gemaakt en hebben hier betekenisvolle tijd samen doorgebracht. Nu zwermen ze weer uit naar alle windstreken. Dat is niet minder betekenisvol; ze nemen het verhaal met zich mee.

DSCN1177

 

Ik loop een Britse familie tegen het lijf, die stomverbaasd is over dit project. Ze zijn hier voor de grote herdenkingen en om een bezoek te brengen aan het graf van een gesneuvelde oudoom.  Overal zie ik al mensen beeldjes oppakken en in zakken steken. Iemand loopt eroverheen en krijgt meteen luide commentaar.

Ploegsteert

Op naar Ploegsteert nu, waar de naam van Leonard Blanchard te vinden moet zijn. Plug Street zeiden de Britten. Aan de andere kant van de taalgrens. De onfortuinlijke wielrenner Frank Vandenbroucke ligt er begraven, vereeuwigd in het bekendste lied van “Het Zesde Metaal”. Vandenbroucke ligt er niet alleen; het wemelt van de Britse begraafplaatsen in Ploegsteert. Ik vind “Hyde Park Corner Cemetery” (wat een naam) met 80 graven en aan de overkant van de straat het “Berks Cemetery Extension” met 800 graven en het open paviljoen “Ploegsteert Memorial”, ter nagedachtenis van meer dan 11.000 gesneuvelden zonder graf. Een kleinere versie van de Menenpoort in Ieper. Ik loop met m’n vinger langs de panelen met namen en vind … Leonard Blanchard. Ik zet het beeldje dat ik meebracht uit Ieper bij zijn naam.

DSCN1189

Veel informatie over Blanchard heb ik niet gevonden. Hij is vermoedelijk in 1899 geboren in Sutton-on-Hull. Was bij het elfde bataljon van het East Yorkshire Regiment. Stamnummer 29766. Rang: private. Gesneuveld, “killed in action” op 12 april 1918. Als zijn geboortejaar klopt dan was hij 19 jaar, zo jong als mijn zoon.

Zoals zo vaak in de Westhoek gaan gesprekken aan begraafplaatsen zelden  over het weer. Een Ierse man staat te kijken hoe ik m’n beeldje een plek geef in Ploegsteert. Wanneer ik hem over het project “Coming World Remember Me” vertel is hij zo ontroerd dat hij afscheid neemt met een kus.

DSCN1192.JPG

Niet enkel Leonard Blanchard, àlle 600.000 namen staan ook op ijzeren “dogtags” in een glazen container aan de Palingbeek. Koen Vanmechelen heeft ze bovendien op een usb-stick, verzegeld en wel, in een van zijn kunstwerken gestopt: een plexi ei dat in een nest van bronzen klauwen ligt. Dat werk blijft staan in Ieper. Het grote oranje ei tussen de 600.000 beeldjes krijgt elders in het domein een stekje.

Ik heb nog een tweede beeldje meegenomen; het staat intussen op de kast thuis. Het beeldje dat ik zelf maakte staat misschien al bij iemand anders. Dank je, Koen Vanmechelen, Jan Moeyaert, mede-kleiers, vrijwilligers, bezoekers.

De Palingbeek is straks weer leeg. “Als ik vanzeleven weer eens in de Westhoek passeer” ga ik nog eens naar die andere sterke beelden kijken: de gebroken vader en moeder van Käthe Kollwitz op de Duitse begraafplaats in Vladslo.

DSCN0211.JPG

Lees deze tekst ook op vrtnws.be.

To end all wars?

bbd56376-e67b-11e8-abcc-02b7b76bf47fNa 11 november 1918 tekenden zich nieuwe breuklijnen af, zowel op de landkaart als in het leven van mensen. Dat wil de tentoonstelling “To end all wars?” in Ieper belichten. Coördinator Piet Chielens van het In Flanders Fields Museum maakt meteen een balans op van vier jaar intense oorlogsherdenking.

Van de futuristische auteur H.G. Wells komt de uitdrukking “een oorlog die alle andere oorlogen zal beëindigen”. Politici namen de zin over, maar het bleek een grove leugen: de Eerste Wereldoorlog was geenszins de laatste.

To end all wars? Helemaal niet. WO I heeft veel andere conflicten in gang gezet of bespoedigd

“De Wapenstilstand vieren is kijken door een West-Europese bril,” zegt Piet Chielens, coördinator van het In Flanders Fields Museum. Centraal- en Oost-Europa, de Sovjet-Unie, het Midden-Oosten: daar waren de conflicten helemaal niet opgelost. Zo veel elementen in die “nieuwe wereldorde” zullen leiden tot de Tweede Wereldoorlog, de Joegoslavië-oorlogen en de problemen tot vandaag in het Midden-Oosten. “Veel van de staten die in 1919 “bedacht” waren, bestaan niet meer!”

 

In de tentoonstelling ligt een exemplaar van het vredesverdrag van Versailles, van 28 juni 1919. Met niet mis te verstane bewoordingen: Duitsland is schuldig, draagt alle verantwoordelijkheid en zal alle schade vergoeden.

Vrede of wraak?

“Er was zo veel gevraagd van de bevolking en het was een eerlijke drijfveer om dat te kunnen compenseren. Daardoor werd  Duitsland verplicht om alle schade te vergoeden. Maar het was uiteindelijk een soort wraakoefening, die leidde tot economische instabiliteit in Duitsland. Het was gewoon onmogelijk om alles eisen in te willigen. De Britten vroegen zelfs om de pensioenen van de soldaten te betalen,” verduidelijkt Piet Chielens. De scherpe eisen van Versailles leidden tot economische chaos en grote politieke spanningen in Duitsland, tot de opkomst van de nazi’s in de jaren 30 en uiteindelijk tot een nieuwe oorlog.

“Risk”

“Alles werd afgewenteld op de schuldigen: het Duitse Rijk, Oostenrijk-Hongarije, het Ottomaanse Rijk. Wat de schuld was van de geallieerden voor de wereld vòòr WOI en hoe alles in elkaar werd gestoken erna: daar is geen antwoord op gegeven. Dus leek het eerder op een wraakoefening, dan op een echt zoeken naar bestendige vrede.”  Met hertekende grenzen.

De maat van oorlog moet altijd de mens zijn

De expo “To end all wars?” maakt dat heel aanschouwelijk met kaarten en met onderhandelingstafels die eruit zien als speeltafels waaraan een spelletje Risk wordt gewonnen of verloren. Maar zoals altijd zoekt het In Flanders Fields Museum ook de mens in de grote geopolitiek.

Een gescheiden familie

Het verhaal van de familie Baccarne-De Schepper in Langemark is exemplarisch. In oktober 1914 valt het front tussen twee boerderijen. “Wat daarna gebeurt heeft gevolgen tot vandaag,” verduidelijkt Piet Chielens. De familie aan de Duitse kant beleeft de oorlog heel zwaar. Nakomelingen dragen daar nog de sporen van. Iemand schrijft boeken over de oorlog, of is schoenlapper geworden, net als zijn vader, omdat die niets anders kon doen met zijn oorlogshandicap.

De andere kant van de familie vluchtte naar Frankrijk en is daar gebleven, omdat er in de Westhoek niets meer te verdienen viel.  “De familie heet nu De Cheppère en boert goed in Normandië.”

“Dat ene moment, die ene dag, bepaalde het leven voor altijd. Net zoals een streep op een kaart vaak getrokken werd zonder rekening te houden met de enorme impact  op mensen.”

Slachtoffer van een grenshertekening

Nog een pakkend Belgisch voorbeeld uit de tentoonstelling: een brief van Antoinette Overbergh uit Heule, weduwe van Heinrich Lieutenant. De man woonde in de Oostkantons en had vòòr de Eerste Wereldoorlog de Duitse nationaliteit. Daarna werd het gebied van Duitsland afgescheurd en bij België gevoegd. Heinrich werd Belg. Tot de nazi’s het gebied weer inpikten en de man soldaat moest spelen in de Tweede Wereldoorlog, die hij niet overleefde. Zijn weduwe is er niet in geslaagd om van welke overheid ook enige compensatie te krijgen…

Het nooit gebouwde monument

In Flanders Fields Museum probeert burgerslachtoffers een naam en een gezicht te geven. Voor Ieper en omliggende gemeenten werden 2065 slachtoffers geteld, militairen en burgers. Op de monumenten op de vele pleinen staan er maar 430. Vanwaar dat grote verschil?

Piet Chielens: “Men heeft de burgerslachtoffers bijna nooit een plaats gegeven. We ontdekken nu pas dat we zoveel mensen vergeten zijn.”  Het museum in Ieper neemt zich voor om de namenlijst verder aan te vullen. Een titanenwerk. “Als we extrapoleren naar heel België denken we dat 35% van de (600.000) slachtoffers  burgers waren.”

“Het monument dat nooit werd gebouwd” noemt Chielens de namenlijst. De namen uit Ieper staan op tere zuilen van papier in het museum.

Fragiel geluk

Met de persoonlijke verhalen over slachtoffers, maar ook over vluchtelingen kun je mensen vandaag direct aanspreken, zegt Piet Chielens.  “Die verhalen zijn lange tijd niet doorverteld, omdat het over slechte tijden ging. Dat moeten we nu doen voor jongere generaties, opdat ze beseffen hoe fragiel geluk en goede tijden zijn. Er is nog onderzoekswerk voor vele jaren.”

Wat valt er nu nog te herdenken?

De voorbije vier jaar stonden in het teken van de herdenking – van dag tot dag – van de Grote Oorlog. Wat nu, Piet Chielens?

“We zullen de media-aandacht wat verliezen en misschien ook minder bezoekers krijgen. Maar we hebben een nieuwe generatie bereikt, die openstaat voor de geschiedenis. Misschien is het goed dat de officiële herdenkingen achter de rug zijn en dat mensen zelf – van onderuit – aan hun eigen geschiedenis verder kunnen schrijven. Dat is heel betekenisvol. Ik geloof heilig in de geschiedenis als inspiratiebron voor wie we zijn en wat we vandaag doen. Daarnaast hebben we de komende jaren ook oog voor de vérstrekkende gevolgen die de wereldbrand heeft gehad.” Zo komt er in 2022 een tentoonstelling over de Eerste Wereldoorlog in het Midden-Oosten.